Boek III · Hoofdstuk 7
Zelfverloochening
Inhoud van dit hoofdstuk · 10 secties
- 1We zijn niet van onszelf, maar van God
- 2Het goede moet je niet doen uit eigenbelang, maar om God te eren
- 3Nuchterheid, rechtvaardigheid en vroomheid
- 4We moeten andere mensen boven onszelf stellen
- 5Wat we gekregen hebben, moeten we uitdelen
- 6We moeten mensen goeddoen omdat ze het beeld van God zijn
- 7We moeten andere mensen helpen zoals we onszelf zouden helpen
- 8We moeten onze eigen verlangens onderwerpen aan Gods wil
- 9Gods zegen vormt de basis voor echt geluk
- 10We moeten geduldig blijven bij tegenspoed
We zijn niet van onszelf, maar van God
De wet van de Heer geeft een heel goede en heel bruikbare indeling om het leven naar te richten. Toch vond de hemelse leermeester het een goed idee om de zijnen nog nauwkeuriger te vormen volgens de norm die Hij in de wet had voorgeschreven. En daarbij is dit het uitgangspunt: gelovigen zijn verplicht hun lichaam te geven als een levend en heilig offer dat God plezier doet. Daarin ligt het juist dienen van Hem. Dat vormt de basis om hen te waarschuwen dat ze zich niet moeten aanpassen aan deze wereld, maar dat ze veranderd moeten worden. Hun denken moet vernieuwd worden, zodat ze gaan erkennen wat God wil. Romeinen 12:1-2
Dat is iets geweldigs, dat we voor God geheiligd en Hem toegewijd zijn! Dan denken, spreken, overwegen en doen we niets anders meer dan wat tot zijn eer is. Want wat geheiligd is, kunnen we niet meer onheilig gebruiken zonder dat we Hem groot onrecht doen.
Als we niet van onszelf zijn, maar van de Heer, dan is het duidelijk welke dwaling we moeten ontvluchten en waarop al ons doen en laten in ons leven gericht moet zijn. We zijn niet van onszelf, dus mogen ons verstand en onze wil niet regeren over onze plannen en daden. We zijn niet van onszelf, dus mag ons doel niet zijn dat we zoeken waar ons vlees behoefte aan heeft. We zijn niet van onszelf, dus moeten we zoveel mogelijk onszelf en alles wat van ons is vergeten.
Aan de andere kant: we zijn van God, dus moeten we voor Hem leven en sterven. We zijn van God, dus moeten zijn wijsheid en wil al ons doen en laten leiden. We zijn van God, dus moeten we ons in heel ons leven richten op Hem, als het enig juiste doel.
Je bent enorm opgeschoten als je geleerd hebt dat je niet van jezelf bent en als je je eigen verstand het bestuur over jezelf hebt ontnomen en dat aan God hebt toegekend. Want om mensen verloren te laten gaan, is de meest effectieve pestziekte dat ze zichzelf gehoorzamen. En zo is om de mensen te redden de enige veilige haven dat je niets weet en niets wilt van jezelf, maar alleen de Heer volgt waar Hij voorgaat.
De eerste stap moet dus zijn dat de mens zichzelf loslaat en zijn verstand volledig richt op het gehoorzamen van de Heer. Met gehoorzamen bedoel ik niet alleen het gehoorzamen van het Woord, maar ook een gehoorzaamheid waardoor het hart van de mens zich volledig bekeert tot wat Gods Geest wil en zijn eigen vleselijke zinnen kwijtraakt.
Deze verandering noemt Paulus de vernieuwing van ons denken. Efeziërs 4:23 Geen enkele filosoof heeft die gekend. Toch is het de eerste toegang tot het leven. De filosofen stellen alleen het verstand aan om de mens te besturen. Ze denken dat we alleen naar het verstand moeten luisteren. Kortom, alleen aan het verstand dragen ze het bevel op over onze moraal. Maar de christelijke levensbeschouwing geeft het verstand opdracht om haar positie op te geven en zich te onderwerpen aan de Heilige Geest. Dan leeft de mens niet meer zelf, maar leeft en regeert Christus in hem. Galaten 2:20
Het goede moet je niet doen uit eigenbelang, maar om God te eren
Dat leidt vanzelf tot de tweede stap: we zoeken niet ons eigen belang, maar wat de Heer wil en wat tot zijn eer is. Als we onszelf vergeten of in elk geval minder rekening houden met onszelf en ons ijverig proberen te wijden aan God en zijn geboden, dan blijkt ook daaruit hoever we vooruitgekomen zijn. Want de Schrift beveelt ons om onze individuele zorg voor onszelf los te laten. Daarmee schrapt de Schrift uit ons hart niet alleen hebzucht, het verlangen naar macht en het graag bij de mensen in de gunst willen staan. De Schrift roeit ook eerzucht, het verlangen om bij de mensen beroemd te zijn en andere meer verborgen slechte begeerten uit.
