Boek IV · Hoofdstuk 12

Kerkelijke tucht

Inhoud van dit hoofdstuk · 28 secties
  1. 1Tucht is onmisbaar
  2. 2Persoonlijke vermaningen
  3. 3Verborgen en openbare zonden
  4. 4Misdaden en de ban
  5. 5Drie doelen van de tucht
  6. 6De uitvoering van de tucht
  7. 7In de oude kerk waren zelfs vorsten onderworpen aan de tucht
  8. 8Het belang van zachtmoedigheid
  9. 9De grenzen van de tucht
  10. 10De ban is geen veroordeling voor eeuwig
  11. 11De tucht mag niet ten koste gaan van eenheid en vrede
  12. 12De dwaling van de donatisten en de wederdopers
  13. 13Onderwijs voor velen, tucht voor enkelingen
  14. 14Vasten
  15. 15Het doel van vasten
  16. 16Vasten en bidden
  17. 17Vasten als teken van berouw
  18. 18Een definitie van vasten
  19. 19Vasten uit bijgeloof
  20. 20Vasten in de veertigdagentijd
  21. 21Misstanden bij het vasten
  22. 22De tucht voor geestelijken
  23. 23Het celibaat
  24. 24Christus en Paulus keuren het huwelijk goed
  25. 25De priesters uit het Oude Testament zijn geen goed voorbeeld
  26. 26De kerkvaders beschouwden het huwelijk als heilig
  27. 27Het ontstaan van het celibaat als ideaal
  28. 28Een kuis huwelijk is beter dan een onkuis celibaat

Tucht is onmisbaar

Tot hiertoe heb ik de behandeling van de tucht of discipline van de kerk nog uitgesteld. Maar nu moet ik die in enkele woorden uitleggen. Daarna kom ik dan ten slotte toe aan de laatste onderdelen van de leer die nog over zijn.

De tucht is voor een heel groot deel afhankelijk van de sleutelmacht en de geestelijke rechtspraak. Om dit gemakkelijker te kunnen begrijpen, is het goed om de kerk te verdelen in twee basisgroepen: de geestelijken en het volk. Met geestelijken bedoel ik degenen die in de kerk een openbare taak hebben. Het is de gebruikelijke benaming daarvoor, ook al is die eigenlijk onjuist. We gaan het eerst hebben over de algemene tucht, waar iedereen aan onderworpen moet zijn. Daarna komen we toe aan de geestelijkheid, op wie behalve de algemene tucht ook nog een eigen tucht van toepassing is.

Sommigen haten de tucht zo sterk dat ze zelfs een hekel hebben aan het woord ‘tucht’. Daarom moeten zij weten: geen enkele samenleving, ja zelfs geen enkel gezin, hoe weinig leden het ook heeft, kan zonder tucht in de juiste toestand gehouden worden. Daarom is de tucht nog extra nodig in de kerk. Want de toestand van de kerk moet zo ordelijk zijn als maar mogelijk is. Daarom vormt de tucht het zenuwstelsel van de kerk, zoals de reddende leer van Christus de ziel van de kerk is. Door middel van dat zenuwstelsel zijn de ledematen van het lichaam, ieder op zijn plek, met elkaar verbonden.

Ieder die wil dat de tucht verdwijnt of die probeert te verhinderen dat ze hersteld wordt, of je dat nu bewust doet of uit onnadenkendheid, is er daarom op uit de kerk volledig uit elkaar te laten vallen. Want wat zou er gebeuren als ieder vrij zou zijn te doen waar hij zin in heeft? En dat zou toch gebeuren als er geen persoonlijke vermaningen, bestraffingen en andere hulpmiddelen kwamen bij de prediking van de leer, om die leer te ondersteunen en om te voorkomen dat die leer geen effect zou hebben.

De tucht is dus als het ware de teugel waardoor degenen die tegen Christus’ leer tekeergaan, in toom gehouden en getemd worden. Of de prikkel waardoor degenen die te weinig zin hebben, worden aangespoord. Soms is tucht ook net een vaderlijke tuchtroede, waarmee degenen die dieper gevallen zijn, bestraft worden, vriendelijk en met zachte hand, in overeenstemming met de vriendelijkheid van Christus’ Geest.

We zien al bepaalde aanwijzingen dat er een afschuwelijke verwoesting op handen is. Dat komt dus doordat er niet voor gezorgd wordt dat het volk in toom gehouden wordt. De noodzaak zelf roept dus uit dat we een geneesmiddel nodig hebben. Bovendien is de tucht het enige geneesmiddel dat Christus ook zelf voorschrijft en dat altijd door de vromen gebruikt is.

Persoonlijke vermaningen

Het eerste fundament onder de tucht is dat er ruimte moet zijn voor persoonlijke vermaningen. Dat wil zeggen: als iemand niet uit eigen beweging zijn plicht doet of zich niet gedraagt zoals het hoort, of minder fatsoenlijk leeft of iets misdaan heeft dat afgekeurd moet worden, moet hij zich laten vermanen. En als dat nodig is, moet ieder zich ervoor inzetten om zijn broeder te vermanen.

Maar vooral de herders en de ouderlingen moeten op dit punt waakzaam zijn. Hun taak is niet alleen prediken voor het volk. Als men niet voldoende vooruitkomt door het algemene onderwijs, is het ook hun taak om van huis tot huis te vermanen en aan te sporen. Dat leert Paulus, als hij vertelt hij privé-onderwijs gaf in de huizen en verklaart dat hij schoon is van ieders bloed omdat hij nooit ophield onder tranen dag en nacht iedereen te vermanen. Handelingen 20:20-31 Want een dienaar moet niet alleen voor iedereen tegelijk uitleggen wat ze Christus verplicht zijn. Hij moet ook het recht en de middelen hebben om dat te eisen van degenen van wie hij merkt dat ze de leer te weinig gehoorzamen of dat ze te laks zijn in het gehoorzamen. Dan heeft de leer macht en gezag.

Wijst iemand zulke waarschuwingen koppig af of blijft hij met zijn zonden doorgaan en laat hij zo zien dat hij die vermaningen minacht? Dan gebiedt Christus dat hij eerst nog een tweede keer gewaarschuwd moet worden. Daarna moet hij geroepen worden voor het oordeel van de kerk, dat wil zeggen: voor de vergadering van de ouderlingen. Daar moet hij nog ernstiger gewaarschuwd worden als door een openbaar gezag. