Boek IV · Hoofdstuk 11
Kerkelijke rechtspraak
Inhoud van dit hoofdstuk · 16 secties
- 1De sleutelmacht en de prediking
- 2De sleutelmacht en de tucht
- 3Kerkelijke en burgerlijke rechtspraak
- 4De kerk kan niet zonder geestelijke rechtspraak
- 5Door het Woord, zonder geweld
- 6Door een raad van ouderlingen
- 7Bederf van de kerkelijke rechtspraak
- 8De zwaardmacht van de roomse kerk
- 9De zwaardmacht past niet bij de geestelijke taak
- 10Het toe-eigenen van de zwaardmacht
- 11De wereldlijke macht van de paus
- 12De schenking van Constantijn de Grote
- 13Het begin van de wereldlijke macht van de paus
- 14Het standpunt van Gregorius de Grote over wereldlijke claims door geestelijken
- 15Immuniteit voor roomse geestelijken
- 16Geestelijken moeten zich onderwerpen aan de wereldlijke overheid
De sleutelmacht en de prediking
Nu is alleen het derde onderdeel nog over van de macht van de kerk. Bij een goed geregelde toestand is dat het belangrijkste onderdeel. Zoals ik gezegd heb, gaat het dan om de rechtspraak. En heel de rechtspraak van de kerk heeft te maken met de tucht over leven en moraal. Daar zal ik het straks over hebben.
Ik heb al geleerd en moet dat nu herhalen: geen enkele stad en geen enkel dorp kan bestaan zonder overheid en burgerlijke regering. En zo heeft ook Gods kerk haar geestelijke regering nodig. Die staat echter helemaal los van de burgerlijke regering. En ze belemmert die niet en doet er niets aan af, maar helpt en bevordert die juist. In de kern is de macht van de rechtspraak dus niets anders dan een orde die is ingesteld om de geestelijke regering te bewaren. Voor dat doel zijn er in de kerken vanaf het begin rechtbanken ingesteld om leven en moraal te beoordelen, fouten te bestraffen en de sleuteltaak te bedienen.
Paulus wijst deze orde aan in zijn brief aan de Korinthiërs, als hij het heeft over regeertaken. 1 Korinthiërs 12:28 En ook in zijn brief aan de Romeinen, als hij zegt: ‘Wie leiding geeft, moet dat ijverig doen.’ Romeinen 12:8 Hij spreekt daar immers geen overheidspersonen aan, want er waren toen nog geen christelijke overheidspersonen. Nee, hij spreekt degenen aan die samen met de herders moesten zorgen voor de geestelijke regering van de kerk. Ook in zijn brief aan Timotheüs heeft Paulus het over twee soorten ouderlingen: de ene soort werkt in het Woord, maar de andere soort bedient niet het Woord, maar regeert wel. 1 Timotheüs 5:17
Met deze laatste soort bedoelt hij ongetwijfeld degenen die waren aangesteld voor het toezicht op leven en moraal en voor al het gebruik van de sleutels. Want de macht waar we het nu over hebben, is volledig afhankelijk van de sleutels die Christus aan de kerk gegeven heeft in Mattheüs 18. Daar beveelt Hij dat wie persoonlijke vermaningen minachten, officieel en ernstig vermaand moeten worden. En als ze koppig volhouden, leert Hij dat ze van de gemeenschap van de gelovigen afgesneden moeten worden. Mattheüs 18:15-18
Nu kunnen zulke vermaningen en bestraffingen niet plaatsvinden zonder dat men weet wat er aan de hand is. Daarom is er een rechtbank en een soort college nodig. Dus als we de belofte van de sleutels niet zonder betekenis willen maken en geen eind willen maken aan de ban, aan openbare vermaningen en aan wat er verder van dat soort dingen zijn, dan kan het niet anders of we moeten de kerk iets van rechtspraak toestaan.
De lezers moeten erop letten dat het in deze passage niet gaat over het algemene leergezag. Daar gaat het wel over in Mattheüs 16 en Johannes 20. Mattheüs 16:19; Johannes 20:23 Maar hier in Mattheüs 18 wordt de rechterlijke macht van het sanhedrin voor de toekomst overgedragen op Christus’ kudde. Tot op die dag hadden de Joden hun eigen regeringsvorm. Christus houdt die overeind in zijn kerk, voor zover die een zuivere instelling vormt. En dat doet Hij met een zware sanctie. Dat was nodig, want anders konden brutale en trotse mensen de onaanzienlijke en verachte kerk gemakkelijk minachten.
Nu kan het voor de lezers lastig zijn dat Christus met dezelfde woorden dingen aanduidt die een beetje van elkaar verschillen. Om dat te voorkomen is het goed om deze knoop te ontwarren.
Er zijn dus twee passages waarin het gaat over vastbinden en losmaken. De ene passage is Mattheüs 16. Daar belooft Christus dat Hij de sleutels van het koninkrijk van de hemel aan Petrus zal geven. En vervolgens zegt Hij dat wat Petrus op aarde zal vastbinden of losmaken, ook in de hemel vastgebonden of losgemaakt zal zijn. Mattheüs 16:19 Met die woorden bedoelt Hij niets anders dan wat Hij met andere woorden zegt bij Johannes. Hij stond op het punt zijn leerlingen uit te zenden om te prediken. Hij had op hen geblazen. En dan zegt Hij: ‘Als jullie iemand zijn zonden vergeven, zullen die vergeven zijn. En als jullie ze vasthouden, dan zullen ze vastgehouden worden in de hemel.’ Johannes 20:23
Ik zal een uitleg geven die niet spitsvondig, geforceerd of verdraaid is, maar zuiver, voor de hand liggend en gemakkelijk te begrijpen. Dit gebod over het vergeven en vasthouden van zonden en de belofte aan Petrus over het vastbinden en losmaken moeten we alleen laten slaan op de bediening van het Woord. Toen Christus die bediening toevertrouwde aan zijn apostelen, voorzag Hij hun meteen van de taak om los te maken en vast te binden. Want wat is de kern van het evangelie anders dan dat we allemaal slaven zijn van zonde en dood, maar door de verlossing in Christus Jezus losgemaakt en bevrijd worden? Romeinen 3:24 En dat wie Christus niet als verlosser aannemen en erkennen, veroordeeld en overgegeven worden om voor eeuwig vastgebonden te blijven? Judas1:6
Deze boodschap gaf de Heer aan zijn apostelen, om die over te brengen aan alle volken. En om te bewijzen dat het zijn boodschap was en dat die van Hem afkomstig was, heeft Hij die met dit schitterende getuigenis geëerd. Dat deed Hij om niet alleen de apostelen zelf te versterken, maar ook al degenen naar wie die boodschap toe zou komen.
