Boek III · Hoofdstuk 25
De opstanding
Inhoud van dit hoofdstuk · 12 secties
- 1Het belang van hopen op de opstanding
- 2Pas bij de opstanding bereiken we het toppunt van geluk
- 3Christus’ opstanding als spiegel van onze opstanding
- 4Andere beelden van de opstanding
- 5Begraven als teken van de opstanding en de dwaling van de chiliasten
- 6De ziel gaat naar Christus
- 7We krijgen hetzelfde lichaam terug
- 8Ons lichaam wordt anders
- 9De opstanding van de goddelozen
- 10Het toppunt van geluk
- 11Zinloze vragen
- 12Het ongeluk van de goddelozen
Het belang van hopen op de opstanding
Nadat Christus, de zon van rechtvaardigheid, Maleachi 4:2 (3:20) de dood overwonnen heeft, schijnt Hij door het evangelie. Hij heeft ons leven verlicht, zo verklaart Paulus. 2 Timotheüs 1:10 En als gevolg daarvan zegt de Schrift over ons dat wij van de dood overgegaan zijn in het leven. Johannes 5:24 We zijn geen buitenlanders en vreemdelingen meer, maar medeburgers van Gods heiligen en gezinsleden. Efeziërs 2:19 Hij laat ons samen met zijn eniggeboren Zoon zelf zitten in de hemel. Er ontbreekt dus niets aan ons volmaakte geluk. Efeziërs 2:6 Maar we worden getraind in een zware militaire dienst. Het is net alsof de overwinning die Christus behaald heeft, ons nog niets opgeleverd heeft. Om te voorkomen dat die training te zwaar voor ons is, moeten we daarom weten wat er ergens anders geleerd wordt over de aard van hoop.
We hopen immers op dingen die we niet zien. Romeinen 8:25 En zoals ergens anders staat, geloof is het bewijs van onzichtbare dingen. Hebreeën 11:1 We wonen dus ver bij de Heer vandaan, zolang we opgesloten zitten in de gevangenis van ons vlees. 2 Korinthiërs 5:6 Daarom zegt dezelfde Paulus ergens anders dat wij gestorven zijn en dat ons leven met Christus verborgen is in God. Christus is ons leven en als Hij zal verschijnen, dan zullen ook wij met Hem verschijnen in glorie. Kolossenzen 3:3-4 Zo staan we er dus voor: terwijl we beheerst, rechtvaardig en vroom leven in deze wereld, kijken we uit naar de gelukkige hoop en de komst van de glorie van de grote God en onze redder, Jezus Christus. Titus 2:12 Hier hebben we buitengewoon veel geduld voor nodig. Anders zouden we, het wachten moe, rechtsomkeert maken of onze wachtpost verlaten.
Dus alles wat ik tot nu toe heb uitgelegd over onze redding, vraagt erom dat we ons hart opheffen naar de hemel. We zien Christus niet, maar dan gaan we Hem liefhebben. Dan geloven we en verheugen we ons in Hem met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, zoals Petrus ons aanspoort, totdat we het einddoel van ons geloof krijgen. 1 Petrus 1:8-9 Daarom zegt Paulus dat het geloof en de liefde van de vromen gericht zijn op de hoop die in de hemel klaarligt. Kolossenzen 1:4-5 Vestigen we zo onze ogen op Christus en verwachten we alles uit de hemel? Is er niets op aarde dat onze ogen verhindert om ons omhoog te voeren naar het beloofde geluk? Dan gaat dit werkelijk in vervulling: ons hart is waar onze schat is. Mattheüs 6:21
Vandaar dat geloof zo zeldzaam is in de wereld. Want voor onze laksheid is niets zo moeilijk als dwars door talloze hindernissen heen opklimmen en doorgaan naar de prijs van de hemelse roeping. We raken haast bedolven onder de grote hoop ellende. Daarbij komt nog de bespotting door onheilige mensen, wat een belemmering vormt voor onze eenvoud, als we de verlokkingen van de tegenwoordige goede dingen vrijwillig loslaten en een zegen lijken na te streven die als een vluchtige schaduw voor ons verborgen is. Kortom, van boven en van onderen, van voren en van achteren belagen ons hevige verleidingen. Ons hart zou totaal niet in staat zijn die te weerstaan als we niet waren losgemaakt van aardse dingen en niet verbonden zouden zijn met het hemelse leven, dat zo ver van ons lijkt af te staan. Daarom ben je pas echt iets opgeschoten met het evangelie als je jezelf eraan gewend hebt om continu na te denken over het geluk van de opstanding.
Pas bij de opstanding bereiken we het toppunt van geluk
In het verleden hebben de filosofen angstvallig gediscussieerd over wat het hoogste goed is. Ze hebben er zelfs fel met elkaar over gedebatteerd. Maar op Plato na, heeft niemand erkent dat het hoogste goed van de mens ligt in zijn verbinding met God. En zelfs Plato zelf had er geen flauw benul van wat dat inhield. En dat is geen wonder. Want hij had niets geleerd over de heilige band waardoor die verbinding tot stand komt.
Maar wij kennen het enige en volmaakte geluk, zelfs in deze aardse ballingschap. Maar dan zo dat ons hart daardoor elke dag meer gaat branden van verlangen naar dat geluk, totdat we er volledig van kunnen genieten en erdoor verzadigd worden. Daarom heb ik gezegd dat Christus’ geschenken je alleen vrucht opleveren als je je hart opheft naar de opstanding.
En daarom presenteert Paulus dit aan de gelovigen als het einddoel. Hij zegt dat hij daarop uit is, dat hij alles vergeet totdat hij dat bereikt. Filippenzen 3:8-14 En dat doel moeten ook wij extra nastreven om te voorkomen dat deze wereld ons in beslag neemt en we de treurige straf moeten dragen voor onze laksheid. Daarom tekent Paulus de gelovigen ergens anders met dit kenmerk: ze wonen in de hemel en daarvandaan verwachten ze hun redder. Filippenzen 3:20
En onderweg daarnaartoe mag hun geest niet verslappen. Daarom geeft Paulus hun alle schepselen als metgezellen. We zien immers overal lelijke ruïnes. Daarom zegt hij dat alles in hemel en op aarde vernieuwing nastreeft. Adam heeft door zijn val de orde van de natuur totaal in verwarring gebracht. Daarom zijn de schepselen vanwege de zonde van de mens onderworpen aan een zwaar drukkende slavernij. Niet dat ze zelf voorzien zijn van enig besef. Maar ze verlangen van nature naar de toestand waar ze uit gevallen zijn. Daarom schrijft Paulus hun zuchten en barensweeën toe, zodat wij ons ervoor zouden schamen om in ons bederf te liggen wegkwijnen. Wij hebben immers de eerste vruchten van de Geest gekregen. Dan moeten we op z’n minst de levenloze dingen imiteren die de straf dragen voor de zonde van een ander. Romeinen 8:19-23
En om ons nog extra te prikkelen, noemt Paulus de laatste komst van Christus onze verlossing. Natuurlijk is het waar dat alle onderdelen van onze opstanding al vervuld zijn. Maar omdat Christus voor eens en voor altijd geofferd is voor de zonden, zal Hij opnieuw gezien worden zonder de zonde, om ons te redden. Hebreeën 9:28 Onder wat voor ellende wij ook gebukt gaan, laat deze verlossing ons overeind houden tot die daadwerkelijk voltooid is.
Christus’ opstanding als spiegel van onze opstanding
Dit onderwerp is zo belangrijk dat alleen dat al onze aandacht op scherp moet zetten. Paulus stelt immers niet voor niets dat als er geen doden opstaan, heel het evangelie zinloos en een leugen is. Want dan zouden wij er nog ellendiger aan toe zijn dan alle andere mensen, omdat we bloot staan aan de haat en beledigingen van velen en elk uur in gevaar verkeren. 1 Korinthiërs 15:13-30 Sterker nog, we zijn dan net schapen bestemd voor de slacht. En daarom zou het gezag van het evangelie onderuit gaan. Niet slechts voor een deel, maar volledig, inclusief onze adoptie als kinderen en de daadwerkelijke voltooiing van onze redding. Dit onderwerp is dus het meest serieus van allemaal. Daarom moeten we ons er zo ijverig op concentreren dat we onze concentratie niet verliezen, hoe lang het ook duurt.
