Boek III · Hoofdstuk 24

Uitverkiezing, roeping en verharding

Inhoud van dit hoofdstuk · 17 secties
  1. 1De roeping is gebaseerd op de uitverkiezing
  2. 2Innerlijke roeping is een bewijs van de uitverkiezing
  3. 3De uitverkiezing is niet pas effectief als je gaat geloven
  4. 4Zekerheid krijgen over je eigen uitverkiezing
  5. 5Christus als spiegel van de uitverkiezing
  6. 6Zekerheid over je volharding
  7. 7Wie echt gelooft, kan nooit meer verloren gaan
  8. 8Algemene en speciale roeping
  9. 9Het voorbeeld van Judas
  10. 10Voordat uitverkorenen tot geloof komen, zijn ze niet beter dan anderen
  11. 11God verlost de uitverkorenen op zijn tijd
  12. 12Twee categorieën verworpenen
  13. 13God kan alle slechte mensen bekeren, maar wil het niet
  14. 14God laat de verworpenen verloren gaan omwille van zijn eer
  15. 15Volgens Ezechiël wil God de dood van de zondaar niet
  16. 16Volgens Paulus wil God dat iedereen gered wordt
  17. 17Wij ervaren in Gods wil een tegenstelling die er niet is

De roeping is gebaseerd op de uitverkiezing

Maar om dit onderwerp nog duidelijker te maken, moeten we nu zowel de roeping van de uitverkorenen behandelen als de verblinding en verharding van de goddelozen.

Over het eerste heb ik al iets gezegd,1 toen ik de dwaling weerlegde van degenen die denken dat heel het menselijk geslacht op één lijn staat, omdat de beloften universeel zijn. Maar Gods uitverkiezing is verborgen. Hij maakt die pas openbaar door de roeping. En dat doet Hij niet zonder een keuze te maken. Daarom kun je de roeping in eigenlijke zin een bewijs noemen van de uitverkiezing. ‘Want degenen die Hij van tevoren gekend heeft, die heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om te lijken op het beeld van zijn Zoon. En degenen die Hij daar van tevoren toe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen. En degenen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, om hen eens te laten delen in zijn glorie.’

Romeinen 8:29-30

Door hen uit te kiezen heeft de Heer de zijnen als zijn kinderen geadopteerd. Maar toch zien we dat ze die grote zegen alleen in bezit krijgen doordat ze geroepen worden. En aan de andere kant dat ze na hun roeping al kunnen genieten van een bepaald deel van hun uitverkiezing. Daarom noemt Paulus de Geest die ze krijgen de Geest van de adoptie als kinderen Romeinen 8:15 en een zegel en waarborg van de toekomstige erfenis. Efeziërs 1:13-14; 2 Korinthiërs 1:22; 5:5 Want de Geest bevestigt en bezegelt met zijn getuigenis in hun hart de zekerheid van de toekomstige adoptie.

Want de prediking van het evangelie ontspringt weliswaar uit de bron van de uitverkiezing. Maar toch zou die prediking op zichzelf geen voldoende bewijs zijn van de uitverkiezing. De prediking geldt immers ook voor verworpenen. Maar God onderwijst de uitverkorenen effectief, om hen tot geloof te brengen, zoals ik hiervóór uit Christus’ woorden heb geciteerd: ‘Wie van God is, heeft de Vader gezien. Niemand anders.’ Johannes 6:46 En: ‘Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen die U Mij gegeven hebt.’ Johannes 17:6 Terwijl Hij ergens anders zegt: ‘Niemand kan bij Mij komen als de Vader hem niet trekt.’ Johannes 6:44

Augustinus heeft deze passage verstandig uitgelegd in deze woorden: ‘De waarheid zegt dat ieder die het geleerd heeft, komt. Dus dan heeft wie niet komt het ook niet geleerd. Dat betekent dus niet dat wie komen kan alleen komt als hij het niet wil en niet zelf doet. Nee, het betekent dat ieder die het van de Vader geleerd heeft, niet alleen kan komen, maar ook komt. Daarin zitten dus het voordeel van het kunnen, het verlangen van het willen en het effect van het doen.’

Ergens anders zegt hij het nog duidelijker: ‘Wat betekent: “Ieder die het gehoord en geleerd heeft van de Vader, komt bij Mij,” Johannes 6:45 anders dan: er is niemand die het hoort en leert van de Vader en niet bij Mij komt? Want als ieder die het gehoord en geleerd heeft van de Vader, komt, dan heeft natuurlijk ieder die niet komt, het niet gehoord en geleerd van de Vader. Want als hij het wel gehoord en geleerd had, zou hij komen. Dit onderwijs, waarin je de Vader hoort en leert hoe je bij de Zoon moet komen, staat veraf van de zinnen van het vlees.’

Even later: ‘Deze genade wordt in het verborgen aan het mensenhart toegekend. Een hard hart krijgt het niet. Want je krijgt het zodat de eerdere hardheid van het hart wordt weggenomen. Dus als je vanbinnen de Vader hoort, neemt Hij het hart van steen weg en geeft Hij een hart van vlees. Ezechiël 11:19; Ezechiël 36:26 Want zo maakt Hij de kinderen van de belofte en de vaten van barmhartigheid die Hij van tevoren bestemd heeft voor de glorie. Waarom leert Hij dan niet iedereen hoe ze bij Christus moeten komen? Waarom anders dan omdat Hij degenen die Hij het leert, het leert door zijn barmhartigheid, terwijl Hij degenen die Hij het niet leert, het niet leert door zijn oordeel? Want Hij ontfermt zich over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.’ Romeinen 9:18

God bestemt dus tot zijn kinderen degenen die Hij heeft uitgekozen en Hij bestemt zichzelf tot hun Vader. Verder neemt Hij hen op in zijn gezin door hen te roepen. Hij wordt één met hen zodat ze samen één zijn. En als de Schrift de roeping verbindt met de uitverkiezing, geeft de Schrift daarmee duidelijk genoeg aan dat in die roeping niets anders te vinden is dan Gods gratis barmhartigheid. Want als we vragen wie Hij roept en op welke manier, dan antwoordt de Schrift: degenen die Hij heeft uitgekozen. En als je naar de uitverkiezing kijkt, dan zie je daar aan alle kanten alleen maar barmhartigheid.

Ja, hier gaat het om wat Paulus zegt: het hangt er niet van af of iemand wil of zijn best doet, maar of God zich ontfermt. Romeinen 9:16 En dat moet je niet opvatten zoals degenen altijd doen die het verdelen over Gods genade en het willen en de inspanning van de mens. Zij leggen het immers zo uit: het verlangen en proberen van mensen betekent op zichzelf niets als Gods genade hen niet voorspoedig maakt. Maar, beweren ze, als ze door Gods zegen geholpen worden, leveren ze ook zelf een bijdrage aan het verwerven van het behoud.

Hun uitvlucht weerleg ik liever met woorden van Augustinus dan met mijn eigen woorden: ‘Als de apostel alleen maar heeft willen zeggen dat het niet alleen afhangt van degene die wil of zijn best doet, maar dat de barmhartige Heer erbij moet komen, dan kun je ook het tegenovergestelde zeggen: het hangt niet alleen af van de barmhartigheid, maar ook de wil en de inspanning moeten erbij komen. Maar dat is natuurlijk goddeloos. Dus mogen we er niet aan twijfelen dat de apostel alles toekent aan de barmhartigheid van de Heer en niets over laat voor onze wil en ijver.’

Zo dacht deze heilige man erover. En ik hecht geen enkele waarde aan het scherpzinnigheidje waarmee mijn tegenstanders komen aandragen: dat Paulus dit niet gezegd zou hebben als wij het niet een beetje zouden kunnen proberen en het niet een beetje zouden willen. Want hij kijkt niet naar wat de mens kan. Nee, hij zag dat sommigen een deel van het behoud toeschreven aan de ijver van mensen. Daarom heeft hij met het eerste deel van zijn zin hun dwaling veroordeeld en vervolgens het behoud in zijn totaliteit toegekend aan Gods barmhartigheid. En wat doen de profeten anders dan continu Gods gratis roeping verkondigen?

13.22.10-11.

Innerlijke roeping is een bewijs van de uitverkiezing

Bovendien blijkt dit ook duidelijk uit de aard en de uitdeling van de roeping. Want die bestaat niet alleen uit de prediking van het Woord, maar ook uit de de verlichting door de Geest.

Aan wie God zijn Woord aanbiedt, lezen we bij de profeet Jesaja: ‘Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten. Ik ben verschenen aan wie niet naar Mij vroegen. Tegen het volk dat mijn naam niet aanriep, heb Ik gezegd: “Kijk, hier ben Ik!”’ Jesaja 65:1

En de Joden moesten niet denken dat die zachtmoedigheid alleen voor de heidenen gold. Daarom brengt Hij hun ook in herinnering waaruit Hij hun vader Abraham aannam. Toen Hij Abraham het waard keurde dat Hij zich aan hem verbond, zat Abraham nog midden in de afgoderij, waarin hij met al de zijnen weggezonken was. Jozua 24:2-3

Als God degenen die dat niet verdienen voor het eerst met het licht van zijn Woord bestraalt, geeft Hij daarmee een overduidelijk bewijs van zijn gratis goedheid. Daaruit blijkt dus al hoe onmetelijk goed God is. Maar het is nog niet genoeg voor redding. Want de verworpenen staat een zwaarder oordeel te wachten omdat ze het bewijs van Gods liefde negeren. Bovendien, om zijn glorie aan het licht te brengen, ontneemt God hun de effectiviteit van zijn Geest.

