Boek IV · Hoofdstuk 1

De echte kerk

Inhoud van dit hoofdstuk · 29 secties
  1. 1We hebben de kerk nodig
  2. 2Eén heilige, algemene, christelijke kerk
  3. 3De gemeenschap van de heiligen
  4. 4De zichtbare kerk als moeder
  5. 5God gebruikt mensen om ons te onderwijzen
  6. 6De prediking is alleen effectief omdat Gods Geest erin werkt
  7. 7De zichtbare en de onzichtbare kerk
  8. 8Wij kunnen niet weten wie echte gelovigen zijn, maar wel wat de echte kerk is
  9. 9De kenmerken van de echte kerk
  10. 10Het gezag en de eenheid van de kerk
  11. 11Voorzichtigheid naar twee kanten
  12. 12Niet alle verschillen in de leer zijn reden om de eenheid te verbreken
  13. 13Zonde in de kerk is geen reden om de eenheid te verbreken
  14. 14Paulus over de zonden van de Korinthiërs
  15. 15Als zondaars onterecht in de kerk getolereerd worden
  16. 16Veeleisendheid komt voort uit hoogmoed
  17. 17De heiligheid van de kerk
  18. 18De profeten scheidden zich niet af
  19. 19Christus scheidde zich niet af
  20. 20Volmaaktheid is in dit leven onbereikbaar
  21. 21Elke dag moeten onze zonden vergeven worden
  22. 22De kerk deelt de vergeving van zonden uit
  23. 23We moeten elke dag om vergeving bidden
  24. 24Voorbeelden uit de Schrift van heiligen die zondigen
  25. 25Gods genade in het Oude Testament
  26. 26Gods genade in het Nieuwe Testament
  27. 27Gods genade voor afvallige kerken
  28. 28Niet alleen onbewuste zonden kunnen vergeven worden
  29. 29Niet alleen kleine zonden kunnen vergeven worden

We hebben de kerk nodig

In het vorige boek heb ik uitgelegd dat Christus door geloof van ons wordt en dat wij door geloof mogen gaan delen in het behoud en het eeuwige geluk dat Hij verdiend heeft. Maar wij zijn zo onwetend en laks en ons verstand is zo nutteloos, dat we uiterlijke hulpmiddelen nodig hebben. Daardoor moet het geloof in ons verwekt worden en groeien. Daardoor moet het zover vooruitkomen dat we de eindstreep halen. Daarom heeft God die hulpmiddelen er ook bijgevoegd, om ons in onze zwakheid te hulp te komen. En om ervoor te zorgen dat de prediking zou floreren, heeft Hij deze schat toevertrouwd aan de kerk. Hij heeft herders en leraren aangesteld Efeziërs 4:11 om de zijnen via hun mond te onderwijzen. Hij heeft hen bekleed met gezag. Kortom, Hij heeft niets nagelaten wat zou kunnen bijdragen aan heilige eensgezindheid in het geloof en aan goede orde.

Bovenal heeft Hij sacramenten ingesteld. Uit ervaring merken we dat dat heel nuttige hulpmiddelen zijn om ons geloof te voeden en te versterken. Want wij zitten nog opgesloten in de gevangenis van ons vlees en hebben de positie van de engelen nog niet bereikt. Daarom heeft God zich aangepast aan ons begrip. In zijn wonderlijke voorzienigheid heeft Hij ons voorgeschreven op welke manier wij naar Hem toe moeten gaan, nu we nog ver bij Hem vandaan zijn.

Gezien de volgorde van mijn onderwijs is het daarom nu nodig dat we de kerk gaan behandelen met haar regering, orde en macht. Vervolgens moeten we de sacramenten behandelen. En ten slotte ook de burgerlijke orde. Daarbij moet ik de vrome lezers afhouden van het bederf waarmee Satan in het pausdom alles vervalst heeft wat God voor ons behoud bepaald heeft.

Ik zal dus beginnen met de kerk. God wil dat al zijn kinderen in de schoot van zijn kerk verzameld worden. Niet alleen om ze door haar werk en bediening te laten voeden, zolang ze nog zuigelingen en kinderen zijn. Ook om ze door haar moederlijke zorg te laten regeren, totdat ze volwassen worden en uiteindelijk de eindstreep van het geloof bereiken.

Want God heeft deze dingen samengevoegd en die mogen dus niet van elkaar gescheiden worden: Mattheüs 10:9 voor degenen voor wie

Hij een Vader is, moet de kerk een moeder zijn. En dat niet alleen onder de wet, maar ook na de komst van Christus. Dat getuigt Paulus. Hij leert dat wij kinderen zijn van het nieuwe en hemelse Jeruzalem. Galaten 4:26

Eén heilige, algemene, christelijke kerk

In de Apostolische Geloofsbelijdenis belijden we dat we een kerk geloven. Dat slaat niet alleen op de zichtbare kerk, die ik nu ga behandelen, maar ook op al Gods uitverkorenen. Daarbij tellen ook de uitverkorenen mee die al zijn gestorven. Daarom wordt ook het woord ‘geloven’ gebruikt. Want vaak kun je geen verschil zien tussen Gods kinderen en de onheiligen, tussen zijn eigen kudde en wilde dieren.

Velen plaatsen er het woordje ‘in’ tussen. Maar daar is geen plausibele reden voor. Ik geef toe dat het vrij vaak gebruikt wordt en dat er zelfs wel wat steun voor te vinden is bij de kerkvaders. Immers, ook in de Geloofsbelijdenis van Nicea zoals die in de kerkgeschiedenis wordt geciteerd, is het voorzetsel toegevoegd. Maar toch kun je ook uit de geschriften van de oude schrijvers opmaken dat het vroeger buiten kijf stond dat je hoorde te zeggen dat je een kerk geloofde, niet dat je in een kerk geloofde. Want zo spreken Augustinus en de schrijver – wie hij ook is – van het boekje De uitleg van de artikelen van het geloof – het staat op naam van Cyprianus. En dat niet alleen. Ze zeggen er ook ronduit bij dat het een oneigenlijke manier van spreken zou zijn als je het voorzetsel toevoegt. En die opvatting bevestigen ze met een overtuigende argumentatie. We getuigen dat we geloven in God omdat ons hart steunt op Hem als de betrouwbare en ons vertrouwen op Hem rust. Maar dat kan niet van toepassing zijn op de kerk en evenmin op de vergeving van zonden of de opstanding van het vlees.

Dus, ook al wil ik niet in discussie gaan over woorden, toch geef ik de voorkeur aan de juiste manier van spreken. Die is beter geschikt om uitdrukking te geven aan wat er bedoeld wordt. Zo voorkom je dat de zaak onnodig verduisterd wordt.

Welnu, de bedoeling is dat we moeten weten dat de duivel weliswaar zijn uiterste best doet om Christus’ genade te vernietigen en dat Gods vijanden met dezelfde woede tekeergaan, maar dat die genade toch niet kan worden uitgedoofd. Christus’ bloed kan niet vruchteloos gemaakt worden. Het brengt altijd wel wat vrucht voort. Zo moeten we ook letten op Gods verborgen uitverkiezing en op zijn innerlijke roeping. Want Hij alleen weet wie de zijnen zijn. 2 Timotheüs 2:19 Hij houdt hen opgesloten onder zijn zegel, zoals Paulus zegt. Efeziërs 1:13 Behalve dan dat ze zijn kentekenen dragen. Daardoor zijn ze te onderscheiden van de verworpenen. Maar een klein en armzalig aantal gaat schuil in een grote massa. Tarwekorrels worden bedekt door een hoop kaf. Daarom moeten we het aan God overlaten om zijn kerk te kennen, waarvan het fundament zijn verborgen uitverkiezing is.

En het is echt niet genoeg als we in gedachten vasthouden aan een menigte van uitverkorenen, als we niet denken aan zo’n eenheid van de kerk, waar wij naar onze overtuiging werkelijk in geënt zijn. Want er is voor ons geen hoop op de toekomstige erfenis, als we niet onder Christus, ons hoofd, verenigd zijn met alle andere ledematen.

Daarom wordt de kerk ‘katholiek’ of ‘algemeen’ genoemd. Want je kunt geen twee of drie kerken vinden zonder dat Christus verscheurd wordt. Maar dat is onmogelijk. 1 Korinthiërs 1:13 Ja, Gods uitverkorenen zijn in Christus allemaal zo één met elkaar Efeziërs 1:22-23 dat ze, net zoals ze van één hoofd afhankelijk zijn, ook als het ware tot één lichaam samengroeien en als ledematen van één lichaam hecht met elkaar verbonden zijn. Efeziërs 4:16; Romeinen 12:5; 1 Korinthiërs12:12-27;Efeziërs 5:30 Ze zijn echt één geworden, aangezien ze samenleven in één geloof, hoop en liefde en in dezelfde Geest van God. Want ze zijn niet alleen geroepen tot dezelfde erfenis van het eeuwige leven. Ze zijn ook geroepen om te delen in één God en Christus.

De trieste verwoesting die we overal tegenkomen, kan dus wel uitroepen dat er niets van de kerk is overgebleven. Maar toch mogen we weten dat Christus’ dood vruchtbaar is en dat God op een wonderlijke manier zijn kerk als in schuilhoeken bewaart. Net zoals tegen Elia gezegd is: ‘Ik heb zevenduizend mannen voor Mij bewaard die hun knie niet gebogen hebben voor Baäl.’ 1 Koningen 19:18

De gemeenschap van de heiligen

Echter, het artikel uit de geloofsbelijdenis slaat in een bepaald opzicht ook op de uiterlijke kerk. Ieder van ons moet in broederlijke eensgezindheid blijven met al Gods kinderen. Hij moet aan de kerk het gezag toekennen dat haar toekomt. Kortom, hij moet zich gedragen zoals een schaap uit de kudde past. En daarom wordt eraan toegevoegd: ‘De gemeenschap van de heiligen.’ Weliswaar laten de oude schrijvers dit zinsdeel meestal weg. Maar toch mag je het niet negeren. Want het maakt heel goed duidelijk wat de kerk eigenlijk is. Want het is net alsof er gezegd wordt dat de heiligen verzameld worden in de gemeenschap met Christus onder deze voorwaarde: ze moeten alle geschenken die ze van God krijgen onderling met elkaar delen.

Maar dat neemt niet weg dat er variatie is in genadegaven. Want we weten dat de gaven van de Geest op verschillende manieren worden uitgedeeld. En het verstoort ook de burgerlijke orde niet.

Ieder mag zijn eigen persoonlijke bezittingen hebben, want om de vrede te bewaren tussen mensen, is het nodig dat ieder voor zich zelf mag beschikken over zijn eigendommen. Nee, het gaat over een gemeenschap zoals Lucas die beschrijft: de gemeente van gelovigen is één van hart en één van ziel. Handelingen 4:32 En zoals Paulus de Efeziërs oproept: ze moeten één lichaam vormen en één geest, omdat ze geroepen zijn tot één hoop. Efeziërs 4:4 Immers, als ze er echt van overtuigd zijn dat ze samen God als Vader en Christus als hoofd hebben, dan kan het niet anders of verenigd door broederlijke liefde, laten ze onderling elkaar delen in wat ze hebben.

