Boek IV · Hoofdstuk 10
Kerkelijke wetten
Inhoud van dit hoofdstuk · 32 secties
- 1Mag de kerk het geweten binden?
- 2De roomsen binden het geweten
- 3Het geweten
- 4Binding en vrijheid van het geweten
- 5Menselijke wetten en het geweten
- 6De roomsen binden het geweten buiten Gods Woord om
- 7God is de enige wetgever
- 8Twee redenen waarom God de enige wetgever is
- 9De roomsen claimen dat je God moet dienen volgens hun bepalingen
- 10De bepalingen van de roomsen maken Gods wet waardeloos
- 11De bepalingen van de roomsen zijn nutteloos
- 12De bepalingen van de roomsen zijn domme onzin
- 13De bepalingen van de roomsen leggen de kerk een juk op als van het jodendom
- 14Rituelen mogen Christus niet onzichtbaar maken
- 15Roomse rituelen als offers om verzoening te verdienen
- 16Algemene toepassing
- 17De bepalingen van de roomsen zijn geen kerkelijke bepalingen
- 18De bepalingen van de roomsen zijn niet afkomstig van de apostelen
- 19Het voorbeeld van het avondmaal
- 20Het voorbeeld van het wijwater
- 21Het besluit van de apostelen in Handelingen 15
- 22Rekening houden met zwakke gelovigen
- 23Niet de kerk, maar God moeten we gehoorzamen
- 24Door mensen bedachte wetten gehoorzamen, is geen gehoorzaamheid aan God
- 25De offers van Samuël, Manoach en Gideon
- 26De lasten van de farizeeën
- 27De kerk kan niet zonder kerkelijke wetten
- 28Het verschil tussen goede en slechte kerkelijke bepalingen
- 29Geen zinloze pracht en praal
- 30Kerkelijke bepalingen moeten gebaseerd zijn op Gods Woord
- 31Goede bepalingen moeten gehoorzaamd worden
- 32Kerkelijke bepalingen moeten nuttig zijn
Mag de kerk het geweten binden?
Nu komt het tweede onderdeel van de macht van de kerk. Volgens de roomsen bestaat dat uit het maken van wetten. Uit die bron zijn talloze menselijke tradities opgeweld als even zoveel strikken om ellendige zielen te wurgen. Immers, zij deinzen er net zomin als de schriftgeleerden en farizeeën voor terug om anderen lasten op hun schouders te leggen die ze zelf met geen vinger zouden willen aanraken. Lucas 11:46; Mattheüs 23:4 Ergens anders heb ik geleerd wat voor wrede marteling hun leer over de biecht betekent. In andere wetten is niet zoveel geweld zichtbaar. Maar zelfs de ogenschijnlijk meest dragelijke wetten onderdrukken toch het geweten in tirannie. Ik zwijg erover dat ze de dienst aan God vervalsen en God zelf, de enige wetgever, van zijn recht beroven.
Deze macht moet ik nu behandelen. Daarbij draait het om de vraag of het de kerk is toegestaan om in haar wetten het geweten te binden. In deze behandeling ga ik het nog niet hebben over de burgerlijke orde. Het gaat er alleen over dat God gediend moet worden zoals het hoort, volgens de norm die Hij heeft voorgeschreven. En dat de geestelijke vrijheid, die op God gericht is, voor ons ongeschonden moet blijven.
Het is algemeen gebruikelijk geworden om alle geboden met betrekking tot het dienen van God die buiten zijn Woord om van mensen afkomstig zijn, menselijke tradities te noemen. Die tradities bestrijd ik, niet de heilige en nuttige instellingen van de kerk, die bedoeld zijn om de discipline, het fatsoen of de vrede te bewaren. Het doel van mijn strijd is dat de grenzeloze barbaarse heerschappij bedwongen wordt die de roomsen zich aanmatigen over de zielen. Zij willen beschouwd worden als herders van de kerk, maar in werkelijkheid zijn zij heel wrede beulen! Want ze beweren dat de wetten die zij maken, geestelijk zijn en gericht zijn op de zielen. En ze verzekeren dat die wetten onmisbaar zijn voor het eeuwige leven. En zo wordt Christus’ rijk, zoals ik eerder al gezegd heb, geschonden. Zo wordt de vrijheid die Hij aan het geweten van de gelovigen gegeven heeft, volledig onderdrukt en vernield.
Ik zwijg er nu over hoe goddeloos zij het voor heilig laten doorgaan als je je aan hun wetten houdt. Ze leren dat je daardoor vergeving van zonden, rechtvaardigheid en redding moet proberen te krijgen. Volgens hen ligt de kern van de godsdienst en van vroomheid volledig in het je houden aan deze wetten!
Ik beweer alleen dat je het geweten niet moet dwingen in zaken waarin Christus het geweten bevrijdt. Zoals ik eerder geleerd heb, kan het geweten zonder die vrijheid geen rust vinden bij God. Het geweten moet één koning erkennen: Christus, zijn bevrijder. En het geweten moet geregeerd worden door een wet van vrijheid: het heilige Woord van het evangelie. Alleen dan kan het geweten de genade behouden die het eenmaal in Christus gekregen heeft. Het geweten mag in geen enkele slavernij en door geen enkele band gevangen gehouden worden.
De roomsen binden het geweten
Deze wetgevers zeggen wel dat hun instellingen wetten van vrijheid zijn, een zacht juk en een lichte last. Mattheüs 11:30 Maar wie ziet niet dat dat enkel leugens zijn? Zij voelen niet hoe zwaar hun wetten zijn, want zij hebben de vrees voor God van zich afgeworpen en onbekommerd en dapper negeren ze zowel hun eigen als Gods wetten. Maar als je beroerd wordt door enige zorg om je behoud, denk je echt niet dat je vrij bent zolang je in deze strikken verward blijft.
We zien hoe voorzichtig Paulus deze kwestie behandelt. Hij heeft het geweten zelfs niet op één punt een strik om durven doen. 1 Korinthiërs 7:35 En niet voor niets! Hij voorzag natuurlijk hoe erg het geweten gekwetst zou worden als het gedwongen werd dingen te doen waarin de Heer het vrij laat.
We kunnen echter nauwelijks de bepalingen opsommen die de roomsen nadrukkelijk vastgesteld hebben, onder dreiging met de eeuwige dood. Ze eisen die heel streng als onmisbaar om gered te worden. Daaronder zijn er heel veel waar je je maar heel moeilijk aan kunt houden. En als je ze allemaal bij elkaar brengt, is het zo’n grote hoop, dat je je er onmogelijk aan kunt houden. Als je zo’n grote en zware last opgelegd krijgt, hoe kun je dan niet gekweld worden door de ergste angst en schrik?
Ik ben dus van plan om hier dit soort instellingen te bestrijden, die de roomsen maken om de zielen innerlijk voor God te binden en hun een bijgelovige ijver op te leggen, alsof zij voorschriften zouden geven die onmisbaar zijn om gered te kunnen worden.
Het geweten
Deze kwestie brengt velen in verwarring, omdat ze niet nauwkeurig genoeg onderscheid maken tussen de zogenaamde uiterlijke rechtbank en de rechtbank van het geweten. Bovendien wordt het probleem nog groter doordat Paulus beveelt dat je de overheid niet alleen moet gehoorzamen uit angst voor straf, maar ook omwille van het geweten. Romeinen 13:5 Dat zou dus betekenen dat ook het geweten gebonden is aan de burgerlijke wetten. Als dat zo zou zijn, zou dat alles onderuithalen wat ik in het vorige hoofdstuk gezegd heb en nu nog ga zeggen over de geestelijke regering.
Om dit probleem op te lossen is het goed om eerst te begrijpen wat het geweten eigenlijk is. De definitie moeten we afleiden uit de oorspronkelijke betekenis van het woord. Als mensen via hun verstand en inzicht dingen leren kennen, zeg je dat ze die dingen ‘weten’. Daarvan is ook het woord ‘wetenschap’ – scientia – afgeleid. Zo is het ook als mensen besef krijgen van Gods oordeel. Dat besef is een getuige die aan hen is toegevoegd. Deze getuige staat niet toe dat ze hun zonden verbergen, maar sleept hen voor Gods rechterstoel en klaagt hen aan. Dat besef wordt conscientia – ‘medewetenschap’ – genoemd. Want de consciëntie – het geweten – is iets tussen God en mens in: het staat niet toe dat de mens in zichzelf onderdrukt wat hij weet. Nee, het achtervolgt hem net zolang tot hij zijn schuld erkent.
Dat is wat Paulus bedoelt als hij zegt dat het geweten van de mensen mee getuigt als hun gedachten hen in Gods oordeel beschuldigen of vrijspreken. Romeinen 2:15-16 Als de mens zich enkel bewust zou zijn van zijn zonden, zou dat besef als het ware in hem zelf opgesloten kunnen blijven. Daarom is daar nog dit andere besef, dat hem voor Gods oordeel plaatst, aan toegevoegd als een bewaker, om al zijn geheime daden te observeren en te bespioneren, zodat daarvan niets in het donker begraven kan blijven. Vandaar ook dat oude spreekwoord: het geweten staat gelijk aan duizend getuigen.
Op dezelfde manier noemt ook Petrus de rust van het hart, als we zeker zijn van Christus’ genade en onbevreesd voor God verschijnen, een vraag van een goed geweten aan God.1 Petrus 3:21
En als de schrijver van de brief aan de Hebreeën het heeft over geenbesefmeer hebben van de zonde, dan bedoelthij daarmee dat we bevrijd of verlost zijn, zodat de zonde ons niet meer beschuldigt. Hebreeën 10:2
Binding en vrijheid van het geweten
Dus zoals onze daden betrekking hebben op de mensen, zo heeft het geweten betrekking op God. Een goed geweten is dus niets anders dan een innerlijk oprecht hart.
Dat bedoelt Paulus als hij schrijft dat het vervullen van de wet liefde is die voortkomt uit een zuiver geweten en een ongehuicheld geloof. 1 Timotheüs 1:5 Verderop in hetzelfde hoofdstuk laat hij ook zien hoe groot het verschil is tussen het geweten en inzicht, als hij zegt dat sommigen in hun geloof schipbreuk geleden hebben omdat ze een goed geweten hebben opgegeven. 1 Timotheüs 1:19 Met die woorden geeft hij aan dat een goed geweten een levend verlangen is om God te dienen en een oprechte begeerte om vroom en heilig te leven.
Weliswaar wordt het geweten soms ook in verband gebracht met mensen. Bijvoorbeeld als dezelfde Paulus bij Lucas verklaart dat hij zijn best gedaan heeft om voor God en mensen te wandelen met een goed geweten. Handelingen 24:16 Maar dat wordt zo gezegd omdat de vruchten van een goed geweten naar de mensen stromen en hen raken. Maar in eigenlijke zin slaat het geweten alleen op God, zoals ik al gezegd heb.
Vandaar dat we van een wet waar een mens simpelweg aan gebonden is, zonder op de mensen te letten of rekening met hen te houden, zeggen dat die wet het geweten bindt.Bijvoorbeeld: God gebiedt niet alleen ons hart kuis te houden en rein van alle wellust. Hij verbiedt ook obscene taal en uiterlijke losbandigheid. Mijn geweten wordt verplicht zich aan deze wet te houden, zelfs al zou er geen enkel ander mens op aarde leven. Dus wie zich onkuis gedraagt, zondigt niet alleen omdat hij zijn broeders een slecht voorbeeld geeft. Nee, zijn geweten verklaart hem ook schuldig tegenover God.