Deze innerlijke roeping is dus een waarborg van het behoud. Een waarborg die niet kan bedriegen. Daarop slaat deze uitspraak van Johannes: ‘We weten dat we zijn kinderen zijn dankzij de Geest die Hij ons gegeven heeft.’ 1 Johannes 3:24; 4:13 En God wil voorkomen dat het vlees zich erop zou laten voorstaan dat het, toen God riep en zichzelf uit eigen beweging aanbood, in elk geval gereageerd heeft. Daarom verklaart Hij dat er geen oren zijn om te luisteren en geen ogen om te zien, behalve de oren en ogen die Hij gemaakt heeft. En dat Hij die maakt, niet in overeenstemming met hoe dankbaar iedereen is, maar in overeenstemming met zijn uitverkiezing.

En daar heb je een heel goed voorbeeld van bij Lucas. Daar luisteren Joden en heidenen samen naar de prediking van Paulus en Barnabas. Ze werden toen allemaal onderwezen door hetzelfde Woord. Toch vertelt Lucas dat degenen die bestemd waren voor het eeuwige leven, geloofden. Handelingen 13:48 Wat zou het dan onbeschaamd zijn als we zouden ontkennen dat de roeping gratis is. Want daarin regeert zelfs tot het laatste stukje toe de uitverkiezing!

De uitverkiezing is niet pas effectief als je gaat geloven

We moeten hier echter oppassen voor twee dwalingen. Sommigen maken van de mens een medewerker van God. De uitverkiezing geldt dan pas echt als de mens ermee instemt. De wil van de mens staat volgens hen dus boven Gods plan. Alsof de Schrift zou leren dat ons de mogelijkheid gegeven wordt om te geloven en niet het geloof zelf! Anderen verzwakken de genade van de Heilige Geest niet op deze manier. Maar toch maken ze – ik weet niet om welke reden – de uitverkiezing afhankelijk van wat later komt. Alsof de uitverkiezing twijfelachtig en ineffectief zou zijn zolang die niet door geloof bevestigd wordt!

Natuurlijk is het duidelijk dat de uitverkiezing voor zover het ons aangaat inderdaad bevestigd wordt. Ook hebben we eerder al gezien dat Gods geheime plan aan het licht komt. Als je zulke uitdrukkingen maar niet anders opvat dan zo: de waarheid van wat ons onbekend was, wordt bewezen en als het ware met een zegel of waarmerk bezegeld.

Maar het is onjuist als je zegt dat de uitverkiezing pas effectief is als wij het evangelie omhelsd hebben en pas daardoor geldig is. Weliswaar moeten wij daaruit de zekerheid halen dat we uitverkoren zijn. Want als wij tot Gods eeuwige besluiten proberen door te dringen, zal die diepe afgrond ons verzwelgen. Maar als God ons heeft bekend gemaakt dat we uitverkoren zijn, moeten we hoger opstijgen. Want het effect mag de oorzaak niet verduisteren. Immers, de Schrift leert dat wij verlicht zijn omdat God ons heeft uitgekozen. Wat zou dan meer absurd en onwaardig zijn dan dat onze ogen door de glans van dat licht verblind worden, zodat ze weigeren aandacht te schenken aan de uitverkiezing?

Toch ontken ik ondertussen niet dat wij, om zeker te zijn van ons behoud, moeten beginnen bij het Woord. En dat ons vertrouwen er tevreden mee moet zijn dat we God als onze Vader aanroepen. Sommigen hebben het verkeerde verlangen om boven de wolken te vliegen om meer zekerheid te krijgen over Gods plan. Maar dat plan is vlak bij ons, in onze mond en in ons hart. Deuteronomium 30:14 Die overmoed moet dus in bedwang gehouden worden door de zelfbeheersing van het geloof.

We moeten genoeg hebben aan God als getuige van zijn verborgen genade in zijn uiterlijke Woord. Maar dan mag het kanaal waarlangs het drinkwater in overvloed naar ons toestroomt niet verhinderen dat de bron de eer krijgt die ze verdient.

Zekerheid krijgen over je eigen uitverkiezing

Het is dus verkeerd om de kracht van de uitverkiezing afhankelijk te maken van het geloof in het evangelie, waardoor we voelen dat we deel hebben aan de uitverkiezing. Daarom kunnen we het beste deze volgorde volgen: als we zoeken naar zekerheid over onze uitverkiezing, moeten we ons houden aan de tekenen die er later op volgen. Dat zijn betrouwbare bewijzen dat we uitverkoren zijn.

De ernstigste of gevaarlijkste verleiding waarmee Satan de gelovigen treft, is dat hij hen verontrust met twijfel over hun uitverkiezing en hen tegelijk prikkelt met een verkeerd verlangen om er buiten de weg naar op zoek te gaan.

Met buiten de weg op zoek gaan, bedoel ik dat een mensje probeert in te breken in de geheime schuilhoeken van Gods wijsheid en probeert door te dringen in de diepste eeuwigheid om te kunnen begrijpen wat voor Gods rechterstoel over hem besloten is. Immers, dan stort hij zich in een onmetelijk diepe draaikolk en wordt hij verzwolgen. Dan verwart hij zich in talloze onontwarbare strikken. Dan begraaft hij zich in een afgrond van blinde duisternis. Want het is terecht dat de dwaasheid van het menselijk verstand zo door een vreselijke val gestraft wordt als hij in eigen kracht probeert op de stijgen tot de hoogte van Gods wijsheid.

En zo’n poging is extra dodelijk omdat wij bijna allemaal nergens anders zo sterk toe geneigd zijn. Want je komt maar zelden iemand tegen die in zijn hart niet soms getroffen wordt door deze gedachte: waar komt je behoud anders vandaan dan uit Gods uitverkiezing? Maar welke openbaring heb je dat je uitverkoren bent? En als deze gedachte eenmaal is opgekomen, dan martelt zo’n ellendig mens zich continu met vreselijke kwellingen, of hij raakt totaal van streek.

Ik zou werkelijk geen overtuigender argument kunnen wensen om te laten zien hoe verkeerd zulke mensen zich de voorbestemming voorstellen, dan juist deze ervaring. Want het hart kan met geen gevaarlijker dwaling besmet worden dan een dwaling die het geweten berooft van haar vrede met God en haar rust en die haar in verwarring brengt. Dus als we bang zijn voor schipbreuk, dan moeten we angstvallig oppassen voor deze klip. Daar kun je nooit op stoten zonder te vergaan!

En echt, ook al beschouw je het uitleggen van de voorbestemming als een gevaarlijke zee, toch is het mogelijk om bij het onderzoeken daarvan een veilige en kalme, ja zelfs een aangename vaart te hebben. Als je je maar niet uit eigen beweging in gevaar probeert te begeven. Als je om zekerheid over je uitverkiezing te krijgen Gods eeuwige plan onderzoekt buiten zijn Woord om, werp je je in een dodelijke afgrond. Maar als je dat plan op de juiste manier ordelijk onderzoekt, zoals Gods Woord dat bevat, pluk je daarvan de vrucht van troost. Laten we bij het onderzoek dus deze weg volgen: we beginnen bij Gods roeping en eindigen daar.

Dit verhindert overigens niet dat de gelovigen ervaren dat de zegeningen die ze elke dag uit Gods hand ontvangen, neerdalen uit die verborgen adoptie als kinderen. Zo spreken ze bij Jesaja: ‘U hebt wonderen gedaan. Uw oude gedachten zijn waar en betrouwbaar.’ Jesaja 25:1 Want door de roeping wil God ons als door een merkteken zoveel bevestigen als we van zijn plan mogen weten.

Maar niemand moet denken dat dit maar een zwak bewijs is. Daarom moeten we bedenken hoeveel duidelijkheid en zekerheid het ons oplevert. Daarover spreekt Bernardus van Clairvaux heel toepasselijk. Want nadat hij het over de verworpenen gehad heeft, zegt hij: ‘Gods voornemen staat vast, de bedoeling van vrede staat vast boven degenen die Hem vrezen. Het dekt hun kwaad toe en beloont het goede van hen, zodat op een wonderlijke manier niet alleen het goede, maar ook het kwade meewerkt ten goede. Wie zal Gods uitverkorenen beschuldigen? Romeinen 8:33 Voor mij is het voor alle rechtvaardigheid voldoende dat alleen de enige tegen wie ik gezondigd heb, mij goedgezind is. Alles waarvan Hij besloten heeft dat Hij het mij niet aanrekent, daarvan is het net alsof het er nooit geweest is.’

En even later: ‘O, plaats van echte rust! Ik denk dat ik die terecht een slaapkamer mag noemen. Want daarin wordt God niet gezien als het ware ontzet van woede en ook niet vol zorg. Nee, daar blijkt dat zijn wil goed en plezierig en volmaakt is. De aanblik daarvan schrikt niet af, maar streelt. Die wekt geen onrustige nieuwsgierigheid op, maar brengt die juist tot bedaren. Hier kom je echt tot rust. De God van vrede maakt alles vredig en als je ziet dat Hij rustig is, kom je zelf tot rust.’

