Boek III · Hoofdstuk 6
Leven als christen
Inhoud van dit hoofdstuk · 5 secties
Geen langdradige vermaningen, maar een beknopt overzicht
Ik heb gezegd dat de bedoeling van de nieuwe geboorte is dat uit het leven van de gelovigen blijkt dat hun gehoorzaamheid een afspiegeling vormt van Gods rechtvaardigheid en daarmee overeenstemt. Dat bevestigt dan dat zij als kinderen zijn geadopteerd.
Gods wet bevat de vernieuwing waardoor in ons het beeld van God hersteld wordt. Maar omdat wij laks zijn, hebben wij veel aansporingen en hulpmiddelen nodig. Daarom is het goed om aan de hand van verschillende Schriftpassages een overzicht te geven van hoe wij ons leven moeten inrichten. Wie oprecht tot inkeer gekomen is, zal dan niet afdwalen.
Verder ben ik me ervan bewust dat ik een veelzijdig en omvangrijk onderwerp aansnijdt als ik ga beschrijven hoe een christen zijn leven moet inrichten. Dit onderwerp is zo uitgebreid dat je er een dik boek mee zou kunnen vullen als je het volledig zou willen behandelen. Want we zien hoe enorm de vermaningen van de oude schrijvers uitdijen als ze alleen nog maar één goede eigenschap behandelen. En dat komt niet omdat ze zo breedsprakig zijn. Want welke goede eigenschap je ook uitkiest om aan te prijzen, er valt zoveel over te zeggen dat je vanzelf zo uitgebreid gaat schrijven. Je lijkt het onderwerp niet voldoende besproken te hebben als je er niet heel veel over zegt.
Het is echter niet mijn bedoeling om het onderwijs over het leven, dat ik nu aankondig, zover uit te breiden. Ik ben niet van plan elke goede eigenschap apart te behandelen en ga geen langdradige vermaningen geven. Die moet je maar zoeken in geschriften van anderen en dan vooral in de preken van de kerkvaders. Ik vind het genoeg om te laten zien langs welke weg een vroom man naar het juiste doel geleid wordt om zijn leven daarop te richten. Ik ga dus alleen in het kort een algemene maatstaf vaststellen die hij kan gebruiken om op een goede manier te achterhalen waar hij toe verplicht is. Later zal er wel een keer gelegenheid zijn voor langere verhalen. Of ik laat die taak aan anderen over, omdat ik er niet zo geschikt voor ben. Van nature houd ik ervan om beknopt te zijn. Als ik mijn verhaal uitgebreider zou willen doen, zou mij dat waarschijnlijk niet eens goed lukken. Dus zelfs al zou een uitgebreider onderwijs gewenst zijn, dan zou ik er toch maar weinig zin in hebben om dat te proberen. Bovendien, de opzet van dit boek vraagt erom dat ik de eenvoudige leer zo beknopt mogelijk behandel.
De filosofen hebben wat goed en fatsoenlijk is scherp afgebakend. En daar leiden ze specifieke plichten en een hele massa van goede eigenschappen van af. Ook de Schrift heeft daar een eigen orde voor. Ze heeft een mooie indeling, die veel zekerder is dan alle indelingen van filosofen. Maar er is één verschil. In hun eerzucht deden de filosofen ijverig hun best om te komen tot een fraaie en duidelijke indeling, om daarmee te laten zien hoe slim ze waren. Maar de Geest van God hoeft zich in zijn onderwijs niet mooi voor te doen. Daarom heeft Hij zich niet strikt gehouden aan een bepaalde methode van behandelen. Maar soms heeft Hij wel zo’n methode gebruikt. Daarmee laat Hij dan duidelijk genoeg zien dat we die niet mogen negeren.