Verder is het voor ons heel belangrijk dat we weten wat we hieraan hebben. Want we geloven een kerk onder deze voorwaarde: we moeten er vast van overtuigd zijn dat wij lid zijn van die kerk. Want op die manier is ons behoud gebaseerd op vaste en stevige fundamenten. Ook al zou heel het bouwwerk van de wereld wankelen, dan kan toch ons behoud niet ineenstorten en omvallen.

In de eerste plaats staat ons behoud vast dankzij Gods uitverkiezing. Ons behoud kan alleen veranderen of bezwijken als Gods eeuwige voorzienigheid verandert of bezwijkt.

In de tweede plaats is ons behoud tot op zekere hoogte verbonden met de standvastigheid van Christus. En Hij zal niet toelaten dat zijn gelovigen van Hem worden losgerukt. Evenmin als Hij zou toelaten dat zijn ledematen zouden worden verscheurd en uiteengerukt.

In de derde plaats zijn wij er zeker van dat de waarheid voor ons overeind zal blijven zolang wij in de schoot van de kerk blijven.

Ten slotte voelen we dat deze beloften op ons slaan: ‘Er zal redding zijn in Sion.’ Joël 2:32 (3:5); Obadja1:17 En: ‘God zal in het midden van Jeruzalem wonen, zodat het nooit zal wankelen.’ Psalm 46:6 Zo krachtig is het deelhebben aan de kerk, dat het ervoor zorgt dat we in Gods gemeenschap blijven.

Ook in het woord ‘gemeenschap’ zelf ligt een rijke troost. Want het staat vast dat alles wat de Heer aan zijn en onze ledematen geeft, ons eigendom is. En dus wordt onze hoop bevestigd door alles wat zij krijgen.

Verder is het helemaal niet nodig dat we de kerk met onze ogen kunnen zien of met onze handen kunnen aanraken. Ik heb dat al gezegd. Ook zonder dat kunnen we de eenheid van de kerk omhelzen. Want het gaat om geloof. Dat herinnert ons er juist aan dat we niet minder aan de kerk moeten denken als ze ons begrip te boven gaat, dan wanneer ze duidelijk zichtbaar is. En ons geloof is niet minder goed omdat het een kerk aanneemt die we niet kennen. Want wij krijgen geen bevel om de verworpenen te onderscheiden van de uitverkorenen. Dat is alleen aan God en niet aan ons. Nee, wij moeten in ons hart voor zeker aannemen dat ieder die door de welwillendheid van God de Vader en door de krachtige werking van de Heilige Geest is gaan delen in Christus, apart gezet is als Gods eigendom, als zijn persoonlijk bezit. En dat wij daarbij horen en dus mogen delen in zo’n grote genade.

De zichtbare kerk als moeder

Maar ik ben van plan het te gaan hebben over de zichtbare kerk. Daarom moeten we nu alleen al uit de naam ‘moeder’ leren hoe nuttig, ja nodig het voor ons is om de kerk te kennen. Want er is geen andere ingang naar het leven, als zij ons niet ontvangt in haar schoot, ons baart, ons voedt aan haar borsten en ten slotte ons onder haar hoede neemt en ons leidt, totdat we het sterfelijke vlees uittrekken en gelijk worden aan de engelen. Mattheüs 22:30 Want onze zwakheid laat niet toe dat wij uit haar school ontslagen worden voordat we tijdens heel onze levensloop haar leerlingen geweest zijn.

Daar komt bij dat we buiten haar schoot geen vergeving van zonden mogen verwachten en geen behoud. Jesaja en Joël getuigen dat Jesaja 37:32; Joël 2:32 (3:5) en Ezechiël stemt daarmee in. Hij verklaart dat op de lijst van Gods volk geen mensen voorkomen die door Hem van het hemelse leven worden uitgesloten. Ezechiël 13:9 Terwijl aan de andere kant over degenen die zich bekeren en God vroom gaan dienen, gezegd wordt dat ze hun naam inschrijven tussen de burgers van Jeruzalem. Jesaja 56:5; Psalm 87:5-6

Daarom wordt er in een andere psalm ook gezegd: ‘Denk aan mij, Jehova, in overeenstemming met uw welbehagen voor uw volk. Bezoek mij met uw redding. Dan zal ik het goede zien van uw uitverkorenen en dan zal ik blij zijn met de blijdschap van uw volk, mij verheugen met uw erfdeel!’ Psalm 106:4-5 Deze woorden beperken Gods vaderliefde en het speciale getuigenis van het geestelijke leven tot zijn kudde. Daarom is het dus altijd dodelijk als je je van de kerk afscheidt.

God gebruikt mensen om ons te onderwijzen

Maar laten we verder gaan met bespreken wat bij dit onderwerp hoort.

Paulus schrijft dat Christus, om alles te vervullen, sommigen heeft gegeven als apostelen, sommigen als profeten, sommigen als evangelisten en sommigen als herders en leraren, om de heiligen klaar te maken voor het werk van de bediening, om het lichaam van Christus op te bouwen, totdat we allemaal de eenheid bereikt hebben van het geloof en het kennen van Gods Zoon, als volmaakte mensen, net zo volwassen als Christus. Efeziërs 4:10-13 God zou de zijnen in een ogenblik volmaakt kunnen maken. Maar we zien dat Hij hen alleen wil laten opgroeien tot volwassenheid door de opvoeding van de kerk. We zien op welke manier dat moet: de herders hebben immers de taak gekregen om de hemelse leer te prediken. We zien dat ze allemaal, tot de laatste toe, bijeengedreven worden onder dezelfde orde: ze moeten zich met een zachtmoedige en ontvankelijke geest toevertrouwen aan de leraren die daarvoor zijn aangesteld, om zich door hen te laten regeren.

In het verleden had Jesaja Christus’ koninkrijk al met dit kenmerk getekend: ‘Mijn Geest die op jou is en de woorden die ik jou in de mond gelegd heb, zullen nooit uit jouw mond wijken en ook niet uit de mond van jouw kinderen of uit de mond van jouw kleinkinderen.’ Jesaja 59:21 Dat betekent dus dat ieder die het geestelijke voedsel voor de ziel afwijst, dat hem namens God via de handen van de kerk wordt aangereikt, het verdient om van honger en gebrek om te komen. God geeft ons geloof in ons hart, maar door middel van het instrument van het evangelie. Daarom leert Paulus dat geloof voortkomt uit luisteren. Romeinen 10:17 Bij God ligt de macht om te redden. Romeinen 1:16 Maar Hij openbaart die en legt die uit in de prediking van het evangelie, zo getuigt dezelfde Paulus.

Vanwege dit plan wilde God vroeger dat er heilige bijeenkomsten gehouden werden bij het heiligdom. Dan moesten de priesters de leer voordragen om de eenstemmigheid van het geloof te voeden. En de tempel wordt Gods rustplaats genoemd, Psalm 132:14 zijn heilige woning. Jesaja 57:15 Er wordt gezegd dat Hij tussen de cherubs zit. Psalm 80:2 Die geweldige benamingen zijn alleen maar bedoeld om die bediening van de hemelse leer waardering, liefde, eerbied en waardigheid te verlenen. Want anders zouden we alleen een sterfelijk en veracht mens zien en dan zou aan die bediening ernstig tekortgedaan worden. We moeten weten dat ons uit een aarden vat een schat van onschatbare waarde gegeven wordt. 2 Korinthiërs 4:7 Daarom komt God dus zelf tevoorschijn. Voor zover Hij zelf de auteur van deze orde is, wil Hij dat erkend wordt dat Hij zelf aanwezig is in zijn instelling.

Daarom, als God de zijnen verbiedt om zich bezig te houden met waarzeggerij, de toekomst voorspellen, tovenarij, vragen stellen aan doden en andere vormen van bijgeloof, dan voegt Hij eraan toe dat ze nooit zonder profeten zullen zitten. Deuteronomium 18:10-15; Leviticus 19:31 En Hij heeft het oude volk nooit verwezen naar de engelen. Nee, Hij heeft leraren op aarde laten opstaan om werkelijk een engelentaak uit te voeren. En zo wil Hij ons ook nu nog via mensen onderwijzen. Hij was vroeger niet tevreden met de wet, maar voegde daar als uitleggers priesters aan toe, zodat het volk uit hun mond kon leren begrijpen wat de wet nu echt betekende. Maleachi 2:7 En zo wil Hij tegenwoordig ook dat we niet alleen aandachtig lezen. Nee, Hij stelt ook leermeesters over ons aan die ons kunnen helpen.

Dat is op twee manieren goed voor ons. Want aan de ene kant kan Hij zo heel goed onze gehoorzaamheid testen, als we naar zijn dienaren luisteren alsof we naar Hem zelf luisteren. En aan de andere kant komt Hij ons ook te hulp in onze zwakheid. Hij spreekt liever op menselijke wijze tegen ons via uitleggers, om ons bij zich te lokken, dan dat Hij ons bij zich vandaan jaagt met zijn gedonder. En natuurlijk voelen alle vromen hoe goed deze vertrouwelijke manier van onderwijzen voor ons is. Want ze kennen allemaal de vrees die hen terecht neerwerpt voor Gods majesteit.

Er zijn mensen die denken dat het gezag van de leer tenietgedaan wordt als kleine mensen geroepen worden om die leer te onderwijzen. Echter, zij verraden daarmee hun ondankbaarheid. Want God heeft het menselijk geslacht getooid met zoveel geweldige gaven. Tussen al die gaven is het een bijzonder voorrecht dat Hij monden en tongen van mensen voor zich wil heiligen, om zijn stem daarin te laten klinken. Daarom moeten wij het van onze kant niet erg vinden om de leer van het behoud gehoorzaam te omhelzen. Die leer wordt aan ons gepresenteerd op zijn bevel en uit zijn mond. Gods kracht is niet gebonden aan uiterlijke middelen. Toch heeft Hij ons gebonden aan die gewone manier van onderwijs. En als sommige fanatici weigeren om zich daaraan te houden, dan raken ze in veel dodelijke strikken verward.

Trots, weerzin of jaloezie drijft velen ertoe zichzelf wijs te maken dat ze wel voldoende vooruit kunnen komen door voor zichzelf te lezen en na te denken. Dat brengt hen ertoe de openbare bijeenkomsten te verwaarlozen en de prediking overbodig te vinden. Maar dan maken ze, voor zover zij dat kunnen, de heilige band van de eenheid los of ze breken die. Daarom ontkomt niemand aan de straf voor deze goddeloze afscheiding. Nee, ze betoveren zichzelf met levensgevaarlijke dwalingen en heel afschuwelijke dwaasheden.