Christus als spiegel van de uitverkiezing

Als wij Gods vaderlijke zachtmoedigheid zoeken en zijn hart dat ons gunstig gezind is, dan moeten we in de eerste plaats onze ogen op Christus richten. In Hem alleen vindt het hart van de Vader rust. Mattheüs 3:17 Als we de redding, het leven en de onsterfelijkheid zoeken van het hemelse koninkrijk, moeten we nergens anders onze toevlucht zoeken. Want alleen Hij is de bron van leven, het anker van redding en de erfgenaam van het koninkrijk van de hemel. Wat is anders het doel van de uitverkiezing dan dat de hemelse Vader ons adopteert als kinderen en wij door zijn gunst redding en onsterfelijkheid krijgen? Hoe je het ook wendt of keert, hoe je het ook onderzoekt, je moet wel inzien dat de bedoeling ervan niet verder reikt dan dat.

Daarom zegt de Schrift dat God degenen die Hij als zijn kinderen geadopteerd heeft, niet heeft uitgekozen in henzelf, maar in zijn Christus. Efeziërs 1:4 Want Hij kon hen alleen maar liefhebben in Hem. Hij kon hen pas eren met de erfenis van zijn koninkrijk als ze eerst deel hadden gekregen aan Hem. Als we in Hem uitverkoren zijn, zullen we de zekerheid van onze uitverkiezing niet in onszelf vinden en zelfs niet in God de Vader als we ons Hem alleen voorstellen, zonder de Zoon.

Christus is dus de spiegel waarin we onze uitverkiezing horen te zien. En dat mogen we ook doen zonder dat we bedrogen worden. Want het is zijn lichaam waarin de Vader besloten heeft hen te enten die Hij van eeuwigheid als de zijnen gewild heeft. Daarom beschouwt Hij iedereen als zijn kinderen die Hij erkent als ledematen van Christus. Dus hebben wij een duidelijk en overtuigend genoeg bewijs dat wij in het boek van het leven geschreven staan, Openbaring 3:15; 20:12-15; 21:27 als we deel hebben aan Christus.

Verder heeft Hij ons de zekerheid gegeven dat we deel hebben aan Hem, toen Hij door de prediking van het evangelie verklaard heeft dat de Vader Hem aan ons gegeven heeft, zodat Hij met al het goede dat Hij heeft, van ons zou zijn.

Romeinen 8:32 De Schrift zegt over ons dat wij Hem aantrekken, Romeinen 13:14 dat wij samengroeien met Hem, Efeziërs 4:15 zodat wij mogen leven omdat Hij leeft. Deze leer wordt vaak herhaald: ‘De Vader heeft zijn eniggeboren Zoon niet gespaard, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat.’ Romeinen 8:32; Johannes 3:15-16 En over wie in Hem gelooft, wordt gezegd dat hij is overgegaan van de dood naar het leven. Johannes 5:24 In die zin noemt Christus zichzelf het levensbrood. Johannes 6:35 Wie dat eet, zal voor eeuwig niet sterven. Johannes 6:51; 6:58

Hij, zeg ik, is voor ons de getuige geweest dat de hemelse Vader iedereen die Hem in geloof heeft aangenomen, zal beschouwen als zijn kinderen. Als wij meer willen dan dat we als Gods kinderen en erfgenamen beschouwd worden, dan moeten we boven Christus uit klimmen. Maar Hij is onze uiterste grens. Hoe dwaas zijn wij dan als we buiten Hem zoeken wat we in Hem al gekregen hebben en wat alleen in Hem te vinden is!

Bovendien is Hij de eeuwige wijsheid, de onveranderlijke waarheid en het vaste plan van de Vader. Daarom hoeven we niet bang te zijn dat wat Hij ons zelf vertelt ook maar het kleinste stukje afwijkt van de wil van de Vader, waar we naar zoeken. Sterker nog, Hij openbaart ons die wil betrouwbaar, zoals die vanaf het begin geweest is en altijd zal zijn.

De praktijk van deze leer moet ook floreren in onze gebeden. Weliswaar geeft het vertrouwen dat we uitverkoren zijn ons moed om God aan te roepen. Maar toch zou het de omgekeerde wereld zijn als we in onze gebeden God onze uitverkiezing op zouden dringen en met Hem een akkoord zouden willen sluiten op deze voorwaarde: ‘Heer, als ik uitverkoren ben, verhoor Mij dan.’ Want Hij wil dat we tevreden zijn met zijn beloften. We moeten niet op een andere manier te weten willen komen of Hij ons verhoren zal. We moeten zo verstandig zijn om op de juiste manier te gebruiken wat juist geschreven staat en niet onbezonnen hierheen en daarheen trekken wat binnen de perken gehouden moet worden. Dan zal dat ons van veel strikken bevrijden.

Zekerheid over je volharding

Ik heb gezegd dat ons vertrouwen over onze uitverkiezing verbonden is met onze roeping. Maar om dat vertrouwen te bevestigen komt er nog een andere zekerheid bij. Want de Schrift zegt over Christus dat Hij degenen die Hij verlicht met de kennis van zijn naam en in de schoot van de kerk opneemt, aanneemt in zijn trouwe bescherming. En over iedereen die Hij aanneemt, zegt de Schrift dat Hij die van de Vader gekregen heeft. Hij heeft hen aan Christus toevertrouwd om voor het eeuwige leven bewaard te worden.

Wat willen we dan nog? Christus roept met luide stem dat de Vader Hem iedereen in bewaring gegeven heeft die Hij wil redden. Johannes 6:37-39; 17:6-12 Als we willen weten of God ervoor zal zorgen dat wij gered worden, moeten we dus onderzoeken of Hij ons aan Christus heeft toevertrouwd. Want Hem heeft Hij aangesteld als de enige redder van al de zijnen.

Bovendien, als wij eraan twijfelen of we wel door Christus in zijn trouwe bescherming zijn aangenomen, komt Hij aan onze twijfel tegemoet. Want Hij biedt zichzelf uit eigen beweging aan als herder. Hij zegt dat wij bij zijn schapen horen als wij zijn stem horen. Johannes 10:3 Laten we Christus dus omhelzen, die ons vriendelijk wordt aangeboden. Dan zal Hij ons meetellen bij zijn kudde en in zijn stal opgesloten houden.

Maar er komt angst in ons op over hoe het er in de toekomst met ons voor zal staan. Onze zwakheid maakt ons bezorgd. Immers, Paulus leert wel dat degenen die geroepen zijn, van tevoren zijn uitverkoren. Romeinen 8:30 Maar Christus laat zien dat velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Mattheüs 22:14 Sterker nog, ook Paulus zelf raadt iedereen af om zorgeloos te zijn. Hij zegt: ‘Wie staat, moet uitkijken dat hij niet valt.’ 1 Korinthiërs 10:12 En: ‘Ben je geënt in Gods volk? Wees niet hoogmoedig, maar bang. Want God kan je er weer afhakken om anderen erin te enten.’ Romeinen 11:20-23 Ten slotte, onze eigen ervaring leert ons duidelijk genoeg dat roeping en geloof weinig waarde hebben als er geen volharding bij komt. En die overkomt niet iedereen.

Echter, Christus heeft ons van deze bezorgdheid bevrijd. Want de volgende beloften slaan vast en zeker op de toekomst: ‘Alles wat de Vader Mij geeft, zal bij Mij komen. En wie bij Mij komt, zal ik absoluut niet wegjagen.’ Johannes 6:37-39 En: ‘Het is de wil van mijn Vader die Mij gezonden heeft dat Ik niets verlies van alles wat Hij Mij gegeven heeft, maar dat ik dat opwek op de laatste dag.’ En: Mijn schapen horen mijn stem en volgen Mij. Ik ken hen en Ik geef hun het eeuwige leven. En zij zullen voor eeuwig niet verloren gaan en niemand kan hen uit mijn hand rukken. Mijn Vader, die hen aan Mij gegeven heeft, is meer dan allen. En niemand kan hen rukken uit de hand van mijn Vader.’ Johannes 10:27-29

Ook zegt Hij: ‘Elke plant die mijn Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.’ Mattheüs 15:13 Daarmee geeft Hij aan de andere kant aan dat degenen die in God geworteld zijn, nooit uit het behoud uitgeroeid kunnen worden. Dat klopt met deze uitspraak van Johannes: ‘Als ze bij ons gehoord hadden, zouden ze niet bij ons weggegaan zijn.’ 1 Johannes 2:19

Vandaar ook dat Paulus zo heerlijk roemt tegen leven en dood, tegen heden en toekomst. Romeinen 8:38 Dat roemen moet op het geschenk van de volharding gebaseerd zijn. En er is geen twijfel aan dat hij deze uitspraak laat slaan op de uitverkorenen.

Ergens anders zegt dezelfde Paulus: ‘Hij die een goed werk in jullie begonnen is, zal dat afmaken tot op de dag van Christus.’ Filippenzen 1:6 En ook David vond rust op deze steun, toen zijn geloof begon te wankelen: ‘Het werk van uw handen zult U niet loslaten.’ Bovendien is er ook geen twijfel aan dat Christus, als Hij voor alle uitverkorenen bidt, voor hen hetzelfde bidt als voor Petrus: of er nooit een eind mag komen aan hun geloof. Lucas 22:32 We maken hieruit op dat gelovigen geen enkel gevaar lopen om af te vallen. Want als Gods Zoon bidt of hun vroomheid mag standhouden, wordt Hij niet afgewezen. Wat heeft Christus ons hiermee anders willen leren dan dat we erop zouden vertrouwen dat we voor eeuwig gered zijn, omdat we voor eens en voor altijd zijn eigendom geworden zijn?