Inderdaad moet een christen zo gevormd worden dat hij bedenkt dat hij in heel zijn leven met God te maken heeft. Dan zal hij alles wat hij heeft, onderwerpen aan Gods wil en beslissing en dan zal hij vroom heel zijn aandacht richten op Hem. Want als je geleerd hebt in al je doen en laten op God te letten, keer je je ook af van alle zinloze gedachten.
Dat is de zelfverloochening die Christus zijn leerlingen vanaf het eerste begin van hun onderwijs zo nadrukkelijk beveelt. Mattheüs 16:24 Als die zelfverloochening eenmaal een plaats gekregen heeft in ons hart, blijft er in de eerste plaats geen ruimte meer over voor trots, hoogmoed of verlangen naar uiterlijk vertoon en in de tweede plaats ook niet voor gierigheid, wellust, overdaad of verwijfdheid of voor andere slechte begeerten die het gevolg zijn van egoïsme.
Aan de andere kant breken de schandelijkste zonden brutaalweg uit, overal waar deze zelfverloochening niet regeert. En als er ogenschijnlijk nog wat fatsoen is, wordt dat bedorven door een verkeerde eerzucht. Immers, laat mij maar eens een mens zien, als je kunt, die – zonder op bevel van de Heer zichzelf te verloochenen – toch goed wil doen onder de mensen zonder er zelf beter van te worden. Want al degenen die geen zelfverloochening kenden, hebben een fatsoenlijk leven geleid om op z’n minst geprezen te worden. En alle filosofen die zo nadrukkelijk beweerden dat je fatsoenlijk moet leven omwille van het fatsoen zelf, waren zelf heel verwaand. Daaruit blijkt wel dat ze alleen maar fatsoenlijk probeerden te leven om daar trots op te kunnen zijn. Maar God is absoluut niet blij met zulke verwaande mensen die jagen op loze eer. Hij verklaart juist dat zij hun loon in deze wereld al binnen hebben Mattheüs 6:2; 6:5; 6:16 en dat hoeren en tollenaars dichter bij het koninkrijk van de hemel staan dan zij. Mattheüs 21:31
Toch heb ik nog niet duidelijk uitgelegd hoe vele en hoe grote obstakels er zijn die de mens verhinderen om goed te leven zolang hij zichzelf niet verloochend heeft. Want terecht werd er vroeger gezegd: in de ziel van de mens ligt een wereld van kwaad verscholen. Je zult geen andere remedie vinden dan jezelf verloochenen en ophouden rekening te houden met jezelf. Vervolgens moet je met volle aandacht zoeken wat de Heer van je eist en dan alleen omdat het Hem plezier doet.
Nuchterheid, rechtvaardigheid en vroomheid
Ergens anders behandelt Paulus nauwkeuriger alle onderdelen van een leven dat goed is ingericht. Maar wel beknopt. ‘Gods reddende genade is verschenen voor alle mensen en leert ons dat we de goddeloosheid en de wereldse begeerten moeten loslaten. We moeten nuchter, rechtvaardig en vroom leven in de tegenwoordige tijd, terwijl we wachten op het geluk van onze hoop en op de verschijning van de glorie van de grote God en onze redder, Jezus Christus. Hij heeft zichzelf gegeven in onze plaats, om ons te bevrijden van alle onrechtvaardigheid en om voor zichzelf een eigen volk te reinigen dat ijverig goede daden doet.’ Titus 2:11-14
Om ons te bemoedigen presenteert Paulus ons eerst Gods genade. Zo baant hij voor ons de weg om God op de juiste manier te dienen. Vervolgens ruimt hij twee obstakels op die ons het meest in de weg staan: de goddeloosheid waar we van nature sterk toe geneigd zijn en bovendien de wereldse begeerten die nog verder reiken. Met goddeloosheid bedoelt hij niet alleen bijgeloof. Hij vat daarmee alles samen wat in strijd is met een oprechte vrees voor God. En wereldse begeerten omvatten alle neigingen van het vlees. Dus gebiedt Paulus ons, verwijzend naar beide tafels van de wet, dat we onze eigen aard moeten loslaten en alles moeten verloochenen wat ons verstand en onze wil ons voorschrijven.