Liefde voor rechtvaardigheid en de norm voor rechtvaardigheid
Welnu, het onderwijs van de Schrift waarover ik het heb, bestaat vooral uit twee delen. Het eerste deel is dat er liefde voor rechtvaardigheid – waar we anders van nature helemaal niet toe geneigd zouden zijn – in ons hart wordt gedruppeld en dat die liefde ons hart in beslag neemt. Het tweede deel is dat we een norm voorgeschreven krijgen waar we niet van mogen afwijken als we rechtvaardigheid nastreven.
Wat betreft het eerste deel: de Schrift geeft heel veel en heel goede redenen om rechtvaardigheid aan te prijzen. Veel daarvan heb ik eerder al op verschillende plaatsen genoemd en ik zal er hier nog meer kort aanstippen. Welke basis kan rechtvaardigheid beter hebben dan de waarschuwing van de Schrift dat wij heilig moeten zijn omdat God heilig is? Leviticus 19:2; 1 Petrus 1:15-16 Want wij waren als schapen uiteengejaagd en door het doolhof van de wereld verspreid. Maar toen heeft God ons weer verzameld om ons met Hem te verenigen. Als we horen noemen dat we met God verbonden zijn, moeten we bedenken dat heiligheid de band moet zijn die ons met Hem verbindt. Niet omdat wij de gemeenschap met Hem verdienen met onze heiligheid. Wij moeten ons juist eerst aan Hem vastklampen om met zijn heiligheid overgoten te worden.
Pas dan kunnen we Hem volgen waarheen Hij ons roept. Maar het is nodig voor Gods eer dat wij heilig zijn. Want Hij kan geen gemeenschap hebben met onrechtvaardigheid en onreinheid.
Daarom leert de Schrift ook dat dit het doel is van onze roeping. Daar moeten we altijd op letten als we God antwoord willen geven op zijn roep. Jesaja 35:8 Want wat zou het voor zin hebben als we bevrijd worden uit de slechtheid en onreinheid van de wereld waarin we ondergedompeld waren, als we onszelf toestonden om heel ons leven daarin te blijven omrollen? Bovendien waarschuwt de Schrift ons ook dat we, om bij het volk van de Heer gerekend te worden, in de heilige stad Jeruzalem moeten wonen. Psalm 116:18-19; 122 Hij heeft die stad zelf geheiligd en daarom mag die stad niet door onreinheid van haar bewoners ontheiligd worden. Vandaar deze uitspraken: zij die smetteloos wandelen en rechtvaardigheid nastreven, zullen een plaats krijgen in de tabernakel van de Heer, enzovoort. Psalm 15:1-2; 24:3-4 Want het zou heel ongepast zijn als het heiligdom waar Hij in woont, als een stal gevuld zou zijn met vuil.
Christus is het voorbeeld voor een christelijk leven
En om ons extra aan te sporen laat de Schrift zien dat God de Vader ons niet alleen in zijn Christus met zich verzoend heeft, maar voor ons in zijn Christus ook het beeld getekend heeft waarnaar Hij ons gevormd wil hebben.
Nou, degenen die vinden dat alleen de filosofen de ethiek juist en overzichtelijk ingedeeld hebben, moeten maar eens een betere indeling voor mij vinden. Als de filosofen ons zo goed mogelijk willen aansporen tot fatsoen, komen ze met niets anders aanzetten dan dat we moeten leven in overeenstemming met de natuur. Maar de Schrift gaat met haar aansporing uit van de werkelijke bron. Zij beveelt niet alleen dat we ons leven moeten overgeven aan God die het ons gegeven heeft en met wie het verbonden is. De Schrift leert ook dat we van onze eigenlijke oorsprong en van de wet van onze schepping ontaard zijn. En de Schrift voegt er dan aan toe dat Christus ons weer met God verzoend heeft en ons als voorbeeld gegeven is. Wij moeten in ons leven zijn gedaante laten zien.