Wie echt gelooft, kan nooit meer verloren gaan

Maar elke dag zijn er mensen die van Christus leken te zijn, die Hem verraden en zich in de ondergang storten. Sterker nog, juist in de passage waar Christus verzekert dat niemand verloren gaat van degenen die de Vader Hem gegeven heeft, maakt Hij toch een uitzondering voor de zoon van de ondergang. Johannes 17:12

Dit is inderdaad waar. Maar het is even zeker dat zulke mensen zich nooit aan Christus vastgeklampt hebben met het vertrouwen waarmee volgens mij de zekerheid van onze uitverkiezing bevestigd wordt. Johannes zegt: ‘Zij zijn bij ons weggegaan, maar ze hoorden niet bij ons. Want als ze bij ons hadden gehoord, dan zouden ze bij ons gebleven zijn.’ 1 Johannes 2:19

En ik ontken niet dat ze dezelfde tekenen hebben als de uitverkorenen dat ze geroepen zijn. Maar ik erken absoluut niet dat ze dezelfde zekerheid zouden hebben over hun uitverkiezing die een gelovige van mij moet baseren op het Woord van het evangelie. Zulke voorbeelden mogen ons er daarom nooit toe brengen dat we niet rustig zouden steunen op de belofte van de Heer. Hij zegt dat de Vader Hem iedereen gegeven heeft die Hem met echt geloof aanneemt en dat niemand van hen zal omkomen omdat Hij hun beschermer en herder is. Johannes 3:16; 6:39

Over Judas zal ik het straks hebben.

Paulus raadt gelovigen niet af om simpelweg te vertrouwen. Hij raadt alleen de zorgeloosheid af van het vlees. Die gaat gepaard met hoogmoed, arrogantie en minachting van anderen. Die dooft de nederigheid en de vrees voor God uit en zorgt ervoor dat je de genade die je gekregen hebt, vergeet. Want hij heeft het tegen de heidenen. Hun leert hij dat ze de Joden niet hoogmoedig en wreed moeten bespotten omdat de Joden verstoten en zij in hun plaats gesteld zijn. Hij eist ook vrees, maar geen vrees die hen terneerwerpt en aan het wankelen brengt. Nee, hij eist een vrees die ons leert nederig omhoog te kijken naar Gods genade en die niets afdoet aan het vertrouwen op Hem. Romeinen 11:18-20

Ik heb dat ergens anders al gezegd.

Bovendien spreekt hij hen niet ieder afzonderlijk aan, maar richt hij zich in het algemeen tot de sekten. Want de kerk was in twee groepen verdeeld en jaloersheid veroorzaakte tweedracht. Daarom waarschuwt Paulus de heidenen dat ze in de plaats gesteld waren van het speciale en heilige volk en dat dat voor hen een reden moest zijn voor vrees en bescheidenheid. Maar toch waren er onder hen veel verwaande mensen van wie het gepoch nodig getemperd moest worden.

Verder hebben we ergens anders gezien dat onze hoop ook de toekomst omvat en reikt tot aan de andere kant van de dood. En niets is zo in strijd met de aard van hoop als dat we zouden twijfelen over wat er met ons gebeuren zal.

Algemene en speciale roeping

Christus zegt dat er velen geroepen zijn, maar dat er weinigen zijn uitverkoren. Mattheüs 22:14 Maar als je deze uitspraak gebruikt als argument dat onze uitverkiezing onzeker is, dan heb je die uitspraak heel slecht begrepen. Er is niets dubbelzinnigs aan als we vasthouden aan wat uit het voorgaande duidelijk zou moeten zijn: er zijn twee soorten roeping.

Want er is een algemene roeping. Daarmee nodigt God door middel van de uiterlijke prediking van het Woord iedereen op dezelfde manier bij zich. Ook degenen aan wie Hij die roeping presenteert als een doodsgeur 2 Korinthiërs 2:15-16 en een reden om ze extra zwaar te veroordelen.

En er is ook een andere, speciale roeping. Meestal keurt God alleen de gelovigen die waard. Dan verlicht Hij hen vanbinnen door zijn Geest. Zo zorgt Hij ervoor dat het gepredikte Woord zich in hun hart vestigt. Maar soms laat Hij ook anderen daarin delen. Die verlicht Hij slechts voor een tijd. Daarna verlaat Hij hen, in overeenstemming met wat ze met hun ondankbaarheid verdienen, en slaat Hij hun met nog grotere blindheid.

Nu zag de Heer dat het evangelie wijd en zijd verkondigd werd, maar door heel veel mensen werd geminacht en door maar weinig mensen op waarde werd geschat. Daarom beschrijft Hij ons God in de persoon van een koning die een feestmaal aanricht. Hij zendt overal boden heen om een grote menigte uit te nodigen. Maar hij kan slechts heel weinig mensen overhalen om te komen. Want ieder verzint een excuus waarom ze verhindert zijn. Omdat zij weigeren, ziet hij zich dus uiteindelijk genoodzaakt alle mogelijke mensen van de straat uit te nodigen. Tot hier toe moeten we de gelijkenis opvatten als gaand over de uiterlijke roeping. Mattheüs 22:2-10 Dat is duidelijk voor iedereen.

Daarna voegt Christus eraan toe dat God zich gedraagt als een goede gastheer. Hij gaat de tafels langs om zijn gasten vriendelijk te verwelkomen. Dan vindt Hij iemand die geen bruiloftskleding draagt. Hij tolereert absoluut niet dat die met zijn vieze kleren het feestmaal onteert. Mattheüs 22:11-13 Dit stuk moeten we volgens mij opvatten als gaand over degenen die de kerk binnenkomen door belijdenis te doen van hun geloof, maar niet gekleed zijn in Christus’ heiliginge. Zulke onteerders zijn als het ware kankers in de kerk. God zal hen niet voor eeuwig verdragen. Nee, Hij zal ze uitwerpen, zoals ze met hun schandelijkheid verdienen.

Van het grote aantal van hen die geroepen zijn, zijn er dus maar weinig uitverkoren. Maar dan gaat het niet om de roeping op grond waarvan volgens mij de gelovigen hun uitverkiezing moeten beoordelen. Want de ene roeping geldt ook voor de goddelozen, maar de andere roeping gaat gepaard met de Geest van de nieuwe geboorte. Titus 3:5 Die Geest is een waarborg en zegel van de toekomstige erfenis en daarmee wordt ons hart verzegeld tot de dag van de Heer. Efeziërs 1:13-14

Kortom, deze huichelaars beroemen zich evengoed op hun vroomheid als degenen die God echt dienen. Daarom zegt Christus dat ze uiteindelijk uitgeworpen zullen worden van de plek die ze ten onrechte innemen. Net zoals er in Psalm 15 gezegd wordt: ‘Heer, wie zal wonen in uw tent? Hij wiens handen onschuldig zijn en wiens hart rein is.’Psalm 15:1; 24:4 En ergens anders: ‘Dat is de generatie van degenen die God zoeken, die hetgelaatzoeken van de God van Jacob.’Psalm 24:6En zo spoort de Geest de gelovigen aan tot verdraagzaamheid. Ze moeten het niet moeilijk te verdragen vinden dat er Ismaëlieten tussen hen in de kerk zitten. Want uiteindelijk zal hun het masker van het gezicht getrokken worden en zullen ze met schande worden uitgeworpen.

Het voorbeeld van Judas

Dat is ook de reden voor de uitzondering die ik kort hiervóór noemde: Christus zegt dat Hij niemand verloren heeft, behalve de zoon van de ondergang. Johannes 17:12 Weliswaar is dat een oneigenlijke manier van spreken, maar toch is het zeker niet onduidelijk. Want Judas werd niet onder de schapen van Christus meegeteld omdat hij dat ook echt was, maar omdat hij de plaats van een schaap innam.

Ergens anders verklaart de Heer dat Hij Judas samen met de apostelen had uitgekozen. Maar dat slaat alleen op de bediening. Hij zegt: ‘Twaalf heb ik uitgekozen en een van hen is een duivel.’ Johannes 6:70 Dat wil zeggen: Hij had hem uitgekozen voor de taak van apostel. Maar als de Heer het heeft over de uitverkiezing voor het behoud, dan houdt Hij Judas ver verwijderd van het aantal van de uitverkorenen: ‘Ik heb het niet over jullie allemaal. Ik weet wie ik uitgekozen heb.’ Johannes 13:18 Als iemand het woord ‘uitkiezen’ in beide passages in dezelfde betekenis opvat, dan zal hij zichzelf op een ellendige manier verstrikken. Maar als je het verschil ziet, dan is het zo duidelijk als wat!

Gregorius de Grote doet daarom heel slecht en gevaarlijk. Hij leert dat we ons alleen bewust zijn van onze roeping. Of we uitverkoren zijn, kunnen we volgens hem niet zeker weten. Daardoor zet hij iedereen aan tot angst en beven, ook omdat hij dit argument gebruikt: we weten wel hoe we er vandaag aan toe zijn, maar niet hoe we er morgen aan toe zullen zijn. Maar bij die passage laat hij duidelijk blijken hoe het komt dat hij op deze klip gelopen is. Want hij laat de uitverkiezing afhangen van onze daden. Daarom had hij reden genoeg om het hart neerslachtig te maken. Hij kon het hart niet versterken, omdat hij het niet van zichzelf wegleidde naar het vertrouwen op Gods goedheid.

Hierin proeven gelovigen iets van wat ik in het begin gesteld heb: als je op de juiste manier denkt over de voorbestemming, brengt die het geloof niet aan het wankelen, maar wordt het daar juist heel goed door versterkt.