Maar met dingen die erop zichzelf niet toe doen, zit het anders. Dingen die anderen aanstoot geven, moeten we nalaten. Maar het geweten blijft dan vrij. Zo spreekt Paulus over het vlees dat aan afgoden geofferd is.Hij zegt: ‘Als er iemand bezwaar maakt, raak het dan niet aan, omwille van het geweten. Maar daarmee bedoel ik niet jouw eigen geweten, maar dat van de ander.’ 1 Korinthiërs 10:28-29 Een gelovige zou zondigen als hij gewaarschuwd is en toch zulk vlees eet. Hij moet zicherdusvanonthouden omwille van zijn broeder. Dat gebiedt God.Toch blijft hij een vrij geweten houden. We zien dus dat deze wet alleen het uiterlijke gedrag bindt, maar het geweten vrij laat.
Menselijke wetten en het geweten
Laten we nu terugkeren naar menselijke wetten. Als die gemaakt worden om ons bang te maken, alsof het op zichzelf nodig is om je aan die wetten te houden, dan wordt volgens mij het geweten iets opgelegd dat het niet opgelegd zou mogen worden. Want ons geweten heeft alleen te maken met God en niet met mensen.
Daarop slaat het gebruikelijke onderscheid tussen de aardse rechtbank en de rechtbank van het geweten. Toen de hele wereld gehuld was in een dikke duisternis van onwetendheid, bleef toch deze kleine lichtvonk over: men erkende dat het geweten van een mens boven alle menselijke oordelen stond. Wat men in theorie erkende, haalde men weliswaar later in de praktijk onderuit. Maar toch wilde God dat ook toen een getuigenis bleef bestaan van de christelijke vrijheid, om de gewetens te bevrijden van de tirannie van mensen.
Maar het probleem dat de woorden van Paulus opleveren, is nog niet opgelost. Want als je de overheid niet alleen moet gehoorzamen uit angst voor straf, maar ook omwille van het geweten, Romeinen 13:5 dan lijkt dat tot gevolg te hebben dat de wetten van de overheid ook over het geweten heersen. En als dat waar is, moet je hetzelfde ook zeggen over kerkelijke wetten.
Mijn antwoord is in de eerste plaats dat je hier onderscheid moet maken tussen algemeen en specifiek. De wetten op zichzelf raken het geweten niet. Toch zijn we eraan gebonden door een algemeen gebod van God dat ons het gezag van de overheid voorhoudt. En Paulus’ redenering draait om dit punt: we moeten de overheid eren omdat ze door God is aangesteld. Romeinen 13:1 Maar ondertussen leert hij echt niet dat de wetten die door de overheid geschreven worden te maken hebben met de innerlijke regering over de ziel. Want overal plaatst hij het dienen van God en de geestelijke regel om rechtvaardig te leven boven alle mogelijke bepalingen van mensen.
Er is nog een tweede punt waar we op moeten letten, al hangt dat met het vorige punt samen. Het is nodig om je aan menselijke wetten te houden, of ze nu door de overheid of door de kerk gemaakt worden. Dan heb ik het over goede en rechtvaardige wetten. Toch binden zulke wetten op zichzelf het geweten niet. Want dat het nodig is om je eraan te houden, heeft te maken met een algemeen doel. Het zit hem niet in de specifieke dingen die geboden worden. Echter, wetten die een nieuwe manier voorschrijven om God te dienen en vrije dingen onmisbaar maken, zijn heel anders dan dit soort wetten.
De roomsen binden het geweten buiten Gods Woord om
Zulke wetten zijn nu de wetten die tegenwoordig in het pausdom kerkelijke bepalingen genoemd worden. Ze worden opgedrongen als het echte en onmisbare dienen van God. Het zijn er ontelbaar veel en het zijn evenveel boeien om de zielen te vangen en te verstrikken. Bij de uitleg van de wet heb ik dit al even aangestipt. Maar nu is het een geschikter moment om dit te behandelen. Daarom zal ik nu mijn best doen om de kern volledig en zo geordend mogelijk op te sommen. De tirannie die de nepbisschoppen zich aanmatigen, heb ik volgens mij kortgeleden al voldoende besproken. Daarom zal ik dat onderdeel weglaten. Ik ga me alleen bezighouden met uitleggen welke macht zij beweren te hebben om wetten te maken.
Onze nepbischoppen belasten het geweten dus met nieuwe wetten onder dit voorwendsel: de Heer zou hen hebben aangesteld als geestelijke wetgevers, aangezien hun de regering van de kerk is toevertrouwd. Daarom beweren ze dat het voor het christenvolk onontkoombaar is om zich te houden aan alles wat zij bevelen en voorschrijven. En dat je, als je hun geboden overtreedt, schuldig bent aan dubbele ongehoorzaamheid. Want dan verzet je je zowel tegen God als tegen de kerk.
Natuurlijk zou ik hun in dit opzicht enig gezag toekennen als zij echte bisschoppen waren. Niet zoveel gezag als zij claimen, maar zoveel als nodig is om de kerk te kunnen regeren zoals het hoort. Maar zij zijn allesbehalve wat ze genoemd willen worden. Daarom kunnen ze geen enkele macht, hoe weinig ook, voor zichzelf opeisen, of ze gaan te ver.
Maar ook dit heb ik ergens anders al besproken. Dus laten we voor dit moment eens toegeven dat zij recht hebben op alle macht waar echte bisschoppen recht op hebben. Dan ontken ik nog steeds dat ze daarom over de gelovigen zijn aangesteld als wetgevers die op eigen initiatief leefregels zouden kunnen voorschrijven of het volk dat hun is toevertrouwd zouden kunnen dwingen zich aan hun bepalingen te houden.
Als ik dit zeg, bedoel ik dat het hun absoluut niet is toegestaan om wat zij zelf op eigen initiatief, buiten Gods Woord om bedacht hebben, aan de kerk op te leggen als iets waar men zich onontkoombaar aan moet houden. De apostelen kenden dit recht niet en het is de dienaren van de kerk zo vaak door de mond van de Heer afgenomen. Daarom vraag ik mezelf verwonderd af hoe zij het gewaagd hebben zich dat recht aan te matigen en het tegenwoordig durven verdedigen, zonder het voorbeeld van de apostelen en tegen het uitdrukkelijk verbod van God in!
God is de enige wetgever
In zijn wet heeft de Heer alles opgenomen wat te maken heeft met de volmaakte regel om goed te leven. Hij heeft niets aan mensen overgelaten om daaraan toe te voegen.
Hij heeft dat in de eerste plaats gedaan omdat Hij zelf beschouwd wil worden als de enige leermeester en bestuurder van het leven. Al onze daden moeten gericht worden op zijn wil als richtsnoer. Want daarin ligt alles wat een leven rechtvaardig maakt. In de tweede plaats wil Hij zo het bewijs leveren dat Hij boven alles gehoorzaamheid van ons vraagt.
Daarom zegt Jacobus: ‘Wie over zijn broeder oordeelt, oordeelt over de wet. Wie over de wet oordeelt, is geen dader van de wet, maar een rechter. Maar er is slechts één wetgever. Alleen Hij kan redden en verloren laten gaan.’ Jacobus 4:11-12 We horen dat God er alleen voor zichzelf aanspraak op maakt, als op iets dat eigen is aan Hem, dat Hij ons regeert door het gezag van zijn Woord en door zijn wetten. En ditzelfde was eerder gezegd door Jesaja, alleen wel iets minder duidelijk: ‘De HEER is onze koning, de HEER is onze wetgever, de HEER is onze rechter, Hij zal ons redden.’ Jesaja 33:22
Beide passages laten natuurlijk zien dat wie recht heeft op de ziel, het laatste woord heeft over leven en dood. Jacobus zegt dat zelfs heel duidelijk. Geen enkel mens kan zich dat aanmatigen. Dus moeten we God erkennen als de enige koning over de zielen. Alleen Hij heeft de macht om te redden of verloren te laten gaan, of zoals Jesaja het verwoordt: alleen Hij is zowel koning als rechter als wetgever als redder.
Als Petrus de herders herinnert aan hun plicht, waarschuwt hij hen daarom dat ze de kudde zo moeten weiden dat ze de clerus – daarmee bedoelt hij Gods erfdeel, het volk van de gelovigen – niet overheersen. 1 Petrus 5:2-3 Dit moeten we goed beseffen: we mogen niet op een mens overdragen wat God voor zichzelf reserveert. En dan zullen we inzien dat alle macht die geclaimd wordt door degenen die zichzelf willen verheffen om in de kerk dingen te bevelen buiten Gods Woord om, hierdoor wordt afgesneden.
Twee redenen waarom God de enige wetgever is
Deze hele kwestie draait dus hierom: als God de enige wetgever is, is het mensen niet toegestaan om zich die eer aan te matigen. Daarom moeten we tegelijk de twee redenen in gedachten houden die ik genoemd heb, waarom de Heer dit alleen aan zichzelf toekent.
De eerste reden is dat zijn wil voor ons de volmaakte norm moet zijn voor alle rechtvaardigheid en heiligheid. En dus moet in het kennen van die wil de volmaakte kennis liggen om goed te leven.
De tweede reden is dat – als je vraagt wat de manier is om Hem goed te dienen, zoals het hoort – Hij alleen over onze ziel moet regeren. We moeten Hem gehoorzamen en van zijn wil afhankelijk zijn.
Als we deze twee redenen in gedachten houden, kunnen we gemakkelijk beoordelen welke bepalingen van mensen met Gods Woord in strijd zijn. Dat zijn alle bepalingen van het soort waarvan men beweert dat ze te maken hebben met het echt dienen van God en waaraan het geweten gebonden wordt om zich daaraan te houden, alsof het onmisbaar is om je eraan te houden. We moeten dus bedenken dat alle menselijke wetten op deze weegschaal gewogen moeten worden, als we een betrouwbare test willen hebben die ons nergens laat afdwalen.
Paulus gebruikt de eerste reden als hij in de brief aan de Kolossenzen valse apostelen bestrijdt, die de kerken met nieuwe lasten proberen te onderdrukken. Kolossenzen 2:8 In de brief aan de Galaten maakt hij bij een vergelijkbare zaak meer gebruik van de tweede reden. Galaten 5:1-12
In de brief aan de Kolossenzen beargumenteert Paulus dus dat we de leer over hoe we God echt moeten dienen, niet moeten zoeken bij mensen.
Want de Heer heeft ons betrouwbaar en volledig onderwezen hoe Hij gediend moet worden. Om dit te bewijzen, zegt hij in Kolossenzen 1 dat het evangelie alle wijsheid bevat waardoor de mens van God in Christus volmaakt kan worden. Kolossenzen 1:28 Aan het begin van Kolossenzen 2 zegt hij dat alle schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen in Christus. Kolossenzen 2:3 Op basis daarvan concludeert hij vervolgens dat de gelovigen moeten oppassen dat ze niet door loze filosofie van Christus’ kudde worden afgeleid, volgens de bepalingen van mensen. Kolossenzen 2:8 Maar aan het eind van dat hoofdstuk veroordeelt hij nog vrijmoediger alle eigenwillige godsdienst. Dat wil zeggen: alle verzonnen diensten die mensen zelf bedenken of van anderen overnemen en alle geboden over het dienen van God die ze op eigen initiatief durven leren. Kolossenzen 2:16-23 We begrijpen dus dat alle bepalingen waarvan men beweert dat je je daaraan moet houden om God te dienen, goddeloos zijn!
En de passages waar Paulus uitdrukkelijk tegen de Galaten zegt dat je het geweten niet in strikken mag vangen, omdat alleen God het geweten moet regeren, zijn duidelijk genoeg. Vooral in Galaten 5. Galaten 5:1-12 Daarom moet het maar genoeg zijn dat ik ze genoemd heb.
De roomsen claimen dat je God moet dienen volgens hun bepalingen
De hele kwestie kan echter beter duidelijk gemaakt worden met behulp van voorbeelden. Voor we verder gaan, is het daarom de moeite waard om deze leer toe te passen op onze eigen tijd.
