Boek IV · Hoofdstuk 9
Concilies
Inhoud van dit hoofdstuk · 14 secties
- 1Twee inleidende opmerkingen
- 2Echte en valse concilies
- 3De kerk staat of valt niet met de herders
- 4Er zullen valse herders komen
- 5Onderscheid maken tussen echte en valse herders
- 6De kerk staat of valt niet met de concilies
- 7Het voorbeeld van de priesters en farizeeën
- 8Onderscheid maken tussen echte en valse concilies
- 9Concilies spreken elkaar tegen
- 10Zelfs echte concilies maakten fouten
- 11Leiding door de Geest maakt concilies niet onfeilbaar
- 12Valse voorgangers niet gehoorzamen
- 13Concilies moeten de Schrift uitleggen
- 14Niet alles wat concilies uitspreken is Schriftuitleg
Twee inleidende opmerkingen
Stel dat ik de roomsen nu alles zou toegeven wat ze over de kerk zeggen. Toch zouden ze dan nog niet veel zijn opgeschoten met wat ze willen. Want alles wat over de kerk gezegd wordt, passen zij meteen toe op de concilies. Want volgens hen vertegenwoordigen die de kerk. Sterker nog, dat zij zo koppig strijden over de macht van de kerk, doen ze alleen omdat ze de paus van Rome en zijn handlangers willen geven wat ze ons uit handen rukken.
Maar voordat ik deze kwestie ga behandelen, moet ik nu vooraf eerst twee dingen zeggen.
In de eerste plaats ga ik nu best streng zijn. Niet omdat ik voor de oude concilies minder respect heb dan ik hoor te hebben. Nee, ik eerbiedig ze van harte en ik zou graag willen dat iedereen ze de eer geeft die hun toekomt. Maar daar zit wel een bepaalde grens aan: we mogen Christus niets afnemen. En Christus heeft er recht op dat Hij de voorzitter is van alle concilies, zonder dat Hij in die positie een collega naast zich heeft. En volgens mij is Hij pas voorzitter als Hij heel de vergadering bestuurt met zijn Woord en Geest.
In de tweede plaats, ik ken de concilies minder eer toe dan mijn tegenstanders zouden willen. Maar dat is niet omdat ik bang ben voor de concilies, alsof die de zaak van mijn tegenstanders gunstig gezind en tegen mijn zaak zouden zijn. Om de waarheid van mijn leer te bewijzen en het pausdom onderuit te halen, voorziet het Woord mij van een overvloed aan argumenten. Het is dus niet nodig om iets te zoeken buiten dat Woord. Maar ook de meeste oude concilies stellen mij genoeg argumenten ter beschikking.
Echte en valse concilies
Laten we het dan nu over de inhoud hebben. Als je in de Schrift te weten probeert te komen wat het gezag van de concilies is, bestaat daarover geen duidelijker belofte dan deze uitspraak van Christus: ‘Waar twee of drie bij elkaar zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden.’ Mattheüs 18:20 Maar dat slaat evengoed op regionale synodes als op een algemeen concilie. Toch is dat niet het punt waar bij deze kwestie het probleem ligt. Nee, het zit hem in de voorwaarde die eraan toegevoegd wordt: Christus is pas aanwezig op een concilie als dat in zijn naam bijeenkomt.
Dus ook al noemen mijn tegenstanders ook duizendmaal de concilies van de bisschoppen, toch schieten ze daar maar weinig mee op. Ze kunnen niet voor elkaar krijgen dat ik geloof wat zij beweren: dat de concilies bestuurd worden door de Heilige Geest. Dat geloof ik pas als ze bewijzen dat die concilies bijeenkomen in de naam van Christus. Immers, evengoed kunnen goddeloze en slechte bisschoppen tegen Christus samenspannen als goede en rechtschapen bisschoppen samenkomen in zijn naam. Daar hebben we duidelijke bewijzen van in heel veel besluiten die uit zulke concilies zijn voortgekomen. Maar daar kijken we later naar.
Nu geef ik slechts één antwoord: Christus belooft alleen maar iets aan degenen die bijeenkomen in zijn naam. Dus moeten we bepalen wat dat inhoudt.
Ik ontken dat in zijn naam degenen bijeenkomen, die het gebod van God verwerpen waarin Hij verbiedt iets aan zijn Woord toe te voegen of af te doen Deuteronomium 4:2; Openbaring 22:18-19 en die naar eigen goeddunken allerlei dingen vaststellen. Die niet tevreden zijn met de goddelijke uitspraken van de Schrift – de enige norm voor volmaakte wijsheid – maar zelf iets nieuws verzinnen. Christus heeft natuurlijk niet beloofd op alle mogelijke concilies aanwezig te zijn. Nee, Hij heeft aan zijn belofte een specifiek kenmerk toegevoegd. Daarom hebben wij echt niet het recht om dit onderscheid te negeren.