Toch ontken ik niet dat de Geest zijn woorden soms aanpast aan ons beperkte verstand. Bijvoorbeeld als Hij zegt: ‘Ze zullen niet behoren tot de kring van mijn volk en niet worden opgeschreven in de lijst van mijn dienaren.’ Ezechiël 13:9 Alsof God pas net begon om in het boek van het leven op te schrijven wie Hij beschouwt als de zijnen. Terwijl we toch weten dat – zelfs Christus getuigt daarvan – de namen van Gods kinderen vanaf het begin in het boek van het leven opgeschreven staan. Lucas 10:20; Filippenzen 4:3 Maar deze woorden duiden simpelweg op de afwijzing van degenen die de voornaamsten leken te zijn onder de uitverkorenen. Zo wordt het ook gezegd in Psalm 69: ‘Laat hen geschrapt worden uit het boek van het leven en laat hen niet opgeschreven worden samen met de rechtvaardigen.’ Psalm 69:28

Voordat uitverkorenen tot geloof komen, zijn ze niet beter dan anderen

De uitverkorenen worden natuurlijk niet meteen vanaf de moederschoot en ook niet allemaal op hetzelfde moment door de roeping verzameld in Christus’ schaapskooi. Nee, het gebeurt wanneer het God behaagt om zijn genade aan hen uit te delen. Voordat ze bij de hoogste herder verzameld worden, dwalen ze echter verstrooid rond in de gewone woestijn. In niets verschillen ze van de anderen, behalve dan dat ze door Gods speciale barmhartigheid ervoor bewaard worden dat ze in de diepste afgrond van de dood vallen. Dus als je naar henzelf kijkt, zie je nageslacht van Adam, dat stinkt naar het gewone bederf van de massa. Dat ze niet terechtkomen in de diepste, hopeloze goddeloosheid, komt niet door een aangeboren goedheid van henzelf, maar doordat Gods oog over hen waakt en zijn hand is uitgestrekt om hen te redden.

Er zijn mensen die fantaseren dat in de uitverkorenen vanaf hun geboorte een of ander zaad van de uitverkiezing geplant is. Door de kracht daarvan zouden ze steeds geneigd zijn tot vroomheid en vrees voor God. Maar dat wordt niet gesteund door het gezag van de Schrift en onze eigen ervaring weerlegt het. Zij voeren enkele voorbeelden aan om te bewijzen dat de uitverkorenen ook vóór hun verlichting geen vreemden waren voor de godsdienst.

Paulus leefde ook in de tijd dat hij een farizeeër was, onberispelijk. Filippenzen 3:5-6 En Cornelius was dankzij zijn liefdegaven aan de armen en zijn gebeden acceptabel voor God. Handelingen 10:2 En meer van zulke voorbeelden. Bij het voorbeeld van Paulus geef ik toe dat ze gelijk hebben. Bij het voorbeeld van Cornelius vind ik dat ze kletsen. Want het is duidelijk dat hij toen al verlicht en opnieuw geboren was. Hij miste alleen nog maar een duidelijke openbaring van het evangelie.

Echter, waar kunnen ze ons met deze enkele voorbeelden eigenlijk toe pressen? Dat we erkennen dat alle uitverkorenen altijd voorzien zijn geweest van de Geest van vroomheid? Dat lukt hun evenmin als dat iemand kan concluderen dat alle mensen die in de blindheid van de afgoderij gelaten worden heiligheid en fatsoen nagestreefd hebben, als hij heeft aangetoond hoe rechtschapen Aristides, Socrates, Xenocrates,

Scipio, Curius, Camillus en anderen waren.

Sterker nog, de Schrift spreekt hen in meer dan één passage openlijk tegen. Want Paulus beschrijft de toestand van de Efeziërs vóór hun nieuwe geboorte. En daaruit blijkt geen enkel korreltje van dit zaad. Hij zegt: ‘Jullie waren dood door de misdaden en de zonden waarin jullie leefden volgens de eeuw van deze wereld, volgens de heerser in de lucht, die nu werkt in de ongehoorzame kinderen. Daar verkeerden ook wij ooit allemaal onder in de begeerten van ons vlees. Toen deden we wat ons vlees en onze gedachten wilden. En we waren van nature kinderen van de woede, net als de anderen.’ Efeziërs 2:1-3 En: ‘Bedenk dat jullie ooit zonder hoop waren en zonder God in de wereld.’ Efeziërs 2:12 En: ‘Vroeger waren jullie donker, maar nu zijn jullie licht in de Heer. Leef als kinderen van het licht.’ Efeziërs 5:8-9

Maar misschien willen mijn tegenstanders deze woorden laten slaan op het gebrek aan kennis van de echte God. Zij ontkennen niet dat de uitverkorenen die kennis missen voordat ze geroepen worden. Maar dan zouden ze deze woorden wel onbeschaamd verdraaien. Want de apostel concludeert hieruit dat ze niet meer moeten liegen of stelen. Dus vraag ik wat ze dan wel niet willen antwoorden op andere passages.

Zo is er bijvoorbeeld een passage in de brief aan de Korinthiërs, waar de apostel bekendmaakt dat overspelers, afgodendienaars, ontuchtplegers, schandknapen, homoseksuelen, dieven en hebzuchtigen Gods koninkrijk niet zullen erven. Hij voegt daar dan meteen aan toe dat de Korinthiërs, voordat ze Christus kenden, in zulke wandaden verstrikt hadden gezeten, maar nu door zijn bloed gereinigd en door zijn Geest verlost zijn. 1 Korinthiërs 6:9-11

En zo is er ook een andere passage in de brief aan de Romeinen: ‘Zoals jullie je ledematen in dienst gesteld hebben van onreinheid en onrechtvaardigheid, voor onrechtvaardigheid, moeten jullie ze nu in dienst stellen van rechtvaardigheid. Want wat voor vrucht leverden die dingen jullie toen op, waar jullie je nu voor schamen? …’ Romeinen 6:19-21

God verlost de uitverkorenen op zijn tijd

Nu vraag ik je: wat voor zaad van de uitverkiezing schoot daar toen in hen op? In heel hun leven waren ze op allerlei manieren besmeurd. Ze leefden als het ware in een hopeloze slechtheid. Ze wentelden zich in de meest gruwelijke en weerzinwekkende misdaden. Als de apostel Paulus had willen spreken volgens de opvattingen van mijn tegenstanders, dan had hij moeten laten zien hoeveel ze te danken hadden aan Gods goedheid. Want dan zou die hen beschermd hebben, zodat ze niet tot zulke smerige dingen waren vervallen!

Dan had ook Petrus de zijnen moeten aansporen om dankbaar te zijn voor het steeds aanwezige zaad van de uitverkiezing. Maar integendeel, hij herinnert hen eraan dat ze in het verleden genoeg tijd gehad hebben om de wellusten van de heidenen te vervullen. 1 Petrus 4:3

Wat als we naar voorbeelden kijken? Wat voor rechtvaardigheid schoot er op in de hoer Rachab, voordat ze geloofde? Jozua 2:1 In Manasse, toen Jeruzalem rood kleurde en haast overstroomd werd door het bloed van de profeten? 2 Koningen 21:16 In de moordenaar aan het kruis, die pas bij zijn laatste ademtocht nadacht over bekering? Lucas 23:42 Weg dus met deze argumenten die nieuwsgierige mensen onnadenkend verzinnen buiten de Schrift om!

We moeten vasthouden aan wat de Schrift zegt: we hebben allemaal gedwaald als schapen. Ieder ging zijn eigen gang, dat wil zeggen: naar de ondergang. Jesaja 53:6 Degenen van wie de Heer bepaald heeft dat Hij hen eens uit deze kolk van de ondergang zal verlossen, stelt Hij uit tot het daar zijn tijd voor is. Hij bewaard hen alleen voor het vervallen in onvergeeflijke godslastering.

Twee categorieën verworpenen

Door middel van de effectiviteit waarmee God de uitverkorenen roept, voert Hij de redding uit waar Hij hen door zijn eeuwig plan voor bestemd heeft. En zo heeft Hij ook zijn oordelen tegen de verworpenen, waardoor Hij zijn plan met hen ten uitvoer brengt. Wat doet Hij dus met degenen die Hij geschapen heeft om het leven af te wijzen en in de dood te vergaan, als instrumenten van zijn woede en als voorbeelden van zijn strengheid? Soms berooft Hij hen van de gelegenheid om zijn Woord te horen, om hen zo op hun bestemming te laten komen. Anderen maakt Hij door de prediking van dat Woord nog blinder en dommer.

Van de eerste categorie zijn er talloos veel voorbeelden. Laat ik er toch één uitkiezen dat meer dan de andere opvalt en de aandacht waard is. Voordat Christus kwam, zijn er ongeveer vierduizend jaar voorbijgegaan. In die tijd heeft God het licht van zijn reddende leer verborgen gehouden voor alle heidenen.

Misschien reageert iemand dat Hij hen niet in de grote zegen heeft laten delen omdat Hij vond dat ze die niet waard waren. Dan zeg ik dat hun nakomelingen die niets méér waard waren. Behalve aan onze eigen ervaring hebben we daarvoor als getuige genoeg aan Maleachi. Die berispt hen om hun ongeloof, dat vermengd was met grovere godslastering. Toch verkondigt hij dat hun verlosser zal komen. Maleachi 4 (3:19-24) Waarom wordt die verlosser dan wel aan de nakomelingen gegeven en niet aan hun voorouders? Je kwelt je tevergeefs als je zou proberen hier een reden voor te vinden die uitgaat boven Gods verborgen en onnaspeurlijke plan.