Ik zeg dat de zogenaamde kerkelijke bepalingen waarmee de paus en de zijnen de kerk belasten, gevaarlijk en goddeloos zijn. Mijn tegenstanders verdedigen ze als heilig en gezond. Nu zijn er twee soorten van zulke bepalingen. Sommige gaan over rituelen en religieuze gewoonten. Andere hebben meer te maken met discipline. Heb ik dus een geldige reden om beide soorten bepalingen te bestrijden? Jazeker! Een reden die geldiger is dan ik zou willen.
In de eerste plaats, verklaren de auteurs zelf niet met duidelijke stem dat die bepalingen, zeg maar, de kern bevatten van hoe je God moet dienen? Welke bedoeling hebben ze anders met hun rituelen dan dat we God daarmee dienen? En dat gebeurt niet alleen door het dwalen van een massa leken. Nee, het gebeurt met goedkeuring van degenen in de positie van leraren.
Ik ga het nog niet hebben over de afschuwelijke dingen waarmee zij alle vroomheid onderuit proberen te halen. Maar als ze het dienen van God niet ondergeschikt gemaakt hadden aan hun verzinsels, zouden ze het niet zo’n vreselijke zonde vinden als je over een of ander klein regeltje struikelt. Paulus leerde dat het onacceptabel is als de wettige manier om God te dienen onderworpen wordt aan het oordeel van mensen. Hoe zondigen we dan als wij dat nu niet kunnen accepteren? Vooral als ze bevelen God te dienen volgens de principes van de wereld, waarvan Paulus verklaart dat ze tegen Christus ingaan. Kolossenzen 2:20
Bovendien is het bekend met wat voor onontkoombare onmisbaarheid zij het geweten eraan binden dat het zich moet houden aan alles wat zij bevelen. Als ik daar nu tegen inga, strijd ik voor dezelfde zaak als Paulus. Hij tolereert op geen enkele manier dat het geweten van gelovigen in slavernij gebracht wordt door mensen. Galaten 5:1
De bepalingen van de roomsen maken Gods wet waardeloos
In de tweede plaats komt daar nog het allerergste bij: als je eenmaal begonnen bent de godsdienst te plaatsen in zulke loze verzinsels, komt daarna meteen een andere afschuwelijke slechtheid. Christus verweet de farizeeën dat: vanwege menselijke bepalingen worden Gods geboden waardeloos. Mattheüs 15:3
Ik wil onze tegenwoordige wetgevers niet met mijn eigen woorden bestrijden. Ze mogen winnen, als ze zich op een of andere manier kunnen zuiveren van deze beschuldiging van Christus. Maar hoe zouden ze zich kunnen verontschuldigen? Zij vinden het immers een veel grotere zonde als je aan het eind van het jaar verzuimt om te biechten dan wanneer je het hele jaar door heel slecht leeft! Als je op vrijdag je tong besmet door een heel klein stukje vlees te proeven, vinden zij dat erger dan wanneer je elke dag heel je lichaam besmeurt met overspel! Als je met je hand eerlijk werk doet op een dag die aan ik weet niet wat voor heiligjes gewijd is, vinden zij dat erger dan dat je continu al je ledematen bezighoudt met heel slechte misdaden! Als een priester gebonden wordt door één wettig huwelijk, vinden zij dat erger dan wanneer hij verstrikt raakt in duizend vormen van overspel! Als je een beloofde pelgrimstocht niet volbrengt, vinden zij dat erger dan wanneer je geen enkele belofte houdt! Als je niets verkwist hebt voor de overdadige en bovendien overbodige en nutteloze pracht en praal van de kerkgebouwen, vinden zij dat erger dan wanneer je de armen in hun diepste nood in de steek laat! Als je een afgodsbeeld passeert zonder het eer te bewijzen, vinden zij dat erger dan wanneer je mensen van allerlei slag beledigt! Als je niet op bepaalde tijden lange rijen woorden zonder betekenis mompelt, vinden zij dat erger dan wanneer je nog nooit een oprecht gebed bedacht hebt.
Als dit niet het waardeloos maken is van Gods geboden vanwege eigen bepalingen, wat is het dan? Dat je je aan Gods geboden moet houden, dat prijzen ze immers maar koel aan, alsof ze zich er snel vanaf willen maken. Terwijl ze op zorgvuldige gehoorzaamheid aan hun eigen geboden zo ijverig en angstvallig aandringen, alsof die alle waarde van vroomheid bevatten. Het overtreden van Gods wet wreken ze met lichte straffen en genoegdoeningen, maar zelfs de kleinste overtreding van een van hun decreten straffen ze maar liefst met gevangenschap, ballingschap, vuur of zwaard. Tegen wie God verachten, zijn ze niet zo streng en onvermurwbaar, maar wie hen verachten, achtervolgen ze tot het uiterste met een onverzoenlijke haat. En alle eenvoudige mensen die ze gevangen houden, onderwijzen ze zo dat zij zich minder zorgen maken als ze heel Gods wet onderuit zien gaan, dan als er een punt of komma geschonden wordt van de wet van hun zogenaamde kerk.
Om te beginnen zondig je zwaar als je elkaar minacht, veroordeelt of afwijst omwille van dingen die er niet toe doen en die vrij zijn als je je tevreden stelt met Gods oordeel. Maar alsof dat maar een onbeduidend kwaad is, hecht men nu meer waarde aan die waardeloze principes van deze wereld, zoals Paulus ze noemt in zijn brief aan de Galaten, Galaten 4:9 dan aan de hemelse woorden van God. En wie bij overspel haast wordt vrijgesproken, wordt veroordeeld om wat hij eet. Wie een hoer wordt toegestaan, wordt een echtgenote ontzegd. Dat is dan de vooruitgang die je boekt door die nepgehoorzaamheid, die even ver van God afwijkt als zich naar mensen toebuigt.
De bepalingen van de roomsen zijn nutteloos
In deze zelfde bepalingen keur ik ook nog twee andere grote fouten af. In de eerste plaats schrijven ze vaak voor dat je je moet houden aan zinloze en zelfs domme dingen. En in de tweede plaats zijn het er zo ontelbaar veel dat het geweten van de vromen erdoor onderdrukt wordt en zich aan schaduwen vastklampt, zodat ze tot een soort jodendom terugvallen en niet bij Christus kunnen komen.
Ik weet dat het voor vleselijk verstand ongelooflijk lijkt dat ik deze bepalingen dom en zinloos noem. Want vleselijk verstand vindt ze zo fijn dat het denkt dat de kerk totaal misvormt wordt als deze bepalingen er niet meer zouden zijn. Maar dat is wat Paulus schrijft: ze lijken wijs in eigenwillige godsdienst, in nederigheid en in hun strengheid waarmee ze het vlees in bedwang lijken te kunnen houden. Kolossenzen 2:23 Echt een gezonde waarschuwing, die we nooit mogen vergeten!
Hij zegt: ‘Menselijke bepalingen bedriegen onder een schijn van wijsheid.’ Hoe komt het dat ze wijs lijken? Nou, in de eerste plaats omdat ze door mensen verzonnen zijn. Het menselijk verstand herkent daarin zijn eigen werk en accepteert liever wat het herkent dan het allerbeste, als dat niet bij zijn zinloosheid past. In de tweede plaats omdat ze geschikt lijken om nederigheid te leren. Want het lijkt een goede aanbeveling dat ze de geest van de mensen onder hun juk laten bukken. En in de laatste plaats lijken ze verstandig bedacht omdat ze bedoeld lijken om de begeerten van het vlees te beteugelen en het vlees te onderwerpen met een strenge onthouding.
Maar wat zegt Paulus tegen hen? Rukt hij die maskers af om te voorkomen dat eenvoudige mensen door deze valse schijn bedrogen worden? Nee, hij is van mening dat hij ze voldoende weerlegd heeft door ze verzinsels van mensen te noemen. Inhoudelijk gaat hij eraan voorbij zonder ze te weerleggen, alsof hij er geen enkele waarde aan hecht. Ja, want hij wist dat in de kerk alle vormen van eigenwillige godsdienst veroordeeld zijn en dat die voor gelovigen extra verdacht moeten zijn als ze het menselijk verstand meer genoegen doen. Hij wist dat deze valse uiterlijke nederigheid zo sterk verschilt van echte nederigheid dat ze gemakkelijk van elkaar onderscheiden kunnen worden. En, ten slotte, hij wist dat zo’n kinderlijke discipline niet meer waarde heeft dan training van het lichaam.
Daarom wilde hij dat voor gelovigen menselijke bepalingen weerlegd zouden worden met precies dezelfde argumenten waarmee ze bij onervaren mensen juist worden aangeprezen.
De bepalingen van de roomsen zijn domme onzin
Zo is tegenwoordig niet alleen het ongeschoolde volk, maar zijn ook alle mensen die verwaand zijn dankzij menselijke wijsheid op een wonderlijke manier in de ban van het toneelspel van de rituelen. Huichelaars en domme vrouwtjes denken zelfs dat er nooit zo iets schitterends bedacht kan worden. Maar als je dieper onderzoek doet en volgens de norm van vroomheid overweegt wat al zulke rituelen nu werkelijk waard zijn, dan begrijp je in de eerste plaats dat het allemaal onzinnige dingen zijn, zonder enig nut. En in de tweede plaats dat het goocheltrucs zijn die de ogen van de toeschouwers bedriegen met loze pracht en praal.
Ik heb het over al die rituelen waar volgens de roomse leermeesters grote mysteries in schuilen. Maar daar merken we niets van. We ervaren ze alleen maar als gespot. En het is geen wonder dat de bedenkers ervan zover gekomen zijn dat ze zichzelf en anderen bedriegen met domme onzin. Want voor een deel hebben ze de dwaasheden van de heidenen als voorbeeld gebruikt en voor een deel hebben ze gewoon de oude gebruiken uit de wet van Mozes nageaapt, ook al zijn die net zomin op ons van toepassing als de dierenoffers en al die andere dingen. Echt, al zou er geen enkel ander bewijs zijn, dan zou toch niemand met gezond verstand iets goeds verwachten uit zo’n slecht samengeraapte mengelmoes. En in de praktijk blijkt ook dat heel veel rituelen alleen gebruikt worden om het volk versteld te laten staan in plaats van het te onderwijzen.
Huichelaars hechten dus veel waarde aan deze nieuwe canones die de discipline eerder omverhalen dan bewaren. Maar als je ze nauwkeuriger bekijkt, zul je merken dat ze alleen maar een schaduwachtige en vluchtige illusie vormen.
De bepalingen van de roomsen leggen de kerk een juk op als van het jodendom
Dan nu de tweede fout. Wie ziet niet dat de bepalingen zo een voor een op elkaar gestapeld zijn dat het nu zo’n groot aantal is dat de christelijk kerk het absoluut niet dragen kan? Zo komt het dat er in de rituelen een soort jodendom zichtbaar is en dat het voor mensen met een vroom hart een zware marteling is om zich aan sommige bepalingen te houden.
Augustinus klaagde dat in zijn tijd Gods geboden genegeerd werden, maar ondertussen alles zo vol verwaandheid was, dat je zwaarder gestraft werd als je binnen acht dagen na je doop met je blote voet de aarde had aangeraakt, dan als je je verstand benevelde met dronkenschap. Hij klaagde dat de kerk, die God in zijn barmhartigheid vrij wilde hebben, zo zwaar onderdrukt werd dat de toestand van de Joden gemakkelijker te dragen was.
Stel dat die heilige man in onze tijd leefde. Hoe zou hij dan geklaagd hebben over de slavernij die er nu is? Want het aantal bepalingen is nu tien keer zo groot en elke punt of komma wordt honderd keer zo streng toegepast als toen. Zo gaat het altijd: als de verkeerde wetgevers eenmaal het gezag hebben overgenomen, houden ze nooit meer op met gebieden en verbieden, totdat ze het toppunt van veeleisendheid bereiken.
Paulus heeft dat ook heel mooi aangewezen met deze woorden: ‘Als jullie voor de wereld gestorven zijn, waarom worden jullie dan nog belast met bepalingen, alsof jullie nog in de wereld zouden leven: “Eet niet, proef niet, raak niet aan.”?’ Kolossenzen 2:20-21 Het Griekse woord haptesthai betekent zowel ‘eten’ als ‘aanraken’. Maar hier wordt natuurlijk de eerste betekenis bedoeld, want anders zou er een overbodige herhaling staan. De apostel beschrijft hier dus heel goed hoe valse profeten steeds verder gaan. Ze beginnen met bijgeloof door niet alleen te verbieden om iets te eten, maar zelfs om er een klein hapje van te nemen. Als ze dat bereikt hebben, verbieden ze zelfs om ervan te proeven. Als ze ook daarin hun zin hebben gekregen, denken ze dat je het zelfs niet met een vinger aan mag raken.
Rituelen mogen Christus niet onzichtbaar maken
Terecht berisp ik vandaag deze tirannie van menselijke bepalingen. Dankzij deze bepalingen wordt het geweten van ongelukkige mensen vreselijk gekweld door talloze geboden waarvan streng geëist wordt dat ze worden uitgevoerd. Ergens anders heb ik het gehad over de canones die te maken hebben met de tucht. Wat zal ik zeggen over de rituelen die voor elkaar gekregen hebben dat Christus half begraven is en wij teruggekeerd zijn tot Joodse symbolen?
Augustinus zegt: ‘Onze Heer Christus voegt zijn nieuwe volk samen door een heel klein aantal sacramenten met een heerlijke betekenis, die heel gemakkelijk zijn uit te voeren.’ Wat een verschil, deze eenvoud, met het grote aantal en de grote verscheidenheid aan rituelen waar we de kerk tegenwoordig in omhuld zien. Daar zijn gewoon geen woorden voor!
Ik weet wel met wat voor trucje sommige scherpzinnige mensen deze fout verontschuldigen. Ze zeggen dat er onder ons velen zijn die net zo onwetend zijn als onder het volk Israël. Omwille van hen is er zo’n kinderlijke discipline ingevoerd. De sterkeren kunnen wel zonder die discipline. Maar toch, zeggen deze mensen, mogen ze die niet verwaarlozen, omdat ze zien dat die voor de zwakke broeders nuttig is.
Mijn antwoord is dat ik heel goed weet wat we verplicht zijn tegenover de zwakheid van onze broeders. Maar toch zeg ik dat dit niet de manier is om voor de zwakken te zorgen: dat je ze bedelft onder grote hopen rituelen. Niet voor niets heeft God dit onderscheid geplaatst tussen ons en het oude volk: het oude volk wilde Hij op een kinderlijke manier onderwijzen door tekenen en symbolen. Maar ons wil Hij directer onderwijzen, zonder zoveel uiterlijk vertoon. Paulus zegt: net zoals een kind in overeenstemming met zijn begrip en leeftijd geleid en bewaakt wordt door een mentor, zo werden de Joden bewaakt door de wet. Galaten 4:1-3 Maar wij zijn net als volwassenen die van voogdij en bewaking bevrijd zijn en geen kinderlijk onderwijs meer nodig hebben. De Heer zag natuurlijk van tevoren wat voor volk er in zijn kerk zou zijn en hoe het geregeerd zou moeten worden. Toch heeft Hij op de genoemde manier onderscheid gemaakt tussen ons en de Joden. Als we voor ongeschoolden willen zorgen, is het heel dom om dat te doen door het jodendom weer op te richten dat Christus heeft afgeschaft.
Christus heeft dat verschil tussen het oude en het nieuwe volk ook aangewezen met zijn eigen woorden. Tegen de Samaritaanse vrouw zei Hij dat de tijd gekomen was dat echte aanbidders God zouden aanbidden in geest en waarheid. Johannes 4:23 Natuurlijk gebeurde dat altijd al, maar het verschil tussen de nieuwe en de oude aanbidders was dat onder Mozes de geestelijke aanbidding van God omschaduwd en als het ware omhuld was door vele rituelen. Maar nu zijn die rituelen afgeschaft en gaat het aanbidden veel directer. Als je dit verschil opheft, haal je dus de orde omver die Christus heeft ingesteld en goedgekeurd.
Mogen we, zul je vragen, onwetenden dan helemaal geen rituelen geven om hen in hun onkunde te hulp te komen? Dat zeg ik niet. Want ik vind dat dit soort hulp in het algemeen nuttig is. Ik beweer hier alleen dat je daarin zo maat moet houden, dat Christus zichtbaar en niet onzichtbaar wordt. Daarom hebben we van God enkele en zeker geen moeilijke rituelen gekregen om ons de aanwezige Christus te laten zien. De Joden kregen er meer, als beelden van Christus die nog afwezig was. En dan bedoel ik dat Hij niet afwezig was wat betreft zijn kracht, maar wat betreft de manier waarop Hij bekend gemaakt werd. Om maat te houden is het dus nodig vast te houden aan het lage aantal, de gemakkelijke uitvoering en de waardige betekenis. En dat houdt ook duidelijkheid in. Ik hoef toch niet te zeggen dat dat niet gebeurd is? Want ieder ziet het met eigen ogen.
Roomse rituelen als offers om verzoening te verdienen
Ik sla nu over met wat voor gevaarlijke ideeën het hart van de mensen vervuld wordt: dat die rituelen offers zijn, waarmee je aan God offert zoals het hoort, waardoor de zonden verzoend worden en waardoor je rechtvaardigheid krijgt en gered wordt. De roomsen zullen ontkennen dat zulke vreemde dwalingen goede dingen bederven, omdat je in dit opzicht ook kunt zondigen bij daden die God heeft voorgeschreven. Het is echter nog veel erger dat ze daden die mensen zomaar naar eigen goeddunken verzonnen hebben, zoveel eer toekennen dat ze geloven dat je daardoor eeuwig leven kunt verdienen. De daden die God bevolen heeft, worden immers beloont omdat de wetgever zelf er blij mee is omdat ze een teken zijn van gehoorzaamheid. Je krijgt er dus geen beloning voor omdat ze op zichzelf waarde hebben of iets verdienen, maar omdat God er zoveel waarde aan hecht als we laten zien dat we Hem gehoorzaam zijn.
Ik heb het nu over de volmaaktheid van de daden zoals God ze beveelt, niet zoals wij mensen ze uitvoeren. Daarom krijgen we immers zelfs met daden op basis van de wet alleen genade dankzij Gods onverdiende welwillendheid. In zulke daden is onze gehoorzaamheid immers zwak en onvoldoende. Maar het gaat nu niet om de vraag wat onze daden waard zijn zonder Christus. Dus laten we dat punt nu verder liggen.
Ik herhaal opnieuw wat bij het onderwerp van dit moment hoort: de aantrekkelijkheid van onze daden ligt alleen in gehoorzaamheid. Daar kijkt God alleen naar, zoals Hij verklaart via de profeet Jeremia: ‘Ik heb niet geboden over offers en slachtoffers. Nee, Ik heb alleen geboden dat jullie ijverig naar mijn stem moeten luisteren.’ Jeremia 7:22-23 En over verzonnen daden zegt Hij ergens anders: ‘Jullie wegen je geld uit, maar niet voor brood.’ Jesaja 55:2 En: ‘Nutteloos eren zij Mij met geboden van mensen.’ Jesaja 29:13; Mattheüs 15:9
De roomsen kunnen dus op geen enkele manier verontschuldigen dat ze toestaan dat het ongelukkige volk rechtvaardigheid zoekt in die uiterlijke onzin, om die tegenover God te plaatsen en om zich daarmee voor de hemelse rechterstoel overeind te houden.
Bovendien, is het geen belachelijke fout dat ze onbegrijpelijke rituelen opvoeren als een toneelvoorstelling of een toverbezwering? Het staat vast dat alle rituelen gevaarlijk en schadelijk zijn als ze de mensen niet bij Christus brengen. En de rituelen die in gebruik zijn onder het pausdom worden uitgevoerd zonder onderwijs, om de mensen te houden bij tekenen zonder enige betekenis.
Ten slotte, de buik is een creatieve kunstenaar. Daarom blijkt dat veel rituelen door hebzuchtige priesters uitgevonden zijn als netten om geld mee te vangen. Welke oorsprong rituelen ook hebben, ze worden allemaal gebruikt voor prostitutie, voor het behalen van vuile winst. Als we willen voorkomen dat er in de kerk onheilige en godslasterlijke handel gedreven wordt, moeten we het grootste deel van de rituelen dus afschaffen.
Algemene toepassing
Nu lijkt het misschien dat ik over menselijke bepalingen iets leer dat niet altijd geldig is. Want wat ik hier zeg, is volledig toegespitst op onze tijd. Toch heb ik niets gezegd dat niet nuttig is voor alle tijden. Want telkens als het bijgeloof binnensluipt dat mensen God willen dienen met hun eigen verzinsels, ontaarden alle wetten die met dat doel gegeven worden meteen in grove misbruiken. God dreigt immers niet één of twee generaties maar alle eeuwen met deze vloek: wie Hem dienen met wat mensen leren, zal Hij treffen met blindheid en afstomping. Jesaja 29:13-14 Deze verblinding zorgt er altijd voor dat degenen die al die waarschuwingen van God negeren en zich uit eigen beweging in die dodelijke strikken verwarren, niets absurds meer vermijden.
Maar stel dat we, zonder op specifieke omstandigheden te letten, simpelweg willen weten welke menselijke bepalingen in alle eeuwen door de kerk afgewezen en door de vromen afgekeurd moeten worden. Ik heb hierboven een betrouwbare en duidelijke definitie gegeven: dat zijn alle bepalingen die mensen buiten Gods Woord om gemaakt hebben met dit doel: ze schrijven voor hoe je God moet dienen of ze binden het geweten met een bijgelovige ijver, alsof het geboden zijn over dingen die onmisbaar zijn om gered te worden.
Bij een van deze twee of bij beide gebreken komen vaak nog andere fouten. Het zijn er zoveel dat ze de helderheid van het evangelie verduisteren. Ze bouwen niet op maar vormen een nutteloos tijdverdrijf waarmee men een spelletje speelt met God, geen echte training in vroomheid. Ze worden gebruikt voor smerigheid en schandelijk winstbejag. Ze zijn bezoedeld met slecht bijgeloof. Al die dingen helpen ons dan om nog gemakkelijker te zien hoeveel kwaad er in die menselijke bepalingen ligt.
De bepalingen van de roomsen zijn geen kerkelijke bepalingen
Ik hoor wat de roomsen antwoorden om zich te verdedigen: hun bepalingen zijn niet van hen, maar van God afkomstig. De kerk wordt immers geregeerd door de Heilige Geest. Dus kan ze niet dwalen. En het gezag van de kerk ligt bij hen. Geven we hun dat toe, dan betekent dat dus ook dat hun bepalingen openbaringen zijn van de Heilige Geest. En die kun je niet minachten zonder dat je goddeloos doet en God minacht.
En om niet de indruk te wekken dat ze iets begonnen zijn buiten het gezag om van grote mannen, willen ze ons laten geloven dat een groot deel van de dingen waar zij zich aan houden afkomstig is van de apostelen. Ze beweren dat één voorbeeld duidelijk genoeg bewijst wat de apostelen in andere situaties gedaan hebben: samengekomen in één concilie besloten ze om tegen alle heidenen te zeggen dat ze zich moesten onthouden van wat aan afgoden geofferd is, van bloed en van wat verstikt is. Handelingen 15:20-29
Ergens anders heb ik al uitgelegd hoe onterecht zij zichzelf aanbevelen met de valse benaming ‘kerk’. Wat betreft het onderwerp waarover we het nu hebben: we moeten alle maskers en vermommingen weghalen en letten op waar we ons echt vooral druk om moeten maken en waar we ook het meeste belang bij hebben: de vraag wat voor kerk Christus hebben wil. Volgens die regel moeten wij ons schikken en gedragen. Dan zullen we gemakkelijk ontdekken dat een kerk die de grenzen van Gods Woord brutaal overschrijdt en te buiten gaat in het maken van nieuwe wetten, geen kerk is.