De zuivere eenvoud van het geloof moet bij ons floreren. Daarom moeten we er geen bezwaar tegen hebben om deze training van de vroomheid te gebruiken. Door die in te stellen heeft God laten zien dat die nodig is en Hij beveelt die heel sterk aan. Er is nog nooit iemand gevonden, zelfs niet onder de meest brutale honden, die zei dat je voor God je oren maar moet sluiten. Maar in alle tijden hebben profeten en vrome leraren zwaar te kampen gehad met goddelozen die zich in hun koppigheid nooit kunnen buigen onder dit juk: dat ze onderwezen worden door de mond en de dienst van mensen. Maar dat is hetzelfde als Gods gelaat uitwissen. Want dat straalt ons in dat onderwijs tegemoet!

De gelovigen kregen vroeger het bevel om Gods gelaat te zoeken in het heiligdom. En dat wordt heel vaak in de wet herhaald. Waarom? Alleen omdat de leer van de wet en vermaningen van de profeten voor hun net een levend beeld waren van God. Daarom zegt Paulus dat in zijn prediking Gods glorie schijnt in het gelaat van Christus. 2 Korinthiërs 4:6

Nóg weerzinwekkender zijn de afvalligen die erop uit zijn om de kerken te scheuren. Het is net alsof ze de schapen uit de stallen in de muil van wolven jagen. Maar wij moeten vasthouden aan wat ik uit Paulus heb aangehaald: de kerk wordt alleen gebouwd door uiterlijke prediking. En de heiligen worden maar door één band onderling verbonden: als ze eensgezind leren en vooruitkomen en zo in de kerk de orde in stand houden die God heeft voorgeschreven.

Vooral met dat doel kregen de gelovigen vroeger onder de wet het bevel om samen te komen bij het heiligdom. Ik heb dat al gezegd. Want als Mozes het heeft over Gods woonplaats, dan noemt hij die plaats tegelijk ook de plaats van Gods naam. Daar heeft God de herinnering geplaatst aan zijn naam. Exodus 20:24 Daarmee leert hij duidelijk dat die plaats geen enkel nut heeft zonder de leer van de vroomheid.

En ongetwijfeld klaagt David ook om dezelfde reden verbitterd dat de wrede tirannie van zijn vijanden hem verhindert om de tabernakel binnen te gaan. Psalm 84 Velen vinden dat een haast kinderlijke klacht. Het missen van de voorhof van de tempel zou maar een gering verlies zijn. Het zou je niet veel genot kosten, als er maar ander genot tegenover staat. Toch klaagt David dat deze ene moeite hem kwelt en martelt met benauwdheid en verdriet. Sterker nog, hij wordt erdoor verteerd. Want voor de gelovigen is er geen waardevoller hulpmiddel dan dit. Hierdoor leidt God de zijnen stap voor stap omhoog.

We moeten erop letten dat God zich aan de heilige aartsvaders altijd liet zien in de spiegel van zijn leer. Zo leerden ze Hem geestelijk kennen. Daarom wordt de tempel niet alleen zijn gelaat genoemd, Psalm 42:3 maar ook de voetbank voor zijn voeten, Psalm 132:7; 99:5; 1 Kronieken 28:1 om elk bijgeloof weg te nemen. En dit is inderdaad een gelukkige ontmoeting die eenheid van geloof brengt, als iedereen van hoog tot laag gericht is op het hoofd. Alle tempels die de heidenen met andere bedoelingen voor God gebouwd hebben, hebben zijn dienst alleen maar ontheiligd. Ook de Joden zijn – al was het minder erg – daartoe vervallen. Stefanus verwijt hun dat met de woorden van Jesaja, dat God niet woont in tempels die met handen gemaakt zijn, enzovoort. Handelingen 7:48; Jesaja 66:1-2 Want door zijn Woord heiligt alleen God zelf tempels voor zichzelf voor legitiem gebruik. En als wij overmoedig iets proberen zonder zijn bevel, dan hechten zich aan dat verkeerde begin meteen weer nieuwe verzinsels. Zo woekert het kwaad eindeloos voort.

Toch was het onbezonnen van Xerxes om op raad van de magiërs alle tempels van Griekenland te verbranden of te verwoesten. Hij vond het absurd dat de goden werden opgesloten tussen muren en daken. Hij vond dat zij overal vrije toegang moesten hebben. Alsof het niet in Gods macht lag om in zekere zin naar ons af te dalen, om dicht bij ons te zijn, en toch niet van plaats te veranderen of zich aan aardse middelen te binden. Dat zijn juist net wagens waarmee Hij ons omhoog voert naar zijn hemelse glorie, die in haar onmetelijkheid alles volledig vult en in hoogte zelfs de hemel te boven gaat!

De prediking is alleen effectief omdat Gods Geest erin werkt

Verder is er in deze tijd veel discussie over de effectiviteit van de bediening. Sommigen maken de waardigheid daarvan veel te groot. Anderen beweren dat onterecht op een sterfelijk mens wordt overgedragen wat bij de Heilige Geest hoort, als we vinden dat dienaren en leraren doordringen tot het verstand en het hart, om zowel de blindheid van het verstand als de hardheid van het hart te corrigeren. Daarom moet ik een juiste beschrijving geven van dit meningsverschil.

De dingen die van beide kanten worden aangevoerd, kan ik zonder inspanning gemakkelijk weerleggen. Als we maar goed letten op de Schriftpassages waar God, de auteur van de prediking, daar zijn Geest aan verbindt en belooft dat die vrucht zal opleveren. Of aan de andere kant, op de Schriftpassages waar Hij zich losmaakt van de uiterlijke hulpmiddelen en zowel het begin van geloof als heel het verdere verloop aan zichzelf toekent.

Maleachi verklaart dat het de taak van de tweede Elia was om het verstand te verlichten, het hart van de vaders weer te richten op de kinderen en de ongelovigen terug te brengen tot de wijsheid van de rechtvaardigen. Maleachi 4:5-6 (3:23-24); Lucas 1:17 Christus kondigt aan dat Hij zijn apostelen uitzendt zodat hun werk vrucht oplevert. Johannes 15:16 En welke vrucht dat is, beschrijft Petrus in het kort als hij zegt dat wij opnieuw geboren worden uit onvergankelijk zaad. 1 Petrus 1:23 Daarom beroemt Paulus zich erop dat hij de Korinthiërs verwekt heeft door het evangelie 1 Korinthiërs 4:15 en dat zij het zegel of waarmerk zijn van zijn apostelschap. 1 Korinthiërs 9:2 En dat hij geen dienaar is van de letter, die alleen oren treft met zijn stemgeluid, maar dat Hij de krachtige werking van de Geest gekregen heeft, zodat zijn onderwijs niet nutteloos is. 2 Korinthiërs 3:6 Hetzelfde bedoelt hij ergens anders, als hij zegt dat zijn evangelie niet alleen uit woorden bestond, maar ook uit kracht. 1 Korinthiërs 2:4 Bovendien verzekert hij dat de Galaten de Geest gekregen hebben omdat ze geluisterd hebben naar de prediking van het geloof. Galaten 3:2 Kortom, in meerdere Schriftpassages maakt hij zichzelf niet alleen een medewerker van God, maar kent hij zichzelf ook toe dat hij de redding meebrengt. 1 Korinthiërs 3:9

Natuurlijk heeft hij dit allemaal nooit gezegd met de bedoeling zichzelf iets toe te schrijven, hoe weinig ook, zonder God. Dat legt hij ergens anders ook kort uit: ‘Ons werk is niet tevergeefs geweest in de Heer, in overeenstemming met zijn macht die krachtig in mij werkt.’ 1 Thessalonicenzen 3:5 En ergens anders: ‘Hij die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de besnedenen, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen.’ Galaten 2:8 Verder blijkt uit andere passages dat hij echt helemaal niets overlaat voor de dienaren zelf: ‘Wie plant, is niets en wie besproeit, is niets, maar God die de groei geeft.’ 1 Korinthiërs 3:7 En: ‘Ik heb harder gezwoegd dan zij allemaal, maar niet ik, maar Gods genade die met mij was.’ 1 Korinthiërs 15:10

En natuurlijk moeten we vasthouden aan de uitspraken waarin God zichzelf toeschrijft dat Hij het verstand verlicht en het hart vernieuwt. Met zulke uitspraken waarschuwt Hij ons dat het heiligschennis is als de mens zichzelf ook maar een stukje van die twee dingen aanmatigt.

Ondertussen zal ieder die zich ontvankelijk toont voor de dienaren die God over hem aanstelt, uit het resultaat leren dat deze manier van onderwijs niet voor niets God behaagd heeft. En ook dat de gelovigen niet voor niets het juk van bescheidenheid is opgelegd.

De zichtbare en de onzichtbare kerk

Uit het voorgaande is volgens mij al duidelijk hoe we horen te denken over de zichtbare kerk die we kunnen kennen. Ik heb immers gezegd dat de Heilige Schrift op twee manieren over de kerk spreekt.

Soms als de Schrift de kerk noemt, bedoelt ze de kerk die inderdaad in Gods ogen kerk is. Daarin wordt niemand anders opgenomen dan degenen die uit genade als Gods kinderen geadopteerd zijn en door de Geest geheiligd zijn als echte ledematen van Christus. En dan bevat de kerk niet alleen de heiligen die op aarde wonen, maar alle uitverkorenen die er sinds het begin van de wereld geweest zijn.

Maar soms bedoelt de Schrift met de benaming ‘kerk’ heel de menigte van mensen, verspreid over de hele wereld, die belijden dat ze één God en één Christus dienen, die door de doop in zijn verbond zijn ingelijfd, die door deel te nemen aan het avondmaal verklaren dat ze één zijn in de ware leer en in liefde, die eensgezind zijn in het Woord van de Heer en die de bediening in stand houden die Christus heeft ingesteld voor de prediking van dat Woord. In deze kerk zitten er echter ook veel huichelaars tussen, die niets van Christus hebben behalve de naam en de uiterlijke schijn: heel veel eerzuchtigen, hebzuchtigen, jaloersen, kwaadsprekers en sommigen die onrein leven. Ze worden een tijdlang getolereerd, óf omdat ze niet wettig veroordeeld kunnen worden, óf omdat de tucht niet altijd zo streng wordt toegepast als wel zou moeten.

Dus net zoals we een onzichtbare kerk moeten geloven die alleen zichtbaar is voor Gods ogen, zo wordt ons ook geboden deze kerk, die wat betreft de mensen ‘kerk’ genoemd wordt, te respecteren en de eenheid daarmee te bewaren.

Wij kunnen niet weten wie echte gelovigen zijn, maar wel wat de echte kerk is

Daarom heeft de Heer de kerk, voor zover het goed voor ons is om haar te kennen, door bepaalde kenmerken en als het ware met symbolen aangewezen.