En we hoeven niet bang te zijn dat de een of andere leerling van Porphyrius Gods rechtvaardigheid ongestraft zou beschuldigen, zelfs al reageer ik niet om die te verdedigen. Want ik verzeker dat niemand onverdiend verloren gaat en dat het het werk is van Gods onverdiende goedheid dat sommigen verlost worden. Daarmee heb ik meer dan genoeg gezegd om de glorie van Gods eer te laten schitteren. Onze uitvluchten heeft Hij niet nodig.

De hoogste rechter maakt dus ruim baan voor zijn voorbestemming als Hij degenen die Hij voor eens en voor altijd verworpen heeft, niet laat delen in zijn licht en in hun blindheid laat zitten.

Van de tweede categorie zijn er elke dag bewijzen en ook vind je er veel in de Schrift. Honderd mensen horen dezelfde preek. Twintig nemen die aan, klaar om te gehoorzamen. De anderen beschouwen die als waardeloos. Ze lachen erom, drijven er de spot mee of walgen ervan.

Misschien reageert iemand dat dat verschil het gevolg is van hun boosaardigheid en verdorvenheid. Maar daarmee ben je er nog niet. Want ook het hart van de anderen zou door dezelfde boosaardigheid in beslag genomen worden, als God het niet corrigeerde door zijn goedheid. Daarom zullen we altijd in verwarring raken, tenzij het woord van Paulus ons te hulp komt: ‘Wie maakt jou anders?’ 1 Korinthiërs 4:7 Daarmee geeft hij aan dat de een niet boven de ander uitsteekt dankzij zijn eigen goede eigenschappen, maar alleen dankzij Gods genade.

God kan alle slechte mensen bekeren, maar wil het niet

Waarom schenkt God dan de een zijn genade en passeert Hij een ander? Wat betreft de eerste categorie, geeft Lucas de reden: omdat ze bestemd zijn voor het eeuwige leven. Handelingen 13:48 Wat moeten we dan denken van de anderen? Wat anders dan dat God hen passeert omdat zij vaten van de woede zijn, voor oneervol gebruik? We moeten het daarom niet erg vinden om in te stemmen met Augustinus. Hij zegt: ‘God zou de wil van slechte mensen wel ten goede kunnen keren. Want Hij is almachtig. Natuurlijk zou Hij dat kunnen. Waarom doet Hij het dan niet? Omdat Hij het niet wil. Waarom Hij het niet wil, dat is aan Hem.’ Want wij moeten niet wijzer willen zijn dan ons past.

En dat is veel beter dan met Chrysostomos een uitvlucht zoeken en zeggen dat God degene trekt die wil en zijn hand uitstrekt.

Want dan lijkt het verschil niet in Gods oordeel te liggen, maar in wat de mens beslist. Het is absoluut niet zo dat een mens uit eigen beweging naar God toe kan gaan. Zelfs de vromen en Godvrezenden hebben nog een speciale ingeving van de Geest nodig. Lydia, de purperverkoopster, vreesde God. Toch moest haar hart geopend worden. Anders zou ze geen aandacht schenken aan Paulus’ onderwijs en er niets mee opschieten. Handelingen 16:14 Dat wordt niet alleen over deze vrouw gezegd. Nee, we moeten weten dat ieders vooruitgang in vroomheid een verborgen werk van de Geest is.

Dit kan echt niet in twijfel getrokken worden: de Heer zendt zijn Woord naar velen die Hij nog blinder wil maken. Want waarom laat Hij zoveel bevelen brengen naar de farao? Hoopte Hij soms dat de farao door de steeds herhaalde boodschappen verzacht zou worden? Nee, voordat God begon, wist Hij al hoe het zou aflopen en heeft Hij dat voorzegd. Hij zei tegen Mozes: ‘Ga en leg hem uit wat Ik wil. Maar Ik zal zijn hart verharden, zodat hij niet zal gehoorzamen.’ Exodus 4:19-21

En ook als God Ezechiël laat opstaan, waarschuwt Hij hem van tevoren dat Hij hem naar een opstandig, koppig volk zendt. Ezechiël 2:3 Want Hij wil voorkomen dat Ezechiël zou schrikken als hij zag dat Hij voor dovemansoren predikte. Ezechiël 12:2 En Hij voorzegt Jeremia dat zijn leer een vuur zal zijn om het volk als stoppels te vernietigen en te verstrooien. Jeremia 1:10; 5:14

Maar nog indringender is de profetie van Jesaja. Want hij wordt zo door de Heer uitgezonden: ‘Ga en zeg tegen de kinderen van Israël: “Hoor en luister, maar begrijp het niet. Kijk en zie, maar neem het niet waar.” Maak het hart van dit volk hard en hun oren zwaar en sluit hun ogen, om te voorkomen dat ze misschien met hun ogen zien, met hun oren horen of met hun hart begrijpen en zich zouden bekeren en genezen zouden worden.’ Jesaja 6:9-10; Mattheüs 13:14-15; Marcus 4:12; Lucas 8:10; Johannes 12:40; Handelingen 28:26-27; Romeinen 11:8 Zie je, hij spreekt tegen hen, maar om hen nog dover te maken. Hij ontsteekt licht, maar om ze nog blinder te maken. Hij presenteert zijn leer, maar om ze daardoor nog dommer te maken. Hij gebruikt een geneesmiddel, maar om te voorkomen dat ze genezen worden. En als Johannes deze profetie citeert, verklaart hij dat de Joden Christus’ leer niet konden geloven, omdat Gods vloek op hen lag. Johannes 12:39-40

Ook dit kan niet tegengesproken worden: aan degenen van wie God niet wil dat ze verlicht worden, geeft Hij zijn leer in raadsels gehuld. Dan levert hun dat niets anders op dan dat ze nog verder afgestompt raken. Want Christus verklaart dat Hij daarom zijn gelijkenissen alleen aan de apostelen uitlegt. Hij had ze uitgesproken tegen de menigte. Maar alleen de apostelen was het gegeven om de mysteries van Gods koninkrijk te kennen. De menigte was het niet gegeven. Mattheüs 13:11

‘Maar,’ zul je zeggen, ‘wat wil de Heer als Hij zijn leer onderwijst en tegelijk zorgt dat het niet begrepen wordt?’ Denk er maar eens over na bij wie de fout ligt. Dan houd je wel op met vragen. Want wat er ook duister is in het Woord, toch is er altijd genoeg licht om voor het geweten van de goddelozen hun schuld te bewijzen.

God laat de verworpenen verloren gaan omwille van zijn eer

Nu moeten we alleen nog kijken waarom de Heer doet wat Hij blijkbaar doet. Misschien antwoordt iemand dat het zo gebeurt omdat de mensen het met hun goddeloosheid, slechtheid en ondankbaarheid verdiend hebben. Dan is dat juist en naar waarheid gezegd. Maar dan is nog niet duidelijk wat de reden is voor dit verschil: waarom buigen sommigen zich in gehoorzaamheid en blijven anderen in hun verharding? Daarom moeten we bij het zoeken naar de reden onontkoombaar uitkomen wij wat Paulus heeft opgeschreven uit Mozes: dat de Heer hen vanaf het begin heeft laten opstaan om zijn naam te laten zien op heel de aarde. Romeinen 9:17; Exodus 9:16

Dus dat de verworpenen Gods Woord niet gehoorzamen, ook al is het aan hen geopenbaard, daarvan moeten we terecht de schuld geven aan de boosaardigheid en verdorvenheid van hun hart. Als we daar maar meteen aan toevoegen dat ze aan deze verdorvenheid zijn overgegeven omdat God hen met zijn rechtvaardig, maar onnaspeurlijk oordeel heeft laten opstaan om via hun veroordeling de glorie van zijn eer te laten schitteren.

Zo zit het ook met de zonen van Eli. Er wordt verteld dat ze niet luisterden naar gezonde raad, omdat de Heer hen wilde doden. 1 Samuël 2:25 Dan wordt niet ontkend dat hun koppigheid het gevolg is van hun eigen slechtheid. Maar tegelijk wordt duidelijk gemaakt waarom God hen in hun koppigheid liet zitten, ook al had Hij hun hart kunnen verzachten: Hij had hen met een onveranderlijk besluit voor eens en voor altijd bestemd voor de ondergang.

Hierop slaat ook de uitspraak van Johannes: ‘Hoewel Hij zoveel tekenen gedaan had, geloofde niemand in Hem, opdat het woord van Jesaja vervuld werd: “Heer, wie heeft geloofd wat hij van ons gehoord heeft?”’ Johannes 12:37; Jesaja 53:1 Hij bevrijdt de koppigen niet van schuld. Maar toch is hij tevreden met deze reden: mensen vinden Gods genade maar flauw, zolang de Heilige Geest er geen smaak aan geeft.

Christus citeert ook deze voorzegging van Jesaja: ‘Zij zullen allemaal door God onderwezen zijn.’ Johannes 6:45; Jesaja 54:13 Dan bedoelt Hij niet anders dan dat de Joden verworpen zijn en niet bij de kerk horen, omdat ze zich niet laten onderwijzen. En Hij voert geen andere reden aan dan dat Gods belofte niet voor hen geldt.