Immers, blijft een eenmaal aan de kerk gegeven wet niet eeuwig van kracht? ‘Wat Ik jullie gebiedt, daar moeten jullie je aan houden om dat te doen. Jullie mogen daaraan niets toe- of afdoen.’ Deuteronomium 12:32 (13:1) En ergens anders: ‘Voeg niets toe aan het Woord van de Heer en haal er niets vanaf. Anders zou Hij je beschuldigen en zou jij een leugenaar blijken te zijn.’ Spreuken 30:6 De roomsen kunnen niet ontkennen dat dit tegen de kerk gezegd is. Dus wat doen zij dan anders dan openlijk verklaren hoe koppig de kerk is? Ze pochen immers dat de kerk het ondanks zulke verboden toch gewaagd heeft zelf iets aan Gods onderwijs toe te voegen en ermee te vermengen. Maar we mogen absoluut niet instemmen met de leugens waarmee zij de kerk zo beledigen!
Nee, we moeten inzien dat de benaming ‘kerk’ onterecht gebruikt wordt als het gaat om menselijke willekeur en overmoed die zich niet kan beperken tot Gods voorschriften, maar uitgelaten opspringt en eigen uitvindingen achterna holt. Er is niets ingewikkelds, niets onduidelijks, niets dubbelzinnigs aan de woorden waarin het heel de kerk verboden wordt om iets aan Gods Woord toe of af te doen als het gaat om het dienen van de Heer en om de geboden die te maken hebben met ons behoud.
Maar, zullen ze zeggen, dit wordt alleen gezegd over de wet. Daarna kwamen nog de profetieën en het evangelie. Natuurlijk geef ik dat toe. Maar ik zeg ook dat dat eerder vervullingen dan aanvullingen of inkortingen van de wet waren. En als de Heer niet toestaat dat er iets toe- of afgedaan wordt aan de dienst van Mozes die, zeg maar, nog heel onduidelijk was door vele omhulsels, totdat Hij via zijn dienaren de profeten en uiteindelijk door zijn geliefde Zoon een duidelijker leer zou geven – waarom zouden wij dan niet concluderen dat het ons nog veel strenger verboden is om iets toe te voegen aan de wet, de profeten, de psalmen en het evangelie? De Heer heeft lang geleden al verklaard dat Hij nergens zo boos om wordt als wanneer Hij gediend wordt met verzinsels van mensen. En Hij is niet anders geworden dan Hij is.
Vandaar die schitterende woorden bij de profeten, die continu in onze oren zouden moeten weerklinken: ‘Ik heb tegen jullie voorvaders, toen ik ze uit Egypte wegleidde, niet gesproken over brandoffers en slachtoffers. Nee, dit heb Ik hun geboden: “Luister naar mijn stem. Dan zal Ik een God voor jullie zijn en dan zullen jullie mijn volk zijn. Dan zullen jullie wandelen op heel de weg die Ik jullie gebieden zal.”’ Jeremia 7:22-23 En: ‘Ik heb jullie voorvaders ernstig gewaarschuwd door te zeggen: “Luister naar mijn stem.”’ Jeremia 11:7 En meer van zulke woorden, maar vooral deze: ‘Is de Heer blij met brandoffers en slachtoffers? Is Hij niet veel meer blij met gehoorzaamheid aan zijn stem? Want gehoorzaamheid is beter dan slachtoffers en luisteren is beter dan het vet van rammen. Want koppigheid is net zo zondig als waarzeggerij en tegenstribbelen is net zo zondig als afgoderij.’ 1 Samuël 15:22-23
Dus alle menselijke uitvindingen op dit gebied die verdedigd worden met het gezag van de kerk, worden dus ten onrechte aan de kerk toegekend. Want je kunt gemakkelijk bewijzen dat ze niet vrijgepleit kunnen worden van afgoderij.
De bepalingen van de roomsen zijn niet afkomstig van de apostelen
Daarom bestrijd ik de tirannie van menselijke bepalingen die ons onder het mom van ‘kerk’ hoogmoedig worden opgedrongen. Immers, ik bespot de kerk niet. Mijn tegenstanders doen dat wel. Zij komen met oneerlijke leugens om ons gehaat te maken. Maar ik ken de kerk de lof toe dat zij gehoorzaamt. En dat is de hoogste lof die zij kent. De roomsen zelf doen de kerk juist onrecht. Want zij fabriceren een kerk die zich verzet tegen de Heer. Want ze zeggen dat de kerk verdergaat dan Gods Woord haar toestaat. Om er maar van te zwijgen hoe opvallend brutaal en bovendien boosaardig het is om steeds te schreeuwen over de macht van de kerk en ondertussen te negeren wat de Heer haar bevolen heeft en welke gehoorzaamheid zij aan het gebod van de Heer verschuldigd is.
Maar wij horen graag eensgezind te zijn met de kerk. En dan heeft het meer zin dat we erop letten en ons herinneren wat de Heer de kerk gebiedt. Want dan kunnen we Hem eensgezind gehoorzamen. Er is immers geen twijfel aan dat we heel eensgezind zijn met de kerk als we in alles de Heer gehoorzaam zijn.
Verder is het enkel bedrog als je de oorsprong van de bepalingen waarmee de kerk tot nu toe onderdrukt is, terugvoert tot de apostelen. Want heel het onderwijs van de apostelen is erop gericht dat het geweten niet belast wordt met nieuwe regels waar je je aan moet houden en dat het dienen van God niet met onze uitvindingen bezoedeld wordt.
Bovendien, als we enig geloof mogen hechten aan de geschiedenisboeken en oude documenten, dan waren de apostelen niet alleen onbekend met wat de roomsen hun toeschrijven, maar hadden ze er zelfs nooit van gehoord. En nu moeten de roomsen niet kletsen dat veel van hun onderwijs niet schriftelijk overgeleverd is, maar geaccepteerd is door gebruik en gewoonte. Dat zou dan het onderwijs zijn dat ze nog niet konden begrijpen toen Christus nog leefde, maar dat ze na zijn hemelvaart geleerd hebben door de openbaring van de Heilige Geest. Johannes 16:12-13
Ik heb ergens anders al besproken hoe je deze passage moet uitleggen. Voor het onderwerp dat ik nu behandel, is dit voldoende: zij maken zich werkelijk belachelijk. Want zij verzinnen diepe mysteries die de apostelen zo lang onbekend geweest zouden zijn. Maar het zijn voor een deel Joodse of heidense rituelen. De Joodse rituelen waren de Joden al heel lang bekend en de heidense rituelen waren de heidenen al heel lang bekend. En voor een deel zijn het dwaze en zinloze ritueeltjes die domme priesters, die van toeten noch blazen weten, heel knap uitvoeren. Sterker nog, kinderen en harlekijns kunnen ze zo netjes imiteren, dat het wel lijkt alsof zij nog het meest geschikt zouden zijn als priesters voor zulke heilige handelingen!
Als er geen geschiedenisboeken waren, dan zouden mensen met gezond verstand toch uit de feiten zelf opmaken dat zo’n grote hoop rituelen en handelingen niet opeens de kerk binnengekomen is, maar dat ze stap voor stap naar binnen geslopen zijn. De meer heilige bisschoppen, die qua tijd het dichtst bij de apostelen stonden, hebben sommige dingen ingesteld die te maken hadden met orde en tucht. Daarna kwamen mensen, de een na de ander, die niet voldoende bezonnen waren, maar zich overal te veel mee wilden bemoeien. Van hen ging de een na de ander een wedstrijd aan met zijn voorgangers – hoe later hij leefde, hoe dwazer hij zich inspande – om hen te overtreffen in het bedenken van nieuwe dingen. Natuurlijk bestond het risico dat de verzinsels waarmee ze beroemd probeerden te worden bij het nageslacht, al snel weer in onbruik zouden raken. Daarom eisten zij extra streng dat men zich eraan hield. Deze verkeerde ijver heeft ons een groot deel van hun rituelen opgeleverd, die de roomsen ons opdringen als bepalingen van de apostelen. En dat blijkt ook uit de geschiedenisboeken.
Het voorbeeld van het avondmaal
Als ik alle rituelen op zou sommen, zou ik veel te breedsprakig zijn. Daarom zullen we met één voorbeeld tevreden zijn. Als in de tijd van de apostelen het avondmaal van de Heer bediend werd, gebeurde dat heel eenvoudig. Om de waardigheid van het sacrament te versieren, hebben hun directe opvolgers iets toegevoegd dat we niet hoeven af te keuren. Maar daarna kwamen die domme na-apers die er zo nu en dan kleine dingetjes aan toevoegden. En zo hebben ze voor ons dit priestergewaad dat we nu bij de mis zien, deze altaarversieringen, deze gebaren en heel dit vertoon van zinloze dingen samengesteld.
Maar de roomsen werpen mij tegen dat men er vroeger van overtuigd was dat alles wat eensgezind in heel de kerk gebeurde, afkomstig was van de apostelen zelf. En als getuige daarvan halen ze Augustinus aan. Maar om hen te weerleggen zal ik woorden aanvoeren van niemand anders dan Augustinus zelf. Hij zegt: ‘Als de hele wereld zich ergens aan houdt, kun je zien dat het óf door de apostelen zelf is ingesteld, óf door een algemeen concilie waarvan het gezag heel gezond is voor de kerk. Een voorbeeld daarvan is dat het lijden van de Heer, zijn opstanding, zijn hemelvaart en de komst van de Heilige Geest elk jaar gevierd worden met een feest. En zo zijn er meer van zulke dingen waar heel de kerk, hoever zij ook reikt, zich aan houdt.’
Als hij zo weinig voorbeelden noemt, wie ziet dan niet dat hij de toen gebruikelijke rituelen – alleen de eenvoudige, niet vaak voorkomende en sobere rituelen die nuttig zijn om de orde te bewaren in de kerk – in verband wilde brengen met betrouwbare en eerbiedwaardige bedenkers? Hoe sterk verschilt dat niet van wat de roomse leermeesters willen afdwingen: dat er bij hen niet één enkel ritueeltje is dat we niet als apostolisch moeten beschouwen!
Het voorbeeld van het wijwater
Ik wil niet dat het saai wordt. Daarom zal ik slechts één voorbeeld geven. Als je de roomsen vraagt hoe ze aan hun wijwater komen, dan antwoorden ze meteen: ‘Van de apostelen.’ Alsof de geschiedenisboeken die uitvinding niet toeschrijven aan ik weet niet welke bisschop van Rome. Als hij bij de apostelen te rade was gegaan, had hij de doop vast niet met zo’n vreemd en ongepast symbool besmeurd.
Het lijkt mij trouwens ook niet waarschijnlijk dat de oorsprong van het wijwater zo oud is als dáár beschreven wordt. Want Augustinus zegt dat in zijn tijd sommige kerken een plechtige imitatie van de voetwassing van Christus vermeden. Ze wilden niet de indruk wekken dat dat ritueel te maken zou hebben met de doop. Hij wijst er dus op dat er geen enkel soort wassing was die ook maar een beetje leek op de doop.