Dit is het verbond dat God in het verleden sloot met de priesters uit de stam Levi: ze moesten onderwijzen vanuit zijn mond. Maleachi 2:7 Dat heeft Hij ook altijd van de profeten geëist. We zien dat deze regel ook aan de apostelen werd opgelegd. Wie dit verbond schenden, keurt de Heer de eer van het priesterschap niet waard en ook geen gezag.
Als mijn tegenstanders mijn geloof buiten Gods Woord in slavernij willen brengen onder menselijke dogma’s, moeten ze eerst dit probleem maar eens voor mij oplossen.
De kerk staat of valt niet met de herders
Mijn tegenstanders denken immers dat de waarheid niet in de kerk blijft als ze niet vaststaat bij de herders. En dat de kerk alleen bestaat als ze zichtbaar is in de algemene concilies. Maar als de profeten ons over hun tijd betrouwbare getuigenissen hebben nagelaten, dan was dat echt niet altijd waar.
In de tijd van Jesaja was de kerk in Jeruzalem. God had die nog niet verlaten. Maar over de herders zegt Jesaja: ‘Hun wachters zijn allemaal blind en weten niets. Het zijn allemaal stomme honden die niet kunnen blaffen. Ze liggen te slapen en sluimeren graag. En de herders zelf weten niets en begrijpen niets en gaan allemaal hun eigen gang.’ Jesaja 56:10-11
Hosea spreekt op dezelfde manier: ‘De wachter van Efraïm met God, een vogelvangersstrik, een haat in Gods huis.’ Hosea 9:8 Door hen op een spottende manier met God te verbinden, leert Hosea dat hun priesterschap zonder inhoud is.
Ook in de tijd van Jeremia bestond de kerk nog steeds. Luister maar eens wat hij over de herders zegt: ‘Van de profeet af tot de priester toe pleegt ieder van hen bedrog.’ Jeremia 6:13 En: ‘De profeten profeteren vals in mijn naam. Want Ik heb hen niet gezonden en hun geen bevel gegeven.’ Jeremia 14:4 En omdat ik zijn woorden niet te uitgebreid wil citeren, moet je maar eens lezen wat hij in heel Jeremia 23 en 40 geschreven heeft.
In dezelfde tijd, in een heel ander gebied, voer Ezechiël niet vriendelijker tegen hen uit. Hij zegt: ‘In haar midden is een samenzwering van de profeten als een brullende leeuw die een buit rooft. Haar priesters hebben de wet geweld aangedaan en mijn heilige dingen ontheiligd. Zij maken geen onderscheid tussen het heilige en het onheilige.’ Ezechiël 22:25-26 En wat hij verder nog in dezelfde betekenis toevoegt.
Zulke klachten kun je her en der in de profeten vinden. Er is niets dat zo vaak terugkomt.
Er zullen valse herders komen
Nu zal men echter zeggen: ‘Dat kwam bij de Joden misschien voor, maar onze tijd is vrij van zulk groot kwaad.’ Ach, was het maar waar! Maar de Heilige Geest heeft aangekondigd dat het anders zou zijn. Want Petrus’ woorden zijn duidelijk: ‘Zoals er onder het oude volk valse profeten zijn geweest, zo zullen er ook onder jullie valse leraren zijn, die stiekem gevaarlijke ketterijen zullen invoeren.’ 2 Petrus 2:1 Zie je wel dat er geen gevaar dreigt van het eenvoudigste volk, maar van degenen die zich zullen presenteren onder de benaming ‘leraren en herders’?
Bovendien, hoe vaak hebben Christus en zijn apostelen niet voorzegd dat van de kant van de herders de grootste gevaren dreigen voor de kerk! Paulus wijst er uitdrukkelijk op dat de antichrist in Gods tempel zal zitten. 2
Thessalonicenzen 2:4 Daarmee geeft hij aan dat de vreselijke ellende waar hij het over heeft nergens anders vandaan zal komen dan van degenen die als herders in de kerk zullen zitten.
En ergens anders laat hij zien dat het begin van dit grote kwaad al haast voor de deur staat. Want als hij de opzieners van Efeze toespreekt, zegt hij: ‘Ik weet dat er na mijn vertrek roofzuchtige wolven bij jullie binnen zullen komen. Zij zullen de kudde niet sparen. En in jullie eigen midden zullen mannen opstaan die verkeerde dingen zeggen om de leerlingen weg te trekken, achter hen aan.’ Handelingen 20:29-30 Als zij in zo’n korte tijd zo konden ontaarden, hoeveel bederf heeft zo’n jarenlange periode dan niet onder de herders kunnen veroorzaken?
En om niet te veel papier te vullen met een opsomming, voorbeelden uit bijna alle eeuwen herinneren ons eraan dat aan de boezem van de herders de waarheid niet altijd gekoesterd wordt en dat het behoud van de kerk niet van hun toestand afhangt. Zij horen wel leiders en bewakers te zijn van de vrede en het welzijn van de kerk. Maar doen wat je verplicht bent, is iets heel anders dan verplicht zijn wat je niet doet.
Onderscheid maken tussen echte en valse herders
Toch moet niemand deze woorden van mij zo opvatten alsof ik zomaar overal, zonder onderscheid, het gezag van de herders wil ondermijnen en mensen ertoe wil aanzetten dat gezag zomaar naast zich neer te leggen. Ik wijs er alleen op dat je onderscheid moet maken tussen hen. Je mag er niet van uitgaan dat wie herders genoemd worden, ook herders zijn.
Maar de paus en heel zijn bende bisschoppen hebben de gehoorzaamheid aan Gods Woord van zich afgeschud en nu draaien en keren ze alles volgens hun eigen willekeur, enkel en alleen omdat ze herders genoemd willen worden. Ondertussen proberen ze ons ervan te overtuigen dat het licht van de waarheid hen niet kan verlaten, dat Gods Geest continu in hen woont en dat de kerk in hen bestaat en met hen sterft.
Alsof de Heer de wereld tegenwoordig niet meer met dezelfde oordelen kan straffen als waarmee Hij ooit de ondankbaarheid van het oude volk gewroken heeft: door de herders te slaan met blindheid en stompzinnigheid. Zacharia 11:17 Deze domme mensen begrijpen niet dat zij hetzelfde liedje zingen dat in het verleden gezongen werd door degenen die oorlog voerden tegen Gods Woord. Want de vijanden van Jeremia riepen zichzelf op om tegen de waarheid te strijden: ‘Kom op, laten we iets verzinnen tegen Jeremia, want de wet van de priester, de raad van de wijze of het woord van profeet zullen nooit vergaan.’ Jeremia 18:18
De kerk staat of valt niet met de concilies
Op basis hiervan kunnen we gemakkelijk antwoord geven op dat andere punt wat betreft de algemene concilies. We kunnen niet ontkennen dat de Joden in de tijd van de profeten de echte kerk hadden. Als er in die tijd een algemeen concilie samengeroepen zou zijn uit de priesters, hoe zou de kerk er dan uitgezien hebben? We horen wat God niet tegen één of twee van hen zegt, maar tegen hun hele orde: ‘De priesters zullen ontzet staan en de profeten zullen schrikken.’ Jeremia 4:9 En: ‘De wet van de priester en de raad van de oudsten zullen vergaan.’ Ezechiël 7:26 En: ‘In plaats van een visioen krijgen jullie nacht en in plaats van een voorzegging duisternis. De zon zal ondergaan over de profeten en de dag zal donker worden over hen …’ Micha 3:6
Nou, stel dat al zulke mensen toen bij bijeenkwamen. Wat voor geest zou er dan in hun vergadering geheerst hebben? Daar hebben we een opmerkelijk voorbeeld van in het concilie dat Achab bijeenriep. Er waren vierhonderd profeten aanwezig. Maar ze waren alleen maar bijeengekomen om de koning te vleien. Daarom zendt de Heer Satan om in al hun monden een leugengeest te zijn. Allemaal gebruiken ze hun stem om de waarheid te veroordelen. Micha wordt als ketter veroordeeld, geslagen en in de gevangenis gegooid. 1 Koningen 22:6-27
Zo is het met Jeremia gegaan en ook met de andere profeten.
Het voorbeeld van de priesters en farizeeën
Maar één voorbeeld, opmerkelijker dan andere, kan volstaan voor allemaal. In dat concilie dat de priesters en de farizeeën in Jeruzalem bijeenriepen tegen Christus Johannes 11:47 – wat zou daarbij qua uiterlijke vorm nog te wensen over zijn? Want als toen in Jeruzalem de kerk niet was, zou Christus nooit meegedaan hebben aan de offers en de andere rituelen. Er vindt een officiële samenroeping plaats. De hogepriester had de leiding. De hele priesterorde zat bij hem. Toch wordt Christus daar veroordeeld en zijn leer uit de weg geruimd. Dat bewijst dat dat concilie echt niet de kerk bevatte.
‘Maar,’ zal men zeggen, ‘wij lopen geen gevaar dat ons zoiets overkomt.’ Wie heeft ons dat verzekerd? Want als je in zoiets belangrijks zorgeloos bent, sta je daarmee schuldig aan nalatigheid. Ja, de Geest voorzegt uitdrukkelijk via de mond van Paulus dat er afval zal komen. 2 Thessalonicenzen 2:3 En dat kan alleen als eerst de herders God verlaten. Hoe kunnen wij op dit punt dan blind zijn, tot onze eigen ondergang? Daarom mogen wij absoluut niet toegeven dat de kerk bestaat in de vergadering van de herders. Want de Heer heeft nergens beloofd dat zij altijd goed zullen zijn. Nee, Hij heeft juist aangekondigd dat ze soms slecht zullen zijn. En als Hij ons herinnert aan het gevaar, dan doet Hij dat om ons voorzichtiger te maken.
Onderscheid maken tussen echte en valse concilies
‘Wat dan?’ zul je zeggen. ‘Hebben concilies dan helemaal geen gezag om besluiten te nemen?’ Zeker wel. Ik beweer hier immers niet dat alle concilies veroordeeld moeten worden of al hun acta afgewezen en – zoals je dat zegt – met één haal doorgestreept moeten worden.
‘Maar,’ zal men zeggen, ‘je degradeert toch alle concilies. Het staat nu ieder vrij om wat de concilies hebben vastgesteld aan te nemen of te verwerpen.’ Helemaal niet! Nee, ik wil graag dat men, steeds als men een besluit van een of ander concilie tevoorschijn haalt, eerst nauwkeurig overweegt in welke tijd dat concilie gehouden is, waarom het gehouden werd en met welk doel en wat voor mensen daar aanwezig waren. En vervolgens dat men wat daar behandeld werd, toetst aan de norm van de Schrift en wel op deze manier: een besluit van een concilie telt zwaar, als een voorlopig oordeel, maar dat mag niet verhinderen dat het aan de Schrift getoetst wordt.
Ach, hield ieder zich maar aan de handelwijze die Augustinus voorschrijft in boek 3 van Tegen Maximinus. Deze ketter stelde de besluiten van de synodes ter discussie. Als Augustinus hem kort met enkele woorden de mond wil snoeren, zegt hij: ‘Ik moet niet het concilie van Nicea (325) tegen jou aanvoeren en jij niet dat van Rimini (359) tegen mij alsof daarmee de zaak al vaststaat. Ik ben niet gebonden door het gezag van het ene en jij niet door het gezag van het andere concilie. Laten we in deze discussie zaak tegenover zaak, argument tegenover argument en redenering tegenover redenering zetten door middel van gezaghebbende uitspraken van de Schrift. Die gelden niet voor jou of voor mij, maar voor ons beiden.’ Dan zouden de concilies het aanzien hebben dat ze moeten hebben en toch zou ondertussen de Schrift schitteren op de eerste plaats. Dan zou er toch niets zijn dat niet zou worden onderworpen aan haar norm.
Ik accepteer dus graag de oude concilies, zoals het concilie van Nicea, het concilie van Constantinopel (381), het eerste concilie van Efeze (431), het concilie van Chalcedon (451) enzovoort. Die concilies werden gehouden om dwalingen te weerleggen. Die respecteer ik als heilig wat betreft de geloofsleer. Want zij bevatten niets anders dan de zuivere en oorspronkelijke uitleg van de Schrift. Die hebben de heilige kerkvaders in hun geestelijke wijsheid gebruikt om de vijanden van de godsdienst die toen opkwamen, te verpletteren.
Ook in sommige latere concilies zie ik het licht van echte vrome ijver en bovendien duidelijke tekenen van verstand, kennis en inzicht. Maar de dingen raken nu eenmaal in verval. En dus kun je in de latere concilies zien hoe ver de kerk nu en dan van de zuiverheid van die gouden tijd ontaard is. Ik twijfel er niet aan dat er ook in die meer bedorven tijden nog wel goede bisschoppen in de concilies kwamen. Maar hun is overkomen waar in het verleden de Romeinse senatoren over klaagden: ze namen geen goede besluiten. Immers, als opvattingen geteld in plaats van gewogen worden, kan het niet anders of het beste deel verliest het regelmatig van het grootste deel. Vast en zeker hebben ze veel goddeloze ideeën gepresenteerd. Ik hoef daar hier geen voorbeelden van te geven. Dat zou te lang duren en anderen hebben dat al zo ijverig gedaan dat ik er niet veel meer aan kan toevoegen.
Concilies spreken elkaar tegen
Verder, waarom zou ik concilies opsommen die elkaar tegenspreken? En men moet mij niet tegenwerpen dat van concilies die elkaar tegenspreken het een of het ander niet wettig is. Want op grond waarvan moeten we dat beoordelen? Nou, volgens mij op grond van het feit dat we op basis van de Schrift vaststellen dat de besluiten van een bepaald concilie niet rechtzinnig zijn. Want dat is de enige norm om onderscheid te maken.
Het is al ongeveer negenhonderd jaar geleden dat het derde concilie van Constantinopel (680), samengekomen onder keizer Leo III, besloot dat de beelden die in de kerken geplaatst waren, omvergehaald en stukgeslagen moesten worden. Korte tijd later besloot het tweede concilie van Nicea (787), dat keizerin Irene samengeroepen had uit haat tegen het eerstgenoemde concilie, dat de beelden weer opgericht moesten worden. Welke van deze twee concilies moeten wij als wettig erkennen?
Het laatste, dat in de kerken ruimte gegeven heeft voor beelden, heeft zich algemeen gehandhaafd. Maar Augustinus zegt dat je geen beelden kunt oprichten zonder dat je direct het gevaar loopt van afgoderij. Epiphanius van Salamis leefde eerder. Hij spreekt nog scherper. Hij leert dat het zonde en een gruwel is als in een kerk van christenen beelden te zien zijn. Als zij zo spreken, zouden zij dit concilie dan goedgekeurd hebben als ze nog in leven waren?
En als de geschiedschrijvers de waarheid vertellen en je de acta zelf geloven wil, dan zijn daar niet alleen de beelden zelf, maar is daar ook het dienen van beelden geaccepteerd. Het is echter duidelijk dat zo’n besluit afkomstig is van Satan. En wat moeten we ervan zeggen dat ze heel de Schrift verdraaid en verscheurd hebben en zo hebben laten zien dat ze de spot met haar dreven? Ik heb dat eerder al meer dan voldoende duidelijk gemaakt.
Hoe dan ook, we kunnen op geen andere manier onderscheid maken tussen concilies die elkaar tegenspreken – en dat zijn er veel geweest – dan door ze allemaal te wegen op de weegschaal van mensen en engelen. Ik heb die weegschaal genoemd: het Woord van de Heer. Daarom accepteer ik het concilie van Chalcedon en verwerp ik het tweede concilie van Efeze (449). Want op het laatstgenoemde werd de goddeloosheid van Eutyches bevestigd, maar op het eerstgenoemde werd die veroordeeld. Heilige mannen hebben het oordeel over die kwestie alleen geveld volgens de Schrift. En zo volg ik die mannen in hun oordeel: Gods Woord dat hen verlichtte, verlicht nu ook ons.
Laat de roomsen nu hun gang maar gaan en volgens hun gewoonte pochen dat de Heilige Geest vastgebonden zit aan hun concilies.
Zelfs echte concilies maakten fouten
Trouwens, ook in de oude en meer zuivere concilies is nog wel iets waar je terecht ontevreden over kunt zijn. Want de mannen die daar aanwezig waren en die anders wel geleerd en verstandig waren, hebben veel dingen niet voorzien omdat ze het te druk hadden met andere dingen die toen speelden. Of ze lieten minder belangrijke dingen lopen, omdat ze het te druk hadden met dingen die moeilijker of erger waren. Of ze konden zich als mensen uit onwetendheid vergissen. Of ze lieten zich soms te veel meeslepen door heftige emoties.
Dat laatste lijkt het ergste van allemaal en daarvan bestaat er een voorbeeld op het eerste concilie van Nicea. Dat concilie wordt door iedereen eerbiedig geaccepteerd en dat verdient het ook. Op dit concilie liep het belangrijkste artikel van ons geloof gevaar. De vijand Arius, met wie men te kampen had, was aanwezig en gereed voor de strijd. Het was van het grootste belang dat degenen die gekomen waren en die bereid waren de dwaling van Arius te bestrijden, eensgezind waren. Toch maakten sommigen zich niet druk om zulke grote gevaren. Sterker nog, het was alsof ze alle ernst, zelfbeheersing en beleefdheid vergeten hadden. De strijd die ze aan het voeren waren, lieten ze lopen. Met onderlinge ruzies begonnen ze elkaar te verscheuren, alsof ze daar bijeengekomen waren om Arius een dienst te bewijzen. De vlijmscherpe graveerstift die ze tegen Arius moesten trekken, richtten ze op elkaar. Er werden schandelijke aantijgingen gehoord en pamfletten met beschuldigingen vlogen over en weer. Er zou pas een eind aan de ruzies gekomen zijn als ze elkaar met woorden hadden afgemaakt, als keizer Constantijn dat niet voorkomen had. Hij verklaarde dat hij niet competent genoeg was om een onderzoek te doen naar hun leven. Zo berispte hij hen om hun gebrek aan zelfbeheersing, meer met lof dan met kritiek.
In hoeveel opzichten zijn naar alle waarschijnlijkheid ook de andere concilies, die daarna gekomen, zijn niet gestruikeld? Daar is ook geen lange bewijsvoering voor nodig. Want als je de acta doorleest, zul je daar vele zwakheden opmerken – om maar geen erger woord te gebruiken.
Leiding door de Geest maakt concilies niet onfeilbaar
En Leo I, bisschop van Rome, erkent dat het concilie van Chalcedon wat betreft de leer rechtzinnig was. Toch aarzelt hij niet om het te beschuldigen van eerzucht en onbezonnen onvoorzichtigheid. Weliswaar ontkent hij niet dat het een wettig concilie was, maar hij verklaart openlijk dat het kon dwalen.
Misschien vindt iemand het dwaas van mij dat ik de moeite neem om zulke dwalingen aan te wijzen. Mijn tegenstanders geven immers toe dat concilies kunnen dwalen als het gaat om dingen die niet onmisbaar zijn voor ons behoud. Toch is dit geen overbodige moeite. Want ze erkennen dit wel met de mond, als ze ertoe gedwongen worden. Maar toch eisen ze meer dan waar ze zelf van uitgaan. Want ze dringen ons de besluiten van alle concilies over allerlei dingen zonder onderscheid op als goddelijke uitspraken van de Heilige Geest. Als ze dat doen, wat proberen ze dan anders dan ons te laten erkennen dat concilies niet kunnen dwalen? Of als ze dwalen, dat het dan niet is toegestaan om de waarheid aan te wijzen of de dwalingen niet goed te keuren?
Ik wil alleen maar laten zien dat je hieruit kunt opmaken dat de Heilige Geest de verder vrome en heilige concilies wel geregeerd heeft. Maar dan zo dat Hij ze ondertussen iets menselijks liet overkomen, om te voorkomen dat wij te veel op mensen zouden vertrouwen. Dit is een veel betere opvatting dan die van Gregorius van Nazianze. Die zei dat hij nooit een goede uitkomst gezien had van welk concilie ook. Want wie beweert dat ze allemaal, zonder uitzondering, slecht zijn afgelopen, laat hun niet veel gezag over.
Het is niet meer nodig om nog apart de provinciale concilies te noemen. Op basis van de algemene concilies kun je gemakkelijk beoordelen hoeveel gezag provinciale concilies moeten hebben om geloofsartikelen op te stellen en naar eigen goeddunken dogma’s aan te nemen.
Valse voorgangers niet gehoorzamen
Maar als onze roomsen zien dat alle redelijke argumenten onder hun zaak beginnen weg te vallen, nemen ze hun toevlucht tot hun laatste jammerlijke redmiddel: zelfs al zijn de bisschoppen dom qua verstand en beleid en slecht qua geest en wil, toch blijft het woord van de Heer bestaan dat beveelt dat je je voorgangers gehoorzaam moet zijn. Hebreeën 13:17
Werkelijk? En als ik nu eens ontken dat zulke mensen voorgangers zijn? Want ze moeten zichzelf niet meer aanmatigen dan Jozua had. Hij was een profeet van de Heer en een geweldige herder. Maar laten we eens luisteren met welke woorden de Heer hem tot zijn taak aanstelde. Hij zegt: ‘Het boek van de wet mag niet uit je mond wijken. Nee, denk er dag en nacht over na en wijk er niet van af, niet naar rechts en niet naar links. Dan zul je je weg recht houden en hem begrijpen.’ Jozua 1:7-8 Geestelijk leiders zijn dus degenen die niet hierheen of daarheen afwijken van de wet van de Heer.
Stel dat we zonder enige aarzeling de leer van alle mogelijke herders zouden moeten aanvaarden. Waarop slaat het dan dat we zo vaak en zo zorgvuldig door de stem van de Heer gewaarschuwd worden dat we niet moeten luisteren naar de woorden van valse profeten? Via Jeremia zegt Hij: ‘Luister niet naar de woorden van de profeten die tegen jullie profeteren. Want zij leren jullie onzin en niet vanuit de mond van de Heer.’ Jeremia 23:16 En: ‘Pas op voor de valse profeten die in schaapskleren naar jullie toekomen. Vanbinnen zijn zij roofzuchtige wolven.’ Mattheüs 7:15 Ook Johannes zou ons voor niets waarschuwen dat we de geesten moeten toetsen, of ze wel van God komen. 1 Johannes 4:1 Zelfs de engelen worden niet van die beoordeling uitgezonderd, laat staan Satan met zijn leugens!
En dan deze woorden: ‘Als een blinde een blinde leidt, vallen ze samen in een kuil.’ Mattheüs 15:14 Wat moeten we daar van zeggen? Maken deze woorden niet duidelijk dat er veel van afhangt naar wat voor herders je luistert en je niet zomaar naar alle herders moet luisteren? Er is dus geen reden waarom ze ons bang zouden maken met hun titels, om ons zo over te halen om in hun blindheid te delen. We zien immers dat de Heer ons juist bewust waarschuwt, om te voorkomen dat we ons zouden laten leiden door de dwaling van anderen, achter wat voor mooiklinkende naam die dwaling ook schuilgaat. Want als Christus’ woorden waar zijn, sleuren blinde leiders – of ze nu voorgangers, prelaten of pausen genoemd worden – hun metgezellen onvermijdelijk met zich mee dezelfde afgrond in.
Benamingen als ‘concilies’, ‘herders’ en ‘bisschoppen’ kunnen dus zowel misbruikt als terecht gebruikt worden. Die moeten dus niet verhinderen dat we uit waarschuwende voorbeelden van woorden en dingen leren dat we alle geesten van alle mensen moeten onderzoeken volgens de norm van Gods Woord. Zo moeten we toetsen of ze wel van God komen.
Concilies moeten de Schrift uitleggen
Ik heb nu bewezen dat de kerk geen macht gekregen heeft om een nieuwe leer te stichten. Laten we het daarom nu gaan hebben over de macht die de roomsen voor de kerk claimen in het uitleggen van de Schrift.
Ik geef inderdaad graag toe dat, als er een verschil van mening bestaat over een bepaald onderdeel van de leer, er geen beter en betrouwbaarder geneesmiddel bestaat dan dat er een synode bijeenkomt van echte bisschoppen. Dan kunnen die daar het ter discussie gestelde leerstuk onderzoeken.
Want in de eerste plaats zal zo’n algemene uitspraak waar de herders van de kerken het over eens zijn, nadat ze de Heilige Geest te hulp geroepen hebben, meer effect hebben dan wanneer ieder afzonderlijk thuis zo’n uitspraak zou doen en aan het volk zou leren, of wanneer enkele privé-personen die opstelden.
In de tweede plaats, als de bisschoppen bij elkaar komen, kunnen ze gemakkelijker samen overleggen wat ze moeten leren en in welke vorm ze dat moeten doen. Dan geven ze geen aanstoot door diversiteit.
In de derde plaats schrijft Paulus deze handelwijze voor bij het beoordelen van de leer: hij kent elke afzonderlijke kerk het recht toe om de leer te beoordelen. Maar hij geeft ook aan op welke manier er gehandeld moet worden bij ernstiger zaken: de kerken moeten samen van zo’n zaak kennis nemen. 1 Korinthiërs 14:29
Dus stel dat iemand de kerk in verwarring brengt met een vreemd dogma en de zaak zover komt dat er gevaar dreigt voor een nog grotere onenigheid. Een vroom besef zelf leert ons dan dat eerst de kerken moeten samenkomen. Zij moeten het gepresenteerde meningsverschil onderzoeken. En na een grondige bespreking moeten ze uiteindelijk op basis van de Schrift een openbare uitspraak doen die de twijfel bij het volk kan wegnemen en goddeloze en eerzuchtige mensen de mond kan snoeren, zodat ze niet verder durven gaan.
Toen Arius opstond, is dus het concilie van Nicea bijeengeroepen. Het gezag van dat concilie heeft de misdadige pogingen van die goddeloze man verijdeld en voor de kerken de vrede hersteld die hij verstoord had. Tegenover zijn heiligschennende leer hield dit concilie staande dat Christus God is. Daarna stichtten Eunomius en Macedonius nieuwe verwarring. Toen heeft men hun waanzin met hetzelfde middel bestreden met het concilie van Constantinopel. Het concilie van Efeze heeft de goddeloosheid van Nestorius verslagen. Kortom, vanaf het begin is dit in de kerk de gebruikelijke manier geweest om de eenheid te bewaren, telkens als Satan iets in zijn schild begon te voeren.
Maar we moeten wel bedenken dat er niet altijd en overal zulke verdedigers van de ware leer te vinden zijn als Athanasius, Basilius de Grote en Cyrillus, zoals de Heer toen liet opstaan. Ja, we moeten bedenken wat er op het tweede concilie van Efeze gebeurd is. Daar werd de ketterij van Eutyches gehandhaafd, werd Flavianus – een man die als een heilig man herdacht wordt – met enkele vrome mannen in ballingschap gedreven en werden veel van zulke wandaden gepleegd. En wel omdat niet de Geest van de Heer de leiding had, maar Dioscorus, een twistzieke en kwaadaardige man.
Maar, zal men zeggen, de kerk was daar niet. Dat geef ik toe. Want ik ben er heel zeker van dat in de kerk de waarheid niet verloren gaat, ook al wordt zij door één concilie onderdrukt. Nee, ze wordt wonderlijk door de Heer bewaard om op het juiste moment opnieuw de kop op te steken en te overwinnen. Maar ik ontken wel dat elke uitleg van de Schrift die door een concilie wordt geaccepteerd, waar en zeker is.