Het is een speciaal voorrecht van God zelf om te weten wie van Hem zijn. 2 Timotheüs 2:19 Dat heb ik hierboven laten zien op basis van Paulus. En natuurlijk is er ook voor gezorgd dat mensen in hun overmoed niet zover gaan. Want God wijst ons er zelf door onze ervaring op hoever zijn verborgen oordelen ons verstand te boven gaan. Immers, zelfs zij die het meest bedorven leken en voor wie je geen hoop meer koesterde, worden door zijn goedheid op de weg teruggeroepen. En vaak vallen zij die steviger dan anderen leken te staan, om. Dus zijn er volgens Gods verborgen voorbestemming heel veel schapen buiten en heel veel wolven binnen, zoals Augustinus zegt. Want Hij kent degenen die Hem niet kennen en ook zichzelf niet kennen. Hij heeft hen gemerkt. En alleen zijn eigen ogen zien wie van hen die openlijk zijn teken dragen, niet huichelen, maar heilig zijn en zullen volhouden tot het eind. Want daar komt het bij het behoud op aan. Mattheüs 24:13

Aan de andere kant heeft God ook voorzien dat het voor ons toch wel goed is om te weten wie we als zijn kinderen moeten beschouwen. Daarom heeft Hij zich wat dat betreft aan ons begrip aangepast. We hoeven daar geen geloofszekerheid over te hebben. Daarom heeft Hij daar een soort liefdesoordeel voor in de plaats gesteld: wij moeten als leden van de kerk beschouwen wie samen met ons dezelfde God en Christus belijden, door de belijdenis van hun geloof, het voorbeeld van hun leven en het deelnemen aan de sacramenten.

Maar voor het lichaam van de kerk zelf heeft Hij ons nog betrouwbaardere kenmerken gegeven. Want Hij wist dat het nodig was voor ons behoud om dat lichaam te kennen.

De kenmerken van de echte kerk

Hieruit komt voor onze ogen duidelijk de zichtbare vorm van de kerk tevoorschijn. Want we moeten er op geen enkele manier aan twijfelen dat er een kerk van God bestaat, overal waar we zien dat Gods Woord zuiver gepredikt en gehoord wordt en waar de sacramenten bediend worden zoals Christus ze heeft ingesteld. Want deze belofte kan niet vals zijn: ‘Waar twee of drie bij elkaar zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden.’ Mattheüs 18:20

Maar om goed te kunnen begrijpen waar het bij dit onderwerp om draait, moeten we als het ware de volgende stappen nemen: de algemene kerk is een menigte die verzameld is uit allerlei volken. Ze is verspreid en verstrooid over plaatsen die ver van elkaar verwijderd zijn. Maar toch stemt ze samen in met dezelfde waarheid van Gods leer en vormt ze een eenheid door de band van dezelfde godsdienst. Die algemene kerk omvat de afzonderlijke kerken die over steden en dorpen verdeeld zijn, omdat dat onder mensen nu eenmaal niet anders kan. Deze kerken hebben ieder voor zich recht op de naam en het gezag van de kerk. En de individuele personen die als leden van deze kerken beschouwd worden, omdat ze hun vroomheid belijden, zelfs al zijn ze in werkelijkheid vreemd aan de kerk, horen er toch in zekere zin bij, zolang ze er niet door een publiek oordeel uit geworpen worden.

Echter, met het beoordelen van individuele personen zit het net iets anders dan met het beoordelen van kerken. Want het kan voorkomen dat we degenen die het volgens ons niet waard zijn om te delen in de gemeenschap met de vromen, toch als broeders moeten behandelen en als gelovigen moeten beschouwen. Dat moet omdat de kerk hen tolereert in het lichaam van Christus. En de kerk moet samen eenstemmig zijn. Weliswaar accepteren we met ons oordeel niet dat zulke mensen leden van de kerk zijn, maar we laten hen de plek houden die ze onder Gods volk innemen, zolang die hun niet wettig en rechtmatig afgenomen wordt.

Maar over de gemeente zelf moeten we anders oordelen. Want als het Woord er bediend en in ere gehouden wordt en ook de sacramenten er bediend worden, dan verdient zij het ongetwijfeld om als kerk beschouwd te worden. Want het is zeker dat die dingen niet zonder vrucht zijn. Zo bewaren we de eenheid van de algemene kerk, die duivelse geesten altijd geprobeerd hebben te verscheuren. En aan de andere kant beroven we zo de wettige vergaderingen die verspreid zijn in overeenstemming met de plaatselijke omstandigheden, niet van hun gezag.

Het gezag en de eenheid van de kerk

Als kenmerken waaraan we de kerk kunnen herkennen, heb ik de prediking van het Woord en het onderhouden van de sacramenten genoemd. Want deze twee kunnen nergens zijn zonder dat ze vrucht dragen en door Gods zegen voorspoedig gemaakt worden. Ik zeg niet dat overal waar het Woord gepredikt wordt, meteen vrucht tevoorschijn komt. Nee, ik zeg dat het nergens aangenomen wordt en een vaste woonplaats heeft, behalve om te laten zien hoe effectief het is. Hoe dan ook, waar met eerbied geluisterd wordt naar de prediking van het evangelie en de sacramenten niet verwaarloosd worden, daar is op dat moment de vorm van de kerk zichtbaar. Daar kun je je niet in vergissen en daar valt niet aan te twijfelen.

Niemand mag het gezag van die kerk verachten, haar vermaningen verwerpen, zich tegen haar adviezen verzetten of haar tucht bespotten. Laat staan dat je je van die kerk mag losmaken en haar eenheid mag verbreken! Want de Heer hecht zoveel waarde aan de gemeenschap van zijn kerk, dat Hij je als een verrader en als een afvallige van de godsdienst beschouwt als je je koppig vervreemd van welke christelijke vergadering ook waar de echte bediening van Woord en sacramenten in ere gehouden worden. Hij beveelt haar gezag zo sterk aan, dat als dat gezag geschonden wordt, Hij dat beschouwt als een schending van zijn eigen gezag.

Het is immers bepaald niet onbelangrijk dat de kerk de pijler en het fundament van de waarheid wordt genoemd en Gods huis. 1 Timotheüs 3:15 Met deze woorden geeft Paulus aan dat de kerk de trouwe bewaker is van Gods waarheid, om te voorkomen dat die in de wereld verloren gaat. Want God heeft de zuivere prediking van zijn Woord willen bewaren door de bediening en het werk van de kerk. Hij heeft willen laten zien dat Hij een goede huisvader is doordat Hij ons voedt met geestelijk voedsel en voor alles zorgt wat goed is voor ons behoud.

Het is ook geen gewone lof dat er over de kerk gezegd wordt dat Christus haar heeft uitgekozen en apart gezet heeft als zijn bruid, om zonder vlek of rimpel Efeziërs 1:23 zijn lichaam en zijn volheid te zijn. Efeziërs 5:27 Dat betekent dus dat je God en Christus verloochent als je uit de kerk weggaat. Daarom moeten we extra goed oppassen voor zo’n misdadige afscheiding. Want dan zijn we, voor zover wij dat kunnen, uit op de ondergang van Gods waarheid. En dan verdienen wij het dat Hij bliksemt met heel het geweld van zijn woede om ons te verpletteren. En er valt geen ergere misdaad te bedenken dan dat je met een heiligschennende ontrouw het huwelijk breekt dat Gods eniggeboren Zoon met ons heeft willen aangaan.

Voorzichtigheid naar twee kanten

Laten we deze kenmerken dus ijverig in ons hart ingeprent houden en in overeenstemming met het oordeel van de Heer op waarde schatten. Want er is niets waar Satan meer op uit is, dan op het verwijderen en vernietigen van een van deze beide kenmerken of van beide. Soms wil hij beide kenmerken vernietigen en uitwissen, zodat je de kerk niet meer betrouwbaar en echt kunt onderscheiden. Een andere keer wil hij dat we ze minachten, om ons uit de kerk weg te rukken door onmiskenbare afvalligheid.

Dankzij zijn listen is de zuivere prediking van het evangelie eeuwenlang verdwenen. En nu is hij er even boosaardig op uit om de bediening van het Woord aan het wankelen te brengen. Maar toch heeft Christus bepaald dat dat Woord bediend moet worden en dat de kerk niet langer wordt opgebouwd als het Woord niet langer bediend wordt. Efeziërs 4:12

Maar wat is het gevaarlijk, dodelijk zelfs, als het alleen maar in ons opkomt om ons af te scheiden van die vergadering, waarin de tekenen en kenmerken zichtbaar zijn waarmee volgens het oordeel van de Heer de kerk duidelijk genoeg wordt aangewezen!

We zien hoe voorzichtig we naar beide kanten moeten zijn. We moeten ons niet voor de gek laten houden door de naam ‘kerk’. Daarom moeten we elke vergadering die de naam ‘kerk’ voert, volgens deze norm toetsen, zoals je op een toetssteen goud op echtheid toetst. Als zo’n kerk zich in Woord en sacramenten houdt aan de orde die de Heer bevolen heeft, dan kan ze ons niet voor de gek houden. Dan kunnen we haar gerust de eer geven die we aan kerken verschuldigd zijn. Maar aan de andere kant, als zo’n kerk zich presenteert zonder Woord en sacramenten, dan moeten we voor zulk bedrog even goed oppassen als in het andere geval voor onbezonnenheid en hoogmoed.

Niet alle verschillen in de leer zijn reden om de eenheid te verbreken

Volgens mij is de zuivere bediening van het Woord en het zuivere gebruik en de zuivere bediening van de sacramenten dus een duidelijk bewijs dat we een gemeenschap waarin die beide aanwezig zijn, veilig als echte kerk kunnen accepteren. De betekenis daarvan gaat zo ver dat we zo’n kerk nooit mogen afwijzen zolang ze die beide dingen vasthoudt. Zelfs al zit ze verder vol fouten.

Sterker nog, er kan zelfs in de bediening van de leer of van de sacramenten een fout sluipen, zonder dat we ons daarom van haar gemeenschap mogen vervreemden. Want de kernpunten van de ware leer zijn niet allemaal van dezelfde orde. Van sommige is het zo nodig dat we die kennen, dat ze voor ons ontwijfelbaar vast moeten staan als dogma’s die eigen zijn aan de godsdienst. Bijvoorbeeld dat er één God is, dat Christus God en Gods Zoon is, dat ons behoud ligt in Gods barmhartigheid, enzovoort. Er zijn ook andere dogma’s. Daarover is wel verschil van mening tussen kerken. Maar toch verscheuren die de geloofseenheid niet. Want stel dat de ene kerk vindt dat de zielen, als ze uit het lichaam verhuizen, naar de hemel opstijgen, terwijl een andere kerk niets met zekerheid durft te zeggen over de plek, maar er toch van overtuigd is dat de zielen bij de Heer leven. En dat zonder dat ze graag in discussie gaan of koppig hun eigen overtuiging willen vasthouden. Welke kerken zouden alleen om zoiets uit elkaar gaan?

De apostel Paulus zegt: ‘Laten wij daarom, zovelen als er volmaakt zijn, hetzelfde denken. Als jullie iets anders denken, dan zal God jullie ook dat openbaren.’ Filippenzen 3:15 Maakt hij daarmee niet voldoende duidelijk dat verschil van mening over dingen die niet zo nodig zijn, tussen christenen geen reden mogen zijn om uit elkaar te gaan?

Het is vooral belangrijk dat we het over alles eens zijn. Maar er is niemand die niet gehuld is in een mist van onwetendheid. Daarom kan het niet anders of er blijft geen kerk meer over, of we moeten onbegrip vergeven in die dingen waarin we onwetend mogen zijn zonder dat we de kern van de godsdienst schenden of ons behoud verliezen.