Hoe dan ook, ik zal nooit toegeven dat de doop op een bepaalde manier herhaald wordt als je die elke dag door een symbool in herinnering brengt. En het kan mij ook niet schelen dat dezelfde Augustinus ergens anders ook andere dingen aan de apostelen toeschrijft. Want hij heeft niets meer dan vermoedens. Dus op basis daarvan kunnen we in zo’n belangrijke kwestie niet oordelen. Ten slotte, stel dat ik zou toegeven dat de dingen die hij noemt afkomstig zouden zijn uit de tijd van de apostelen. Dan maakt het toch nog een groot verschil of je een training in vroomheid instelt, waar de gelovigen met een vrij geweten gebruik van kunnen maken en waar ze zich van kunnen onthouden als het voor hen geen zin heeft om er gebruik van te maken, of dat je een wet maakt die het geweten verstrikt in slavernij. Maar van welke bedenker ze ook afkomstig zijn, we zien tot welk misbruik deze rituelen vervallen zijn. Daarom beledigen we de bedenker niet als we ze afschaffen. Want ze zijn nooit zo sterk aanbevolen dat ze voor altijd onaangetast moeten blijven.
Het besluit van de apostelen in Handelingen 15
Het helpt de roomsen ook niet zoveel dat ze de apostelen als voorbeeld gebruiken om hun tirannie te verontschuldigen. Ze zeggen dat de apostelen en de ouderlingen van de eerste kerk buiten een bevel van Christus om het besluit namen om alle heidenen te gebieden dat ze zich moesten onthouden van wat aan afgoden geofferd was, van wat verstikt was en van bloed. Handelingen 15:20 Als zij zo’n besluit mochten nemen, waarom zouden hun opvolgers dan niet hetzelfde mogen doen, zo vaak dat nodig is?
Och, deden ze niet alleen hierin, waar ook in andere dingen maar hetzelfde als de apostelen deden! Want ik ontken dat de apostelen daar iets nieuws instelden of besloten. En dat kan ik met overtuigende argumenten bewijzen. Petrus verklaart immers op dat concilie dat je God uitdaagt als je een juk op de nek van de leerlingen legt. Handelingen 15:10 Maar als hij er daarna mee zou instemmen dat hun toch een juk opgelegd wordt, zou hij zijn eigen uitspraak onderuithalen. En er zou inderdaad een juk opgelegd worden als de apostelen op eigen gezag zouden besluiten dat het de heidenen verboden moet worden om wat aan de afgoden geofferd is, bloed en wat verstikt is aan te raken.
Nu blijft nog staan dat ze het toch echt lijken te verbieden. Maar dat probleem kan ik gemakkelijk uit de weg ruimen, als we kijken naar wat het besluit eigenlijk inhoudt. Want voorop staat het belangrijkste: dat de heidenen hun vrijheid moeten houden en dat die niet voor hen verstoord mag worden. Ze mogen er niet mee lastig gevallen worden dat ze zich aan de wet moeten houden. Tot zover verdedigt het besluit van de apostelen mij heel goed.
Meteen daarna volgt een uitzondering. Maar dat is geen nieuwe wet, gegeven door de apostelen. Nee, het is een goddelijk en eeuwig gebod van God dat de liefde niet geschonden mag worden. Ook doet dat gebod geen millimeter af van hun vrijheid. Nee, het herinnert de heidenen er alleen maar aan op welke manier zij zich moeten aanpassen aan hun broeders, om te voorkomen dat ze hun vrijheid zouden misbruiken om anderen aanstoot te geven. Het tweede punt is dus dat de heidenen hun vrijheid moeten gebruiken zonder iemand te kwetsen en zonder de broeders te ergeren.
Maar, zal iemand zeggen, ze schrijven toch iets specifieks voor. Zeker. Voor zover het in die tijd nuttig was, leren ze en wijzen ze aan waarmee de heidenen hun broeders aanstoot kunnen geven. Dan kunnen ze ervoor oppassen dat ze dat niet doen. Toch voegen ze niets nieuws van henzelf toe aan Gods eeuwige wet. Want die wet verbiedt dat je je broeders aanstoot geeft.
Rekening houden met zwakke gelovigen
Op dezelfde manier zouden trouwe herders, die aan het hoofd staan van kerken waar alles nog niet goed geregeld is, al hun leden kunnen verbieden om op vrijdag openlijk vlees te eten of om op feestdagen in het openbaar te werken of zoiets, totdat de zwakken met wie zij samenleven, sterker geworden zijn. Zolang er geen bijgeloof bijkomt, doen deze dingen er op zichzelf niet toe. Maar als het broeders aanstoot geeft, kun je het niet doen zonder dat je iets verkeerds doet. Echter, in onze tijd kunnen gelovigen niet aan dit toneelspel voor de zwakkere broeders mee blijven doen zonder hun geweten ernstig te kwetsen.
Wie zou durven zeggen dat degenen van wie vaststaat dat ze alleen struikelblokken willen opruimen die door de Heer uitdrukkelijk genoeg verboden zijn, een nieuwe wet maken? Alleen een lasteraar zou zoiets durven beweren! Ook van de apostelen kun je zoiets echt niet beweren. Zij maakten een eind aan dingen die aanstoot gaven. Hun enige bedoeling daarmee was dat ze wilden benadrukken dat God gebiedt dat we moeten vermijden om aanstoot te geven. Het is hetzelfde als wanneer ze gezegd hadden: het is een gebod van de Heer dat je je zwakke broeder niet kwetst. Wat aan afgoden geofferd is, wat verstikt is en bloed kun je niet eten zonder dat je je zwakke broeders aanstoot geeft. Dus bevelen wij jullie door het woord van de Heer dat je niet eet wat aanstoot geeft.
Dat dat de bedoeling van de apostelen was, daarvan is Paulus een heel goede getuige. Natuurlijk kan het niet anders of hij spreekt in overeenstemming met het concilie als hij schrijft: ‘Wat betreft wat aan afgoden geofferd is: we weten dat een afgodsbeeld niets is. Maar sommigen zitten in hun geweten nog vast aan een afgod en eten het als iets dat aan afgoden geofferd is. En hun geweten, dat zwak is, raakt besmeurd. Kijk uit dat dit recht geen aanstoot geeft aan degenen die zwak zijn!’ 1 Korinthiërs 8:1-9 Als je hier goed over nagedacht hebt, zul je je daarna niet meer laten bedriegen door degenen die de apostelen als dekmantel gebruiken voor hun tirannie, alsof de apostelen met hun besluit als eersten de vrijheid van de kerk aantastten.
Maar ik wil niet dat de roomsen eronder uitkomen om zelf te erkennen dat ik hen hiermee goed weerlegd heb. Daarom moeten ze mij maar eens antwoord geven op de vraag met welk recht zij het gewaagd hebben om juist dit besluit af te schaffen. Nou, omdat er geen risico meer bestond op de struikelblokken en onenigheden die de apostelen hadden willen opruimen. De roomsen wisten dus dat je een wet moet waarderen op basis van haar bedoeling. Omdat deze wet gegeven was met het oog op liefde, gebiedt deze wet niet meer dan nodig is voor liefde. Stel dat ze erkennen dat het overtreden van deze wet alleen maar het schenden van liefde is. Erkennen ze daarmee dan niet tegelijk ook dat deze wet geen verzonnen toevoeging is aan de wet van God, maar een oprechte en eenvoudige aanpassing aan de tijden en gewoonten waarvoor deze wet bestemd was?
Niet de kerk, maar God moeten we gehoorzamen
Mijn tegenstanders beweren echter dat we zonder uitzondering naar deze wetten moeten luisteren, zelfs al zouden ze ook honderdmaal onbillijk en onrechtvaardig zijn. Want het gaat er niet om of we instemmen met dwalingen. Nee, we moeten als onderdanen de strenge regering accepteren van degenen die over ons aangesteld zijn. We mogen ons niet aan hun gezag onttrekken.
Maar ook hier komt de Heer ons heel goed tegemoet met de waarheid van zijn Woord. Hij brengt ons uit zulke slavernij in de vrijheid die Hij voor ons gekocht heeft met zijn heilig bloed. 1 Korinthiërs 7:23 Die zegen heeft Hij ons meermalen met zijn Woord bezegeld. Want het gaat er niet om dat wij lichamelijk enige onderdrukking verduren, zoals zij beweren. Nee, het gaat erom dat het geweten beroofd wordt van zijn vrijheid – van de zegen van Christus’ bloed dus – en als slaaf gekweld wordt.
Maar stel dat we ook dit laten rusten, alsof het maar weinig uitmaakt. Hoe erg is het dan volgens hen dat de Heer beroofd wordt van zijn koningschap, dat Hij zo streng voor zichzelf opeist? Daar wordt Hij van beroofd, telkens als men Hem dient volgens door mensen uitgevonden wetten. Want Hij wil alleen beschouwd worden als degene die wetten maakt voor hoe Hij gediend moet worden.
Niemand moet denken dat dit niet uitmaakt. Luister maar eens hoeveel waarde de Heer eraan hecht. Hij zegt: ‘Omdat dit volk Mij gevreesd heeft met geboden en onderwijzingen van mensen, daarom zal ik het verstomd laten staan door een groot en ontzagwekkend wonder. Want de wijsheid van zijn wijzen zal vergaan en het verstand van zijn oudsten.’ Jesaja 29:13-14 En ergens anders: ‘Tevergeefs eren zij Mij, want hun leer bestaat uit geboden van mensen.’ Mattheüs 15:9
En werkelijk, dat de kinderen van Israël zich besmeurden met vele vormen van afgoderij, daarvan wordt deze onreine vermenging als oorzaak gegeven: ze overtraden Gods geboden en fabriceerden nieuwe rituelen. Daarom wordt in de heilige geschiedenis vertelt dat nieuwe inwoners van Samaria, die door de koning van Babel daarheen gedeporteerd waren, verscheurd en opgegeten werden door wilde dieren, omdat ze de voorschriften en bepalingen niet kenden van de God van dat land. Ook al zouden ze helemaal niet gezondigd hebben in de rituelen, toch zou God niet blij geweest zijn met hun leeg vertoon. Maar God zag er ondertussen niet vanaf om de schending van zijn dienst te wreken, omdat de mensen er verzinsels inbrachten die niet volgens zijn Woord waren. Daarna wordt verteld dat ze als gevolg daarvan, geschrokken van de straf, zich aan de rituelen gingen houden die in de wet worden voorgeschreven. Maar omdat ze de echte God nog steeds niet zuiver dienden, wordt nog tweemaal herhaald dat zij God vreesden en Hem niet vreesden. 2 Koningen 17:24-41
Daaruit maak ik op dat de eer die we Hem bewijzen er voor een deel uit bestaat dat we bij het dienen van Hem simpelweg volgen wat Hij gebied, zonder er eigen uitvindingen van onszelf aan toe te voegen. Daarom worden vrome koningen meermalen geprezen omdat ze handelden volgens alle geboden en niet afweken naar rechts of naar links.
Ik ga nog een stapje verder: ook al blijkt er geen goddeloosheid uit een of ander verzonnen ritueel, toch veroordeelt de Geest zo’n ritueel streng, omdat het een afwijking is van Gods gebod. Voor het altaar van Achaz was het voorbeeld uit Samaria gehaald. Het kon lijken alsof het een extra sieraad zou zijn voor de tempel. Want hij was van plan daarop alleen offers te brengen aan God. Dat kon hij op het nieuwe altaar doen met meer luister dan op het oude altaar. Toch zien we hoe de Geest die overmoed vervloekt. En de enige reden daarvoor is dat in het dienen van God menselijke uitvindingen een onrein bederf zijn. 2 Koningen 16:10
En hoe duidelijker Gods wil aan ons geopenbaard is, hoe minder onze brutaliteit te verontschuldigen is als we toch iets proberen. En daarom is het terecht dat Manasses schuld verzwaard wordt door het feit dat hij een nieuw altaar bouwde in Jeruzalem, de stad waarvan God gezegd had: ‘Ik zal daar mijn naam plaatsen.’ Want daardoor wordt Gods gezag als het ware opzettelijk genegeerd.