Kun je nog iets effectievers wensen dan dit? Ja, wat zou je nog meer kunnen verlangen? De Heer adopteert ons als kinderen op voorwaarde dat ons leven Christus laat zien. Hij is onze adoptieband. Als dat zo is, wijken we niet alleen heel slecht en ontrouw van onze schepper af als we ons niet overgeven en ons niet wijden aan rechtvaardigheid. We verwerpen dan ook onze redder zelf.
Verder ziet de Schrift in alle zegeningen van God, die de Schrift ons in herinnering brengt, en in alle onderdelen van onze redding aanleiding om ons aan te sporen. Want de Schrift zegt dat God heeft laten zien dat Hij een Vader voor ons is. Daarom kunnen wij van de grootst mogelijke ondankbaarheid beschuldigd worden als wij van onze kant niet laten zien dat we zijn kinderen zijn. Maleachi 1:6; Efeziërs 5:1; 1 Johannes 3:1
De Schrift zegt dat Christus ons gereinigd heeft door het bad van zijn bloed. In die reiniging laat Hij ons delen door de doop. Daarom is het ongepast als wij opnieuw met vuil besmeurd worden. Efeziërs 5:26; Hebreeën 10:10; 1 Korinthiërs 6:11; 1 Petrus 1:15-19
De Schrift zegt dat Christus ons in zijn lichaam heeft geënt. Daarom moeten we goed oppassen dat we onszelf, zijn ledematen, niet met een smet of vlek bezoedelen. Efeziërs 5:22-33; 1 Korinthiërs 6:15; Johannes 15:3-6
De Schrift zegt dat Christus als ons hoofd naar de hemel gevaren is. Daarom moeten we alle begeerte naar aardse dingen loslaten en met heel ons hart uit zijn op de hemel. Kolossenzen 3:1
De Schrift zegt dat de Heilige Geest ons gewijd heeft tot tempels voor God. Daarom moeten we ons ervoor inzetten dat God door ons geëerd wordt en mogen we niet toelaten dat we ontheiligd worden door het vuil van de zonde. 1 Korinthiërs 3:16; 6:19; 2 Korinthiërs 6:16
De Schrift zegt dat onze ziel en ons lichaam bestemd zijn voor de hemelse onvergankelijkheid en voor een overwinningskrans die niet verwelkt. 1 Petrus 5:4 Daarom moeten we er goed ons best voor doen dat onze ziel en ons lichaam zuiver en ongeschonden bewaard blijven tot de dag van de Heer. 1 Thessalonicenzen 5:23; Filippenzen 1:10
Deze dingen vormen volgens mij een veelbelovende basis voor een goede inrichting van het leven. Bij de filosofen zul je niets vinden dat hierbij in de buurt komt. Want als zij fatsoen aanprijzen, komen ze nooit verder dan de natuurlijke waardigheid van de mens.
Het gaat om het hart
Op deze plek moet ik me richten tot degenen die van Christus alleen maar de naam en het merkteken hebben, maar toch christenen genoemd willen worden. Wat brutaal eigenlijk van hen om te pochen op zijn heilige naam! Want je deelt alleen in Christus als je Hem echt uit het Woord van het evangelie hebt leren kennen. En de apostel Paulus ontkent dat je Christus echt hebt leren kennen als je niet geleerd hebt dat je de oude mens – bedorven door verkeerde begeerten – moet uittrekken en de nieuwe mens moet aantrekken. Efeziërs 4:22-24
Deze mensen verraden dus dat ze vals en onterecht doen alsof ze Christus kennen, al kunnen ze ondertussen nog zo vloeiend en welsprekend over het evangelie praten. Want het is geen leer voor de tong, maar voor het leven. Je begrijpt het niet alleen met je verstand en je geheugen, zoals de andere wetenschappen. Je krijgt het pas als het heel je ziel in bezit neemt en wanneer het diep in je hart huist. Ze moeten dus ophouden God te beledigen door zich te laten voorstaan op wat ze niet zijn en zich voor te doen als leerlingen die hun meester Christus onwaardig zijn.