Maar het is niet mijn bedoeling om hiermee zelfs maar de kleinste dwalingen in bescherming te nemen, alsof ik zou vinden dat die vriendelijk door de vingers gezien zouden mogen worden. Nee, ik bedoel dat we de kerk niet zomaar, om een of ander klein meningsverschil, mogen verlaten. Als in die kerk maar de gezonde leer van ons behoud bewaard blijft, waarin de vroomheid ongeschonden overeind staat. En als de sacramenten er maar gebruikt blijven worden zoals de Heer die heeft ingesteld. En als we dan ondertussen maar ons best doen om te corrigeren waar we ontevreden over zijn, dan doen we onze plicht.

Hierop slaat wat Paulus zegt: ‘Als aan een ander die erbij zit, iets geopenbaard wordt, moet de eerste zwijgen.’ 1 Korinthiërs 14:30 Daaruit blijkt dat elk lid van de kerk de taak gekregen heeft bij te dragen aan de algemene opbouw, in overeenstemming met zijn gaven. Als het maar fatsoenlijk en ordelijk gebeurt, dat wil zeggen: we mogen de gemeenschap van de kerk niet verlaten en als we in die gemeenschap blijven, mogen we de vrede en de ordelijke discipline niet verstoren.

Zonde in de kerk is geen reden om de eenheid te verbreken

Maar bij het verdragen van een onvolmaakt leven moeten we veel toegeeflijker zijn. Want op dit terrein glijd je gemakkelijk uit en Satan belaagt ons hier met meer dan gewone listen.

Er zijn altijd mensen geweest die vol waren van het valse waanidee dat ze volkomen heilig waren, alsof ze al een soort geesten in de lucht of engelen in het paradijs waren geworden. Zij wezen het gezelschap af van mensen bij wie ze nog iets menselijks konden ontdekken. Zo deden in het verleden de katharen en de donatisten, die de katharen in hun dwaasheid volgden. Zo doen tegenwoordig sommigen van de wederdopers, die de indruk willen wekken dat ze verder vooruitgekomen zijn dan anderen.

Er zijn ook anderen. Zij zondigen meer door een onbezonnen ijver voor rechtvaardigheid dan door deze dwaze hoogmoed. Als zij zien dat bij degenen aan wie het evangelie wordt verkondigd de vrucht van het leven niet met het evangelie correspondeert, concluderen ze meteen dat daar geen kerk is. Weliswaar is hun ergernis heel terecht en we geven daar in deze heel ellendige tijd meer dan genoeg aanleiding toe. Onze vervloekte laksheid valt niet te verontschuldigen en de Heer zal die niet ongestraft laten. Hij begint die nu al met zware geselslagen te tuchtigen. Dus wee ons, dat wij er door de onbeheerste losbandigheid van onze zonden de oorzaak van zijn dat zwakke gewetens om ons gewond raken!

Maar degenen over wie ik het zojuist had, zondigen omgekeerd hierin: ze weten hun ergernis niet te beperken. Want waar de Heer zachtmoedigheid eist, laten zij die los. Ze geven zich over aan een onbeheerste strengheid. Ze vinden dat er geen kerk is als het leven er niet volkomen zuiver en ongeschonden is. En daarom verlaten ze, uit haat tegenover de zonde, de wettige kerk, terwijl ze denken dat ze zich afkeren van een groepering van slechte mensen.

Ze stellen dat Christus’ kerk heilig is. Efeziërs 5:26 Maar ze moeten beseffen dat de kerk tegelijkertijd ook bestaat uit een mengsel van goede en slechte mensen. Daarom moeten ze maar eens luisteren naar wat Christus zegt in de gelijkenis waarin de kerk vergeleken wordt met een net waarmee allerlei soorten vissen gevangen worden. Die vissen worden niet gesorteerd voordat het net op het strand gelegd is. Mattheüs 13:47-58 Ze moeten er maar eens naar luisteren dat de kerk net een akker is waarin goed graan gezaaid is, maar die door het bedrog van de vijand verontreinigd wordt met onkruid. Die akker wordt daar niet van gereinigd voordat de oogst naar de dorsvloer gebracht is. Mattheüs 13:24-30 Ten slotte moeten ze er maar eens naar luisteren dat de kerk net een dorsvloer is waarop de tarwe verzameld wordt, maar dan wel verborgen tussen het kaf. Pas als de tarwe met wan en zeef gezuiverd is, wordt die eindelijk opgeborgen in de voorraadschuur. Mattheüs 3:12

De Heer zegt dus dat de kerk tot aan de oordeelsdag gebukt zal gaan onder het kwaad dat er slechte mensen met haar vermengd zijn. Daarom zoeken zij tevergeefs naar een kerk die met geen enkele vlek besmeurd is.

Paulus over de zonden van de Korinthiërs

Toch roepen deze mensen uit dat het onacceptabel is dat overal zo sterk de pest van de zonden woedt. Maar wat als we ook daarover een uitspraak van de apostel Paulus tegenkomen? Van de Korinthiërs hadden er velen gedwaald. Haast het hele lichaam was besmet geraakt. Er was niet slechts één soort zonde, maar er waren er vele. En het waren geen lichte dwalingen, maar er waren afschuwelijke schanddaden. Er was niet alleen moreel bederf, maar ook bederf in de leer. Maar wat doet de heilige apostel, als instrument van de hemelse Geest met wiens getuigenis de kerk staat of valt? Stuurt hij aan op afscheiding van hen? Verbant hij hen uit Christus’ koninkrijk? Treft hij hen met de ultieme bliksem van de vloek? Niets van dat alles! Sterker nog, hij erkent en predikt dat zij Christus’ kerk zijn en een gemeenschap van heiligen. 1 Korinthiërs 1:2

Onder de Korinthiërs woedden ruzies, verdeeldheid en jaloezie. Er waren meningsverschillen en discussies en die gingen gepaard met hebzucht. Er werd openlijk een schanddaad goedgekeurd die zelfs in de ogen van de heidenen afschuwelijk was. Paulus’ naam werd er belasterd, terwijl ze hem als een vader hoorden te eren. Sommigen dreven er de spot met de opstanding van de doden, terwijl heel het evangelie instort als je dat onderuithaalt. Gods gaven werden er gebruikt uit eerzucht in plaats van liefde. Er werd heel veel gedaan zonder fatsoen en orde. En toch bleef onder hen de kerk!

Dus als de kerk blijft omdat de bediening van het Woord en van de sacramenten er niet verwaarloosd worden – wie zou dan de naam ‘kerk’ durven afnemen van mensen die nog niet van een tiende deel van deze misdaden beschuldigd kunnen worden?

Wie zo veeleisend tekeergaan tegen de kerken van nu, wat zouden zij, vraag ik je, gedaan hebben met de Galaten? Zij hadden haast het evangelie losgelaten, maar toch vond dezelfde apostel bij hen nog kerken!

Als zondaars onterecht in de kerk getolereerd worden

Mijn tegenstanders werpen ook tegen dat Paulus de Korinthiërs ernstig berispt omdat ze een schandelijk man in hun gezelschap dulden. 1 Korinthiërs 5:2 En dat hij daarna een algemene regel geeft, waarin hij zegt dat het niet toegestaan is om zelfs maar brood te eten met iemand die een aanstootgevend leven leidt. 1 Korinthiërs 5:11 Hier roepen zij uit: ‘Als je met zo iemand al geen gewoon brood mag eten, hoe zou je dan het brood van de Heer met hem mogen eten?’

Ik geef natuurlijk toe dat het een grote schande is als varkens en honden een plek hebben tussen Gods kinderen. En het is een nog veel grotere schande als het heilige lichaam van Christus als in prostitutie aan hen wordt aangeboden. Maar als het in de kerk ordelijk toegaat, zullen ze geen boosdoeners in hun schoot tolereren. Ze zullen tot die heilige maaltijd geen mensen die het waard zijn samen met mensen die het niet waard zijn toelaten, zonder onderscheid.

Maar de herders waken niet altijd even ijverig. Soms zijn ze wel eens wat toegeeflijker dan zou moeten, of het lukt hun niet om zo streng te zijn als ze zouden willen. Daardoor gebeurt het soms dat degenen die openlijk slecht zijn, niet uit het gezelschap van de heiligen verwijderd worden. Ik geef toe dat dat fout is en ik wil het niet vergoelijken. Paulus berispt de Korinthiërs er immers scherp om.

Maar ook al zou de kerk nalatig zijn in haar plicht, dan mag daarom nog niet ieder lid meteen concluderen dat hij zich moet afscheiden. Ik ontken weliswaar niet dat een vroom mens verplicht is om zich te onttrekken aan elke persoonlijke omgang met goddelozen en dat je geen enkele vrijwillige relatie met hen mag aangaan. Maar omgang met slechte mensen ontvluchten is iets anders dan uit afkeer van hen de gemeenschap met de kerk verbreken.

En als ze het heiligschennis vinden om met zulke mensen het brood van de Heer te eten, dan zijn ze daarin veel strenger dan Paulus. Want als Paulus ons aanspoort om dat brood heilig en zuiver te gebruiken, dan eist hij niet dat de een de ander of dat ieder heel de kerk onderzoekt. Nee, ieder moet zichzelf toetsen. 1 Korinthiërs 11:28 Als het niet toegestaan zou zijn om het heilig avondmaal te gebruiken samen met iemand die het niet waard is, dan zou Paulus ons vast en zeker wel bevolen hebben om rond te kijken of er in de gemeente soms iemand is wiens onreinheid ons zou kunnen besmetten. Maar nu eist hij alleen dat ieder zichzelf toetst. Daarmee laat hij zien dat het ons echt niet schaadt als sommigen die het niet waard zijn zich bij ons indringen.

Dat klopt met wat hij later toevoegt: ‘Wie eet zonder het waard te zijn, eet en drinkt zichzelf een oordeel.’ 1 Korinthiërs 11:29 Hij zegt niet: ‘anderen,’ maar: ‘zichzelf.’ En terecht. Want het kan niet zo zijn dat ieder zelf mag oordelen wie geaccepteerd en wie afgewezen moet worden. Dat oordeel is aan de kerk als geheel en het kan niet geveld worden zonder wettelijke orde. Dat zal ik later uitgebreider bespreken. Maar als je iemand die het niet waard is, niet van het avondmaal kunt of mag afhouden, dan zou het dus niet eerlijk zijn als je door de onwaardigheid van die ander besmet zou worden.

Veeleisendheid komt voort uit hoogmoed

Nu komen ook goede mensen soms in deze verleiding uit onbezonnen ijver voor rechtvaardigheid. Toch zullen we merken dat een te sterke veeleisendheid eerder voortkomt uit hoogmoed en trots en uit een vals waanidee van heiligheid, dan uit echte heiligheid en uit echt verlangen naar heiligheid. Degenen die overmoediger zijn dan anderen om zich van de kerk af te scheiden – de voorlopers als het ware – hebben dus meestal geen andere reden dan dat ze door iedereen te minachten, willen laten zien dat ze beter zijn anderen.