Wat over dit onderwerp in het kort behandeld moest worden, heb ik tot dit moment uitgesteld. Zo kunnen de lezers, als ze Christus, de bewerker van de volmaakte redding, hebben aangenomen, hoger opstijgen. En dan mogen ze weten dat Hij in hemelse onsterfelijkheid en glorie gekleed is met de bedoeling dat heel het lichaam gelijkvormig wordt aan het hoofd. Net zoals de Heilige Geest de persoon van Christus nu en dan presenteert als voorbeeld van de opstanding.
Het is moeilijk te geloven dat lichamen, als ze verteerd en vergaan zijn, als het hun tijd is ooit weer zullen opstaan. Al hebben veel filosofen verzekerd dat de ziel onsterfelijk is, toch stemden maar weinigen in met de opstanding van het vlees. Dat valt weliswaar niet te verontschuldigen. Maar het herinnert ons er wel aan dat de opstanding voor mensen te moeilijk is om te bevatten. Om ons in geloof zo’n grote hindernis te laten overwinnen, verschaft de Schrift twee hulpmiddelen. Het ene ligt in de overeenkomst met Christus. Het andere in Gods almacht.
Telkens als het over de opstanding gaat, moet ons dus het beeld van Christus in gedachten komen. Hij heeft onze natuur aangenomen en daarin de loop van het sterfelijk leven volledig afgelegd. Hij heeft de onsterfelijkheid bereikt en nu vormt Hij voor ons een waarborg van de toekomstige opstanding. Want in alle ellende die ons omringt, dragen we zijn dood in ons vlees, zodat zijn leven in ons geopenbaard zal worden. 2 Korinthiërs 4:8-10
En het is niet toegestaan om Hem van ons te scheiden. Dat is zelfs niet mogelijk zonder Hem in stukken te scheuren. Vandaar dat Paulus zo redeneert: ‘Als er geen doden opstaan, dan is Christus ook niet opgestaan.’ 1 Korinthiërs 15:13; 15:16 Want hij gaat bij voorbaat uit van dit principe: Christus was niet alleen voor zichzelf onderworpen aan de dood en heeft niet alleen voor zichzelf door zijn opstanding de dood overwonnen. Nee, in het hoofd is begonnen wat voltooid moet worden in alle ledematen, volgens ieders rang en positie.
Het zou immers niet juist zijn als zij in alles gelijk zouden worden aan Hem. In Psalm 16 staat: ‘U zult niet toelaten dat uw zachtmoedige bederf ziet.’ Psalm 16:10; Handelingen 2:27 Dit vertrouwen slaat weliswaar voor een deel op ons, in de mate waarin ons dat gegeven is. Toch is dit alleen daadwerkelijk vervuld in Christus. Hij heeft zijn lichaam volledig teruggekregen, helemaal vrij van vertering.
Maar we moeten er dus niet aan twijfelen dat we mogen delen in de gelukkige opstanding met Christus. En we moeten met deze waarborg tevreden zijn. Daarom verzekert Paulus uitdrukkelijk dat Christus in de hemel zit en op de laatste dag als rechter zal komen om ons onaanzienlijke en vernederde lichaam gelijk te maken aan zijn glorierijke lichaam. Filippenzen 3:20-21
Ergens anders leert hij ook dat God zijn Zoon niet alleen uit de dood heeft opgewekt om een bewijs te geven van zijn kracht. Nee, Hij heeft het ook gedaan om in ons als gelovigen dezelfde krachtige werking van de Geest te laten zien. Daarom noemt Paulus die Geest het leven. Hij woont in ons omdat Hij ons gegeven is met het doel om in ons levend te maken wat sterfelijk is. Kolossenzen 3:4; Romeinen 8:11
Ik stip kort aan wat ik ook uitgebreider zou kunnen behandelen. En het verdient het ook om schitterender versierd te worden. Maar toch vertrouw ik erop dat vrome lezers in weinig woorden genoeg materiaal vinden dat nodig is om hun geloof op te bouwen.
Christus is dus opgestaan om ons met Hem te laten delen in het toekomstige leven. De Vader heeft Hem opgewekt, omdat Hij het hoofd was van de kerk waar Hij zich op geen enkele manier vanaf laat rukken. Hij is opgewekt door de kracht van de Geest. Ook wij hebben deel aan die Geest, zodat Hij voor ons de taak van het levend maken kan uitvoeren. Kortom, Christus is opgewekt om de opstanding en het leven te zijn.
En ik heb gezegd dat in deze spiegel voor ons een levend beeld van de opstanding zichtbaar is. Daarom moet Hij ook voor ons een vaste basis zijn om ons hart op te laten steunen. Als het ons maar niet irriteert of verdriet doet als het te lang duurt. Want het is niet aan ons om naar eigen goeddunken te bepalen hoe lang iets mag duren. Nee, we moeten geduldig wachten tot God op zijn tijd zijn rijk weer opricht. Daarop slaat deze waarschuwing van Paulus: ‘De eerste vrucht is Christus. Daarna degenen die van Christus zijn. Ieder op zijn beurt.’ 1 Korinthiërs 15:23
Verder mag er geen discussie ontstaan over Christus’ opstanding, waar de opstanding van ons allemaal op gebaseerd is. Daarom moeten we zien op hoeveel verschillende manieren Hij ons ervan verzekerd heeft dat Hij echt is opgestaan. Eigenwijze mensen zullen lachen om het verhaal van de evangelisten, als om een kinderlijk komediespel. Want wat voor waarde moet je nu hechten aan het nieuws dat gebracht wordt door bangelijke vrouwtjes en dat later bevestigd wordt door leerlingen die haast uitzinnig waren? Had Christus niet beter glorieuze tekenen van zijn overwinning kunnen opstellen midden in de tempel of op het marktplein? Waarom bewijst Hij niet ook aan de priesters en aan heel Jeruzalem dat Hij weer levend geworden is? Nee, de getuigen die Hij kiest, zijn zulke getuigen dat onheilige mensen hen nauwelijks als geschikt zullen beschouwen.
Mijn antwoord is dat dat nieuws in het begin inderdaad zo zwak was dat je het kon minachten. Maar toch is dit allemaal geleid door Gods wonderlijke voorzienigheid. Daardoor werden degenen die kort daarvóór nog uitzinnig waren van angst, naar het graf getrokken, voor een deel door liefde voor Christus en vrome ijver en voor een deel door hun ongeloof. Dat was niet alleen om ervoor te zorgen dat ze ooggetuigen zouden zijn. Het was ook om ervoor te zorgen dat ze engelen hetzelfde hoorden zeggen als wat ze met hun ogen zagen. Hoe zouden wij hen van ongeloofwaardigheid kunnen verdenken? Ze dachten zelf ook dat wat ze van de vrouwen gehoord hadden een fabel was, totdat ze zelf aanwezig waren en zagen dat het waar was! Marcus 16:11-14
Maar het is niet vreemd dat heel het volk en de stadhouder zelf Christus niet te zien kregen en ook geen andere bewijzen kregen. Want ze waren al meer dan voldoende overtuigd! Het graf wordt verzegeld, er staan wachtposten, het lichaam is op de derde dag niet te vinden. Door geld omgekocht, verspreiden de soldaten het gerucht dat de leerlingen het lichaam weggeroofd hebben. Alsof die in staat waren een menigte op de been te brengen of over wapens beschikten! Alsof zij getraind waren om zoiets aan te durven! Als de soldaten niet genoeg moed hadden om hen te verjagen, waarom hebben ze hen dan niet achtervolgd, om met hulp van het volk sommigen te arresteren? Werkelijk, Pilatus heeft Christus’ opstanding met zijn zegelring bekrachtigd! En de wachters die bij het graf gezet waren, hebben met hun zwijgen of liegen diezelfde opstanding verkondigd! Mattheüs 27:66; 28:11-15 Ondertussen weerklonk de stem van de engelen: ‘Hij is opgestaan! Hij is hier niet!’ Hun hemelse glans laat duidelijk zien dat het geen mensen, maar engelen zijn. Mattheüs 28:6; Marcus 16:6; Lucas 24:6
Daarna heeft Christus alle twijfel weggenomen die er misschien nog over was. Want de leerlingen hebben Hem meerdere keren gezien. Ze hebben zelfs zijn voeten en handen aangeraakt. Lucas 24:38-43 En hun ongeloof helpt niet weinig om ons geloof te versterken. Hij heeft in hun midden gesproken over de mysteries van Gods koninkrijk. En ten slotte is Hij opgevaren naar de hemel terwijl zij toekeken. Lucas 24:51; Handelingen 1:9
En Hij heeft zich niet alleen aan de elf apostelen laten zien. Nee, Hij is gezien door meer dan vijfhonderd mensen tegelijk. 1 Korinthiërs 15:6 Verder heeft Hij de Heilige Geest gezonden. Daarmee heeft Hij niet alleen een overtuigend bewijs gegeven dat Hij leeft, maar ook dat Hij de hoogste macht heeft. Dat had Hij ook van tevoren gezegd: ‘Het is goed voor jullie dat ik wegga. Anders zal de Heilige Geest niet komen.’ Johannes 16:7 Bovendien is Paulus niet onderweg neergeworpen door de kracht van een dode. Nee, Hij merkte dat degene tegen wie hij streed, de hoogste macht had! Handelingen 9:4 Aan Stefanus verscheen Christus met een ander doel: de zekerheid dat Hij leefde moest Stefanus’ angst voor de dood overwinnen. Handelingen 7:55
Als je geen geloof hecht aan zoveel ontwijfelbare bewijzen, is dat niet slechts een teken van ongeloof. Het is een teken van slechte en waanzinnige koppigheid!