Het was belangrijk dat de apostelen een vaste en onwrikbare zekerheid hadden over hun prediking. De bediening daarvan zou voor hen niet alleen gepaard gaan met eindeloze moeiten, zorgen, problemen en gevaren. Nee, ze zouden die uiteindelijk met hun bloed bezegelen. Ze moesten dus weten dat hun prediking niet zinloos en leeg was, maar vol kracht en macht.
Daarom was het volgens mij belangrijk dat ze er in zulke grote benauwdheid, moeiten en gevaren van overtuigd waren dat ze Gods zaakwaarnemers waren. Ook al was de hele wereld tegen hen en werden ze door iedereen bestreden, ze moesten weten dat God aan hun kant stond. Ook al was Christus, de auteur van hun leer, op aarde niet zichtbaar aanwezig, ze moesten weten dat Hij in de hemel was om de leer die Hij hun gegeven had te bevestigen.
Aan de andere kant moesten ook hun hoorders onweerlegbare bewijzen krijgen dat de leer van het evangelie niet het woord van de apostelen was, maar van God zelf. Niet een stem geboren op aarde, maar neergedaald uit de hemel. Want deze dingen – vergeving van zonden, de belofte van eeuwig leven en de boodschap van redding – die kunnen mensen nooit in hun macht hebben. Christus verklaarde dat in de prediking van het evangelie niets van de apostelen was. Zij bedienden die alleen maar. Hij was het die via hun mond, als met een instrument, alles zou zeggen en beloven. Een vergeving van zonden die zij zouden verkondigen, was een betrouwbare belofte van God. En de veroordeling die zij zouden uitspreken, was een zeker oordeel van God. En die verklaring is gegeven voor alle eeuwen. Dit blijft vast staan om ons allemaal te laten weten en er zeker van te laten zijn dat het Woord van het evangelie, welk mens het ook predikt, Gods eigen uitspraak is, afgekondigd in de hoogste rechtbank, opgeschreven in het boek van het leven, bevestigd in de hemel, vast en zeker.
We weten dus dat in deze passages de sleutelmacht simpelweg de prediking van het evangelie is. En als we naar de mensen kijken, is dat eigenlijk geen macht, maar meer een bediening.
Want Christus heeft deze macht eigenlijk niet aan de mensen gegeven, maar aan zijn Woord. De mensen heeft Hij aangesteld om dat Woord te bedienen.
De sleutelmacht en de tucht
De andere passage waarin het, zoals ik zei, gaat over de macht om vast te binden en los te maken, is Mattheüs 18. Daar zegt Christus: ‘Als een broeder van de gemeente niet luistert, dan moet hij voor jullie zijn als een heiden of een tollenaar. Echt waar, ik zeg jullie, alles wat jullie op aarde zullen vastbinden, zal ook in de hemel vastgebonden zijn. En alles wat jullie zullen losmaken, zal ook in de hemel losgemaakt zijn.’ Mattheüs 18:17-18 Deze passage is niet volledig gelijk aan de eerste. We moeten deze passage in een iets andere betekenis opvatten. Maar volgens mij zijn ze niet zo verschillend van elkaar dat er geen grote verwantschap tussen hen zou bestaan.
Om te beginnen zijn beide passages gelijk omdat het allebei algemene uitspraken zijn. De macht om vast te binden en los te maken is in beide gevallen hetzelfde: Gods Woord. En ook het gebod en de belofte zijn hetzelfde.
Maar ze verschillen van elkaar omdat het in de eerste passage specifiek gaat over de prediking die de dienaren van het Woord bedienen, terwijl de tweede passage slaat op de tucht van de ban die aan de kerk is toevertrouwd. Als de kerk iemand afsnijdt, bindt ze hem vast. Niet dat ze hem in de eeuwige ondergang en wanhoop gooit. Nee, ze veroordeelt zijn leven en moraal en als hij zich niet bekeert, waarschuwt ze hem er steeds voor dat hij veroordeeld zal worden. Als de kerk iemand aanneemt in haar gemeenschap, maakt ze hem los. Ze laat hem als het ware delen in haar eenheid in Christus Jezus.
Niemand mag het oordeel van de kerk koppig negeren of er weinig waarde aan hechten als hij veroordeeld wordt door de stemmen van de gelovigen. Daarom verklaart de Heer dat zo’n oordeel van de gelovigen niets anders is dan een afkondiging van zijn eigen uitspraak. Wat zij op aarde doen, blijft geldig in de hemel! Want zij hebben Gods Woord – daarmee kunnen ze slechte mensen veroordelen. Zij hebben Gods Woord – daarmee kunnen ze degenen die zich bekeren, weer in genade aannemen. En ze kunnen zich niet vergissen. Hun oordeel kan niet verschillen van Gods oordeel. Want ze oordelen alleen op basis van Gods wet. Dat is geen onzekere of aardse mening, maar Gods heilige wil en een hemelse uitspraak.
Ik heb deze twee passages nu kort, maar volgens mij toch aan elkaar verwant en juist uitgelegd. Maar die waanzinnigen maken geen onderscheid. Op die beide passages proberen ze, afhankelijk van waar hun verwarde hoofd hen heen drijft, het ene moment de biecht, het volgende moment de ban, dan weer de rechtspraak, het recht om wetten te maken of de aflaten te baseren. Bovendien gebruiken ze de eerste passage ook nog om het primaat van de stoel van Rome te bewijzen. Zo laten ze hun sleutels op alle sloten en deuren passen die ze maar willen. Je kunt wel zeggen dat ze hun leven lang het smidsambacht uitoefenen!
Kerkelijke en burgerlijke rechtspraak
Sommigen beelden zich in dat dit allemaal slechts tijdelijk was, zolang de overheidspersonen onze godsdienst nog niet beleden. Maar dat is een vergissing van hen. Want ze beseffen niet hoeveel en wat voor verschil er is tussen de kerkelijke en de burgerlijke regering. De kerk heeft immers niet het recht om het zwaard te gebruiken om te straffen of in bedwang te houden. Ze heeft geen macht om te dwingen, geen gevangenis en geen andere straffen die de overheid wel vaak oplegt. Bovendien gaat het haar er niet om dat degene die gezondigd heeft tegen zijn wil gestraft wordt, maar dat hij zich vrijwillig onderwerpt aan de tucht en zo laat zien dat hij berouw heeft. Er is dus een heel groot verschil. De kerk claimt niets voor zichzelf dat hoort bij de overheid. En de overheid kan niet uitvoeren wat de kerk moet doen.
Dit is gemakkelijker te begrijpen met een voorbeeld. Als er iemand dronken is, zal hij in een goed ingerichte stad een celstraf krijgen. Pleegt hij overspel, dan krijgt hij dezelfde straf of liever een nog zwaardere. Zo wordt er voldaan aan de wetten, de overheid en het uiterlijke recht. Maar het zou kunnen dat hij geen enkel teken van berouw laat zien. Sterker nog, dat hij erover moppert en ertegen tekeergaat. Mag de kerk het daarbij laten? Maar zo iemand kan niet worden toegelaten aan het avondmaal. Dan zou Christus en zijn heilige instelling onrecht gedaan worden! En het is logisch als degene die de kerk aanstoot gegeven heeft met zijn slechte voorbeeld, dat weer goedmaakt door in het openbaar te verklaren dat hij berouw heeft.
Degenen die er anders over denken, komen met een waardeloos argument. Ze zeggen: Christus droeg deze taak op aan de kerk toen er nog geen overheid was die die taak wilde uitvoeren. Maar vaak is de overheid veel te nalatig. Sterker nog, soms moet de overheid misschien zelf wel gestraft worden. Dat is ook keizer Theodosius overkomen. Bovendien zou je hetzelfde kunnen zeggen van heel de Woordbediening. Dus volgens hen moeten de herders nu maar stoppen met het berispen van openbare zonden. Ze moeten nu maar stoppen met vermanen, beschuldigen en verwijten. Want er zijn christelijke overheidspersonen die zulke dingen moeten bestraffen met wetten en met het zwaard. Maar zoals de overheid met straf en dwang de kerk moet zuiveren van dingen die aanstoot gegeven, zo moet de dienaar van het Woord van zijn kant de overheid steunen en ervoor zorgen dat er niet heel veel zondigen. Beide taken moeten dus zo met elkaar verbonden zijn dat ze elkaar helpen in plaats van hinderen.
De kerk kan niet zonder geestelijke rechtspraak
En als je beter over Christus’ woorden nadenkt, zie je inderdaad gemakkelijk dat Hij daar een vaste en blijvende orde, geen tijdelijke orde van de kerk beschrijft. Het is immers ongepast als we degenen die niet naar onze vermaningen willen luisteren, aangeven bij de overheid. Maar dat zou wel moeten als de overheid in de plaats van de kerk gekomen is. Die belofte: ‘Echt waar, ik zeg jullie dat alles wat jullie op aarde vastbinden …’ – zouden wij daarvan moeten zeggen dat dat een belofte is voor één jaar of enkele jaren? Bovendien stelt Christus hier niets nieuws in. Nee, Hij volgt de gewoonte die in de oude kerk van zijn volk altijd al gebruikelijk was. En zo maakt Hij duidelijk dat de kerk niet zonder de geestelijke rechtspraak kan die er vanaf het begin geweest is.
En dit is bevestigd doordat men er in alle tijden mee instemde. Immers, toen de keizers en overheidspersonen Christus begonnen te belijden, is de geestelijke rechtspraak niet meteen afgeschaft. Nee, men regelde het alleen zo dat de geestelijke rechtspraak geen afbreuk deed aan de burgerlijke rechtspraak of daarmee verward werd. En terecht. Want een vrome overheid zal voor zichzelf geen uitzondering maken en zich niet onttrekken aan de algemene gehoorzaamheid van Gods kinderen. En het belangrijkste onderdeel daarvan is dat je je onderwerpt aan de kerk die oordeelt volgens Gods Woord. Laat staan dat een vrome overheid een eind zou moeten maken aan dat oordeel!
‘Want,’ zegt Ambrosius, ‘wat is eervoller dan dat de keizer een zoon van de kerk genoemd wordt? Want een goede keizer staat binnen de kerk, niet boven de kerk.’ Als je de kerk van deze macht berooft om er de kerk mee te tooien, verdraai je dus niet alleen Christus’ uitspraak met een valse uitleg. Je veroordeelt ook alle heilige bisschoppen die er sinds de tijd van de apostelen in zo’n groot aantal geweest zijn. En dat niet om een kleinigheid! Want dan zouden ze onder een vals voorwendsel de eer en de taak van de overheid naar zich toegetrokken hebben.
Door het Woord, zonder geweld
Maar het is ook goed om aan de andere kant te zien hoe in het verleden de rechtspraak op de juiste manier gebruikt werd en hoeveel misbruik er ingeslopen is. Dan weten we wat we moeten afschaffen en wat we vanuit het verleden moeten herstellen, als we het rijk van de antichrist omver willen halen en het echte koninkrijk van Christus weer willen oprichten.
In de eerste plaats is dit het doel van kerkelijke rechtspraak: ergernis voorkomen en, als er toch ergernis ontstaan is, die wegnemen. Bij het gebruik moeten we op twee dingen letten. In de eerste plaats moet deze geestelijke macht volledig gescheiden worden van de zwaardmacht. En in de tweede plaats moet deze macht niet bediend worden volgens het goeddunken van één mens, maar door een wettige vergadering. Aan deze beide dingen hield de kerk zich toen zij nog zuiver was. 1 Korinthiërs 5:4-5
De heilige bisschoppen oefenden hun macht immers niet uit via boetes of gevangenissen of andere burgerlijke straffen. Nee, ze gebruikten alleen het Woord van de Heer, zoals het hoort. Want de strengste straf van de kerk en als het ware de laatste bliksem is de ban. Die wordt alleen gebruikt als het niet anders kan. En daar is geen kracht of geweld voor nodig. De kracht van Gods Woord is daarvoor genoeg.
Kortom, in de oude kerk was de rechtspraak niets anders dan een praktische verklaring, zeg maar, van wat Paulus leert over de geestelijke macht van de herders. Hij zegt: ‘Ons is de macht gegeven om vestingen omver te halen en elke wal neer te halen die tegen het kennen van God wordt opgeworpen, om elke gedachte tot gehoorzaamheid te brengen aan Christus. En wij hebben straf klaarliggen voor alle ongehoorzaamheid.’ 2 Korinthiërs 10:4-6 Dat gebeurt door middel van de prediking van Christus’ leer. En om te voorkomen dat die leer bespot wordt, moeten degenen die belijden dat ze gezinsleden van het geloof zijn, op dezelfde manier beoordeeld worden volgens deze zelfde leer.
En dat kan alleen gebeuren als met de bediening van het Woord ook het recht verbonden is om degenen ter verantwoording te roepen die apart vermaand of strenger bestraft moeten worden. En ook het recht om van de avondmaalsgemeenschap af te houden wie niet toegelaten kunnen worden zonder dat dat grote mysterie ontheiligd wordt. Daarom onderwerpt de apostel de kinderen van de kerk aan bestraffingen als tucht voor hun zonden, terwijl hij ergens anders zegt dat het niet aan ons is om te oordelen over wie buiten staan. 1 Korinthiërs 5:12 Impliciet zegt hij daarmee dus dat er in die tijd oordelen van kracht waren waar van de gelovigen niemand van vrijgesteld was.
Door een raad van ouderlingen
Zoals ik al gesteld heb, berustte zo’n grote macht niet bij een persoon, die naar eigen willekeur alles kon doen wat hij maar wilde. Nee, die macht berustte bij de vergadering van ouderlingen. Die was in de kerk wat in de stad de raad was.
Als Cyprianus vertelt wie in zijn tijd de macht uitoefenden, maakt hij meestal heel de geestelijkheid ondergeschikt aan de bisschop. Maar ergens anders laat hij zien dat de geestelijkheid zelf de leiding had. En dan zo dat het volk erbij betrokken werd. Want hij schrijft: ‘Vanaf het begin van mijn taak als bisschop heb ik besloten niets te doen zonder de raad van geestelijken en de instemming van het volk.’
Maar dit was de algemeen gebruikelijke handelwijze: de raad van ouderlingen voerde de kerkelijke rechtspraak uit. Er waren twee soorten ouderlingen. Ik heb dat al gezegd.
Sommigen waren aangesteld om te onderwijzen en anderen alleen om toezicht te houden op leven en moraal. Stap voor stap ontaardde deze instelling van haar oorsprong. Daardoor namen al in de tijd van Ambrosius alleen de geestelijken nog kennis van kerkelijke vonnissen.
Hijzelf klaagt daarover met deze woorden: ‘In de oude synagoge en daarna in de kerk werd niets gedaan zonder het advies van hun ouderlingen. Ik weet niet dankzij welke nalatigheid dit nu niet meer gebeurt. Misschien komt het door de laksheid of liever de trots van de leraren, doordat zij alleen zelf belangrijk willen lijken.’ We zien hoe verontwaardigd die heilige man is dat er iets in verval geraakt is vergeleken met de betere toestand, zelfs al was de orde in zijn tijd tenminste nog acceptabel. Dus wat zou hij dan zeggen als hij de misvormde ruïnes van tegenwoordig zag? Je ziet er haast geen spoortje meer in van het oude bouwwerk. Wat zou hij klagen!
Om te beginnen heeft één bisschop, in strijd met recht en billijkheid, wat de kerk gekregen heeft naar zich toegetrokken. Want het is net zoals wanneer een consul de senaat wegstuurt en het gezag alleen voor zichzelf opeist. Maar ook al staat de bisschop qua eer boven de anderen, toch heeft de raad meer gezag dan één man. Het is dus veel te hoog gegrepen dat één man de gezamenlijke macht aan zichzelf geeft en zo de weg baant voor tirannie en willekeur, de kerk berooft van waar zij recht op heeft en de door Christus’ Geest aangestelde kerkenraad onderdrukt en afschaft!
Bederf van de kerkelijke rechtspraak
Maar uit het ene kwaad ontstaat altijd een volgend kwaad. En zo hebben de bisschoppen deze taak als hun zorg onwaardig van zich afgeschoven en aan anderen overgelaten. Als gevolg hiervan zijn er ‘officialen’ aangesteld om die taak te vervullen.
Ik zeg nog niet wat voor soort mensen dat zijn. Ik zeg alleen: zij verschillen in niets van wereldlijke rechters. En toch noemen zij zich nog een geestelijke rechtbank, ook al wordt er alleen over aardse zaken geprocedeerd. Ook al zou hier verder geen kwaad in schuilen, hoe durven ze een rechtbank waar allerlei rechtszaken uitgevochten worden, een kerkelijke rechtbank noemen?
‘Maar daar zijn toch vermaningen! Daar is toch de ban!’ Zeker, zo spelen ze een spelletje met God. Is een arme man geld schuldig? Hij wordt gedagvaard. Als hij verschijnt, wordt hij veroordeeld. Als hij ondanks zijn veroordeling toch niet betaalt, wordt hij vermaand. Na de tweede vermaning wordt er een stap gezet richting excommunicatie. Als hij niet verschijnt, wordt hij vermaand, dat hij voor de rechtbank moet verschijnen. Als hij dat niet snel genoeg doet, wordt hij vermaand en al snel door de ban getroffen. Ik vraag je: hoe lijkt dit nog maar een beetje op hoe Christus het heeft ingesteld, op wat vroeger de gewoonte was of op hoe het er in de kerk aan toe hoort te gaan?
‘Maar er wordt daar toch ook geoordeeld over zonden!’ Inderdaad, ontucht, onkuisheid, dronkenschap en meer van zulke wandaden accepteren ze niet alleen. Ze keuren die stilzwijgend goed en bevorderen die zelfs in zekere zin. En dat niet alleen bij het gewone volk, maar ook bij de geestelijken zelf. Van de velen dagvaarden ze slechts enkelen, óf om niet de indruk te wekken dat ze zich er helemaal niet druk om maken, óf om hun geld af te persen.
Ik zwijg over het plunderen, roven en stelen en de heiligschennis die eruit voortkomen. Ik zwijg erover wat voor mensen meestal voor deze taak worden uitgekozen. Het is meer dan genoeg dat de roomsen pochen op hun geestelijke rechtspraak, terwijl we gemakkelijk kunnen bewijzen dat niets zo erg in strijd is met de manier waarop Christus die heeft ingesteld. Hun rechtspraak lijkt niet méér op wat vroeger de gewoonte was dan dat het donker lijkt op het licht.
De zwaardmacht van de roomse kerk
Ik heb nog niet alles gezegd wat er over dit onderwerp te zeggen valt. En wat ik wel gezegd heb, heb ik slechts kort aangestipt. Toch vertrouw ik erop dat ik de overwinning behaald heb. Nu is er voor niemand meer een reden om eraan te twijfelen dat de geestelijke macht waar de paus met heel zijn rijk mee pronkt, een tirannie is die goddeloos ingaat tegen Gods Woord en die onrechtvaardig is tegenover zijn volk. En onder de noemer ‘geestelijke macht’ vat ik drie dingen samen: zowel hun brutaliteit in het maken van nieuwe dogma’s, waarmee zij het ongelukkige volk hebben afgekeerd van de echte zuiverheid van Gods Woord, als de onredelijke bepalingen waar zij het in verstrikt hebben en ten slotte ook de onterecht zogenoemde kerkelijke rechtspraak, die zij bedienen via hun suffraganen en officialen. Want als wij Christus toestaan dat zijn rijk onder ons bestaat, kan het niet anders of dit soort overheersing wordt meteen omvergehaald en stort in.
Bij het onderwerp dat we nu bespreken, hoeven we het er niet over te hebben dat ze zich ook de zwaardmacht toekennen. Want die wordt niet gebruikt tegen het geweten. Toch is het goed om ook daarbij op te merken dat ze altijd blijven wie ze zijn: allesbehalve wat ze willen zijn: herders van de kerken.
En ik verwijt hun ook geen individuele fouten van personen, maar de gezamenlijke misdaad van heel hun orde. Sterker nog, het bederf van hun orde zelf. Want we mogen aannemen dat die er verminkt uit zou zien zonder opvallende rijkdom en titels. Als we in deze kwestie vragen naar het gezag van Christus, dan is er geen twijfel aan dat Hij de dienaren van zijn Woord wilde afhouden van burgerlijk gezag en wereldlijke regering. Hij zei:
‘De koningen van de volken regeren over hen. Maar jullie mogen dat niet doen.’ Mattheüs 20:25-26; Marcus 10:42-44; Lucas 22:25-26 Christus geeft niet alleen aan dat de taak van een herder anders is dan de taak van een vorst. Hij geeft ook aan dat die dingen zo verschillend zijn dat ze niet in één persoon kunnen samenvallen.
Mozes heeft wel beide taken tegelijk vervuld. Maar in de eerste plaats kon dat dankzij een zeldzaam wonder. En in de tweede plaats was het tijdelijk, totdat de dingen beter geregeld waren. Als de Heer een bepaalde vorm voorschrijft, mag Mozes de burgerlijke regering houden, maar krijgt hij het bevel het priesterschap over te dragen aan zijn broer. Exodus 18:13-26 En terecht. Want het gaat onze natuur te boven dat één mens beide lasten zou kunnen dragen.
En daar heeft de kerk zich in alle eeuwen zorgvuldig aan gehouden. Zolang de kerk nog haar juiste vorm had, dacht geen enkele bisschop eraan om de zwaardmacht naar zich toe te trekken. Zodoende bestond er in de tijd van Ambrosius zelfs een algemeen gebruikelijk spreekwoord dat de keizers meer zin hadden in het priesterschap dan de priesters in het keizerschap. Want in ieders hart zat diep ingeprent wat hij later zegt: de paleizen zijn voor de keizer en de kerken voor de priester.
De zwaardmacht past niet bij de geestelijke taak
Echter, eerst werd er een manier bedacht waarop bisschoppen de titel, eer en rijkdom van hun taak konden houden zonder de last en zorg ervan. En om ze niet helemaal werkloos te laten, werd hun daarna de zwaardmacht gegeven. Of beter gezegd: die eigenden ze zich toe. Met welk voorwendsel kunnen ze deze brutaliteit toch wel verdedigen? Hoorde het bij de taak van bisschoppen om zich te bemoeien met juridische procedures en het bestuur van provincies en om allerlei activiteiten te ondernemen die ver van hen afstaan? Terwijl ze in hun eigen taak zoveel te doen hebben dat ze die nauwelijks zouden kunnen uitvoeren zoals het hoort, zelfs al zouden ze daar continu al hun tijd aan besteden en zich door niets laten afleiden.
Maar ze zijn zo koppig dat ze niet aarzelen te pochen dat zo de glorie van Christus’ rijk bloeit zoals het hoort en dat zij ondertussen niet te veel worden afgeleid van het bedienen van hun roeping.
Wat betreft het eerste: is het een gepast sieraad van de heilige taak dat zij zijn opgeklommen tot zo’n hoge rang dat zelfs de hoogste vorsten ontzag voor hen hebben? Dan hebben ze wel reden om te klagen over Christus! Hij kwetst in dat opzicht hun eer enorm. Wat kon er, volgens hen dan, beledigender zijn dan dit? ‘De koningen en vorsten van de volken regeren over hen. Maar jullie mogen dat niet doen.’ Mattheüs 20:25-26; Marcus 10:42-44; Lucas 22:25-26 Toch legt Hij zichzelf geen strengere wet op dan Hij eerst zelf gedragen en geaccepteerd heeft. Hij zegt: ‘Wie heeft Mij als rechter of verdeler over jullie aangesteld?’ Lucas 12:14 We zien dat Hij de taak van rechtspreken simpelweg van zich af gooit. En dat zou Hij niet doen als dat iets was dat paste bij zijn taak. Moeten dienaren zich niet bukken onder de orde waar de Heer zich aan onderwierp?
Wat betreft het tweede: ze kunnen wel heel gemakkelijk zeggen dat ze niet te veel worden afgeleid van het bedienen van hun roeping. Maar ik zou willen dat ze het ook daadwerkelijk bewezen! De apostelen vonden het niet goed om de prediking van Gods Woord los te laten om aan de tafels te bedienen. Handelingen 6:2 Als mijn tegenstanders niet willen leren, moet dit hen er toch van overtuigen dat één man niet tegelijk een goede bisschop en een goede vorst kan zijn. De apostelen hadden zoveel gaven gekregen dat ze meer en grotere zorgen konden dragen dan alle mensen die na hen geboren zijn. Toch gaven zij toe dat ze niet tegelijk het Woord en de tafels konden bedienen zonder onder die last te bezwijken. En met hen vergeleken zijn mijn tegenstanders maar onbeduidende mensjes. Hoe zouden zij hen dan qua ijver honderdmaal kunnen overtreffen? Als je dat wilt proberen, getuigt dat van een heel onbeschaamde en brutale overmoed! Toch zien we dat het gebeurt is. En het is duidelijk hoe het is afgelopen. Immers, het was onvermijdelijk dat ze uit hun taak zouden deserteren en zouden overlopen naar het andere kamp.
Het toe-eigenen van de zwaardmacht
Er is geen twijfel aan dat de roomsen vanaf een klein begin stap voor stap zover gekomen zijn. Ze konden immers niet meteen met de eerste stap zo hoog opklimmen. Het ene moment verhieven ze zich sluw en met slinkse streken, stiekem, zonder dat iemand zag aankomen dat het zou gebeuren voordat het gebeurd was. Een ander moment persten ze bij een gunstige gelegenheid de vorsten extra macht af door hen schrik aan te jagen en te bedreigen. En nog een ander moment zagen ze dat de vorsten het niet erg vonden om iets weg te geven en maakten ze misbruik van die dwaze en onbezonnen toegeeflijkheid.
Vroeger lieten de vromen de bisschop oordelen als er een meningsverschil was ontstaan. Aan zijn integriteit twijfelden ze niet en zo konden ze voorkomen dat ze moesten gaan procederen. De bisschoppen kregen in het verleden vaak te maken met zulke oordelen, ook al waren ze daar zelf niet blij mee. Augustinus getuigt dat ergens. Maar om te voorkomen dat de partijen een rechtszaak zouden beginnen, namen ze deze last toch met tegenzin op zich. Dit vrijwillig vellen van een oordeel had niets te maken met de juridische processen voor de wereldlijke rechter. Toch hebben de pausgezinden er gewone rechtspraak van gemaakt.
Korte tijd later raakten steden en landen door verschillende problemen in het nauw. Toen stelden zij zich onder de hoede van de bisschoppen, om door hun trouw te worden beschermd. Maar zij hebben zich met een wonderlijke handigheid in plaats van beschermers, meesters gemaakt.
Niemand kan ontkennen dat ze het grootste deel van hun macht gekregen hebben dankzij wilde oproeren. En verschillende motieven hebben de vorsten ertoe aangezet uit eigen beweging de rechtspraak aan de bisschoppen te geven. Hun toegeeflijkheid lijkt misschien wel vroom. Toch was die vrijgevigheid verkeerd en hebben ze daarmee niet goed voor de belangen van de kerk gezorgd. Want op die manier hebben ze de oude en echte tucht bedorven. Sterker nog, om de waarheid te zeggen, ze hebben die volledig vernietigd. En de bisschoppen hebben deze goedheid van de vorsten misbruikt voor hun eigen voordeel. Alleen al door dat ene voorbeeld hebben ze voldoende bewezen dat ze helemaal geen bisschoppen zijn. Want als ze maar een vonkje gehad hadden van de geest van de apostelen, zouden ze ongetwijfeld geantwoord hebben met de woorden van Paulus dat de wapens voor onze strijd niet vleselijk, maar geestelijk zijn. 2 Korinthiërs 10:4 Maar meegesleurd door hun blinde begeerte hebben ze zichzelf, hun opvolgers en de kerk bedorven.
De wereldlijke macht van de paus
Uiteindelijk was de paus van Rome niet tevreden met middelmatige provincies en heeft hij eerst zijn hand gelegd op koninkrijken en daarna zelfs op het keizerrijk. Hij heeft die enkel door diefstal in handen gekregen, maar om ze te kunnen behouden gebruikt hij het ene moment als voorwendsel een goddelijk recht, dan weer de schenking door Constantijn de Grote en dan weer nog een andere juridische basis.
Om te beginnen antwoord ik met Bernardus van Clairvaux: ‘Stel dat hij inderdaad op een of andere manier aanspraak kan maken op dit bezit. Toch kan hij dat niet volgens apostolisch recht. Petrus kon immers niet geven wat hij niet had. Nee, hij heeft zijn opvolgers alleen gegeven wat hij had: de zorg voor de kerken. En de Heer en leermeester zegt dat Hij niet aangesteld is als rechter over twee mensen. Lucas 12:14 Dus moet de slaaf en leerling het niet beneden zijn waardigheid vinden als hij geen rechter is over alle mensen.’
En Bernardus heeft het over de burgerlijke rechtspraak, want hij voegt eraan toe: ‘Uw macht ligt dus in zonden en niet in bezit. Want u hebt de sleutels van het koninkrijk van de hemel gekregen om de zonden en niet om bezit. Wat vindt u eervoller? De macht om zonden te vergeven of de macht om landgoederen te verdelen? Ze zijn niet te vergelijken. Deze zwakke en aardse dingen hebben hun eigen rechters: de koningen en vorsten van de aarde. Waarom dringt u het gebied van iemand anders binnen?’
En – hij heeft het tegen paus Eugenius III: ‘U bent machthebber. Waarom? Volgens mij toch niet om te regeren. Dus al denken we nog zo veel van onszelf, we moeten bedenken dat ons een bediening is opgelegd. We hebben geen macht gekregen om te regeren. U moet leren dat u een wan nodig hebt, geen scepter.’
En: ‘Het is duidelijk: het wordt de apostelen verboden om te regeren. U moet dus maar uw gang gaan en u als regeerder het apostelschap aan durven matigen of als drager van het apostelschap de macht om te regeren.’ En meteen daarna: ‘Zo ziet het apostelschap eruit: regeren is verboden, bedienen is verplicht.’
Zoals deze man dit zegt, is het voor ieder duidelijk dat hij de waarheid zelf spreekt. Sterker nog, dit is zo duidelijk dat we geen woord meer hoeven te zeggen. Toch heeft de paus van Rome zich er niet voor geschaamd om op het concilie van Arles (1234) te besluiten dat hij door goddelijk recht het hoogste recht heeft op zowel het wereldlijke als het geestelijke zwaard.
De schenking van Constantijn de Grote
Wat betreft de schenking van Constantijn de Grote: als je maar een beetje thuis bent in de geschiedverhalen uit die tijd, hoeft je niet geleerd te worden dat dit niet alleen ongeloofwaardig, maar zelfs belachelijk is. Maar ik laat die geschiedverhalen rusten. Alleen Gregorius de Grote is al een geschikte en heel betrouwbare getuige in deze kwestie. Want telkens als hij het over de keizer heeft, noemt hij die zijn heel genadige heer en zichzelf de onwaardige dienaar van de keizer.
En ergens anders zegt hij: ‘Onze heer moet, vanwege zijn aardse macht, niet te snel boos worden op de priesters. Hij moet goed bedenken wiens dienaren zij zijn. Omwille van Hem moet hij zo over hen regeren dat hij hun ook de verschuldigde eerbied bewijst.’ We zien dat Gregorius beschouwd wil worden als iemand van het volk, samen onderworpen aan de keizer. Want hij pleit hier niet voor iemand anders, maar voor zichzelf.
Ergens anders zegt hij: ‘Ik vertrouw op de almachtige God, dat Hij onze vrome heren een lang leven zal geven en ons onder uw hand zal leiden volgens zijn barmhartigheid.’
Ik haal deze citaten niet aan omdat ik de kwestie van de schenking van Constantijn grondig wil onderzoeken. Ik wil alleen maar dat mijn lezers in het voorbijgaan zien hoe kinderachtig de roomsen liegen als ze hun paus een aardse regeermacht proberen toe te kennen.
Extra schandelijk is het daarom dat Augostino Steuco zo onbeschaamd geweest is om in zo’n hopeloze zaak zijn arbeid en tong te verkopen aan de paus van Rome. Lorenzo Valla had deze fabel overtuigend weerlegd. Voor een geleerd en intelligent man was dat niet moeilijk. Maar in kerkelijke zaken had hij niet voldoende ervaring. Daarom had hij niet alles gezegd wat voor deze kwestie relevant was. Steuco komt naar voren en strooit weerzinwekkende praatjes rond om het heldere licht te verduisteren. En hij behartigt de zaak van zijn heer echt net zo onbenullig als een of andere grappenmaker zou doen in een parodie om Valla te ondersteunen. Wat een belangrijke kwestie! Die is het echt waard dat de paus met geld zulke beschermers inhuurt! En even waard zijn die ingehuurde keffers het dat ze in hun winstbejag bedrogen uitkomen – zoals Steuco overkomen is.
Het begin van de wereldlijke macht van de paus
Verder, misschien vraagt iemand op welk moment die verzonnen regeermacht voor het eerst opgekomen is. Het is nog geen vijfhonderd jaar geleden dat de pausen nog onderworpen waren aan de vorsten en er geen paus gekozen werd buiten het gezag van de keizer om. Gregorius VII kreeg van keizer Hendrik IV de gelegenheid om deze orde te veranderen. Deze keizer was een lichtzinnig en roekeloos man, iemand zonder beleid, heel overmoedig en met een losbandig leven. De bisdommen van heel Duitsland stonden ter beschikking aan zijn hof, voor een deel om te kopen en voor een deel om te plunderen. Hildebrand, door hem getergd, greep dit aan als een mooi voorwendsel om zich te wreken. En omdat hij een goede en vrome zaak leek te behartigen, werd hij door velen gesteund. Bovendien hadden de meeste vorsten een hekel aan Hendrik, vanwege zijn arrogante manier van regeren.
Uiteindelijk liet Hildebrand, die zich Gregorius VII noemde, blijken hoe boosaardig zijn hart was. Want hij was een onreine en slechte man. Daardoor lieten velen die aan zijn samenzwering meegedaan hadden, hem in de steek. Toch kreeg hij voor elkaar dat zijn opvolger ongestraft niet alleen zijn juk kon afwerpen, maar zelfs de keizer aan zich kon onderwerpen.
Daar kwam nog bij dat er daarna veel keizers geweest zijn die meer op Hendrik leken dan op Julius Caesar. Het was niet moeilijk om hen te onderwerpen. Want ze maakten zich nergens druk om en bleven passief thuis zitten, juist als het het hardst nodig was om de begeerten van de pausen met hun kracht en met legitieme middelen te onderdrukken.
We zien met wat voor fraaie voorwendsels die schenking van Constantijn gekleurd is, waardoor de paus beweert dat het West-Romeinse rijk aan hem gegeven is.
Het standpunt van Gregorius de Grote over wereldlijke claims door geestelijken
Sinds die tijd zijn de pausen er niet meer mee opgehouden om het gezag van anderen naar zich toe te trekken, de ene keer door middel van bedrog, een andere keer door middel van ontrouw en dan weer door middel van wapens. Ongeveer honderddertig jaar geleden hebben ze ook de stad Rome zelf, die toen vrij was, aan hun macht onderworpen. Ze gingen door tot ze de macht bereikten die ze tegenwoordig in bezit hebben. En om die te behouden of uit te breiden hebben ze de christelijke wereld tweehonderd jaar lang zo in verwarring gebracht – ze begonnen daar al mee voor ze de macht grepen over de stad – dat ze haar haast vernietigd hebben.
In het verleden, in de tijd van Gregorius de Grote, legden bewaarders van kerkelijke goederen de hand op landgoederen die, volgens hen, van de kerk waren. En net zoals bij staatseigendommen gebeurt, drukten ze er het stempel op van een eigendomsaanspraak – een ‘titel’ – om het eigendomsrecht te bezegelen. Gregorius riep toen een concilie van bisschoppen bijeen en voer heftig uit tegen die onheilige manier van doen. Hij vroeg of ze niet vonden dat een geestelijke die uit eigen beweging een titel uitschreef in een poging om zo bezit in handen te krijgen, vervloekt was. Net als een bisschop die er opdracht voor gaf of die het niet bestrafte als het tegen zijn bevel in gebeurde. Allemaal verklaarden ze dat zo iemand vervloekt was.
Als het voor een geestelijke een misdaad is waarmee hij het verdient om vervloekt te worden, als hij door het uitschrijven van een titel aanspraak maakt op een stuk grond, wat voor vervloekingen kunnen dan voldoende zijn om de daden te bestraffen van de pausen? Tweehonderd jaar lang zetten ze hun zinnen op niets anders dan oorlog, bloedvergieten, het afslachten van legers, het plunderen van steden, het verwoesten van andere steden, het uitmoorden van volken en het vernietigen van koninkrijken, alleen om de hand te kunnen leggen op de eigendommen van anderen!
Het is natuurlijk volstrekt helder dat ze allesbehalve de eer van Christus zoeken. Want als ze alle wereldse macht die ze hebben uit eigen beweging volledig zouden opgeven, loopt Gods eer of de gezonde leer of het welzijn van de kerk geen enkel gevaar. Nee, ze laten zich enkel meeslepen door hun begeerte om te heersen. Want ze denken dat niets veilig is als ze niet, zoals de profeet Ezechiël zegt, regeren met harde hand en met geweld. Ezechiël 34:4
Immuniteit voor roomse geestelijken
Verbonden met de rechtspraak is de immuniteit die de roomse geestelijken voor zichzelf claimen. Ze vinden het beneden hun waardigheid dat zij zich voor een burgerlijke rechter zouden moeten verantwoorden in zaken die hen persoonlijk aangaan. En ze zijn van mening dat zowel de vrijheid als het aanzien van de kerk inhouden dat zij niet onderworpen zijn aan de algemene rechtspraak en wetten.
Maar de oude bisschoppen, die in andere opzichten heel streng waren in het handhaven van het recht van de kerk, waren van mening dat het hen en hun orde niet schaadde als zij aan de wetten onderworpen waren. Bovendien hebben de vrome keizers steeds als dat nodig was, geestelijken voor hun rechtbank gedaagd. En niemand verzette zich daartegen.
Want Constantijn de Grote zegt in zijn brief aan de inwoners van Nicomedia: ‘Als een van de bisschoppen onbezonnen opschudding veroorzaakt heeft, zal zijn brutaliteit bedwongen worden door de macht van Gods dienaar. Door mijn macht dus.’
En keizer Valentinianus zegt: ‘Goede bisschoppen spreken de macht van de keizer niet tegen. Nee, zij houden zich oprecht aan de geboden van God, de grote koning, en gehoorzamen onze wetten.’ In die tijd was iedereen daarvan overtuigd. Er bestond geen verschil van mening over.
Kerkelijke zaken vielen inderdaad onder het oordeel van de bisschop. Bijvoorbeeld als een geestelijke geen wet overtreden had, maar alleen een van de kerkelijke canones. Dan werd hij niet gedagvaard voor een algemene rechtbank. Nee, dan was in zijn zaak de bisschop de rechter. Zo ging het ook als er een meningsverschil over het geloof werd behandeld of een zaak die direct te maken had met de kerk. Ook dan was het de taak van de kerk om daarin recht te spreken.
Zo moeten we opvatten wat Ambrosius schrijft aan Valentinianus: ‘Uw vader, die we met hoogachting in herinnering houden, heeft niet alleen mondeling uitgesproken, maar ook in wetten vastgelegd dat in een geloofszaak iemand moet oordelen die daar qua taak en qua recht geschikt voor is.’ En: ‘Als we kijken naar de Schrift of naar voorbeelden uit het verleden, wie durft dan ontkennen dat in een zaak die betrekking heeft op het geloof – ik herhaal: een zaak die betrekking heeft op het geloof – bisschoppen oordelen over keizers en keizers niet over bisschoppen?’ En: ‘Ik zou naar uw kabinet gekomen zijn, keizer, als de bisschoppen of het volk mij hadden laten gaan. Maar zij zeggen dat een zaak die betrekking heeft op het geloof, in de kerk behandeld moet worden, voor het volk.’
Weliswaar stelt Ambrosius dat een geestelijke zaak – een zaak die betrekking heeft op de godsdienst – niet behandeld moet worden voor een burgerlijke rechtbank, waar aardse geschillen worden behandeld. Terecht prijst iedereen hem om zijn standvastigheid in deze kwestie. Maar ook al heeft hij daarin gelijk, toch gaat hij zover dat hij zegt dat hij zal toegeven als er fysiek geweld gebruikt zou worden. Hij zegt: ‘Ik zal de plaats die mij is toevertrouwd niet vrijwillig verlaten. Maar als ik gedwongen wordt, zal ik me niet verzetten. Want onze wapens zijn gebed en tranen.’