Augustinus zegt daarom goed en verstandig: ‘Bij een vrome handelwijze en bij kerkelijke tucht moeten we vooral letten op de eenheid van de Geest in de band van de vrede. Efeziërs 4:3 De apostel beveelt dat we die moeten bewaren door elkaar te verdragen. En zonder die eenheid zou het medicijn van de straf niet alleen overbodig, maar zelfs levensgevaarlijk zijn. Dan zou blijken dat het medicijn helemaal geen medicijn meer is. Maar kinderen van het kwaad proberen – niet uit afkeer van de onrechtvaardigheid van anderen, maar omdat ze zelf graag in discussie gaan – de zwakken die verstrikt geraakt zijn in de loze roem van hun naam, óf volledig naar zich toe te trekken óf in elk geval van de anderen te scheiden. Verwaand van trots en waanzinnig van koppigheid leggen ze hinderlagen van laster en gaan ze oproerig tekeer. Maar om te voorkomen dat zou uitkomen dat ze zelf het licht van de waarheid missen, hullen ze zich in een schaduw van starre strengheid. De Heilige Schrift beveelt ons dat we de fouten van onze broeders moeten corrigeren. Maar daarbij moeten we ons wel inhouden. We moeten oprechte liefde en de eenheid van de vrede bewaren. Zij echter misbruiken dat voorschrift voor een heiligschennende scheuring en als een aanleiding om zich af te scheiden.’

Maar aan vrome en vredelievende mensen geeft Augustinus dit advies: ze moeten barmhartig berispen wat ze kunnen en wat ze niet kunnen berispen, moeten ze geduldig verdragen. Ze moeten er met liefde over zuchten en treuren totdat God het corrigeert of bestraft, of tot Hij bij de oogst het onkruid uitroeit en het kaf van het koren scheidt. Mattheüs 13:40; 3:12; Lucas 3:17

Laten alle vromen hun best doen om zich te versterken met deze wapens, om te voorkomen dat ze denken dat ze flinke en moedige verdedigers zijn van rechtvaardigheid, maar zich ondertussen toch afscheiden van het koninkrijk van de hemel, het enige rijk van rechtvaardigheid. Want God heeft gewild dat de gemeenschap van zijn kerk in stand gehouden zou worden door dit uiterlijke gezelschap. Als je uit afkeer van de slechten de band met dat gezelschap verbreekt, ga je dus een weg op waarop je gemakkelijk uit de gemeenschap van de heiligen valt.

Laten ze bedenken dat er in een grote menigte allerlei mensen zijn die in Gods ogen echt heilig en onschuldig zijn, maar die voor hun blik verborgen zijn.

Laten ze bedenken dat er ook onder degenen die ziek zijn, velen zijn die ook zelf helemaal niet blij zijn met hun gebreken en zich zeker niet vleien. Nee, steeds weer aangespoord door serieuze vrees voor de Heer, streven ze juist naar meer zuiverheid.

Laten ze bedenken dat je over een mens geen oordeel mag vellen op grond van één daad, omdat zelfs de meest heiligen soms een heel zware val maken.

Laten ze bedenken dat voor het bijeenbrengen van de kerk de bediening van het Woord en de uitdeling van de heilige sacramenten zo zwaar tellen, dat hun kracht niet volledig kan verdwijnen door de schuld van sommige goddelozen.

Laten ze ten slotte bedenken dat bij het beoordelen van een kerk Gods oordeel zwaarder weegt dan het oordeel van mensen.

De heiligheid van de kerk

Mijn tegenstanders werpen ook tegen dat de kerk niet voor niets heilig genoemd wordt. Maar daarbij moet je wel bedenken door wat voor heiligheid de kerk uitblinkt. Want anders, als we alleen een in alle opzichten volmaakte kerk willen accepteren, blijft er geen enkele kerk over.

Inderdaad zegt Paulus dat Christus zichzelf heeft overgegeven voor de kerk om haar te heiligen. Hij heeft haar gereinigd door het waterbad in het Woord van het leven, om haar aan zichzelf te presenteren als een glorierijke bruid, zonder vlek of rimpel, enzovoort. Efeziërs 5:27-29 Toch is het niet minder waar dat de Heer nog elke dag werkt aan het gladstrijken van haar rimpels en het afwassen van haar vlekken. Dat betekent dus dat haar heiliging nog niet voltooid is. De kerk is dus heilig in de zin dat ze elke dag heiliger wordt. Ze is nog niet volmaakt heilig, maar gaat elke dag vooruit. Ze heeft de eindstreep van de heiliging nog niet bereikt. Ik zal dat ergens anders nog uitgebreider uitleggen.

De profeten voorzeggen dat Jeruzalem heilig zal zijn en dat er geen vreemdelingen door haar heen zullen trekken. Joël 3:17 (4:17) En dat de tempel heilig is en dat er geen onreinen zullen binnengaan. Jesaja 35:8; 52:1 Maar dat moeten we dus niet zo opvatten alsof er bij de leden van die kerk geen vlek meer zou overblijven. Nee, ze doen hun uiterste best om heiligheid en volmaakte zuiverheid na te streven. Daarom wordt de reinheid die ze nog niet volledig bereikt hebben, hun door Gods welwillendheid toegerekend.

Vaak worden er onder de mensen slechts schaarse tekenen van zo’n heiliging gezien. Maar toch moeten we eraan vasthouden dat er vanaf de schepping van de wereld geen moment geweest is waarop de Heer geen kerk gehad heeft. En tot aan het einde van de wereld zal er ook geen moment komen waarop Hij geen kerk heeft. Weliswaar is meteen bij het begin heel het menselijk geslacht bedorven en aangetast door de zonde van Adam. Maar toch heiligt God daaruit altijd enkele vaten voor eervol gebruik, Romeinen 9:21 als een gevlekte groep. Daardoor is er nooit een tijd waarin zijn barmhartigheid niet ervaren wordt.

En dat heeft Hij met vaste beloften verzekert. Bijvoorbeeld: ‘Ik heb een verbond gesloten met mijn uitverkorenen. Ik heb mijn knecht David gezworen: “Ik zal jouw zaad tot in eeuwigheid vastmaken en jouw troon bouwen van generatie op generatie.”’ Psalm 89:4-5 En: ‘De HEER heeft Sion uitgekozen. Hij heeft het uitgekozen als zijn woonplaats. Dit is mijn rustplaats voor eeuwig …’ Psalm 132:13-14 En: ‘Zo zegt de HEER, die overdag de zon als licht geeft en ’s nachts de maan en de sterren. Als deze bepalingen van voor mijn ogen zouden verdwijnen, dan zou er ook een eind komen aan het zaad van Israël.’ Jeremia 31:35-36

De profeten scheidden zich niet af

Christus zelf, de apostelen en bijna alle profeten hebben ons hier een voorbeeld van gegeven.

Vreselijk zijn de beschrijvingen waarmee Jesaja, Jeremia, Joël, Habakuk en anderen jammeren over de fouten van de kerk in Jeruzalem. Onder het volk, onder de overheid, onder de profeten was alles zo bedorven, dat Jesaja niet aarzelt Jeruzalem gelijk te stellen aan Sodom en Gomorra. Jesaja 1:10 Wat betreft leven en moraal: overal wordt verteld over diefstal, roof, ontrouw en meer van zulke misdaden. De godsdienst werd voor een deel geminacht en voor een deel besmeurd. En toch was dat voor de profeten geen reden om nieuwe kerken te stichten of nieuwe altaren te bouwen om daarop apart te gaan offeren. Nee, wat voor mensen het ook waren, de Heer had hun zijn Woord toevertrouwd en voor hen de rituelen ingesteld waardoor Hij gediend werd. Omdat ze daaraan dachten, hieven de profeten midden in een vergadering van goddelozen schone handen naar Hem op. Als ze gedacht zouden hebben dat ze door de goddelozen ook maar iets besmet zouden worden, dan zouden ze natuurlijk liever honderdmaal gestorven zijn dan zich hiertoe te laten overhalen. Dus het enige dat hen ervan weerhield om zich af te scheiden, was de wens om de eenheid te bewaren.

Als de profeten er een gewetensbezwaar tegen hadden om zich, vanwege de heel vele en grote misdaden van niet één of twee mensen, maar van bijna het hele volk, los te maken van de kerk – dan zijn wij veel te arrogant als we ons meteen aan de gemeenschap van de kerk durven onttrekken als het leven er moreel gezien niet volledig overeenkomt met ons oordeel of zelfs met de christelijke belijdenis.

Christus scheidde zich niet af

En hoe was het in de tijd van Christus en de apostelen? Toch kon die hopeloze goddeloosheid van de farizeeën en dat bandeloze leven dat toen overal de boventoon voerde, voor hen geen belemmering vormen om dezelfde heilige rituelen uit te voeren als het volk en met de anderen in dezelfde tempel samen te komen voor de publieke erediensten. Hoe komt dat anders, dan doordat ze wisten dat wie met een schoon geweten aan dezelfde rituelen deelnamen, echt niet besmet werden door het gezelschap van slechten?

Als het gezag van profeten en apostelen maar weinig invloed op iemand heeft, laat hij zich dan in elk geval neerleggen bij het gezag van Christus. Cyprianus zegt terecht: ‘In de kerk vinden we onkruid of onreine vaten. Toch is dat voor ons geen reden om uit de kerk te gaan. We moeten er alleen aan werken dat we zelf graan mogen zijn. We moeten zoveel mogelijk ons best doen om een gouden of zilveren vat te zijn. Maar het staat alleen aan de Heer om de aarden vaten te breken. Hij heeft een ijzeren staf gekregen. Psalm 2:9; Openbaring 2:27 En niemand mag voor zichzelf aanspraak maken op waar alleen de Zoon recht op heeft, alsof hij in staat zou zijn op de dorsvloer het graan te wannen en het van kaf te zuiveren Mattheüs 3:12; Lucas 3:17 en al het onkruid door zijn menselijk oordeel te verwijderen. Mattheüs 13:38-41 Dat is hoogmoedige koppigheid en een goddeloze overmoed die verdorven waanzin zich aanmatigt …’

We moeten dus deze twee dingen stevig overeind houden: je hebt geen enkel excuus als je uit eigen beweging de uiterlijke gemeenschap verlaat van een kerk waar Gods Woord gepredikt wordt en de sacramenten bediend worden. En: de gebreken van weinigen of van velen vormen voor ons geen belemmering om ons geloof te belijden zoals het hoort door de rituelen die God heeft ingesteld. Want een vroom geweten wordt niet gekwetst door de onwaardigheid van een ander, of dat nu een herder is of een leek. En de mysteries zijn voor een heilig en oprecht man niet minder rein en gezond als ze tegelijk ook aangeraakt worden door onreinen.