De leer die onze godsdienst bevat, heb ik voorop gezet, omdat ons behoud daar begint. Maar die leer moet overgebracht worden in ons hart en uitkomen in onze levenswandel. De leer moet ons in zichzelf veranderen. Anders hebben we er niets aan.
De filosofen worden boos op degenen die wel openlijk verkondigen dat ze een discipline onderwijzen die een meesteres moet zijn voor het leven, maar die die discipline laten verworden tot een spitsvondig geklets. Zulke mensen worden door de filosofen uit hun midden gebannen. Als dat terecht is, hoeveel meer reden hebben wij dan om een afschuw te hebben van die zwetsende sofisten die de mond vol hebben van het evangelie en daarmee tevreden zijn. Het effect van het evangelie – veel sterker dan de kille aansporingen van de filosofen – had moeten doordringen tot in de diepste neigingen van hun hart. Het had moeten huizen in hun ziel en hen volledig moeten beheersen!
Volmaaktheid is het doel, maar dat hoeven we niet nu al te bereiken
Ik eis niet dat het leven van een christen moreel gezien niets anders uitstraalt dan het volmaakte evangelie. We moeten dat wel graag willen en nastreven. Maar een evangelische perfectie eis ik niet zo streng dat ik niemand als christen zou beschouwen die dat nog niet bereikt heeft. Want dan zou iedereen buiten de kerk gesloten worden. Er is immers niemand te vinden die niet nog ver van die volmaaktheid verwijderd is. En velen zijn nog maar weinig opgeschoten en toch zou het onterecht zijn om hen af te wijzen.
Wat wil ik dan wel? Ik wil dat we volmaaktheid als doel voor ogen houden. Alleen daarop moeten we onze ijver richten. Dat moet de eindstreep zijn die we in de wedstrijd proberen te bereiken. Want het is niet toegestaan om bij God een verdeling te maken. Je mag van de dingen die zijn Woord voorschrijft niet een deel aanvaarden en een deel naar eigen goeddunken negeren.
Immers, God geeft in de eerste plaats hoog op van oprechtheid. Dat is het belangrijkste om Hem te dienen. En daarmee bedoelt Hij een zuiver en eenvoudig hart, vrij van bedrog of huichelarij. Het tegenovergestelde daarvan is dubbelhartigheid. Het is alsof er gezegd werd dat een juist leven geestelijk begint, als het innerlijke gevoel van het hart zonder huichelen aan God gewijd wordt, om heiligheid en rechtvaardigheid in praktijk te brengen.
Maar in deze aardse gevangenis van het lichaam beschikt niemand over zoveel kracht dat hij enthousiast genoeg de wedstrijd kan lopen. De meeste mensen gaan gebukt onder zo’n grote zwakheid dat ze strompelen en hinken of zelfs kruipen over de grond. Zo komen ze maar heel weinig vooruit. Daarom moeten we ieder zover gaan als past bij het kleine beetje dat we kunnen en de reis vervolgen waar we aan begonnen zijn. Niemand zal onderweg zoveel pech hebben dat hij niet elke dag ten minste een klein stukje van de weg aflegt.
We moeten dus niet ophouden om te proberen continu een stukje vooruit te komen op de weg van de Heer. We moeten de moed niet laten zakken omdat we maar zo weinig opschieten. Want ook al schieten we minder op dan we zouden willen, toch is het geen vergeefse moeite als we vandaag verder gevorderd zijn dan gisteren. We moeten gewoon oprecht naar het einddoel kijken. We moeten ons niet vleien en strelen, maar ook niet toegeven aan onze gebreken. We moeten steeds ons best blijven doen om beter te worden dan we zijn, tot we de goedheid zelf bereikt hebben. Weliswaar zoeken we die heel ons leven. Maar we krijgen die pas te pakken als we de zwakheid van het vlees hebben uitgetrokken en er volledig in mogen delen.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.