Andere beelden van de opstanding
Ik heb gezegd dat we bij het bewijzen van de opstanding onze zinnen moeten richten op Gods oneindige macht. Paulus leert dat in het kort. Hij zegt: ‘Om ons vernederde lichaam gelijk te maken aan zijn glorierijke lichaam, in overeenstemming met de werking van zijn kracht, waardoor Hij alles aan zichzelf kan onderwerpen.’ Filippenzen 3:21 Daarom is niets zo ongepast als op dit punt kijken wat er op natuurlijke wijze zou kunnen gebeuren. Ons wordt immers een weergaloos wonder gepresenteerd. Het is zo groot dat onze zinnen erdoor verzwolgen worden.
Toch houdt Paulus ons een bewijs voor uit de natuur. Daarmee weerlegt hij de domheid van degenen die de opstanding ontkennen. Hij zegt: ‘Jij dwaas! Wat je zaait, wordt pas levend als het eerst sterft.’ 1 Korinthiërs 15:36 Volgens hem zien we in het zaaien dus een beeld van de opstanding. Want gewas komt op uit verrotting. De opstanding zou echt niet zo moeilijk te geloven zijn, als we maar – zoals we horen te doen – zouden letten op de wonderen die we in alle delen van de wereld met onze ogen tegenkomen.
Verder moeten we bedenken dat je pas echt overtuigd bent van de toekomstige opstanding als je vol bewondering wordt meegesleept en de glorie van Gods kracht erkent. Opgebeurd door dit vertrouwen, roept Jesaja uit: ‘De doden zullen leven, mijn dode lichaam zal opstaan! Word wakker en juich, jullie die in het stof wonen!’ Jesaja 26:19 Toen de dingen er wanhopig voor stonden, richtte hij zich op tot God, de bewerker van het leven, in wiens hand de uitgangen van de dood zijn, zoals Psalm 68 zegt. Psalm 68:21 Ook Job, meer lijk dan mens, aarzelt niet op Gods macht te vertrouwen. Alsof hem niets mankeert, richt hij zich op tot die dag: ‘Ik weet dat mijn verlosser leeft! Op de laatste dag zal Hij opstaan boven het stof’ – om daar zijn kracht te tonen – ‘en ik zal weer met mijn huid omhuld worden en in mijn vlees God zien. Ik zelf zal Hem zien, niet iemand anders.’ Job 19:25-27
Sommigen willen deze passages op een veel te scherpzinnige manier verdraaien, alsof ze niet over de opstanding gaan en je ze anders moet opvatten. Toch bevestigen deze passages wat zij onderuit willen halen: de heilige mannen ontlenen in hun ellende troost aan niets anders dan een analogie met de opstanding.
We leren dat nog beter kennen uit een passage van Ezechiël. De Joden verwierpen de belofte dat ze zouden terugkeren. Ze brachten daartegen in dat het even onwaarschijnlijk was dat voor hun de weg geopend zou worden als dat doden uit hun graf zouden opstaan. Daarom krijgt de profeet een visioen te zien van een veld vol uitgedroogde beenderen. En God beveelt die beenderen vlees en zenuwen aan te nemen. Ezechiël 37:1-10 Met dit beeld wekt God natuurlijk het volk op om te hopen op terugkeer. Maar toch gebruikt Hij de opstanding als het bouwmateriaal voor die hoop.
Zo is de opstanding ook voor ons het belangrijkste voorbeeld van alle verlossingen die we als gelovigen in deze wereld ervaren. En Christus leerde dat de stem van het evangelie levend maakt. Maar de Joden namen dat niet aan. Daarom voegt Hij er meteen aan toe: ‘Verwonder je daar niet over! Want er komt een moment waarop allen die in het graf liggen de stem van Gods Zoon horen en naar buiten gaan.’ Johannes 5:28-29
Laten we dus, naar het voorbeeld van Paulus, al midden in de strijd blij triomferen. Want Hij die ons het toekomstige leven beloofd heeft, is in staat te bewaren wat bij Hem klaarligt. 2 Timotheüs 1:12 En laten we ons erop beroemen dat de overwinningskrans van rechtvaardigheid voor ons klaarligt, die de rechtvaardige rechter ons geven zal. 2 Timotheüs 4:8
Dan zullen alle moeilijkheden die we ondergaan, voor ons een bewijs zijn van het toekomstige leven. Want het past bij Gods aard om de goddelozen die ons onderdrukken, met onderdrukking te belonen, maar ons die onrechtvaardig onderdrukt worden, rust te geven in de verschijning van Christus met zijn engelenmacht, in een vlammend vuur. Maar we moeten vasthouden aan wat Paulus even later toevoegt: Christus zal komen om zijn glorie te laten schitteren in zijn heiligen en om bewonderd te worden in alle gelovigen, omdat zij het evangelie geloofd hebben. 2 Thessalonicenzen 1:6-10
Begraven als teken van de opstanding en de dwaling van de chiliasten
Het verstand van de mensen zou continu in beslag genomen moeten worden door hierover na te denken. Toch heeft men de dood het eind van alles genoemd en de ondergang van de mens. Alsof men opzettelijk elke herinnering aan de opstanding wilde uitwissen! Natuurlijk heeft Salomo het over de algemeen aanvaarde opinie als hij zegt dat een levende hond beter is dan een dode leeuw. Prediker 9:4 En ergens anders: ‘Wie weet of de adem van de mens opstijgt naar boven en de adem van de dieren afdaalt naar beneden?’ Prediker 3:21 In alle tijden heeft deze onnozele domheid huisgehouden. Zelfs tot in de kerk is die doorgedrongen! Want de sadduceeën hebben openlijk durven beweren dat er geen opstanding is, ja dat de ziel sterfelijk is.
Maar deze grove onwetendheid mag niemand vrijpleiten. Daarom hebben de ongelovigen door de ingeving van de natuur zelf altijd een beeld van de opstanding voor ogen gehad. Want waarom anders de heilige en onschendbare gewoonte om te begraven? Waarom anders dan als een waarborg van nieuw leven?
En je mag hier niet tegen inbrengen dat die gewoonte ontstaan is uit een dwaling. Want begraven heeft altijd een gewijd karakter gehad bij de heilige aartsvaders. En God heeft gewild dat diezelfde gewoonte bleef bestaan bij de heidenen. Het hun voor ogen gestelde beeld van de opstanding moest hen wekken in hun laksheid. Weliswaar heeft dat ritueel niets opgeleverd. Maar toch is het voor ons goed om verstandig te kijken naar het doel ervan. Want het is een zwaarwegend argument tegen hun ongeloof dat alle mensen samen erkend hebben wat niemand geloofde.
Toch heeft Satan niet alleen de zinnen van de mensen afgestompt, zodat ze samen met de lichamen ook de herinnering aan de opstanding zouden begraven. Hij heeft ook geprobeerd dit leerstuk door verschillende verzinsels te bederven, zodat het uiteindelijk verloren zou gaan. Ik laat liggen dat hij al in de tijd van Paulus de opstanding begon te bestrijden. Even later volgden de chiliasten. Zij beperkten het rijk van Christus tot duizend jaar. Maar hun verzinsel is zo kinderachtig het het niet nodig is het te weerleggen. Ze worden ook niet gesteund door de Openbaring van Johannes. Natuurlijk wilden ze op basis daarvan hun dwaling een schijn van waarheid geven. Openbaring 20:4 Maar het getal duizend slaat niet op het eeuwige geluk van de kerk, maar slechts op de verschillende vormen van onrust die de kerk in haar strijd op aarde nog te wachten stonden. Bovendien roept heel de Schrift dat er geen eind zal komen aan het geluk van de uitverkorenen en evenmin aan de straf van de verworpenen. Mattheüs 25:41-46
Verder moeten we alle dingen die zich aan onze blik onttrekken en ons begrip ver te boven gaan óf geloven op basis van zekere uitspraken van God, óf volledig afwijzen. Degenen die Gods kinderen duizend jaar toekennen om te genieten van de erfenis van het toekomstige leven, beseffen niet met wat voor belediging ze Christus en zijn rijk brandmerken. Want als Gods kinderen niet gekleed worden in onsterfelijkheid, dan is dus ook Christus zelf niet opgenomen in onsterfelijke glorie. Gods kinderen zullen immers veranderd worden naar zijn glorie. Als hun geluk eindig is, dan is Christus’ koninkrijk dus tijdelijk. Want daar is het op gebaseerd. Kortom, deze mensen zijn totaal onwetend in alles wat met God te maken heeft, óf ze proberen slinks en kwaadaardig heel Gods genade en Christus’ kracht aan het wankelen te brengen. De vervulling daarvan ligt nergens anders in dan hierin: nadat de zonde is uitgewist en de dood verslonden, wordt het eeuwige leven volledig hersteld.
Zelfs een blinde kan zien wat voor onzin het is als deze mensen zeggen dat ze bang zijn dat je God te veel wreedheid toeschrijft als de verworpenen zouden worden overgegeven aan eeuwige straffen. Dus de Heer zou onrecht doen als Hij zijn koninkrijk afpakt van degenen die er met hun ondankbaarheid zelf voor gezorgd hebben dat ze dat koninkrijk niet waard zijn?
Maar hun zonden zijn maar tijdelijk! Dat geef ik toe. Maar zij hebben met hun zonden Gods majesteit en ook zijn rechtvaardigheid geschonden. En die zijn eeuwig. Het is dus terecht dat er geen eind komt aan de herinnering aan hun onrechtvaardigheid. Maar dan is de straf erger dan de misdaad! Het is echter onacceptabele laster, als je Gods majesteit zo laag schat en niet belangrijker vindt dan de ondergang van één ziel.
Maar laat die praatjesmakers hun gang maar gaan. Want ik moet niet de indruk wekken dat ik, in tegenstelling met wat ik vooraf gezegd heb, hun dwaasheid een weerlegging waard vind.
De ziel gaat naar Christus
Naast deze dwaasheden hebben nieuwsgierige mensen nog twee verkeerde dwaasheden ingevoerd. Sommigen dachten dat de ziel samen met het lichaam zal opstaan, alsof de hele mens zou sterven. Anderen gaven toe dat de ziel onsterfelijk is. Maar zij dachten dat die in een nieuw lichaam gekleed zal worden. Daarmee ontkennen ze de opstanding van het vlees.
De eerste dwaasheid heb ik al kort aangestipt toen ik het had over de schepping van de mens. Daarom ben ik er nu tevreden mee om er opnieuw op te wijzen wat voor beestachtige dwaling het is om van de ziel een vluchtige ademtocht te maken die alleen maar in het vergankelijke leven het lichaam in beweging houdt. De ziel is naar Gods beeld geschapen! Bovendien vernietig je daarmee de tempel van de Heilige Geest. En ten slotte beroof je juist dat deel van ons waarin de goddelijkheid het meest schittert en waarin de tekenen zichtbaar zijn van de onsterfelijkheid van deze gave. Dan is het lichaam er beter aan toe dan de ziel!
De Schrift leert iets heel anders. Die vergelijkt het lichaam met een hut en zegt dat wij daaruit verhuizen als we sterven. Want de Schrift taxeert ons volgens het deel dat ons onderscheidt van de redeloze dieren. Daarom zegt Petrus, als hij dicht bij de dood gekomen is, dat de tijd gekomen is dat hij zijn tent zal neerleggen. 2 Petrus 1:14 En als Paulus het heeft over de gelovigen, zegt hij dat ons aardse huis wordt afgebroken, maar dat wij dan een gebouw in de hemel hebben. En dan voegt hij eraan toe dat we nog niet bij de Heer wonen zolang we nog in het lichaam blijven, maar dat we verlangen naar Gods aanwezigheid als het lichaam afwezig is. 2 Korinthiërs 5:1-8 Als de ziel het lichaam niet overleeft, wat geniet er dan van Gods aanwezigheid nadat het van het lichaam is losgemaakt?
Maar de apostel maakt aan alle twijfel een eind. Hij leert dat we verzameld worden bij de geesten van de rechtvaardigen. Hebreeën 12:23 Met die woorden bedoelt hij dat we verenigd worden met de heilige aartsvaders die ook gestorven zijn en die met ons dezelfde vroomheid dienen. Dus we kunnen alleen Christus’ ledematen zijn, als we met hen verenigd worden. En als de ziel, losgemaakt van het lichaam, haar wezen niet zou behouden en het geluk van de glorie niet zou kunnen bevatten, dan zou Christus ook niet tegen de moordenaar gezegd hebben: ‘Vandaag zul jij met Mij in het paradijs zijn.’ Lucas 23:43
Als we op zo duidelijke Schriftbewijzen vertrouwen, hoeven we dus niet te aarzelen om onze ziel naar Christus’ voorbeeld bij God aan te bevelen, of naar het voorbeeld van Stefanus aan Christus toe te vertrouwen. Lucas 23:46; Handelingen 7:58 Christus wordt niet voor niets de trouwe herder en opziener genoemd van de zielen. 1 Petrus 2:25
Verder is het niet toegestaan en ook niet nuttig om nieuwsgierig onderzoek te doen naar hoe de ziel er in de tussentijd aan toe is. Velen kwellen zich zeer door de vraag te stellen op welke plek ze zijn en of ze nu al van de hemelse glorie genieten of nog niet. Maar het is dwaas en brutaal om naar onbekende dingen verder onderzoek te doen dan wat God ons toestaat om te weten. De Schrift zegt dat Christus bij de zielen aanwezig is en hen opneemt in het paradijs, zodat ze getroost worden. Johannes 12:32 Ook zegt de Schrift dat de zielen van de verworpenen kwellingen lijden zoals ze verdiend hebben. Maar verder gaat de Schrift niet. Welke leraar of leermeester kan ons dan openbaren wat God zelf verborgen heeft?
De vraag naar de plek is even dwaas als zinloos. Want we weten dat de ziel geen afmetingen heeft van lengte en breedte, zoals het lichaam. De gelukkige vergadering van de heilige geesten wordt ‘de schoot van Abraham’ genoemd. Lucas 16:22 Het is voor ons genoeg dat we uit deze ballingschap ontvangen worden door de gezamenlijke voorvader van alle gelovigen, zodat hij ons kan laten delen in de vrucht van zijn geloof.
Ondertussen beveelt de Schrift overal dat we vol verwachting moeten uitkijken naar Christus’ komst. Daarom moeten we tevreden zijn met deze grenzen die God zelf ons voorschrijft: nadat de zielen van de vromen de zware strijd volbracht hebben, komen ze in de rust van het geluk. Daar kijken ze in gelukkige blijdschap uit naar het genot van de beloofde glorie. Zo blijft alles vol verwachting totdat Christus, de verlosser, verschijnt.
En er is geen twijfel aan dat de verworpenen hetzelfde lot treft als Judas aan de duivels toeschrijft: ze worden met ketenen gebonden gehouden totdat ze meegesleurd worden naar de straf waartoe ze veroordeeld zijn. Judas:8
We krijgen hetzelfde lichaam terug
Net zo monsterlijk is de dwaling van hen die zich inbeelden dat de ziel niet het lichaam zal krijgen waarin het nu gekleed is. Zij zeggen dat de ziel van een nieuw en ander lichaam voorzien zal worden. De manicheeërs gaven hiervoor een wel erg waardeloos argument: het zou absoluut ongepast zijn dat onrein vlees weer zou opstaan. Alsof de ziel niet onrein zou zijn! Maar die sloten zij niet uit van de hoop op het hemelse leven. Het was dus net alsof ze zeiden dat God niet kan reinigen wat met het vuil van de zonde besmet is. Want ik ga nu maar voorbij aan die onzin dat het vlees van nature onrein zou zijn, omdat het door de duivel geschapen zou zijn. Ik laat alleen zien dat alles wat in ons de hemel niet waard is, toch de opstanding niet in de weg staat.