Verder beperkt hij al ons doen en laten in het leven tot drie onderdelen: nuchterheid, rechtvaardigheid en vroomheid. Nuchterheid betekent ongetwijfeld zowel kuisheid als zelfbeheersing. Bovendien betekent het dat je zuiver en met mate gebruik maakt van tijdelijke goede dingen. Als je arm bent, moet je dat geduldig dragen. Rechtvaardigheid omvat alle plichten van eerlijkheid. Je moet ieder geven wat hem toekomt. Vroomheid zet ons apart van de smerigheid van de wereld en maakt ons een met God door echte heiligheid. Als deze eigenschappen hecht met elkaar verbonden zijn, leidt dat daadwerkelijk tot volmaaktheid.
Maar niets is zo moeilijk als de denkwijze van het vlees vaarwel zeggen, onze begeerten bedwingen – ja zelfs verloochenen – en ons wijden aan God en onze broeders en midden in de onreinheid van de wereld nadenken over een leven zoals dat van de engelen. Om ons hart te bevrijden uit alle strikken, roept Paulus ons daarom terug tot de hoop op een gelukkige onsterfelijkheid. Hij herinnert ons eraan dat we niet tevergeefs strijden. Want zoals Christus eenmaal verschenen is als onze redder, zo zal Hij ook bij zijn laatste komst ons het echte geluk laten zien dat Hij voor ons verworven heeft. Op die manier verjaagt Paulus alle verleidingen die als wolken om ons heen hangen en die voorkomen dat we de hemelse glorie nastreven zoals we horen te doen. Ja, hij leert ons dat wij in deze wereld moeten leven als vreemdelingen. Want anders zou de hemelse erfenis ons zomaar kunnen ontgaan of uit de vingers kunnen glippen.
We moeten andere mensen boven onszelf stellen
Verder zien we in deze woorden dat het bij zelfverloochening voor een deel gaat om de mensen en voor een deel om God. Daarvan is het laatste het belangrijkste.
De Schrift beveelt ons dat we ons tegenover andere mensen zo moeten gedragen dat we hen meer eren dan onszelf Filippenzen 2:3-4 en dat we ons volledig en trouw inspannen om te zorgen voor hun belangen. Romeinen 12:10 Zulke geboden kunnen wij niet bevatten, tenzij we eerst onze natuurlijke neiging kwijtraken. Want we zijn verblind en daardoor zijn we allemaal geneigd om onszelf lief te hebben. En daarom denken we allemaal dat we een rechtvaardige reden hebben om ons boven anderen te verheffen en op anderen neer te kijken.
Als God ons iets gegeven heeft waarover we geen berouw hoeven te hebben, dan gaan we daar meteen vol trots op vertrouwen. We blazen onszelf op en knappen haast van hoogmoed. Gebreken hebben we in overvloed, maar die verbergen we ijverig voor anderen. We vleien onszelf en maken onszelf wijs dat ze onbelangrijk en klein zijn. Soms koesteren we ze zelfs alsof het goede eigenschappen waren.
Als anderen dezelfde gaven blijken te hebben die wij in onszelf bewonderen, of zelfs nog betere gaven, dan bagatelliseren we die en geven er jaloers op af. Maar als ze enkele gebreken hebben, dan zijn we er niet mee tevreden die streng en scherp op te merken. Vol haat blazen we ze op.
Vandaar dat we allemaal zo overmoedig zijn alsof we buiten de algemene wet staan. We willen boven anderen uitsteken en alle mensen minachten we onbekommerd en brutaal of we kijken op hen neer alsof ze onder ons staan. De armen moeten wijken voor de rijken, de onaanzienlijken voor de edelen, de ongeschoolden voor de geletterden. Maar er is niemand die in zijn hart zichzelf niet eigenlijk beter vindt dan een ander.
Dus omdat iedereen zichzelf vleit, draagt ieder een soort koninkrijk mee in zijn eigen hart. Want hij eist voor zichzelf op waar hij maar zin in heeft en bekritiseert de aard en levenswijze van anderen. Maar komt het tot een conflict, dan barst het venijn los. Want velen laten wel wat zachtmoedigheid zien zolang ze vriendelijke en aangename dingen ervaren. Maar hoeveel mensen blijven altijd even bescheiden als ze gekrenkt en uitgedaagd worden? De enige remedie hiervoor is dat de gevaarlijke ziekte van eerzucht en egoïsme uit ons diepste innerlijk wordt uitgeroeid.
En dat doet de leer van de Schrift. Want de Schrift leert ons dat we moeten bedenken dat de gaven die God ons gegeven heeft, niet van onszelf komen. Het zijn genadegaven van God. Als sommigen trots zijn op die gaven, verraden ze daarmee hun ondankbaarheid. ‘Wie maakt jou beter?’ zegt Paulus. ‘Als je alles gekregen hebt, waarom laat je je er dan op voorstaan alsof je het niet gekregen hebt?’ 1 Korinthiërs 4:7 Verder leert de Schrift ons dat we continu onze gebreken moeten onderzoeken. Zo moeten we onszelf brengen tot nederigheid. Dan blijft er niets in ons over om verwaand over te zijn, maar hebben we juist alle reden om bescheiden te blijven.
Aan de andere kant beveelt de Schrift ons dat we alle gaven van God moeten eren en respecteren die we in anderen zien. Ook moeten we met respect de mensen behandelen die die gaven gekregen hebben. Want het zou heel slecht van ons zijn als we hen beroven van de eer die de Heer hun waard gekeurd heeft. Ook leert de Schrift ons om hun gebreken door de vingers te zien. Zeker niet om hen te voeden met vleierij. Maar wel omdat we hen niet mogen bespotten om hun gebreken. We moeten hen juist welwillend en met respect behandelen.
Op die manier zullen we ons niet alleen beheerst en bescheiden opstellen tegenover iedereen. Met wie we ook te maken hebben, we gedragen ons voorkomend en vriendelijk. En echte zachtmoedigheid kun je maar op één manier bereiken: via een hart dat doordrenkt is van vernedering van jezelf en eerbied voor de ander.
Wat we gekregen hebben, moeten we uitdelen
Maar wat is het moeilijk om te proberen het goede te doen voor onze naaste zoals we verplicht zijn! Je bereikt niets als je niet ophoudt naar jezelf te kijken en in niet zekere zin jezelf loslaat. Want hoe kun je de daden doen die Paulus de daden van liefde noemt, als je niet jezelf verloochent en je niet volledig aan anderen wijdt? ‘Liefde,’ zegt Paulus, ‘is geduldig. Ze is welwillend, niet onbeschaamd, niet trots, niet jaloers, niet verwaand. Ze zoekt zichzelf niet, ze wordt niet verbitterd …’ 1 Korinthiërs 13:4-5
Er wordt dus van ons geëist dat we niet zoeken wat van ons is. Als dat zo is, moet onze aard heel hardhandig aangepakt worden. Want we zijn van nature sterk geneigd tot egoïsme. We kunnen het dus niet zomaar verdragen dat we onszelf en wat van ons is zouden negeren en ijverig zouden letten op de belangen van anderen, of zelfs uit eigen beweging afstand zouden doen van ons recht en het aan een ander zouden geven.
Maar de Schrift wil ons daar bij de hand naartoe leiden. Daarom herinnert de Schrift ons eraan dat we alle genadegaven van de Heer krijgen op deze voorwaarde: we moeten ze gebruiken voor het algemeen belang van de kerk. Legitiem gebruik maken van al deze gaven betekent dus dat je daar anderen royaal en graag in laat delen. Er valt geen vastere norm te bedenken en ook geen krachtiger aansporing om je aan die norm te houden dan deze les voor ons: al onze talenten zijn geleende gaven van God. Ze zijn ons toevertrouwd op voorwaarde dat we ze besteden in het belang van onze naasten. 1 Petrus 4:10
Maar de Schrift gaat nog een stapje verder. Ze vergelijkt die gaven met de vermogens van de ledematen van het menselijk lichaam. Geen enkel lid functioneert op zichzelf of alleen in zijn eigen belang. Het functioneert in dienst van zijn medeledematen. En zelf heeft het daar alleen maar iets aan als het met het lichaam als geheel goed gaat. Zo moet een vroom man alles wat hij kan, inzetten voor zijn broeders. Hij zorgt alleen maar voor zichzelf door zijn aandacht te richten op de opbouw van de kerk als geheel. 1 Korinthiërs 12:12-27
De juiste methode om de mensen goedgezind te zijn en hun goed te doen is dus dat we ons gedragen als rentmeesters van alles wat God ons gegeven heeft. We kunnen onze naaste ermee helpen en moeten verantwoording afleggen van hoe we Gods gaven uitdelen. Verder delen we zijn gaven pas op de juiste manier uit, als we onze manier van uitdelen toetsen aan de norm van de liefde. Zodoende verbinden we niet alleen de ijver voor andermans belang met de zorg voor ons eigen belang. Dan maken we ons eigen belang zelfs ondergeschikt aan dat van een ander.
En God wilde voorkomen dat voor ons misschien verborgen zou zijn dat we alle gaven die we van God krijgen volgens deze wet horen uit te delen. Daarom heeft Hij deze wet vroeger zelfs toegepast op de kleinste geschenken die Hij zo royaal uitdeelde. Want Hij gebood dat de eerste opbrengst van de oogst aan Hem geofferd moest worden. Exodus 22:29 (22:28); 23:19 Zo zou het volk verklaren dat ze van geen enkele zegen van God mochten genieten, als ze de opbrengst daarvan niet eerst voor Hem geheiligd hadden. En de gaven van God worden dus pas voor ons geheiligd als we ze eerst zelf aan de gever gewijd hebben. Daaruit blijkt dat zonder zo’n wijding het gebruik van die gaven onrein is.
Nu is het tevergeefs als je probeert om de Heer rijker te maken door jouw gaven uit te delen. Jouw vrijgevigheid kan Hem niet bereiken, zo zegt de profeet. Dus moet je je vrijgevigheid in praktijk brengen tegenover zijn heiligen die op de aarde zijn. Psalm 16:2-3 En daarom worden liefdegaven aan de armen vergeleken met de heilige offers. Want zulke liefdegaven corresponderen nu met de offers van de wet. Hebreeën 13:16
We moeten mensen goeddoen omdat ze het beeld van God zijn
Verder moeten we niet verslappen in het goeddoen. Maar dat gebeurt meteen. Daarom moet er nog iets anders bijkomen: liefde moet geduldig zijn en niet verbitterd worden, schrijft de apostel Paulus. 1 Korinthiërs 13:4-5 De Heer beveelt ons om in het algemeen iedereen goed te doen. Een groot deel van hen is dat helemaal niet waard, als je hen beoordeelt op grond van wat ze zelf verdienen. Maar de Schrift komt ons daarin heel goed te hulp. Want de Schrift leert ons dat we niet moeten kijken naar wat mensen zelf verdienen, maar dat we in iedereen het beeld van God moeten zien. Dat beeld zijn we alle eer en liefde verschuldigd. Ook leert de Schrift dat we datzelfde beeld nog ijveriger moeten opmerken in onze geloofsgenoten. Want door de Geest van Christus is dat beeld vernieuwd en opnieuw opgericht. Galaten 6:10 Dus welk mens er ook op je weg komt die jouw hulp nodig heeft – je hebt geen reden om te weigeren je aan zijn belangen te wijden. Stel dat het een vreemdeling is. Dan heeft de Heer hem een kenmerk gegeven dat jou vertrouwd moet zijn. Jesaja 58:7 Stel dat het een verachtelijk en waardeloos iemand is. Dan laat de Heer zien dat hij iemand is die Hij het waard gekeurd heeft dat Hij hem getooid heeft met zijn beeld. Stel dat je zo iemand niets verplicht bent omdat hij jou ook niet geholpen heeft. Dan heeft God hem als het ware in zijn plaats gezet. Je moet erkennen met hoeveel grote zegeningen Hij jou aan zich verplicht heeft. Stel dat zo iemand het niet waard is dat je ook maar enige moeite voor hem doet. Dan wordt hij je aanbevolen als beeld van God. Dat beeld is het waard dat je hem jezelf en alles wat je hebt ter beschikking stelt.
Zelfs al heeft zo iemand niet alleen niets goeds verdiend, maar jou zelfs getergd door je onrechtvaardig te behandelen en je kwaad te doen – zelfs dan is dat geen geldige reden om hem niet langer liefdevol te omhelzen en hem niet alle plichten van liefde te bewijzen. Je zult zeggen: ‘Hij heeft iets heel anders van mij verdiend.’ Maar wat heeft de Heer verdiend, van wie al onze zegeningen afkomstig zijn? Hij beveelt dat je je naaste alles moet vergeven wat hij jou misdaan heeft. Mattheüs 6:14; 18:35; Lucas 17:3 Vast en zeker wil Hij dan dat het Hem wordt aangerekend.
Er is echt maar één weg om te komen tot wat volledig indruist tegen de menselijke natuur, laat staan dat het gemakkelijk voor ons is: liefhebben wie ons haten, kwaad met goed vergelden, beledigingen betalen met zegeningen. Mattheüs 5:44 Je komt hiertoe, zeg ik, als je bedenkt dat je geen rekening moet houden met de slechtheid van de mensen, maar Gods beeld in hen moet zien. Dat beeld bedekt hun zonden en wist die uit. Door zijn schoonheid en waardigheid verleidt dat beeld ons om hen lief te hebben en te omhelzen.
We moeten andere mensen helpen zoals we onszelf zouden helpen
Het doden van onszelf gebeurt dus pas als wij de plichten van liefde vervullen. En die vervul je niet als je alle plichten van liefde alleen maar uitvoert, zelfs al sla je er niet één over. Je vervult ze pas als je het van harte doet, uit liefde. Want het kan gebeuren dat iemand wel iedereen betaalt wat hij verplicht is, voor zover het om uiterlijke plichten gaat. Maar dat hij ondertussen toch ver verwijderd blijft van de echte manier van betalen. Want we zien dat sommigen wel heel royaal willen lijken. Maar toch geven ze niets zonder hun afkeuring te tonen in een trots gezicht of beledigende woorden. En in onze ongelukkige tijd zijn we er nu zo ellendig aan toe dat er – door de meeste mensen in elk geval – bijna geen liefdegaven aan de armen meer uitgedeeld worden zonder belediging. Zo’n slechte toestand zou zelfs onder heidenen niet geduld mogen worden!
Maar van christenen mag zelfs nog iets meer gevraagd worden dan te koop lopen met een opgewekt gezicht en hun hulp aangenaam maken met vriendelijke woorden. Om te beginnen moeten ze zichzelf verplaatsen in de positie van degene die hulp nodig blijkt te hebben. Ze moeten hem aannemen en medelijden met hem hebben alsof ze zijn lot zelf ervaren. Door dat gevoel van medelijden en medemenselijkheid kunnen ze hem dan helpen zoals ze zichzelf zouden helpen.
Wie er zo aan toe is als hij zich ertoe zet om zijn broeders te helpen, zal zijn hulp niet bezoedelen door trots of afkeuring. Ook zal hij niet op zijn broeder die hij goed doet, neerkijken omdat hij hulpbehoevend is en hij zal hem ook niet als een schuldenaar aan zich onderwerpen. We bespotten immers ook geen ziek lid van ons lichaam als de andere ledematen hun best doen om het te verkwikken. En we vinden toch ook niet dat zo’n lid speciaal in de schuld staat bij de andere ledematen, omdat het meer hulp krijgt dan dat het terugbetaalt. Want niemand gelooft immers dat de onderlinge hulp tussen de ledematen een vorm van genade is. We geloven juist dat daarmee iets betaald wordt waarvan het heel onbehoorlijk zou zijn als het geweigerd werd. Want het is een verplichting volgens de wet van de natuur.
Zodoende zul je je ook niet vrij van enige verplichting voelen als je maar één soort hulp uitgevoerd hebt. Als een rijke iets van zijn bezit uitgegeven heeft, schuift hij andere lasten vaak op anderen af, alsof ze hem niet aangaan. Maar ieder moet juist bij zichzelf bedenken dat hij, hoe groot hij ook is, voor zijn naasten bij zichzelf in de schuld staat. Je mag geen limiet stellen aan het goeddoen van je naasten, zolang je vermogen je niet in de steek laat. En de grenzen van dat vermogen moeten bepaald worden volgens de norm van de liefde.
We moeten onze eigen verlangens onderwerpen aan Gods wil
Bij het belangrijkste deel van onze zelfverloochening gaat het, zo heb ik gezegd, om God. Laten we dat opnieuw en nu uitgebreider behandelen. Ik heb er al veel over gezegd. Het zou overbodig zijn om dat te herhalen. Het is voldoende om dit deel te behandelen voor zover het ons geduldig en verdraagzaam maakt.