Niet alles wat concilies uitspreken is Schriftuitleg
Maar de roomsen bedoelen iets anders als ze leren dat de concilies de macht hebben om de Schrift uit te leggen, zonder dat je daartegen in beroep kunt. Want ze gebruiken dat als voorwendsel om alles wat op concilies bepaald is, uitleg van de Schrift te noemen. Over het vagevuur, de voorbede door de heiligen, de biecht en dat soort dingen zul je in de Schrift geen letter vinden. Maar al die dingen zijn bevestigd door het gezag van de kerk. Beter gezegd: de kerk heeft die met haar mening en gewoonte geaccepteerd. En dus moet elk van die dingen beschouwd worden als uitleg van de Schrift. En dat niet alleen. Nee, zelfs als een concilie iets bepaalt dat in strijd is met de Schrift, moet het uitleg van de Schrift genoemd worden.
Christus beveelt dat ieder moet drinken uit de beker die Hij bij het avondmaal uitdeelt. Mattheüs 26:27-28 Het concilie van Konstanz (1414-1418) heeft verboden de beker aan het volk te geven. Het wilde dat alleen de priester drinkt. Dus wat diametraal in strijd is met Christus’ instelling, daarvan willen zij dat we het beschouwen als een uitleg daarvan.
Paulus noemt een verbod op trouwen huichelarij van demonen. 1 Timotheüs 4:1-3 En ergens anders verklaart de Geest dat het huwelijk heilig en fatsoenlijk is voor iedereen. Hebreeën 13:4 Maar de roomsen hebben later de priesters het huwelijk verboden. En ze willen dat we dat als een ware en logische uitleg van de Schrift beschouwen. Terwijl je niets kunt verzinnen dat zo ver van de Schrift af staat. Als iemand het zou wagen hiertegen een kik te geven, dan wordt hij uitgemaakt voor ketter. Want tegen een uitspraak van de kerk is geen beroep mogelijk en het is niet toegestaan om te betwijfelen of haar uitleg wel waar is.
Waarom zou ik de spot drijven met zoveel onbeschaamdheid? Ik heb die aangewezen en daarmee heb ik die ook overwonnen!
Ik sla expres over wat de roomsen leren over de macht om de Schrift goed te keuren. Zij onderwerpen Gods uitspraken aan de beoordeling van mensen, zodat hun geldigheid afhangt van menselijke willekeur. Maar dat is immers godslastering! Het is het niet waard dat ik dat noem. Bovendien heb ik dit punt eerder al besproken.
Ik vraag hun echter één ding: als het gezag van de Schrift gebaseerd is op de goedkeuring van de kerk, van welk concilie willen ze dan een besluit aanhalen over deze kwestie? Zo’n concilie hebben ze volgens mij niet. Maar waarom liet Arius dan toe dat hij overwonnen werd met citaten uit het evangelie van Johannes? Volgens de roomsen had hij immers de vrijheid die te verwerpen. Want die waren niet vooraf door een concilie goedgekeurd.
Ze beroepen zich op een oude lijst, die de ‘canon’ genoemd wordt. En ze zeggen dat die canon het resultaat is van een besluit van de kerk. Maar opnieuw vraag ik: op welk concilie is die canon dan opgesteld? Hier kunnen ze opnieuw niet anders dan zwijgen.
Bovendien zou ik trouwens wel eens willen weten wat voor canon dat volgens hen dan was. Want ik zie dat die canon bij de oude schrijvers nog onvoldoende vaststond. En als we waarde moeten hechten aan wat Hiëronymus zegt, moeten de boeken van de Makkabeeën, het boek Tobith, Jezus Sirach en dergelijke naar de apocriefen verwezen worden. Maar daar kunnen de roomsen nooit toe komen.
Voetnoten
- 587
Augustinus, Contra Maximinum Arianum II, 14,3.
- 588
Leo III († 741), keizer van het Byzantijnse rijk.
- 589
Epiphanius († 403), bisschop van Salamis.
- 590
Gregorius van Nazianze, Epistulae,103.
- 591
Eunomius (4e eeuw), bisschop van Cízycus.
- 592
Macedonius I (4e eeuw), aartsbisschop van Constantinopel.
Voetnoot 587
Augustinus, Contra Maximinum Arianum II, 14,3.
Voetnoot 588
Leo III († 741), keizer van het Byzantijnse rijk.
Voetnoot 589
Epiphanius († 403), bisschop van Salamis.
Voetnoot 590
Gregorius van Nazianze, Epistulae,103.
Voetnoot 591
Eunomius (4e eeuw), bisschop van Cízycus.
Voetnoot 592
Macedonius I (4e eeuw), aartsbisschop van Constantinopel.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.