Om te beginnen beveelt Paulus dat gelovigen zich moeten reinigen van alles waar het vlees en de geest mee besmet zijn. 2 Korinthiërs 7:1 Het oordeel dat hij ergens anders aankondigt, is daar het gevolg van: ‘Ieder zal uitbetaald krijgen wat hij in het lichaam gedaan heeft, of het nu goed was of slecht.’ Korinthiërs 5:10 Dat klopt met wat hij aan de Korinthiërs schrijft: ‘Zodat het leven van Jezus Christus in ons sterfelijke vlees geopenbaard wordt.’ Korinthiërs 4:10-11
Daarom bidt hij ergens anders of God de lichamen wil bewaren tot de dag van Christus, evengoed als de zielen en de geesten. Thessalonicenzen 5:23 Geen wonder! Want de lichamen heeft God gewijd als tempels voor zichzelf. Korinthiërs 3:16 Het zou wel heel absurd zijn als die zouden vergaan, zonder hoop op opstanding! Zijzijn tochook ledematen van Christus? Korinthiërs 6:15 Hij wil toch dat onze tongzijn naam prijst, dat we zuivere handen naar Hem opheffen, Timotheüs 2:8dat we Hem offers brengen?Romeinen 12:1 Wat is het dan dwaas alseensterfelijk mens een deel van de mens dat de hemelse rechter zo’n geweldige eer waard keurt, tot stof maakt zonder enige hoop dat het weer opgericht wordt!En Paulus spoort ons aan om deglorie van deHeer telaten schitterenzowel in ons lichaam als in onze ziel. Want die zijn allebei van God. Korinthiërs 6:20Dan is het voor hem natuurlijk onacceptabel als dat wat hij als iets heiligs opeist voor God, zou worden prijsgegeven om voor eeuwig te vergaan.
En niets wordt door de Schrift zo duidelijk gedefinieerd als de opstanding van het vlees dat wij dragen. Paulus zegt: ‘Dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aantrekken en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aantrekken.’ Korinthiërs 15:53 Als God nieuwe lichamen zou maken, wat zou er dan overblijven van deze verandering van natuur? Als er gezegd werd dat wij vernieuwd moeten worden, dan zou die dubbelzinnige manier van spreken misschien aanleiding kunnen geven tot dwaling. Maar nu wijst Paulus met de vinger het lichaam aan waarin wij gekleed zijn. Hij belooft dát lichaamonvergankelijkheid. Dus ontkent hijoverduidelijk dat er nieuwe lichamen gemaakt worden. Sterker nog, Tertullianus zegt: ‘Hij kon het niet explicieter zeggen, of hij moest met zijn handen zijn huid vastpakken.’
En mijn tegenstanders kunnen er met geen enkele uitvlucht aan ontkomen dat Paulus ergens anders zegt dat Christus de rechter van de wereld zal zijn en dat hij dan dit Schriftbewijs van Jesaja citeert: ‘Ik leef, zegt de HEER. Voor Mij zal elke knie zich buigen.’Romeinen 14:11; Jesaja 49:18; 45:24 Want daarmee kondigt Paulus duidelijk aan dat ieder die hij aanspreekt, verplicht zal worden om verantwoording af te leggen van zijn leven. Endatzou niet uitkomen als er nieuwe lichamen voor de rechterstoel zouden komen te staan.
Verder is er niets onduidelijks aan de woorden van Daniël: ‘En velen van hen die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, sommigen voor het eeuwige leven, anderen voor schande en eeuwige minachting.’Daniël 12:2 Want Hij wekt geen nieuw materiaal op uit de vier elementen, maar roept de doden uit het graf.
Ook helder inzicht zegt dit. Wantdedood is het gevolg van de val van de mens en is er later bijgekomen. Als dat zo is, dan slaat ook het herstel dat Christus gebracht heeft, op datzelfde lichaam dat sterfelijk geworden is. En uit het feit dat de Atheners lachen als Paulus de opstanding predikt,Handelingen 17:32kun je opmakenwat hij eigenlijk predikte. Dat lachen helpt niet weinig om ons geloof te versterken.
Opmerkelijk is ook deze uitspraak van Christus: ‘Wees niet bang voor degenen die het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden. Nee, wees bang voor Hem die zowel de ziel als het lichaam verloren kan laten gaan in de hel.’Mattheüs 10:28 Er zou immers geen reden zijn om bang te zijn als het lichaam dat we nu dragen niet onderworpen was aan de straf. En even duidelijk is een andere uitspraak van Christus: ‘Er komt een moment waarop allen die in het graf liggen de stem van Gods Zoon horen en naar buiten gaan.Zij die goed gedaan hebben naar de opstanding van het leven en zij die kwaad gedaan hebben naar de opstanding van de veroordeling.’Johannes 5:28-29 Moeten we zeggen dat de ziel in het graf rust om daar Christus’ stem te horen? Is het niet eerderzo dat op zijn bevel het lichaam de kracht terugkrijgt die het verloren had?
Bovendien, als we een nieuw lichaam krijgen, wat blijft er dan over van de gelijkvormigheid van het hoofd en de ledematen? Christus is opgestaan. Heeft Hij dat soms gedaan door een nieuw lichaam te maken? Nee, het ging zoals Hij voorzegd had: ‘Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem weer oprichten.’Johannes 2:19Hij kreeg hetzelfde sterfelijke lichaam terug dat Hij eerst aan had. Immers, we zouden er weinig mee opgeschoten zijn als Hij een nieuw lichaam gekregen had en als het andere lichaam, dat als zoenoffer geofferd was, vernietigd was.
We moeten ook lettenopde gemeenschap die de apostel Paulus predikt: wij staan op omdat Christus is opgestaan. Korinthiërs 15:12Wantniets is zo onwaarschijnlijk als dat ons vlees, waarin wij de dood van Christus meedragen, beroofd zou worden van de opstanding van diezelfde Christus. Endatis gebleken uit een heel overtuigend bewijs: toen Christus opstond, zijn vele lichamen van heiligen uit het graf gekomen.Mattheüs 27:52We kunnen immers niet ontkennen dat dit een voorspel, of liever eenwaarborggeweest isvande laatste opstanding waar wij op hopen. Net zoals eerder al gebeurd is met Henoch en Elia.Genesis 5:24; 2 Koningen 2:11Tertullianus noemt hen ‘kandidaten voor de opstanding’. Want zij zijn met lichaam en ziel bevrijd van de vergankelijkheid, door God onder zijn hoede genomen.
Ons lichaam wordt anders
Ik schaam me ervoor dat ik bij zo’n duidelijk onderwerp zoveel woorden gebruik. Maar ik hoop dat de lezers zo vriendelijk zijn die last samen met mij te dragen, om te voorkomen dat er voor verkeerde en overmoedige geesten ook maar een kiertje openstaat om eenvoudige mensen te bedriegen.
Ik bestrijd nu wispelturige geesten die aankomen zetten met hun hersenschimmen. Zij zeggen dat er bij de opstanding nieuwe lichamen geschapen zullen worden. Hoe komen ze op dit idee? Natuurlijk doordat ze het ongelofelijk vinden dat een lijk dat door zo’n lang proces van ontbinding vergaan is, zijn vroegere toestand kan terugkrijgen! Dus is alleen ongeloof de moeder van deze opvatting van hen. Wij echter worden door de Geest in vele Schriftpassages aangespoord om uit te kijken naar de opstanding van ons vlees.