Door mensen bedachte wetten gehoorzamen, is geen gehoorzaamheid aan God
Velen vragen zich verwonderd af: waarom dreigt de Heer zo heftig dat Hij ontzagwekkende dingen zal doen voor het volk dat Hem dient met geboden van mensen? Waarom zegt Hij dat ze Hem tevergeefs dienen met voorschriften van mensen? Maar als ze erop zouden letten wat het betekent om als het om de godsdienst gaat – dat wil zeggen: om de hemelse wijsheid – alleen afhankelijk te zijn van wat God zelf zegt, dan zouden ze ook zien dat de Heer niet om een onbeduidende reden zulke verkeerde gehoorzaamheid afkeurt die Hem bewezen wordt volgens de willekeur van het menselijk verstand. Weliswaar lijken degenen die gehoorzamen aan zulke wetten die gemaakt zijn om God te dienen, wel een beetje nederig in hun gehoorzaamheid. Maar ze zijn toch echt niet nederig voor God. Ze schrijven Hem zelf voor aan welke wetten zij zich willen houden.
En dat is de reden waarom Paulus wil dat wij er zo zorgvuldig voor oppassen dat we ons laten bedriegen door bepalingen van mensen Kolossenzen 2:4 en door die eigenwillige godsdienst die door mensen bedacht is buiten Gods onderwijs om. Kolossenzen 2:22-23 Zo is het echt: zowel onze eigen wijsheid als die van alle mensen moet dwaasheid voor ons worden. Dan laten we alleen Hem wijs zijn.
Degenen die bij God in de gunst denken te komen met ritueeltjes die volgens menselijk goeddunken verzonnen zijn, volgen deze weg helemaal niet. Zij dringen Hem een nepgehoorzaamheid op die ze eigenlijk voor de mensen laten zien en waarmee ze hun plicht verzaken. Zo ging het in vroegere eeuwen en ook in onze tijd en zo gaat het nog steeds op plaatsen waar het gezag van het schepsel boven dat van de schepper gesteld wordt. Romeinen 1:25 Waar de godsdienst – als je het al zo mag noemen – met meer en dwazere vormen van bijgeloof besmeurd is dan ooit met een heidense godsdienst het geval geweest is. Want wat kan de menselijke geest anders voortbrengen dan dingen die allemaal vleselijk en dwaas zijn? Ze vormen een afspiegeling van hun bedenkers.
De offers van Samuël, Manoach en Gideon
Nu voeren de verdedigers van dit bijgeloof aan dat Samuël in Rama offerde en dat God daar toch blij mee was, ook al gebeurde het buiten de wet om. 1 Samuël 7:17 Maar daarop kan ik gemakkelijk antwoord geven. Samuël zette geen tweede altaar tegenover het enige altaar. Nee, er was nog geen plaats bestemd voor de ark van het verbond. Daarom bestemde hij de stad waar hij woonde voor de offers, omdat die het meest geschikt was. Natuurlijk was het niet de bedoeling van de heilige profeet om iets nieuws in te voeren in de heilige dingen. Want God had strikt verboden om er iets aan toe of af te doen.
Wat betreft het voorbeeld van Manoach: volgens mij was dat een uitzonderlijk en speciaal geval. Richteren 13:19 Hij bracht een offer aan God als privé-persoon. En God keurde dat goed omdat het geen eigen impulsieve daad van hem was, maar het gevolg van een hemelse inspiratie.
Er is echter nog iemand anders, niet minder dan Manoach, die een overtuigend bewijs vormt van hoe erg God het vindt als mensen zelf iets bedenken om Hem mee te dienen: Gideon. Zijn efod leidde niet alleen tot de ondergang van hemzelf en heel zijn huis, maar zelfs van heel het volk. Richteren 8:27 Kortom, elke menselijke uitvinding waarmee mensen God zo graag willen dienen, doet niets anders dan de echte heiligheid besmeuren.
De lasten van de farizeeën
‘Maar,’ zeggen mijn tegenstanders, ‘waarom wilde Christus dan dat de mensen de ondraaglijke lasten droegen die de schriftgeleerden en de farizeeën hun oplegden?’ Mattheüs 23:2-3 Ja, maar waarom wilde dezelfde Christus ergens anders dat de mensen zouden oppassen voor de zuurdesem van de farizeeën? En volgens de uitleg van de evangelist Mattheüs bedoelde Hij met zuurdesem alles wat zij van hun eigen leer toevoegden aan het zuivere Woord van God. Mattheüs 16:6-12 Kan het nog duidelijker? We krijgen het bevel heel hun leer te mijden en ervoor op te passen!
En dat geeft ons volledige zekerheid dat de Heer ook in die eerste passage niet wilde dat het geweten van de zijnen gekweld zou worden door de eigen bepalingen van de farizeeën. Ook uit de woorden zelf blijkt zoiets niet. Als je ze maar niet verdraait. Immers, de Heer wilde de farizeeën scherp berispen om hun leven en moraal. Maar eerst leert Hij zijn hoorders simpelweg dat ze, ook al zagen ze in het leven van de farizeeën niets waarin ze hen konden nadoen, toch moesten blijven doen wat zij met hun woorden leerden. Want ze zaten op de stoel van Mozes: als uitleggers van de wet. Hij wilde dus alleen maar voorkomen dat het slechte voorbeeld van hun leraren het volk ertoe zou verleiden om de leer te minachten.
Maar sommige mensen zijn niet vatbaar voor argumenten, maar vragen altijd naar iemand met gezag. Daarom zal ik woorden van Augustinus citeren. Daarin wordt precies hetzelfde gezegd: ‘De schaapskooi van de Heer heeft leiders die voor een deel trouwe leiders en voor een deel huurlingen zijn. De trouwe leiders zijn echte herders. Maar luister goed: ook de huurlingen zijn nodig. Want velen van hen prediken Christus, ook al streven ze naar aardse rijkdom. Via hen horen we Christus’ stem. De schapen volgen niet de huurling, via de huurling volgen ze de herder. Luister naar de huurlingen die de Heer jullie zelf heeft aangewezen. Hij zegt: “De schriftgeleerden en de farizeeën zitten op de stoel van Mozes. Doe wat ze zeggen, maar doe niet wat ze doen.” Wat zegt Hij daarmee anders dan: luister via de huurlingen naar de stem van de herder? Want zittend op de stoel van Mozes onderwijzen zij Gods wet. Via hen onderwijst God dus. Maar als ze hun eigen dingen willen onderwijzen, luister er dan niet naar en doe het niet.’ Dit zegt Augustinus.
De kerk kan niet zonder kerkelijke wetten
Nu zijn er heel veel ongeletterde mensen die, als ze horen dat menselijke bepalingen het geweten van mensen op een goddeloze manier binden en dat het geen zin heeft om zo God te eren, in dezelfde haal een streep zetten door alle wetten die de orde in de kerk regelen. Daarom is het gepast om nu ook hun dwaling te weerleggen. Natuurlijk kun je je hier heel gemakkelijk vergissen. Want op het eerste gezicht is niet meteen duidelijk wat het verschil is tussen deze twee soorten wetten. Maar ik zal heel deze kwestie in enkele woorden zo duidelijk uitleggen, dat niemand meer misleid wordt doordat ze zo op elkaar lijken.
In de eerste plaats moeten we dit beseffen: we zien dat elke gemeenschap van mensen een bepaalde regeringsvorm nodig heeft. Zo wordt de onderlinge vrede gekoesterd en de eendracht gehandhaafd. En bij het uitvoeren van allerlei handelingen moet altijd een bepaalde gewoonte gevolgd worden, die je niet kunt negeren zonder dat het algemeen fatsoen, ja zelfs wat humaan is geschonden wordt. Als we dat zien, moet dat vooral in de kerk gelden. Als in de kerken alles goed geregeld is, worden zij niet alleen heel goed in stand gehouden. Nee, ze kunnen zelfs niet bestaan zonder eendracht. Als we willen dat er goed gezorgd wordt voor het welzijn van de kerk, moeten we dus heel ijverig zorgen voor wat Paulus beveelt: alle dingen moeten fatsoenlijk en ordelijk gebeuren. 1 Korinthiërs 14:40
Maar mensen hebben heel verschillende gewoonten en denken heel verschillend. Er bestaan grote tegenstellingen in hun opvattingen en inzichten. Daarom is geen enkele regeringsvorm sterk genoeg als die niet geregeld wordt door vaste wetten. En geen enkele gewoonte kan standhouden zonder bepaalde vastgestelde procedure. Het is dus absoluut niet zo dat ik de wetten die daarbij helpen, zou veroordelen. Ik beweer juist dat de kerken van hun zenuwen beroofd en volledig misvormd en geruïneerd worden als je deze wetten afschaft. Immers, Paulus eist dat alle dingen fatsoenlijk en ordelijk gebeuren. Maar daar kunnen we alleen aan voldoen als de orde en het fatsoen zelf overeind blijven doordat we er wetten aan toevoegen die ze als het ware bij elkaar houden.
Alleen moeten we bij zulke wetten wel altijd een voorwaarde stellen. In de eerste plaats dat we niet mogen geloven dat ze onmisbaar zijn om gered te worden. Want dan zou het geweten gebonden worden door een bijgelovige ijver. En in de tweede plaats dat ze niets te maken hebben met het dienen van God. Vroomheid ligt niet in zulke wetten.
Het verschil tussen goede en slechte kerkelijke bepalingen
We hebben dus een heel goed en heel betrouwbaar kenmerk dat het verschil laat zien tussen goddeloze bepalingen – die, zoals ik gezegd heb, de ware godsdienst verduisteren en het geweten ten val brengen – en legitieme voorschriften van de kerk. We moeten bedenken dat de laatste altijd een van de volgende bedoelingen hebben, of beide tegelijk: dat in de heilige vergadering van de gelovigen alles fatsoenlijk en met gepaste eerbied gebeurt en dat in de gemeenschap van de mensen zelf als het ware door bepaalde banden van medemenselijkheid en zelfbeheersing de orde bewaard wordt.
Immers, als je eenmaal begrijpt dat een wet is ingesteld omwille van het openbaar fatsoen, dan maakt dat meteen een eind aan het bijgeloof waarin je vervalt als je het dienen van God afmeet volgens menselijke uitvindingen. Opnieuw, als je leert inzien dat het doel van een wet het algemeen nut is, dan haalt dat meteen het valse idee onderuit dat je er onvermijdelijk aan gebonden bent. Dat idee boezemt het geweten een geweldige schrik in zolang je denkt dat menselijke bepalingen onmisbaar zijn om gered te worden.
Maar het is nodig om nog duidelijker te definiëren wat dat fatsoen en ook die orde inhouden die Paulus aanbeveelt.
Het doel van fatsoen is voor een deel dat we rituelen gebruiken die eerbied opwekken voor heilige dingen. Zulke hulpmiddelen zetten ons dan aan tot vroomheid. En voor een deel is het doel dat de ingetogenheid en ernst die zichtbaar moet zijn in alle heilige handelingen vooral zichtbaar moet zijn in die rituelen.
Bij orde gaat het er in de eerste plaats om dat degenen die aan het hoofd staan, de regel en de wet kennen om goed te regeren. En dat het volk dat geregeerd wordt, gewend raakt aan gehoorzaamheid aan God en aan de juiste discipline. En in de tweede plaats dat een goede inrichting van de kerk zorgt voor vrede en rust.