Laten we erop letten hoe beheerst en verstandig die heilige man was en hoe grootmoedig en vol vertrouwen ook. Justina, de moeder van de keizer, deed haar best om hem uit de regering van de kerk weg te krijgen, omdat ze hem niet kon overhalen om de kant van de arianen te kiezen. Het zou haar gelukt zijn als hij, toen hij naar het paleis geroepen werd om zijn zaak te bepleiten, inderdaad gekomen was. Hij ontkent dus dat de keizer geschikt is om recht te spreken in zo’n groot geschil. Dat was nodig gezien de omstandigheden in die tijd, maar ook omdat de aard van de zaak dat altijd vraagt. Want hij vond dat hij beter kon sterven dan dat hij toestemming gaf om zo’n voorbeeld over te leveren aan het nageslacht. Toch denkt hij er niet over om zich te verzetten als er geweld gebruikt zou worden. Want hij zegt dat het een bisschop niet past om het geloof en het recht van de kerk te beschermen met wapens.
Echter, in andere dingen toont hij zich graag bereid om alles te doen wat de keizer beveelt. Hij zegt: ‘Als de keizer belasting eist, weigeren wij niet. De landgoederen van de kerk betalen belasting. Eist de keizer landgoederen? Hij heeft de macht om ze op te eisen. Niemand van ons zal zich ertegen verzetten.’
Op dezelfde manier spreekt ook Gregorius. Hij zegt: ‘Ik ken het hart van onze genadige heer heel goed. Ik weet dat hij zich nooit inlaat met de zaken van de priesters, om te voorkomen dat hij belast zou worden met onze zonden.’ Hij sluit niet volledig uit dat de keizer mag oordelen over priesters. Maar hij zegt dat er bepaalde zaken zijn die de keizer moet overlaten aan het oordeel van de kerk.
Geestelijken moeten zich onderwerpen aan de wereldlijke overheid
Met deze uitzondering wilden de heilige mannen alleen maar voorkomen dat minder vrome vorsten met hun tirannieke geweld en hun willekeur de kerk zouden hinderen in het uitvoeren van haar taak. Immers, zij keurden het niet af als vorsten soms in kerkelijke zaken hun gezag gebruikten. Als dat maar gebeurde om de orde in de kerk te bewaren en niet om die te verstoren. Als het maar gebeurde om de tucht te bevestigen en niet om die af te breken. De kerk heeft niet de macht om te dwingen en moet die macht ook niet willen hebben. Ik heb het dan over burgerlijke dwang. Daarom is het de taak van vrome koningen en vorsten om door wetten, besluiten en rechterlijke uitspraken de godsdienst overeind te houden.
Daarom bevestigde Gregorius de Grote het bevel dat keizer Mauritius gaf aan sommige bisschoppen om hun buren en collega-bisschoppen te ontvangen, die door de barbaren waren verdreven. Gregorius spoort hen aan om dit bevel te gehoorzamen. En toen dezelfde keizer hem waarschuwde dat hij zich moest verzoenen met Johannes, de bisschop van Constantinopel, gaf hij weliswaar aan dat hem niets te verwijten viel. Maar hij pochte niet dat hij immuniteit bezat tegenover een wereldlijke rechtbank. Nee, hij beloofde juist dat hij zou gehoorzamen voor zover zijn geweten hem dat toestond. Bovendien zei hij dat Mauritius, toen hij de priester zulke dingen beval, deed wat een vrome keizer hoorde te doen.
Voetnoten
- 599
Ambrosius van Milaan, Epistulae,32.
- 600
Cyprianus van Carthago, Epistulae,16, 17 en 14.
- 601
Ambrosius van Milaan, Epistula ad Timotheum prima, 5.
- 602
Ambrosius van Milaan, Epistulae, 20,23 en 20,19.
- 603
Bernardus van Clairvaux, De consideratione ad EugeniumI, 6,7; II, 6,9-11.
- 604
Gregorius de Grote, EpistulaeII, 5; III, 20; II, 61; IV, 31.
- 605
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 34.
- 606
Agostino Steuco (1497/1498-1548), Italiaanse humanist.
- 607
Paus Gregorius VII († 1085).
- 608
Hendrik IV (1050-1106), keizer van het Heilige Roomse Rijk.
- 609
Gajus Julius Caesar († 44 v. Chr), Romeinse politicus, generaal en auteur.
- 610
Gregorius de Grote, RegistrumIV, 88.
- 611
Theodoretus van Cyrrhus, Historia ecclesiasticaI, 20; IV, 8.
- 612
Ambrosius van Milaan, Epistulae, 21,2, 4, 17.
- 613
Ambrosius van Milaan, Sermo contra Auxentium de basilicis tradendis,1, 2, 3 en 23.
- 614
Gregorius de Grote, EpistulaeIII, 20.
- 615
Gregorius de Grote, EpistulaeI, 42.
- 616
Gregorius de Grote, EpistulaeIV, 32 en 34; VII, 39.
Voetnoot 599
Ambrosius van Milaan, Epistulae,32.
Voetnoot 600
Cyprianus van Carthago, Epistulae,16, 17 en 14.
Voetnoot 601
Ambrosius van Milaan, Epistula ad Timotheum prima, 5.
Voetnoot 602
Ambrosius van Milaan, Epistulae, 20,23 en 20,19.
Voetnoot 603
Bernardus van Clairvaux, De consideratione ad EugeniumI, 6,7; II, 6,9-11.
Voetnoot 604
Gregorius de Grote, EpistulaeII, 5; III, 20; II, 61; IV, 31.
Voetnoot 605
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 34.
Voetnoot 606
Agostino Steuco (1497/1498-1548), Italiaanse humanist.
Voetnoot 607
Paus Gregorius VII († 1085).
Voetnoot 608
Hendrik IV (1050-1106), keizer van het Heilige Roomse Rijk.
Voetnoot 609
Gajus Julius Caesar († 44 v. Chr), Romeinse politicus, generaal en auteur.
Voetnoot 610
Gregorius de Grote, RegistrumIV, 88.
Voetnoot 611
Theodoretus van Cyrrhus, Historia ecclesiasticaI, 20; IV, 8.
Voetnoot 612
Ambrosius van Milaan, Epistulae, 21,2, 4, 17.
Voetnoot 613
Ambrosius van Milaan, Sermo contra Auxentium de basilicis tradendis,1, 2, 3 en 23.
Voetnoot 614
Gregorius de Grote, EpistulaeIII, 20.
Voetnoot 615
Gregorius de Grote, EpistulaeI, 42.
Voetnoot 616
Gregorius de Grote, EpistulaeIV, 32 en 34; VII, 39.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.