Paulus bijvoorbeeld getuigt dat de doop een zegel of waarmerk is van de toekomstige opstanding. Kolossenzen 2:12 Niet minder nodigt het heilig avondmaal ons uit om er vertrouwen in te hebben, als we de symbolen van de geestelijke genade in onze mond krijgen. En Paulus waarschuwt ons dat wij onze ledematen als wapens in dienst moeten stellen tot gehoorzaamheid aan rechtvaardigheid. Romeinen 6:13; 6:19 Dat zou niets te betekenen hebben als daar niet bijkwam wat hij later toevoegt: ‘Hij die Christus uit de doden heeft opgewekt, zal ook jullie sterfelijke lichamen levend maken.’ Romeinen 8:11 Immers, wat zouden we ermee opschieten als we onze voeten, handen, ogen en tong ter beschikking stellen voor gehoorzaamheid aan God, als zij nooit delen in de vrucht en het loon daarvan?
Paulus bevestigt dat duidelijk met zijn eigen woorden: ‘Het lichaam is niet voor ontucht, maar voor de Heer. En de Heer is er voor het lichaam. En Hij die Christus opgewekt heeft, zal ook ons opwekken door zijn kracht.’ Nog duidelijker is wat volgt: onze lichamen zijn tempels van de Heilige Geest en ledematen van Christus. 1 Korinthiërs 6:13-19 Ondertussen zien we dat Paulus de opstanding verbindt met kuisheid en heiligheid, net zoals hij even later de prijs van de verlossing ook ons lichaam laat omvatten. Het zou ook niet logisch zijn als het lichaam van Paulus, waarin hij de tekenen van Christus gedragen heeft Galaten 6:17 en waarin hij Christus’ glorie geweldig heeft laten schitteren, beroofd zou worden van de overwinningskrans van de beloning. Vandaar ook dat hij roemt: ‘Wij verwachten de redder uit de hemel, die ons vernederde lichaam gelijk zal maken aan zijn glorierijke lichaam.’ Filippenzen 3:20-21 En als het waar is dat wij door veel verdrukking Gods koninkrijk moeten binnengaan, Handelingen 14:22 dan zou het niet logisch zijn als het lichaam zou worden tegengehouden. Want God traint dat lichaam onder de kruisbanier en tooit het met de lof van de overwinning.
Daarom is er onder de heiligen nooit enige twijfel gerezen over dit onderwerp. Nee, zij hadden de hoop dat ze metgezellen zouden zijn van Christus. Hij neemt alle verdrukkingen waarmee zij getest worden zelf op zich, om te leren dat ze levend maken. Ja, ook de heilige aartsvaders onder de wet heeft God door een uiterlijk ritueel getraind in dit geloof. Want wat was anders de bedoeling van de gebruikelijke manier van begraven, zoals we eerder al gezien hebben, dan om hen te laten weten dat er een nieuw leven klaarlag voor het begraven lichaam? Dat was ook de bedoeling van de specerijen en andere symbolen van onsterfelijkheid. Net als offers hielpen die om de duistere leer te verduidelijken. En die gewoonte is niet voortgekomen uit bijgeloof. Want we zien dat de Geest niet minder ijverig vertelt over begrafenissen dan over de belangrijkste geloofsmysteries. En Christus beveelt ons het begraven aan als een meer dan gewone plicht. Mattheüs 26:10 Dat doet Hij vast en zeker alleen omdat dat de ogen van het graf, dat alles verteert en vernietigt, opheft naar het mooie toneel van de vernieuwing.
Bovendien, dat de aartsvaders geprezen worden omdat ze dit ritueel zo ijverig uitvoerden, bewijst duidelijk genoeg dat het voor hen een bijzonder kostbaar hulpmiddel geweest is voor hun geloof. Immers, Abraham zou niet zo zorgvuldig gezorgd hebben voor de begrafenis van zijn vrouw, Genesis 23 als de godsdienst hem niet voor ogen gestaan had en een nut dat verder reikte dan de aarde: door het dode lichaam van zijn vrouw te tooien met de tekenen van de opstanding zou hij het geloof van hemzelf en van zijn gezin versterken. Een nog duidelijker bewijs daarvan zie je in het voorbeeld van Jacob. Om tegenover zijn nakomelingen te getuigen dat zelfs de dood geen eind maakte aan zijn hoop op het beloofde land, beval hij dat zijn beenderen daarheen teruggebracht moesten worden. Genesis 47:30 Ik vraag je, als hij in een nieuw lichaam gekleed had moeten worden, zou het dan geen belachelijk bevel geweest zijn dat hij gaf over zijn stof dat vernietigd zou worden?
Kortom, als we de Schrift enig gezag toekennen, kunnen we van geen enkele leer een duidelijker of zekerder bewijs wensen. Zelfs voor kinderen is het duidelijk dat de woorden ‘opstaan’ en ‘opwekken’ dit betekenen. Immers, als iets nu pas geschapen wordt, zeggen we niet dat het weer opstaat. En dan zou ook niet overeind blijven wat Christus zegt: ‘Niets wat de Vader Mij gegeven heeft, zal verloren gaan. Ik zal het op de laatste dag opwekken.’ Johannes 6:39 Ook het woord ‘slapen’ wijst op hetzelfde. Dat woord slaat alleen op het lichaam. Daarom heten begraafplaatsen in het Grieks ook koimeteria – ‘slaapplaatsen’.
Nu moet ik alleen nog iets zeggen over wat de opstanding nu eigenlijk inhoudt. Ik zeg ‘iets’, want Paulus noemt het een mysterie en roept ons op tot zelfbeheersing. 1 Korinthiërs 15:51 Hij houdt ons in toom om te voorkomen dat we ongebonden te vrij en te scherpzinnig gaan filosoferen.
Om te beginnen moeten we vasthouden aan wat ik gezegd heb: wat de substantie betreft, zullen we opstaan in hetzelfde vlees dat we nu aan hebben. Maar wat betreft de hoedanigheid, zal het ander vlees zijn. Net zoals het vlees van Christus: het was hetzelfde vlees dat geofferd was. Toch schitterde het na zijn opstanding met andere gaven, alsof het heel ander vlees was.
Paulus verduidelijkt dat met voorbeelden uit het dagelijks leven. Het vlees van mensen en van dieren heeft wel dezelfde substantie, maar niet dezelfde hoedanigheid. En sterren hebben allemaal dezelfde materie, maar een verschillende helderheid. En zo leert de apostel dat wij dezelfde lichaamssubstantie zullen houden, maar dat er toch iets zal veranderen. De toestand van ons vlees zal veel beter zijn. Omdat we zullen opstaan, zal ons vergankelijke lichaam dus niet omkomen en verdwijnen. Nee, het zal de vergankelijkheid uittrekken en onvergankelijkheid aantrekken. 1 Korinthiërs 15:39-41; 15:51-54
En God heeft met zijn wil de beschikking over alle elementen. Daarom kan geen enkele moeilijkheid Hem beletten de aarde, het water en het vuur te bevelen terug te geven wat door hen verteerd lijkt te zijn. Dat verklaart ook Jesaja, al doet hij dat niet zonder een figuurlijke manier van spreken: ‘Kijk, de HEER komt uit zijn plaats om de onrechtvaardigheid van de aarde betaald te zetten. En de aarde zal haar bloed onthullen en haar gedoden niet langer bedekt houden.’ Jesaja 26:21
Maar we moeten letten op het verschil tussen degenen die allang gestorven zijn en degenen die op die dag nog in leven blijken te zijn. Immers, Paulus getuigt: we zullen niet allemaal inslapen, maar we zullen wel allemaal veranderd worden. Dat wil zeggen: er hoeft geen tijd te verlopen tussen het moment van de dood en het begin van het tweede leven. Want in een punt in de tijd, in een ogenblik, zal de klank van de bazuin doordringen om de doden onvergankelijk op te wekken. Maar de levenden zullen door een plotselinge verandering gevormd worden naar dezelfde glorie. 1 Korinthiërs 15:51-53
Ergens anders troost Paulus de gelovigen die sterven moeten dat degenen die dan nog in leven zullen zijn niet voor de doden uit zullen gaan. Nee, degenen die in Christus ingeslapen zijn, zullen juist eerst opstaan. 1 Thessalonicenzen 4:15-16
Misschien brengt iemand daartegen in dat de apostel zegt dat alle mensen bestemd zijn om eenmaal te sterven. Hebreeën 9:27 Maar dat is gemakkelijk op te lossen: als de toestand van de natuur veranderd wordt, is dat een soort dood en dat kun je best zo noemen. En daarom zijn deze twee dingen heel goed met elkaar te rijmen: door de dood worden alle mensen vernieuwd als ze het sterfelijke lichaam uittrekken. Maar als die plotselinge verandering plaats heeft, is het toch niet nodig dat lichaam en ziel gescheiden worden.