Om te beginnen brengt de Schrift ons ertoe om bij het zoeken van gemak en rust in het tegenwoordige leven onszelf en alles wat van ons is over te geven aan wat de Heer wil. De begeerten van ons hart moeten we aan Hem overleveren om getemd en onderworpen te worden. We hebben een razende begeerte en een onbegrensd verlangen naar rijkdom en eer. We zoeken macht, we hopen schatten op, we verzamelen al die dwaze dingen die ons pracht en praal lijken te kunnen bieden. Aan de andere kant zijn we vreemd bang voor armoede, onaanzienlijkheid en nederigheid. We hebben daar vreemd genoeg een hekel aan gekregen en proberen die op alle mogelijke manieren kwijt te raken. Hieraan kun je zien hoe onrustig iedereen is die zijn leven naar eigen plan inricht. Ze proberen zoveel listen uit en doen zoveel moeite, om maar de dingen te krijgen waar hun eerzucht of hebzucht naar uit gaat en om aan de andere kant armoede of een nederige positie te vermijden.
Om niet in zulke dingen verstrikt te raken moeten vrome mensen dus de volgende weg bewandelen. Om te beginnen moeten ze niet ergens anders voorspoed begeren, hopen of denken te krijgen dan uit de zegen van de Heer. Daarom moeten ze daar veilig op vertrouwen. Want het vlees denkt wel dat het aan zichzelf genoeg heeft, als het ijverig eer en rijkdom najaagt, of het nu zelf zijn best daarvoor doet of door de gunst van mensen geholpen wordt. Maar het staat vast dat dit allemaal niets te betekenen heeft. Onze aanleg of onze inspanning helpen ons geen stap verder als de Heer die beide niet voorspoedig maakt.
Gods zegen echter vindt de weg zelfs dwars door alle obstakels heen en brengt voor ons alles tot een blijde en gelukkige afloop. Bovendien, we kunnen nog zoveel roem en rijkdom verwerven zonder die zegen. We zien immers dat er elke dag goddelozen met veel eer en rijkdom overladen worden. Maar degenen op wie Gods vloek rust, zullen nog niet eens het kleinste stukje geluk proeven. Dus zullen we zonder Gods zegen alleen maar dingen bereiken die ons uiteindelijk kwaad opleveren. En we moeten natuurlijk geen dingen nastreven die mensen nog ongelukkiger maken.
Gods zegen vormt de basis voor echt geluk
De basis voor voorspoed en gewenst succes ligt dus alleen in Gods zegen. Zonder die zegen staat ons allerlei ellende en tegenslag te wachten. Als we dat geloven, betekent dat dus ook dat we niet vertrouwen op ons eigen vlugge verstand of op onze ijver. We steunen niet op de gunst van mensen en vertrouwen niet op een loos idee van toeval of pech. En we streven geen rijkdom en eer na. We kijken altijd naar de Heer om onder zijn leiding gebracht te worden naar het lot dat Hij in zijn voorzienigheid voor ons bestemd heeft.
Zodoende haasten we ons in de eerste plaats niet om schatten te bemachtigen of eer na te jagen door zonde, listen en foute praktijken of diefstal, door onze naasten onrecht aan te doen. We proberen alleen die dingen te krijgen die ons niet afvoeren van onschuld. Want wie zou te midden van bedrog, diefstal en andere listige en slechte streken durven hopen op Gods zegen? Die zegen volgt alleen degenen die zuiver denken en juist handelen. Dus als je die zegen graag wilt hebben, roept die zegen je weg van onzuivere gedachten en slechte daden.
In de tweede plaats houdt dit ons in toom, zodat we niet branden van een onbeheerste begeerte naar rijkdom en niet vol ambitie smachten naar eer. Want hoe kun je erop vertrouwen dat God je helpt om te krijgen wat je tegen Gods Woord in begeert? Want het is onmogelijk dat God je door de hulp van zijn zegen zou geven wat Hij met zijn mond vervloekt.
Ten slotte, als het ons niet gaat zoals we zouden wensen of hopen, voorkomt dit toch dat we te weinig geduld hebben of onze situatie vervloeken, hoe we er ook aan toe zijn. Want we weten dat dat zou betekenen dat we mopperen op God. Immers, rijkdom en armoede, verachting en eer worden uitgedeeld zoals het Hem goeddunkt.
Kortom, wie op de genoemde manier steunt op Gods zegen, jaagt niet met slechte listen op de dingen waar mensen zo verwoed op jagen. Hij bedenkt dat die dingen hem niets opleveren. En als iets voorspoedig gaat, rekent hij dat niet toe aan zichzelf of zijn eigen ijver of geluk. Hij dankt God ervoor als de gever. En als hij zelf maar weinig vooruitkomt of zelfs achteruitgaat terwijl anderen voorspoed hebben, draagt hij zijn armoede toch evenwichtiger en rustiger dan een goddeloze zijn middelmatige geluk, als dat niet helemaal gaat zoals hij wel zou willen.