Volmaaktheid is in dit leven onbereikbaar

De veeleisendheid en hoogmoed van mijn tegenstanders gaat nog verder. Want ze erkennen geen kerk die niet vrij is van de allerkleinste smetten. Sterker nog, ze zijn boos op de goede leraren, omdat die de gelovigen aansporen om vooruit te komen, maar hun toch leren om heel hun leven gebukt te gaan onder de last van gebreken en hun toevlucht te nemen tot vergeving. Want, beweren ze, zo worden de gelovigen afgeleid van volmaaktheid.

Ik geef toe dat we niet laks of slap mogen zijn in het aandringen op volmaaktheid. En we mogen daar al helemaal niet passief in zijn. Maar ik noem het een duivels verzinsel als je het hart al vult met vertrouwen op volmaaktheid, terwijl we nog onderweg zijn. Daarom wordt in de Apostolische Geloofsbelijdenis het artikel over de vergeving van zonden toepasselijk vastgeknoopt aan het artikel over de kerk. Want alleen de burgers en gezinsleden van de kerk krijgen die vergeving. Dat lees je bij de profeet Jesaja. Jesaja 33:14-24 De opbouw van het hemelse Jeruzalem moet dus eerst komen. En dan zal daar de plek zijn voor Gods welwillendheid, zodat daar de onrechtvaardigheid wordt uitgewist van iedereen die daarnaartoe gegaan is.

Maar als ik zeg dat eerst het hemelse Jeruzalem gebouwd moet worden, bedoel ik niet dat er een kerk kan zijn zonder vergeving van zonden. Nee, ik bedoel dat de Heer zijn barmhartigheid alleen beloofd heeft aan de gemeenschap van de heiligen. Wij kunnen geen verbond of gemeenschap met God hebben zonder vergeving van zonden. Dus de vergeving van zonden vormt voor ons de eerste ingang tot de kerk en Gods koninkrijk. Want via de profeet Hosea zegt God: ‘Op die dag zal Ik voor jullie een verbond sluiten met de dieren van het veld, met de vogels van de hemel en met de kruipende dieren van de aardbodem. En Ik zal de boog, het zwaard en de oorlog van de aarde breken en Ik zal de mensen zonder angst laten slapen. Ik zal Mij voor eeuwig met jullie verloven. Ja, Ik zal mij met jullie verloven in rechtvaardigheid, recht, welwillendheid en barmhartigheid.’Hosea 2:17-18 (2:20-21)We zien hoe de Heer zich met ons verzoent door zijn barmhartigheid.

Dat zegt Hij ook ergens anders. Daar voorzegt Hij dat het volk,dat Hij in zijn woede verstrooid had, weer verzameld zal worden: ‘Ik zal hen reinigen van al hun onrechtvaardigheid, waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben.’Jeremia 33:8Daarom worden wij in de gemeenschap van de kerk aangenomen door het teken van de afwassing. Door dat teken moeten wij leren dat de toegang tot Gods familie alleen voor ons openstaat als eerst dankzij zijn goedheid onzesmerigheid wordt afgewassen.

Elke dag moeten onze zonden vergeven worden

Maar door de vergeving van zonden ontvangt de Heer ons niet alleen in de kerk en neemt Hij ons in haar op. Hij bewaart en beschermt ons ook in de kerk door diezelfde vergeving. Wat zouden we ermee opschieten als we een vergeving krijgen die ons helemaal niets oplevert? En als we slechts één keer de barmhartigheid van de Heer zouden krijgen, dan zou dat nutteloos en misleidend zijn. Iedere vrome kan daar voor zichzelf van getuigen. Want ieder is zich heel zijn leven lang bewust van vele zwakheden, waarvoor hij Gods barmhartigheid nodig heeft. En natuurlijk belooft God deze genade niet voor niets vooral aan zijn gezinsleden. Niet voor niets beveelt Hij dat deze zelfde boodschap van verzoening hun elke dag gebracht moet worden. We dragen de restanten van de zonde heel ons leven met ons mee. Dus als we niet geholpen zouden worden door de continue genade van de Heer, zouden we nauwelijks één ogenblik in de kerk blijven.

Maar de Heer heeft de zijnen geroepen tot een eeuwige redding. Daarom moeten ze bedenken dat er altijd vergeving klaarligt voor hun zonden. Dus moeten we er vast van overtuigd zijn dat dankzij Gods vrijgevigheid, de tussenkomst van Christus’ verdienste en de heiliging van de Geest, de zonden vergeven zijn en nog elke dag vergeven worden van ons die zijn aangenomen en ingelijfd in het lichaam van de kerk.

De kerk deelt de vergeving van zonden uit

Om deze zegen aan ons uit te delen, heeft de kerk sleutels gekregen. Christus heeft de apostelen immers bevolen en macht gegeven om zonden te vergeven. Mattheüs 16:19; 18:18; Johannes 20:23 Toen wilde Hij niet alleen dat zij degenen die zich van hun goddeloosheid bekeerden tot geloof in Christus zouden losmaken van hun zonden, voor eens en voor altijd. Nee, Hij wilde juist dat ze deze taak continu zouden uitvoeren onder de gelovigen.

Paulus leert dat als hij schrijft dat aan de dienaren van de kerk de missie van de verzoening is toevertrouwd, om het volk namens Christus steeds weer aan te sporen om zich met God te verzoenen. 2 Korinthiërs 5:18-20 Dus in de gemeenschap van de heiligen worden ons door de dienst van de kerk zelf altijd weer onze zonden vergeven, als de herders of opzieners aan wie deze taak is toevertrouwd in het geweten van de vromen de hoop versterken op vergeving en kwijtschelding.

En dat gebeurt zowel publiek als persoonlijk, afhankelijk van wat er nodig is. Want er zijn heel veel mensen die als gevolg van hun zwakheid, speciale troost nodig hebben. En Paulus vertelt dat hij niet alleen in de gemeenschappelijke vergaderingen getuigd heeft van het geloof in Christus, maar ook in de huizen. Hij heeft ieder persoonlijk onderwezen in de leer van het behoud. Handelingen 20-21

Op drie dingen moeten we hier dus letten. In de eerste plaats: hoeveel heiligheid Gods kinderen ook gekregen hebben, zolang ze nog in het sterfelijke lichaam wonen, verkeren ze toch in deze toestand: ze kunnen voor God niet bestaan zonder vergeving van zonden. In de tweede plaats: deze zegen is het eigendom van de kerk. Daarom kunnen we er alleen van genieten als we blijven in de gemeenschap van de kerk. In de derde plaats: deze zegen wordt ons uitgedeeld door de dienaren en herders van de kerk, óf door de prediking van het evangelie, óf door de bediening van de sacramenten. Vooral in dat deel komt de sleutelmacht uit die de Heer aan het gezelschap van de vromen heeft toevertrouwd. Daarom moet ieder van ons bedenken dat het zijn plicht is nergens anders vergeving van zonden te zoeken dan waar de Heer die geplaatst heeft.

De publieke verzoening hoort bij de tucht. Die zal ik bespreken als we daaraan toe zijn.

We moeten elke dag om vergeving bidden

Maar die waanzinnigen over wie ik het had, proberen dit enige anker van het behoud van de kerk af te pakken. Daarom moeten de gewetens nog meer versterkt worden tegen zo’n levensgevaarlijk idee. In het verleden hebben de novatianen onrust in de kerk gebracht met dit dogma. Maar ook onze tijd kent sommigen van de wederdopers die niet veel van de novatianen verschillen en die tot dezelfde dwaasheden vervallen. Want zij verzinnen dat Gods volk in de doop opnieuw geboren wordt tot een rein leven, net als dat van de engelen. Geen enkele smerigheid van het vlees verontreinigt het. Als iemand na de doop zondigt, blijft er volgens hen niets voor hem over dan Gods onverbiddelijk oordeel. Kortom, een zondaar die na ontvangen genade valt, bieden zij geen enkele hoop op vergeving. Want ze erkennen geen andere vergeving van zonden dan die waardoor we voor het eerst opnieuw geboren worden.

Nu wordt geen enkele leugen zo duidelijk door de Schrift weerlegd. Maar toch vinden zij mensen die zich door hen laten bedriegen, net zoals ook Novatianus in het verleden veel volgelingen gehad heeft. Daarom moet ik toch in het kort laten zien hoe erg zij ijlen en zo zichzelf en anderen in de ondergang storten.

Om te beginnen herhalen de heiligen elke dag deze bede: ‘Vergeef ons onze schulden.’ Mattheüs 6:12 Daarmee belijden ze ongetwijfeld dat ze schuldenaars zijn. En ze bidden dit niet zomaar. Want de Heer heeft voorgeschreven dat we nooit om iets anders mogen bidden dan om wat Hij zelf zou geven. Sterker nog, Hij heeft verklaard dat heel het gebed door de Vader verhoord zou worden. Maar toch heeft hij deze kwijtschelding nog met een bijzondere belofte bezegeld. Wat willen we nog meer? De Heer eist van de heiligen dat ze hun zonden belijden. En dat nog wel continu. En Hij belooft vergeving. Wat is dat dan voor overmoed om óf te leren dat ze vrij zijn van zonde, óf hen, als ze gezondigd hebben, volledig van de genade uit te sluiten?

Bovendien, wie zijn het van wie de Heer wil dat we hen zeventig maal zevenmaal vergeven? Dat zijn toch onze broeders? Mattheüs 18:21-22 Waarom heeft Hij dit dan bevolen? Waarom anders dan om ervoor te zorgen dat we Hem zouden imiteren in zijn zachtmoedigheid? Hij vergeeft dus niet eenmaal of tweemaal, maar zo vaak zij terneergeslagen zijn door de kennis van hun misdaden en tot Hem zuchten.

Voorbeelden uit de Schrift van heiligen die zondigen

En om haast bij de eerste kinderjaren van de kerk te beginnen: de aartsvaders waren besneden en tot de gemeenschap van het verbond gelokt. En zonder twijfel had de ijver van hun vader hun rechtvaardigheid en zuiverheid geleerd. Toch spanden ze samen om hun broer te vermoorden. Dat was een misdaad die zelfs te erg was voor de meest verdorven struikrovers. Uiteindelijk hebben ze hem, zachter gestemd door het advies van Juda, verkocht. Genesis 37:18-28 Ook dat was onverdraaglijk onmenselijk. Simeon en Levi namen op een afschuwelijke manier wraak op de inwoners van Sichem. Zelfs hun vader veroordeelde dat. Genesis 34:25 Ruben bezoedelde met zijn smerige onkuisheid het bed van zijn vader. Genesis 35:22 Juda gaf toe aan overspel en had bovendien in strijd met de natuurwetten gemeenschap met zijn schoondochter. Genesis 38:16 En toch is er geen sprake van dat worden geschrapt uit het uitverkoren volk. Ze worden juist verheven tot hoofden van dat volk!