Dat wordt bevestigd door deze uitspraak van Paulus: ‘Christus is voor de Joden een struikelblok en voor de heidenen dwaasheid. Maar voor de geroepenen is Hij Gods kracht en wijsheid.’ 1 Korinthiërs 1:23-24 Hij zegt immers eerst wat er meestal gebeurt, steeds als het evangelie gepredikt wordt: sommigen raken verbittert en anderen wijzen het af. Vervolgens zegt hij dat alleen de geroepenen er waarde aan hechten. Vlak daarvóór had hij hen weliswaar gelovigen genoemd. Maar Gods genade gaat aan geloof vooraf en dat wilde hij niet negeren. Hij heeft het tweede er juist als een correctie aan toegevoegd, om ervoor te zorgen dat degenen die het evangelie omhelsd hadden, de eer voor hun geloof zouden toeschrijven aan Gods roeping. Daarom leert hij even later ook dat ze door God zijn uitverkoren.

Als goddelozen dit horen, klagen ze dat God zijn schepselen met een onbeheerste macht misbruikt voor een wreed spel. Maar wij weten dat alle mensen in zoveel opzichten schuldig staan voor

Gods rechterstoel. Al worden ze over duizend dingen verhoord, op nog niet één punt kunnen ze Hem tevreden stellen. Daarom erkennen wij dat de verworpenen niets ondergaan wat niet in overeenstemming is met Gods heel rechtvaardige oordeel. De reden daarvoor kunnen wij niet duidelijk begrijpen. Maar daarom moeten we nog niet weigeren toe te geven dat we iets niet weten, als Gods wijsheid zich verheft tot haar hoogte.

Volgens Ezechiël wil God de dood van de zondaar niet

Nu werpen mijn tegenstanders mij steeds een paar Schriftpassages voor de voeten waarin God lijkt te ontkennen dat zondaren omkomen doordat Hij dat bepaald heeft. Ze zouden zich de dood zelf op de hals halen, zelfs al verzet God zich ertegen. Daarom moet ik deze passages kort uitleggen en laten zien dat ze niet in strijd zijn met mijn opvatting, zoals ik die hierboven uiteengezet heb.

Men voert een passage van Ezechiël aan, waar staat dat God de dood van een zondaar niet wil. Hij wil juist dat een zondaar zich bekeert en leeft. Ezechiël 33:11 Als je dit op heel het menselijk geslacht wilt laten slaan, waarom brengt God dan heel veel mensen niet tot bekering? Veel mensen van wie het hart meer geneigd is tot gehoorzaamheid dan het hart van degenen die zich steeds meer verharden terwijl ze elke dag worden uitgenodigd. Christus verklaart dat de prediking van het evangelie en de wonderen meer vrucht voortgebracht zouden hebben bij de inwoners van Ninevé en Sodom, dan bij de inwoners van Judea! Mattheüs 11:23; 12:41 Als God wil dat iedereen gered wordt, hoe komt het dan dat hij de deur van het berouw niet opent voor ellendigen die meer bereid zouden zijn om de genade te ontvangen?

Hieraan zien we dat mijn tegenstanders deze passage met geweld verdraaien: ze plaatsen Gods wil, waar de profeet het over heeft, tegenover zijn eeuwig plan, waardoor Hij onderscheid gemaakt heeft tussen de uitverkorenen en de verworpenen. Maar wat bedoelt de profeet nu echt? Hij wil alleen maar hoop op vergeving geven aan degenen die zich bekeren. En de kern is: er valt niet aan te twijfelen dat God bereid is om te vergeven, zodra een zondaar zich bekeerd heeft. Dus voor zover God wil dat een zondaar zich bekeert, wil Hij niet zijn dood.

De ervaring leert echter dat God de bekering van degenen die Hij bij zich roept, wil op zo’n manier dat Hij niet ieders hart aanraakt. Maar daarom moeten we nog niet zeggen dat God liegt. Want als je het hoort en niet gehoorzaamt, zorgt het er weliswaar alleen maar voor dat je niet te verontschuldigen bent. Maar toch is het een betrouwbaar getuigenis van Gods genade waarmee Hij mensen met zich verzoent.

We moeten dus vasthouden aan de raad van de profeet dat God geen plezier heeft in de dood van een zondaar. Dan mogen vromen erop vertrouwen dat voor hen bij God vergeving klaarligt, zodra ze zijn aangeraakt door berouw. Maar goddelozen mogen beseffen dat hun misdaad dubbel zo erg wordt als ze niet reageren op Gods grote zachtmoedigheid en welwillendheid. Gods barmhartigheid komt dus altijd tegemoet aan berouw. Maar aan wie berouw wordt gegeven, dat leren zowel alle profeten als alle apostelen en ook Ezechiël duidelijk.

Volgens Paulus wil God dat iedereen gered wordt

In de tweede plaats halen mijn tegenstanders de passage aan waar Paulus leert dat God wil dat iedereen gered wordt. 1 Timotheüs 2:3-4 Die passage is weliswaar anders dan de vorige die ik noemde. Maar toch is er een overeenkomst.

Mijn antwoord is dat in de eerste plaats uit de context blijkt hoe God wil dat iedereen gered wordt. Want Paulus verbindt deze twee dingen: God wil dat ze gered worden en Hij wil dat ze de waarheid leren kennen. Als mijn tegenstanders willen beweren dat in Gods eeuwig plan vast besloten is dat ze de leer van het behoud ontvangen, wat betekent dan deze uitspraak van Mozes: ‘Welk volk is zo aanzienlijk dat God er zo dichtbij komt als bij jullie?’ Deuteronomium 4:7 Hoe komt het dat God veel volken het licht van het evangelie ontnomen heeft, terwijl andere er wel van genieten? Hoe komt het dat sommige volken nooit de zuivere kennis van de leer van het behoud gekregen hebben, terwijl andere er nauwelijks enkele duistere basisbeginselen van geproefd hebben?

Hier kun je nu gemakkelijk uit opmaken waar Paulus heen wil. Hij had Timotheüs opdracht gegeven in de gemeente in het openbaar te bidden voor koningen en overheidspersonen. 1 Timotheüs 2:1-2 Maar het leek een beetje absurd om voor God gebeden uit te storten voor mensen voor wie bijna geen hoop meer bestond. Ze hoorden immers niet alleen niet bij het lichaam van Christus. Ze deden zelfs hun uiterste best om Christus’ rijk te onderdrukken. Daarom voegt Paulus er meteen aan toe dat het God plezier doet als alle mensen gered worden. Daarmee geeft hij natuurlijk niets anders aan dan dat God de weg naar het behoud voor geen enkele categorie mensen heeft afgesloten. Hij heeft zijn barmhartigheid juist zo uitgegoten dat

Hij niet wil dat een bepaalde categorie er geen deel aan zou hebben.

De andere uitspraken verklaren niet wat de Heer in zijn verborgen oordeel over iedereen besloten heeft. Nee, ze verkondigen dat er vergeving klaarligt voor alle zondaren, als ze zich maar bekeren en vergeving zoeken. Misschien willen mijn tegenstanders er koppig de nadruk op leggen dat er gezegd wordt dat God zich over iedereen wil ontfermen. Romeinen 11:32 Maar dan breng ik daartegen in dat ergens anders geschreven staat dat onze God in de hemel is en daar alles doet wat Hem behaagt. Psalm 115:3 Deze uitspraak moet je dus zo uitleggen dat het klopt met de andere uitspraak: ‘Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig zal zijn en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij zal ontfermen.’ Exodus 33:19 Als God mensen uitkiest aan wie Hij barmhartigheid wil bewijzen, dan deelt Hij die barmhartigheid niet uit aan iedereen. Maar het blijkt duidelijk dat Paulus het hier niet heeft over ieder mens afzonderlijk, maar over categorieën van mensen. Daarom hoef ik hier verder geen lange uitleg te geven. Als we er maar op letten dat Paulus niet zegt wat God altijd en overal en in iedereen doet. Hij zegt alleen dat het Hem vrij staat om koningen en overheidspersonen uiteindelijk te laten delen in de hemelse leer, zelfs al gaan ze daar in hun blindheid tegen te keer.

Mijn tegenstanders lijken mij meer in het nauw te drijven door mij de volgende passage van Petrus voor de voeten te werpen. Daar staat dat God niet wil dat er iemand verloren gaat, maar dat Hij iedereen wil aannemen om te bekeren. 2 Petrus 3:9 Maar de oplossing van dit probleem komen we meteen tegen in het tweede deel van de zin. Want met de wil om aan te nemen om te bekeren kan niets anders bedoeld worden dan de wil die overal in de Schrift geleerd wordt. Natuurlijk ligt bekering in Gods hand. Je kunt Hem vragen of Hij iedereen wil bekeren. Hij belooft dat Hij aan een enkeling een hart van vlees zal geven, terwijl Hij anderen hun hart van steen laat houden. Ezechiël 36:26

Natuurlijk is het waar dat God bereid is iedereen aan te nemen die een beroep doet op zijn barmhartigheid. Anders zou deze uitspraak misplaatst zijn: ‘Kom terug bij Mij en Ik zal naar jullie terugkeren.’ Zacharia 1:3 Maar ik zeg dat niemand bij God komt als God niet eerst naar Hem toe gaat. En als bekering afhing van een menselijke keuze, zou Paulus niet zeggen: ‘Misschien geeft God hun ooit berouw.’ 2 Timotheüs 2:25 Sterker nog, als dezelfde God die door zijn Woord iedereen oproept tot bekering, de uitverkorenen niet door de verborgen werking van de Geest tot bekering bracht, zou Jeremia niet zeggen: ‘Bekeer mij, Heer, dan zal ik bekeerd zijn. Want toen U Mij bekeerde, had ik berouw.’ Jeremia 31:18-19

Wij ervaren in Gods wil een tegenstelling die er niet is

Echter, je zult zeggen: ‘Als dit zo is, dan kun je maar weinig vertrouwen op de beloften van het evangelie. Want als ze getuigen van Gods wil, verzekeren ze dat God iets wil dat in strijd is met zijn onschendbaar besluit.’ Maar dat is absoluut niet zo! Want de beloften van redding zijn weliswaar algemeen. Maar toch zijn ze op geen enkele manier in strijd met de voorbestemming van de verworpenen. Als we onze gedachten maar richten op het effect van die beloften.