Immers, wie steunt op Gods zegen heeft een troost waarin hij meer rust vindt dan in de grootste rijkdom of macht. Want hij bedenkt dat de Heer zijn zaken bestuurt zoals voor zijn welzijn goed is. We zien dat David er zo over dacht. Hij volgt God en geeft zich aan Hem over. En dan getuigt hij dat hij net een gespeend kind is dat niet wandelt in dingen die te hoog of te wonderlijk voor hem zijn. Psalm 131
We moeten geduldig blijven bij tegenspoed
Maar deze rust en dit geduld moeten bij vrome mensen niet alleen gebaseerd zijn op Gods zegen, maar op alles wat er in dit leven kan voorvallen. Dus heeft niemand zichzelf verloochend zoals het hoort, als hij zich niet volledig aan de Heer heeft overgegeven en dus niet accepteert dat zijn leven in alle opzichten bestuurd wordt door Gods wil. En wie er zo over denkt, zal zich niet als ongelukkig beschouwen en God evenmin ergeren door zich te beklagen over zijn lot, wat er ook gebeurt.
Zo’n gemoedsgesteldheid hebben we hard nodig. Dat blijkt wel als je bedenkt hoeveel toevalligheden ons overkomen. De ene ziekte na de andere treft ons, steeds weer. Eerst woedt de pest en dan worden we weer wreed gekweld door oorlogsrampen. Soms pakt vorst of hagel ons de verwachte oogst af en komen we terecht in armoede. Onze vrouw, ouders, kinderen en familieleden worden weggerukt door de dood. Ons huis brandt af. Om zulke gebeurtenissen vervloeken mensen hun leven. Ze verwensen hun geboortedag. Ze krijgen een hekel aan de hemel en het licht. Ze spreken God tegen en met godslasterlijke welsprekendheid beschuldigen ze Hem ervan dat Hij onrechtvaardig en wreed is.
Maar een gelovige moet ook in deze dingen Gods zachtmoedigheid en echte vaderlijke goedheid opmerken. Daarom zal hij toch niet ophouden de Heer te loven, ook al ziet hij dat zijn huis eenzaam geworden is omdat zijn familieleden weggenomen zijn. Sterker nog, hij zal zijn toevlucht zoeken in deze gedachte: de genade van de Heer woont in mijn huis en die genade zal ervoor zorgen dat mijn huis niet leeg blijft. Ook zal hij de moed niet opgeven als hij ziet dat er hongersnood dreigt doordat de rijp het gewas heeft aangetast of vorst het vernietigd heeft. Hij zal dan God niet ergeren maar blijven bij dit geloof: toch blijven wij onder de hoede van de Heer. We blijven schapen die gevoed worden in zijn weide. Psalm 79:13 Zelfs in de grootst mogelijke onvruchtbaarheid zal Hij ons te eten geven. Ook zal hij niet gebroken worden door vreselijk verdriet, ook al wordt hij getroffen door ziekte. Hij verliest dan niet zijn geduld en gaat niet in discussie met God. Hij zal in de tucht Gods rechtvaardigheid en vriendelijkheid opmerken en zichzelf aansporen om geduldig te blijven. Kortom, wat er ook gebeurt, hij weet dat Gods hand het bepaald heeft. Daarom zal hij alles kalm en dankbaar aanvaarden. Want hij wil zich niet koppig verzetten tegen Gods bestuur, omdat hij zichzelf en alles wat hij heeft voor eens en voor altijd in Gods macht heeft overgegeven.
Een christen moet vooral de dwaze en heel ellendige troost van de heiden uit zijn gedachten bannen. Om zichzelf moed in te spreken tegen tegenspoed, schrijven heidenen die toe aan toeval. En ze vinden het dom om daar boos op te worden. Want toeval heeft geen specifiek doel voor ogen en doet niets met opzet. Het is blind en verwondt zowel degenen die het verdiend hebben als degenen die het niet verdiend hebben. Dit is het omgekeerde van de norm van de vroomheid: alleen Gods hand oordeelt en bestuurt voorspoed en tegenspoed. En Gods hand gaat niet onnadenkend tekeer, maar deelt zowel goed als kwaad heel ordelijk en rechtvaardig aan ons uit.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.