De opstanding van de goddelozen
Maar nu komen we bij een lastiger kwestie: de opstanding is een speciale zegen van Christus. Met welk recht mogen dan ook de goddelozen en degenen die door God vervloekt zijn daarin delen? We weten dat in Adam alle mensen aan de dood onderworpen zijn. Romeinen 5:12; 1 Korinthiërs 15:22 Christus is gekomen als de opstanding en het leven. Johannes 11:25 Maar is Hij dat om zonder uitzondering heel het menselijk geslacht levend te maken? Maar wat zou zo ongepast zijn als dat de goddelozen in hun koppige blindheid zouden krijgen wat de vromen, die God dienen, alleen krijgen door geloof?
Toch blijft dit overeind staan: de ene opstanding is een opstanding om veroordeeld te worden en de andere is een opstanding om te leven. En Christus zal komen om de schapen te scheiden van de bokken. Mattheüs 25:32
Mijn antwoord is dat dit niet zo vreemd hoeft te lijken. Want we zien zoiets ook in wat we elke dag ervaren. We weten dat we in
Adam beroofd zijn van de erfenis van heel de wereld. Als ons belet zou worden ons gewone voedsel te eten, zou dat net zo terecht zijn als dat ons belet wordt te eten van de boom van het leven. Toch laat God niet alleen zijn zon opgaan over goeden en slechten. Mattheüs 5:45 Nee, zijn onschatbare vrijgevigheid stroomt ook continu naar hen toe voor wat ze in het tegenwoordige leven maar nodig hebben. Hoe komt dat? Hieraan zien we natuurlijk dat de dingen waar alleen Christus en zijn ledematen recht op hebben, ook overstromen naar de goddelozen. Niet dat zij daar aanspraak op kunnen maken. Nee, alleen omdat ze dan minder te verontschuldigen zijn. Zo ervaren de goddelozen vaak dat God hun goed doet. Niet door beperkte bewijzen van zijn vrijgevigheid, maar door zulke grote bewijzen dat alle zegeningen van de vromen er soms door verduisterd worden. Toch leiden die voor hen alleen maar tot een grotere veroordeling.
Als je hiertegen inbrengt dat de opstanding niet te vergelijken is met vergankelijke en aardse zegeningen, dan is ook dan mijn antwoord: zodra de goddelozen zijn vervreemd van God, de bron van het leven, hebben ze de ondergang van de duivel verdiend om daardoor volledig vernietigd te worden. Maar door Gods wonderbaarlijke plan is er een middentoestand gevonden: buiten het leven, leven ze in de dood. Het mag absoluut niet absurd lijken als de goddelozen de opstanding ondergaan om getrokken te worden voor Christus’ rechterstoel. Nu weigeren ze naar Hem te luisteren als naar hun meester en leraar. Het zou dus maar een lichte straf zijn als ze door de dood werden weggenomen, zonder dat ze voor de rechter geplaatst worden om gestraft te worden voor hun koppigheid. Ze hebben zijn oneindige wraak over zich afgeroepen.
Verder moeten we weliswaar vasthouden aan wat ik gezegd heb en aan die bekende belijdenis van Paulus tegenover Felix. Hij keek uit naar de toekomstige opstanding van rechtvaardigen en goddelozen. Handelingen 24:15 Maar toch presenteert de Schrift de opstanding vaker samen met de hemelse glorie alleen voor Gods kinderen. Want Christus kwam eigenlijk niet om de wereld te vernietigen, maar om de wereld te redden. Daarom noemt ook de Apostolische Geloofsbelijdenis alleen het gelukkige leven.
Het toppunt van geluk
En de profetie over het verslinden van de dood in de overwinning zal pas vervuld worden bij de opstanding. Jesaja 25:8; Hosea 13:14; 1 Korinthiërs 15:54-55 Daarom moeten we altijd denken aan het eeuwige geluk, het doel van de opstanding. Dat is zoiets geweldigs! Al zouden we er alles over zeggen wat tongen van mensen maar kunnen zeggen, dan hebben we er toch maar nauwelijks een heel klein stukje van aangestipt. Natuurlijk is het helemaal waar als we horen dat Gods koninkrijk vol zal zijn van glans, vreugde, geluk en glorie. Maar als deze dingen genoemd worden, blijven ze toch op grote afstand van wat we kunnen beseffen. Ze blijven als het ware gehuld in raadsels, totdat die dag komt waarop Hij zijn glorie voor ons onthult en wij er oog in oog mee mogen staan. 1 Korinthiërs 13:12 Johannes zegt: ‘Wij weten dat wij Gods kinderen zijn, maar dat is nog niet zichtbaar. Maar als wij aan Hem gelijk zullen zijn, dan zullen wij Hem zien zoals Hij is.’ 1 Johannes 3:2 De profeten konden niet in woorden uitdrukken wat het geestelijke geluk precies inhoudt. Daarom hebben ze die meestal getekend in fysieke termen.
Maar aan de andere kant horen we te branden van verlangen naar die glorie. En dat verlangen moet worden aangestoken doordat we er een voorproefje van krijgen. Daarom moeten we ons vooral bezighouden met hierover nadenken: als een onuitputtelijke bron bevat God in zichzelf de volheid van alle goede dingen. Als dat zo is, moeten degenen die het hoogste goed en het volmaakte geluk nastreven, niets najagen dat uitgaat boven Hem. En dat wordt ons ook in veel passages geleerd: ‘Abraham, Ik ben voor jou een grote beloning.’ Genesis 15:1 David stemt met die woorden in: ‘Jehova is mijn deel. Mijn lot is heerlijk uitgevallen.’ Psalm 16:5-6 En ergens anders: ‘Ik zal verzadigd worden met uw ogen.’ Psalm 17:15 En Petrus verkondigt dat de gelovigen geroepen zijn om te delen in Gods natuur. 2 Petrus 1:4 Hoezo? Omdat zijn glorie zal schitteren in al zijn heiligen en Hij bewonderd zal worden in allen die geloofd hebben. 2 Thessalonicenzen 1:10
De Heer zal de uitverkorenen dus laten delen in zijn glorie, kracht en rechtvaardigheid. Sterker nog, Hij zal hen laten genieten van Hemzelf en – nog beter – tot op zekere hoogte één met hen worden. Daarom moeten we bedenken dat die zegen alle soorten van geluk omvat. Maar als we ver gekomen zijn in het nadenken daarover, dan moeten we toch erkennen dat we nog maar aan het begin staan, als je ons beperkte verstand vergelijkt met de diepte van dit mysterie. In dit leven zullen we het nooit kunnen peilen.
Daarom moeten we bij dit onderwerp extra nuchter blijven. We moeten voorkomen dat we vergeten hoe beperkt ons verstand is, daardoor nog overmoediger omhoog vliegen en door de glans van de hemelse glorie overweldigd worden. We voelen ook hoe we geprikkeld worden door een tomeloze begeerte om meer te weten dan is toegestaan. Soms borrelen daar zinloze en zelfs schadelijke vragen uit op. Zinloze vragen noem ik vragen die onmogelijk iets kunnen opleveren. Maar het tweede is erger. Want als je daaraan toegeeft, raak je verstrikt in levensgevaarlijke speculaties. Daarom noem ik ze schadelijk.
Voor ons moet buiten kijf staan wat de Schrift leert: God deelt op verschillende manieren zijn gaven uit aan de heiligen in deze wereld. Hij bestraalt hen niet allemaal op dezelfde manier. En zo zal ook in de hemel, als God zijn gaven zal bekronen, de mate van glorie niet voor iedereen gelijk zijn. Paulus zegt: ‘Jullie zijn mijn glorie en overwinningskrans op de dag van Christus.’ 1 Thessalonicenzen 2:19-20 Maar dat is dus niet zonder onderscheid van toepassing op iedereen. Evenmin als wat Christus zegt tegen de apostelen: ‘Jullie zullen zitten om te oordelen over de twaalf stammen van Israël.’ Mattheüs 19:28 Paulus wist dat God de heiligen ook in de hemel met glorie zou tooien in dezelfde mate waarin Hij hen op aarde voorzien had van geestelijke gaven. Daarom twijfelt hij er niet aan dat er voor hem een bijzondere overwinningskrans klaarligt, in overeenstemming met de omvang van zijn werk. 2 Timotheüs 4:8 En Christus wil aan de apostelen de waardigheid aanprijzen van de taak die hun was opgelegd. Daarom wijst Hij erop dat de vrucht daarvan verborgen is in de hemel. Mattheüs 19:21
Zo zegt ook Daniël: ‘De leraren zullen blinken als de glans van het uitspansel. En zij die velen rechtvaardig maken, zullen blinken als de sterren, voor altijd en eeuwig.’ Daniël 12:3 En als je met aandacht naar de Schrift kijkt, dan zie je dat de Schrift aan de gelovigen niet alleen eeuwig leven belooft, maar ook voor ieder een specifieke beloning. Vandaar dat Paulus ook zegt: ‘Laat God hem belonen op die dag.’ 2 Timotheüs 4:14 En dat wordt ook bevestigd door de belofte van Christus: ‘Jullie zullen in het eeuwige leven honderd keer zoveel krijgen.’ Mattheüs 19:29 Kortom, net zoals Christus door een grote variatie in gaven de glorie van zijn lichaam op aarde begint en stap voor stap vergroot, zo zal Hij die ook in de hemel voltooien.