We weten dat de beloften pas effectief zijn voor ons, als we ze door geloof aannemen. Maar als er juist geen geloof is, dan is ook de belofte ongeldig. Als dat de aard van de beloften is, laten we dan eens kijken of deze twee dingen met elkaar in strijd zijn: de Schrift zegt dat God van eeuwigheid bepaald heeft wie Hij met zijn liefde wil omhelzen en over wie Hij zijn woede wil uitoefenen. En Hij verkondigt aan iedereen zonder onderscheid redding. Volgens mij zijn die twee dingen heel goed met elkaar in overeenstemming. Want als Hij zo beloften doet, wil Hij alleen maar zeggen dat zijn barmhartigheid voor iedereen klaarligt, als ze er maar naar verlangen en er een beroep op doen. Maar dat doen alleen degenen die Hij verlicht heeft. En Hij verlicht degenen die Hij voorbestemd heeft om gered te worden. Voor hen, zeg ik, staat het onwrikbaar vast dat de beloften waar zijn. Dus kun je niet zeggen dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen Gods eeuwige uitverkiezing en het getuigenis van zijn genade dat Hij de gelovige aanbiedt.

Maar waarom heeft Hij het over iedereen? Nou, omdat de vromen veiliger kunnen rusten in hun geweten, als ze begrijpen dat er geen enkel onderscheid bestaat tussen zondaren. Er hoeft alleen maar geloof te zijn. En omdat de goddelozen dan niet kunnen doen alsof ze geen uitwijkmogelijkheid hebben, waar ze kunnen ontkomen aan de slavernij van de zonde. Nee, ze wijzen de uitwijkmogelijkheid die hun geboden wordt, af. Aan beide groepen wordt dus Gods barmhartigheid door het evangelie aangeboden. Dus is het geloof – dat wil zeggen: Gods verlichting – dat onderscheid maakt tussen vromen en goddelozen. De eersten ervaren de effectiviteit van het evangelie. Maar de anderen levert het geen enkele vrucht op. Ook de verlichting zelf heeft Gods eeuwige uitverkiezing als norm.

Mijn tegenstanders halen ook deze klacht van Christus aan: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, hoe vaak heb ik jouw kinderen willen verzamelen, maar je hebt niet gewild.’ Mattheüs 27:37 Ook dit biedt hun geen steun. Ik geef toe dat Christus hier niet alleen als mens spreekt. Hij verwijt hun ook dat ze alle eeuwen door zijn genade hebben afgewezen. Maar we moeten Gods wil, waar het hier over gaat, verder definiëren. Immers, we weten best hoe ijverig God zijn best gedaan heeft om dat volk vast te houden en hoe koppig zij, van de eerste tot de laatste, zich hebben overgegeven aan hun dwalende begeerten en geweigerd hebben zich te laten verzamelen. Maar dat betekent nog niet dat Gods plan door de slechtheid van de mensen verijdeld is.

Mijn tegenstanders brengen hiertegen in dat het absoluut niet bij Gods aard past dat Hij een dubbele wil zou hebben. Dat geef ik hun toe. Maar dan moeten ze het wel juist uitleggen. Waarom letten ze niet op al die Schriftbewijzen waar God menselijke emoties aanneemt en zich vernedert beneden zijn majesteit, om zich aan te passen aan onze zwakheid? Hij zegt dat Hij het koppige volk geroepen heeft met uitgestrekte armen, Jesaja 65:2 dat Hij vroeg en laat moeite gedaan heeft om het bij zich terug te brengen. Willen ze dit allemaal op God toepassen, zonder erop te letten dat dit beeldspraak is? Dan zullen er vele overbodige discussies rijzen. Maar die kunnen door deze ene oplossing beslecht worden: er wordt iets menselijks op God overgedragen.

Trouwens, ik heb ergens anders al een oplossing gegeven die meer dan voldoende is:1 Gods wil is voor ons besef meervoudig. Toch wil Hij in zichzelf geen verschillende dingen. Nee, met zijn rijk geschakeerde wijsheid –zoals Paulus die noemtEfeziërs 3:10– verbijstert Hij onze zinnen, zolang het ons nog niet gegeven is om te leren zien dat Hijopeen wonderlijke manier wil wat nu nog in strijd lijkt te zijn met zijn wil.

Mijn tegenstanders spotten en lasteren ook dat God de Vader is van iedereen en dat het daarom onrechtvaardig is als Hij iemand verwerpt dienieteerst zelf uit eigen schuld deze straf verdiend heeft. Alsof Gods vrijgevigheid niet zelfs voor varkens en honden geldt! Als het om het menselijk geslacht gaat, dan moeten zij maar eens de vraag beantwoorden waarom God zich verbonden heeft aan één volk, om daar Vader van te zijn. En waarom heeft Hij ook uit dat volk een klein aantal geplukt, als een bloem? Maar hun zin in kwaadspreken verhindert deze lasteraars om te bedenken dat God zijn zon laat opgaan over goeden en over slechten,Mattheüs 5:45maar dat toch de erfenis voor maar weinig mensen klaarligt. Alleen tegen hen zal eens gezegd worden: ‘Kom, gezegenden van mijn Vader, aanvaard de erfenis van het koninkrijk …’Mattheüs 25:34

Mijn tegenstanders werpen ook tegen dat God niets haat van wat Hij gemaakt heeft. Ook al geef ik hun dat toe, toch blijft dan ongeschonden overeind wat ik leer: God haat de verworpenen en heel terecht! Want ze missen zijn Geest en daarom kunnen ze niets anders voortbrengen dan redenen om veroordeeld te worden. Mijn tegenstanders voegen eraan toe dat er geen verschil is tussen Jood en heiden.Romeinen 10:12Dus wordt Gods genade zonder onderscheid aan iedereen aangeboden. Zeker! Maar dan moeten ze wel toegeven dat God, zo verklaart Paulus, zowel uit de Joden als uit de heidenen mensen roept volgens zijn welbehagen. Hij is niemand iets verplicht.Romeinen 9:24

Op deze manier wordt ook ontzenuwd wat mijn tegenstanders aanvoeren uit een andere passage: God heeft alles opgesloten onder de zonde om iedereen barmhartig te zijn.Romeinen 11:32; Galaten 3:22God wil dat de redding van iedereen die gered wordt, wordt toegeschreven aan zijn barmhartigheid. Toch delen niet alle mensen in deze zegen.

Verder, er is nu van beide kantenveel naar voren gebracht. Laten we hiermee eindigen: we moeten samen met Paulus huiveren bij zo’n grote diepte. En als overmoedige tongen ertegen ingaan, dan moeten we ons er niet voor schamen om met Paulus uit te roepen: ‘Mens, wie ben jij, dat je met God in discussie gaat?Romeinen 9:20Want Augustinus heeft gelijk als hij zegt dat het verkeerd is om Gods rechtvaardigheid af te meten aan de maat van menselijke rechtvaardigheid.

11.18.3; 3.20.43.

Voetnoten

  1. 434

    Augustinus, De gratia Christi et de peccato originali contra Pelagiumet Coelestinum, 14, 15 en 31.

  2. 435

    Augustinus, De praedestinatione sanctorum, 8, 13-14.

  3. 436

    Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 9,32.

  4. 437

    Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 23,15-16.

  5. 438

    Gregorius de Grote, Homiliae super evangeliis, 38,14.

  6. 439

    Aristides (ca. 500 v. Chr.), Atheense politicus en strateeg.

  7. 440

    Xenocrates (4e eeuw v. Chr.), Griekse filosoof.

  8. 441

    Manius Curius Dentatus († 270 v. Chr.), Romeinse politicus en generaal.

  9. 442

    Porphyrius (ca. 300), Griekse filosoof uit Tyrus.

  10. 443

    Augustinus, De Genesi ad litteram XI, 10,13.

  11. 444

    Chrysostomos, De ferendis reprehensionibus et de mutatione nominum, 3,6.

  12. 445

    Pseudo-Augustinus, De praedestinatione et gratia, 2.

Voetnoot 434

Augustinus, De gratia Christi et de peccato originali contra Pelagiumet Coelestinum, 14, 15 en 31.

Voetnoot 435

Augustinus, De praedestinatione sanctorum, 8, 13-14.

Voetnoot 436

Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 9,32.

Voetnoot 437

Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 23,15-16.

Voetnoot 438

Gregorius de Grote, Homiliae super evangeliis, 38,14.

Voetnoot 439

Aristides (ca. 500 v. Chr.), Atheense politicus en strateeg.

Voetnoot 440

Xenocrates (4e eeuw v. Chr.), Griekse filosoof.

Voetnoot 441

Manius Curius Dentatus († 270 v. Chr.), Romeinse politicus en generaal.

Voetnoot 442

Porphyrius (ca. 300), Griekse filosoof uit Tyrus.

Voetnoot 443

Augustinus, De Genesi ad litteram XI, 10,13.

Voetnoot 444

Chrysostomos, De ferendis reprehensionibus et de mutatione nominum, 3,6.

Voetnoot 445

Pseudo-Augustinus, De praedestinatione et gratia, 2.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.