En wat deed David? Hij stond aan het hoofd van de rechtspraak. Maar met wat voor schanddaad baande hij de weg voor zijn blinde wellust? Hij vergoot onschuldig bloed! Hij was al opnieuw geboren en tussen de opnieuw geborenen getooid met bijzondere, lovende uitspraken van de Heer. En toch beging hij een schanddaad die zelfs voor de heidenen weerzinwekkend was. En toch kreeg hij vergeving. 2 Samuël 11:1-12:14

En om niet langer bij specifieke voorbeelden stil te staan: zo veel beloften van Gods barmhartigheid van de Israëlieten als er in de wet en de profeten staan, zo vaak bewijst de Heer dat Hij vergevingsgezind is tegenover de misdaden van zijn volk. Want wat belooft Mozes dat er zal gebeuren als het volk tot afval is gekomen, maar daarna tot de Heer terugkeert? ‘God zal jou terugbrengen uit gevangenschap en zich over jou ontfermen. Hij zal jou bijeenbrengen uit de volken waarheen je verstrooid bent. Al was je tot het einde van de hemel verstrooid, Ik zal je daarvandaan weer verzamelen.’ Deuteronomium 30:3-4

Gods genade in het Oude Testament

Maar ik wil geen opsomming beginnen waar nooit een eind aan zou komen. Want de profeten staan vol met zulke beloften die aan het volk dat bedekt is met talloze slechte dingen, toch barmhartigheid aanbieden. Welke misdaad is erger dan opstandigheid? Dat wordt immers een echtscheiding genoemd tussen God en de kerk. Maar Gods goedheid overwint dat. Hij zegt via Jeremia: ‘Welke man zal zich willen verzoenen met zijn vrouw, als ze haar lichaam als een prostituee aan echtbrekers gegeven heeft? Maar alle wegen zijn besmeurd met jouw overspel, Juda! Het land is vol met jouw schandelijke liefdes. Maar kom bij Mij terug, dan zal Ik je weer aannemen! Want Ik ben heilig en ben niet voor eeuwig boos.’ Jeremia 3:1; 3:12

En Hij kan natuurlijk ook niet anders gezind zijn. Want Hij verzekert dat Hij de dood van een zondaar niet wil. Hij wil juist dat die zich bekeert en leeft! Ezechiël 18:23; 18:32; 33:11

Daarom bestemde Salomo de tempel, toen hij die inwijdde, ook voor dit gebruik: de gebeden die daarvandaan gedaan werden om vergeving van zonden te krijgen, zouden verhoord worden. Hij zei: ‘Als uw kinderen gezondigd hebben – er is immers geen mens die niet zondigt – en U boos op hen bent en hen overlevert aan hun vijanden en zij in hun hart berouw hebben en zich bekeren en in hun gevangenschap tot U smeken en zeggen: “Wij hebben gezondigd en verkeerd gedaan,” en tot U bidden in de richting van het land dat U hun voorvaders gegeven hebt en van deze heilige tempel – luister dan in de hemel naar hun gebed en wees genadig voor uw volk, dat tegen U gezondigd heeft en voor al hun overtredingen die zij tegen U begaan hebben.’ 1 Koningen 8:46-50

En niet voor niets heeft de Heer in de wet dagelijkse offers bevolen. Want als de Heer niet voorzien had dat zijn volk continu aan ziekten zou lijden, zou Hij nooit deze geneesmiddelen ingesteld hebben voor dat volk. Numeri 28-29

Gods genade in het Nieuwe Testament

Door de komst van Christus is de genade volledig geopenbaard. Is daardoor soms de gelovigen deze zegen afgenomen, dat ze niet meer om vergeving van hun zonden zouden durven smeken? Dat ze geen barmhartigheid meer zouden kunnen krijgen als ze iets tegen de Heer misdaan hebben? Als je zegt dat Gods welwillendheid in het Oude Testament continu voor de heiligen klaar lag, maar nu is weggenomen – wat zou dat anders zijn dan zeggen dat Christus gekomen is om de zijnen verloren te laten gaan en niet om hen te redden?

De Schriften roepen uitdrukkelijk uit dat pas in Christus de genade van de Heer en zijn liefde voor de mensen volledig verschenen, de rijkdom van zijn barmhartigheid uitgestort Titus 1:9; 3:4; 2 Timotheüs 1:9 en de verzoening tussen God en mensen vervuld is. 2 Korinthiërs 5:18-19 Als we dat geloven, dan mogen we er niet aan twijfelen dat de welwillendheid van de hemelse Vader juist royaal naar ons toestroomt in plaats van dat die geblokkeerd of afgekapt is.

En daar zijn ook voorbeelden van. Petrus had gehoord dat degene die Christus’ naam niet beleed voor de mensen, voor de engelen verloochend zou worden. Mattheüs 10:33; Marcus 8:38 Toch heeft hij Hem driemaal verloochend in één nacht. Hij zwoer er zelfs bij! Mattheüs 26:74 Toch wordt hij niet uitgesloten van vergeving. Lucas 22:32; Johannes 21:15-17 Degenen onder de Thessalonicenzen die geen ordelijk leven leidden, worden zo berispt dat ze uitgenodigd worden tot berouw. 2 Thessalonicenzen 3:14-15 Zelfs Simon de Tovenaar wordt geen reden tot wanhoop gegeven. Sterker nog, hij krijgt bevel goede hoop te hebben als Petrus hem opdraagt zijn toevlucht te nemen tot gebed. Handelingen 8:22

Gods genade voor afvallige kerken

Ja, zelfs waren soms hele kerken in beslag genomen door heel zware zonden. Toch maakte Paulus ze liever genadig los dan dat hij ze vervloekte. De afval van de Galaten was geen onbeduidende misdaad. De Korinthiërs waren nog minder te verontschuldigen, omdat ze nog meer en zeker geen lichtere misdaden bedreven. Toch worden ze geen van beiden van Gods barmhartigheid uitgesloten. Sterker nog, juist zij die meer dan anderen door onreinheid, overspel en onkuisheid hadden gezondigd, worden uitdrukkelijk uitgenodigd tot bekering. 2 Korinthiërs 12:21

Want het verbond van de Heer blijft en zal voor eeuwig ongeschonden blijven. Hij heeft dat verbond gesloten met Christus, de echte Salomo, en met zijn ledematen met deze woorden: ‘Als zijn kinderen mijn wet verlaten en niet leven volgens mijn verordeningen, als zij mijn bepalingen ontheiligen en zich niet aan mijn geboden houden, dan zal Ik hen hun overtredingen met de roede vergelden en hun onrechtvaardigheid met plagen. Maar mijn goedertierenheid zal Ik niet van hen wegnemen.’ Psalm 89:31-34

Ten slotte worden we er zelfs door de volgorde van de artikelen van de Apostolische Geloofsbelijdenis aan herinnerd dat de vergeving van zonden eeuwig een plaats houdt in Christus’ kerk. Want als, zeg maar, de kerk is vastgesteld, wordt daar vervolgens de vergeving van zonden aan toegevoegd.

Niet alleen onbewuste zonden kunnen vergeven worden

Sommigen die wat verstandiger zijn, zien dat het dogma van Novatianus heel duidelijk door de Schrift weerlegd wordt. Daarom maken ze niet elke misdaad onvergeeflijk, maar alleen een overtreding van de wet die iemand willens en wetens begaat. Maar als ze dat zeggen, keuren ze geen enkele zonde vergeving waard als je die niet begaan hebt omdat je ergens onwetend was.

Maar de Heer heeft in de wet bevolen dat sommige offers gebracht moesten worden om verzoening te doen voor zonden die gelovigen willens en wetens doen en andere offers om vergeving te krijgen voor onbewust gedane zonden. Wat is het dan verkeerd om geen vergeving toe te staan voor een zonde die je willens en wetens doet! Volgens mij is niets zo duidelijk als dit: het enige offer van Christus heeft de kracht om de zonden te vergeven die de heiligen willens en wetens begaan. Want de Heer heeft dit zelf verklaard door de vleselijke offers als zegels of waarmerken.

Bovendien, wie zou David kunnen verontschuldigen omdat hij onwetend zou zijn? Het staat vast dat hij heel goed in de wet onderwezen was. Wist David niet wat voor grote misdaad overspel en moord was? Hij bestrafte die elke dag in anderen. Dachten de aartsvaders soms dat broedermoord legitiem was? Waren de Korinthiërs zo weinig vooruitgekomen dat ze dachten dat God wellust, onreinheid, overspel, haat en ruzie niet erg zou vinden? Petrus was ernstig gewaarschuwd. Wist hij niet wat het betekende om zijn meester af te zweren?

We mogen dus niet met onze boosaardigheid de weg blokkeren voor Gods barmhartigheid, die zich zo royaal laat zien!

Niet alleen kleine zonden kunnen vergeven worden

Nu weet ik echt wel dat de oude schrijvers het zo hebben uitgelegd: de zonden die de gelovigen elke dag vergeven worden, dat zijn de kleinere fouten die er als gevolg van hun zwakheid bij hen insluipen. Maar de openbare boete, die in die tijd geëist werd voor ernstige zonden, mocht volgens hen niet herhaald worden, evenmin als de doop.

Maar die mening moeten we niet zo opvatten alsof ze degenen die na hun eerste boete opnieuw in zonde vielen, in wanhoop wilden storten. Of alsof ze die fouten wilden bagatelliseren, alsof die voor God minder te betekenen hebben. Want ze wisten dat heiligen door ongeloof vaak struikelen, dat hun soms onnodig een eed ontvalt, dat ze wel eens kwaad worden en zelfs tot openlijke scheldwoorden komen en dat ze bovendien lijden aan andere slechte dingen die God heel erg vindt. Nee, ze noemden die fouten kleiner om ze te onderscheiden van de openbare zonden die in de kerk bekend werden en die grote ergernis gaven.

En dat ze zo moeilijk vergeving schonken aan wie iets misdaan had waarvoor hij een kerkelijke straf verdiende – dat was niet omdat ze dachten dat ze bij God moeilijk vergeving kregen. Nee, door zo streng te zijn, wilden ze anderen ervan afschrikken om overmoedig misdaden te begaan waarmee ze het zouden verdienen om afgesneden te worden van de gemeenschap van de kerk.

Maar natuurlijk moet alleen Gods Woord voor ons hierin de norm zijn. En dat Woord schrijft ons meer zelfbeheersing voor. Immers, het leert dat degene voor wie we vooral moeten zorgen, niet overweldigd mag worden door verdriet. 2 Korinthiërs 2:7 Dat heb ik hierboven al uitgebreider uitgelegd.

Voetnoten

  1. 448

    Xerxes I († 465 v. Chr.), koning van Perzië.

  2. 449

    Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 45,12.

  3. 450

    Augustinus, Contra epistulam Parmeniani III, 1.

  4. 451

    Augustinus, Contra epistulam Parmeniani III, 2.

  5. 452

    Cyprianus van Carthago, Epistulae, 54,3.

  6. 453

    Novatianus (ca. 250), tegenpaus.

Voetnoot 448

Xerxes I († 465 v. Chr.), koning van Perzië.

Voetnoot 449

Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 45,12.

Voetnoot 450

Augustinus, Contra epistulam Parmeniani III, 1.

Voetnoot 451

Augustinus, Contra epistulam Parmeniani III, 2.

Voetnoot 452

Cyprianus van Carthago, Epistulae, 54,3.

Voetnoot 453

Novatianus (ca. 250), tegenpaus.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.