Zinloze vragen
Alle vromen zullen dit eenstemmig accepteren, omdat Gods Woord er duidelijk genoeg van getuigt. En zo zullen ze aan de andere kant ook de netelige vragen loslaten als ze merken dat die hun in de weg staan. Ze zullen de hun gestelde grenzen niet overschrijden.
Wat mijzelf betreft, ik onthoud me er niet alleen persoonlijk van om overbodige en nutteloze dingen uit te pluizen. Ik denk dat ik er ook voor moet oppassen dat ik de lichtzinnigheid van anderen in de hand werk door antwoord te geven op hun vragen.
Mensen die hongerig zijn naar zinloze kennis onderzoeken hoe groot het verschil zal zijn tussen profeten en apostelen en ook tussen apostelen en martelaren, hoeveel maagden en gehuwden van elkaar zullen verschillen in rangorde. Kortom, ze slaan geen hoekje van de hemel over, maar onderzoeken alles. Bovendien komt in hen de vraag op waarom de wereld eigenlijk vernieuwd wordt. Gods kinderen hebben immers niets nodig van zo’n weergaloos grote overvloed. Ze zullen gelijk zijn aan de engelen Mattheüs 22:30 en het symbool van het eeuwige geluk van de engelen is dat ze geen behoefte hebben aan eten en drinken.
Maar mijn antwoord is dat alleen het zien van die overvloed al zo heerlijk is. Alleen het kennen daarvan, zonder het te gebruiken, is zo zoet. Dat overtreft alle hulpmiddelen waar we nu van genieten. Stel dat we in de allerrijkste regio van de wereld geplaatst zijn, waar het ons aan geen enkel genot ontbreekt. Wie wordt dan niet nu en dan door zijn ziekte belemmerd in het genieten van Gods zegeningen? Wie wordt niet vaak gestoord door zijn eigen gebrek aan zelfbeheersing? Dat betekent dus dat zuiver genot, zonder enig gebrek, het toppunt van geluk is, zelfs al maak je geen gebruik van het vergankelijke leven.
Anderen gaan verder en vragen of schuim en ander bederf in metalen niet ver verwijderd zijn van herstel en daar niet bij passen. En ik geef dat tot op zekere hoogte toe. Maar dan nog: ik verwacht met Paulus dat de gebreken die er als gevolg van de zonde gekomen zijn, hersteld zullen worden. Naar dat herstel smacht heel de schepping. Ze is als het ware in barensnood. Romeinen 8:22
Ze gaan nog verder en vragen wat er nu eigenlijk beter is aan de toestand die het menselijk geslacht te wachten staat. Er komt dan immers een eind aan de zegen van het krijgen van kinderen. Ook dit probleem is gemakkelijk op te lossen. Dat de Schrift zo hoog opgeeft van die zegen, heeft de maken met de groei waardoor God continu de natuurlijke orde tot haar einddoel brengt. Maar als de volmaaktheid bereikt is, gaat het anders. Dat is bekend.
Maar onvoorzichtige mensen worden meteen door zulke verlokkingen gevangen. En daarna sleept het doolhof hen er nog dieper in mee. Uiteindelijk vermaakt ieder zich met zijn eigen ideeën en komt er geen eind meer aan de discussies. Laten wij maken dat we daar snel uit wegkomen! Dat kan als we ermee tevreden zijn dat we nu in een wazige spiegel kijken, totdat we oog in oog zullen staan. Want van een grote menigte zijn er maar weinig die zich druk maken om de vraag langs welke weg je in de hemel kunt komen. Maar iedereen wil graag, voor het zover is, weten hoe het daar is. En ook al is bijna iedereen laks en traag in het aangaan van de strijd, toch zien ze hun overwinning al helemaal voor zich.
Het ongeluk van de goddelozen
Verder kan op geen enkele manier voldoende beschreven worden hoe zwaar Gods wraak is tegenover de verworpenen. Daarom worden hun kwellingen en folteringen voor ons in fysieke termen getekend: door duisternis, gehuil, tandengeknars, onuitblusbaar vuur en door een worm die eindeloos aan het hart knaagt. Mattheüs 8:12; 22:13; 3:12; Marcus 9:43; Jesaja 66:24 Want vast en zeker heeft de Heilige Geest met zulke uitdrukkingen al onze zinnen schrik willen aanjagen. Net zoals wanneer er gezegd wordt dat er van eeuwigheid een diepe poel klaarligt, die gevoed wordt met vuur en veel hout en dat de adem van de HEER hem als een zwavelstroom aansteekt. Jesaja 30:33
Deze uitdrukkingen helpen ons om een beetje het ellendige lot van de goddelozen te begrijpen. Maar we moeten dan vooral bedenken hoe rampzalig het is als je vervreemd raakt van elke gemeenschap met God. En dat niet alleen. We moeten ook beseffen dat Gods majesteit zo tegen je is dat je er niet aan kunt ontkomen, maar je erdoor in het nauw gebracht voelt. Want in de eerste plaats is zijn verontwaardiging net een heel fel vuur. Alles wat het aanraakt, wordt erdoor verslonden en verzwolgen. En in de tweede plaats dienen alle schepselen Hem zo om zijn oordeel uit te voeren, dat de goddelozen zullen voelen dat de hemel en de aarde, de zee, de dieren en alles wat er is als het ware in een vreselijke woede tegen hen ontbrand zijn. Zo zal de Heer daardoor zijn woede openbaren.
Daarom heeft de apostel Paulus niet zomaar iets gewoons gezegd, toen hij zei dat de ongelovigen als straf de eeuwige ondergang zullen ondergaan, weg van het gelaat van de Heer en van de glorie van zijn kracht. 2 Thessalonicenzen 1:9 En de profeten boezemen angst in door middel van fysieke metaforen. Gezien onze laksheid, overdrijven ze daarbij niet. Maar telkens halen ze daar ook het toekomstige oordeel bij in de zon, de maan en heel het bouwwerk van de kosmos.
Ongelukkige mensen vinden daarom geen rust in hun geweten. Nee, ze worden gekweld en heen en weer geslingerd door een vreselijke wervelstorm. Want ze voelen dat een vijandige God hen verscheurt en dat dodelijke pijlen hen doorboren en verwonden. Ze sidderen voor Gods bliksem en worden door zijn zware hand verpletterd. Wegzinken in wat voor afgrond of kolk ook is dan nog beter dan een ogenblik in die verschrikkingen staan.
Wat houdt dat in? Hoe vreselijk is het als je in het nauw komt door Gods eeuwige belegering, waar nooit een eind aan komt? Daarover bevat Psalm 90 een opmerkelijke uitspraak: alleen al door een blik van Hem verstrooit Hij alle stervelingen en doet Hij hen teniet. Psalm 90:7 Maar de mensen die Hem dienen, die brengt Hij nog extra in het nauw, vooral als ze angstiger in het leven staan. Zo spoort Hij hen aan om zich, gebukt onder een kruis, te haasten, totdat Hij zelf alles is in allen. 1 Korinthiërs 15:28
Voetnoten
- 446
Tertullianus, De resurrectione carnis, 51.
- 447
Tertullianus, De resurrectione carnis, 58.
Voetnoot 446
Tertullianus, De resurrectione carnis, 51.
Voetnoot 447
Tertullianus, De resurrectione carnis, 58.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.