Geen zinloze pracht en praal
Iets dat alleen bestaat uit leeg vermaak, moeten we dus geen fatsoen noemen. Een voorbeeld daarvan zien we in die toneeluitrusting die de pausgezinden bij hun godsdienst gebruiken. Daar valt niets anders te zien dan een zinloze pracht en praal die niets oplevert. Nee, fatsoen moet voor ons zijn wat ons helpt om eerbied te hebben voor de heilige mysteries en zo een training vormt in vroomheid. Of in elk geval wat gebruikt wordt als een versiering die in overeenstemming is met de handeling. Zo’n versiering mag ook niet nutteloos zijn, maar moet de gelovigen eraan herinneren hoe ingetogen, vroom en eerbiedig ze met de heilige handelingen moeten omgaan. Bovendien, om ons te kunnen trainen in vroomheid, is het nodig dat de rituelen ons rechtstreeks naar Christus leiden.
En zo moeten we ook orde niet zoeken in die betekenisloze pracht en praal. Die heeft alleen maar een loze schittering. Nee, orde moeten we zoeken in een inrichting die een eind maakt aan alle wanorde, onbeschaafdheid, ongehoorzaamheid, oproer en onenigheid.
Bij Paulus vinden we voorbeelden van fatsoen: we mogen het heilig avondmaal niet vermengen met onheilige drinkgelagen 1 Korinthiërs 11:21-22 en vrouwen mogen alleen in het openbaar verschijnen met het hoofd bedekt. 1 Korinthiërs 11:5 En heel veel andere voorbeelden vinden we in ons dagelijks gebruik. Bijvoorbeeld: bidden doen we met gebogen knieën en ontbloot hooft. De sacramenten van de Heer bedienen we niet nonchalant, maar met enige waardigheid. Bij het begraven van de doden gebruiken we enig fatsoen. En meer van zulke voorbeelden van dit soort.
Onder orde vallen de tijdstippen die bestemd zijn voor de openbare gebeden, voor de samenkomsten en heilige handelingen. In de samenkomsten zelf de rust en het stil zijn en zwijgen. De plaatsen die voor de samenkomsten bestemd zijn. Het samen zingen van liederen. De dagen die vastgesteld zijn voor het vieren van het avondmaal van de Heer. Ook dat Paulus verbiedt dat vrouwen in de kerk onderwijs geven. 1 Korinthiërs 14:34 En meer van zulke dingen. Vooral horen hierbij de bepalingen die de discipline bewaren, zoals het catechetisch onderwijs, de kerkelijke tucht, de ban, het vasten en wat we verder nog kunnen noemen van dit soort dingen.
Alle kerkelijke bepalingen die we als heilig en gezond accepteren, kunnen we dus in twee categorieën verdelen. Want de ene categorie heeft te maken met gebruiken en rituelen en de andere met discipline en vrede.
Kerkelijke bepalingen moeten gebaseerd zijn op Gods Woord
Maar nu dreigen hier twee gevaren. Aan de ene kant kunnen valse bisschoppen dit gebruiken als voorwendsel om hun goddeloze en tirannieke wetten te verontschuldigen. En aan de andere kant zijn sommige mensen zo bang dat ze, gewaarschuwd door de slechte dingen die ik genoemd heb, geen enkele wet meer durven goedkeuren, hoe heilig die ook is. Daarom moet ik nu verklaren dat ik menselijke bepalingen alleen goedkeur als ze gebaseerd zijn op Gods gezag, afgeleid zijn uit de Schrift en dus volledig goddelijk zijn.
Laat ik als voorbeeld het knielen nemen dat plaatsvindt als er in het openbaar gebeden wordt. De vraag is of dat een menselijke traditie is die iedereen mag afwijzen of negeren. Volgens mij is het een menselijke traditie, maar tegelijk ook een goddelijke. Het komt van God voor zover het onderdeel is van het fatsoen dat de apostel Paulus ons heeft aangeprezen om voor te zorgen en ons aan te houden. Maar het komt van mensen voor zover het specifiek vaststelt waar de apostel alleen algemene aanwijzingen voor heeft gegeven en geen expliciete regels.
Op basis van dit ene voorbeeld kun je beoordelen hoe je over elke categorie moet denken. De Heer heeft in zijn heilig Woord heel de kern opgenomen van de echte rechtvaardigheid en alle onderdelen van hoe Hij gediend moet worden en alles wat nodig is voor ons behoud. Hij heeft dat allemaal betrouwbaar en duidelijk geopenbaard. Daarom moeten we bij die dingen naar Hem luisteren als de enige leermeester. Maar Hij heeft wat betreft de zichtbare discipline en rituelen niet alles punt voor punt willen voorschrijven waar we ons aan moeten houden. Want Hij voorzag dat die dingen afhankelijk zijn van de tijd en de omstandigheden. Hij vond dat niet voor alle eeuwen dezelfde vorm van toepassing kon zijn. Daarom moeten we hierbij onze toevlucht nemen tot de algemene regels die Hij gegeven heeft. Daar moeten we alle geboden aan toetsen waarvan het nodig is dat de kerk zich eraan houdt om de orde en het fatsoen te bewaren.
Ten slotte, de Heer heeft hierover niets uitdrukkelijk geleerd omdat die dingen ook niet onmisbaar zijn om gered te worden. Ze moeten worden toegepast in overeenstemming met de gewoonten van elk volk en elke tijd, om de kerk op te bouwen. Daarom is het gepast om, als dat voor de kerk het beste is, niet alleen gebruikelijke bepalingen te veranderen en af te schaffen, maar ook nieuwe in te stellen.
Wel geef ik toe dat we niet zomaar, plotseling of zonder belangrijke reden vernieuwingen moeten invoeren. Maar wat schaadt of opbouwt, kunnen we het best beoordelen op basis van liefde. En als we ons door liefde laten leiden, komt alles goed.
Goede bepalingen moeten gehoorzaamd worden
Verder is het christenvolk verplicht om zich te houden aan bepalingen die volgens deze norm gegeven zijn. Weliswaar met een vrij geweten en zonder bijgeloof, maar toch vroom en zich gemakkelijk schikkend in gehoorzaamheid. Zulke bepalingen mogen we niet minachten en evenmin laks en onoplettend negeren. Laat staan dat we ze hoogmoedig en koppig openlijk zouden mogen overtreden!
Nu zul je vragen: ‘Hoe kan het geweten nu vrij blijven als je je er zo strikt en zorgvuldig aan moet houden?’ Dat dat echt wel kan, blijkt als we bedenken dat dit geen vaste en eeuwige wetten zijn, waar we aan gebonden zijn. Nee, het zijn zichtbare pogingen van menselijke zwakheid. Niet ieder van ons heeft ze nodig, maar toch gebruiken we ze wel allemaal omdat we het aan elkaar verplicht zijn dat we de onderlinge liefde koesteren.
Dat kun je leren uit de voorbeelden die ik hierboven genoemd heb. Wat? Ligt de godsdienst in de hoofddoek van een vrouw, zodat ze niet met ontbloot hoofd het huis uit mag? 1 Korinthiërs 11:5 Is Paulus’ bevel dat ze moet zwijgen zo heilig dat het een heel grote zonde is als je het overtreedt? 1 Korinthiërs 14:34 Ligt er in het buigen van je knieën en in het begraven van een lijk een of ander mysterie en is het een misdaad als je dat negeert? Natuurlijk niet! Want als een vrouw heel snel iemand moet helpen en daarom haar hoofd niet kan bedekken, doet ze niets verkeerd als ze met onbedekt hoofd toesnelt. En er zijn gevallen waar spreken voor haar even juist is als in andere gevallen zwijgen. Er is ook geen enkele reden waarom het voor iemand die door een ziekte zijn knieën niet kan buigen, verboden zou zijn om staand te bidden. Ten slotte, als er geen lijkkleed is of als degenen die een dode zouden begeleiden nog niet aanwezig zijn, is het beter om hem toch op tijd te begraven dan zo lang te wachten met begraven dat hij begint te ontbinden.
Echter, voor deze dingen geldt dat de gewoonten en gebruiken van het land, de bepalingen en uiteindelijk wat humaan is en de fatsoensnormen zelf bepalen wat je wel of juist niet moet doen. En als je uit onkunde of vergeetachtigheid een fout maakt, heb je nog niet gezondigd. Maar doe je het uit minachting, dan moeten we zulke koppigheid afkeuren. En zo doen ook de dagen er niet toe of de tijdstippen, hoe de kerkgebouwen eruit zien en welke psalmen er gezongen worden op welke dag. Maar als je een beetje rekening wilt houden met het bewaren van de vrede, is het toch handig als er bepaalde dagen en tijdstippen vastgesteld worden en een plaats die geschikt is om iedereen te ontvangen. Want als iedereen als hij zin heeft de dingen die te maken hebben met de gemeenschappelijke orde zou mogen veranderen, hoeveel ruzies zouden er dan niet ontkiemen uit zulke verwarring? Want als die dingen in het midden worden gelaten en aan ieders willekeur overgelaten worden, zal nooit iedereen hetzelfde willen.
Als iemand zich hiertegen verzet en wijzer wil zijn dan gepast is, moet hij zelf maar zien hoe hij voor elkaar krijgt dat de Heer zijn veeleisendheid goedkeurt. Maar wij moeten genoeg hebben aan het woord van Paulus dat hij niet de gewoonte heeft om in discussie te gaan en Gods gemeenten evenmin. 1 Korinthiërs 11:16
Kerkelijke bepalingen moeten nuttig zijn
Verder moeten we onze uiterste best doen om te voorkomen dat er een dwaling binnensluipt die dit zuivere gebruik zou besmetten of verduisteren. Dat lukt als alle dingen waar we ons aan houden een duidelijk nut hebben, als we maar heel weinig bepalingen toelaten, maar vooral als er het onderwijs bijkomt van een trouwe herder die de deur gesloten houdt voor verkeerde opvattingen.
Als we dit weten, zorgt dat er in de eerste plaats voor dat ieder in al deze dingen zijn vrijheid houdt, maar dat ieder toch vanzelf zijn vrijheid enige beperkingen oplegt, voor zover dat nodig is voor het genoemde fatsoen of de liefde.
In de tweede plaats moeten we erop letten dat wijzelf ons aan deze dingen houden zonder bijgeloof en in die dingen niet al te veeleisend zijn richting anderen. We moeten niet denken dat je God beter dient met heel veel rituelen. En kerken mogen niet op elkaar neerkijken omdat ze uiterlijk anders geregeerd worden.
Ten slotte moeten we er geen eeuwige wet van maken, maar heel het gebruik en doel van deze bepalingen richten op de opbouw van de kerk. En als het voor de opbouw van de kerk nodig is, moeten we niet alleen zonder ergernis accepteren dat er iets veranderd wordt. We moeten het zelfs accepteren als alle dingen waar we ons eerder aan hielden, omgekeerd worden. De tijd en de omstandigheden kunnen meebrengen dat het beter is om sommige gebruiken, die op zichzelf niet goddeloos of onfatsoenlijk waren, af te schaffen. Onze eigen tijd vormt daar een duidelijk bewijs van. Immers, vroeger was men zo blind en onwetend, dat de kerken zich met heel verkeerde ideeën en een koppige ijver vastklampten aan rituelen. Daarom kunnen ze eigenlijk niet voldoende gereinigd worden van monsterlijk bijgeloof, zonder dat veel rituelen worden afgeschaft die in het verleden misschien niet zonder reden zijn ingesteld en die op zichzelf zeker niet goddeloos zijn.
Voetnoten
- 593
Vanaf 3.4.4, vooral in 3.4.17.
- 594
Augustinus, Epistulae,55.
- 595
Augustinus, Epistulae,54,1.
- 596
Augustinus, Epistulae, 54,1.
- 597
Augustinus, Epistulae, 55,18.
- 598
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 46,5-6.
Voetnoot 593
Vanaf 3.4.4, vooral in 3.4.17.
Voetnoot 594
Augustinus, Epistulae,55.
Voetnoot 595
Augustinus, Epistulae,54,1.
Voetnoot 596
Augustinus, Epistulae, 54,1.
Voetnoot 597
Augustinus, Epistulae, 55,18.
Voetnoot 598
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 46,5-6.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.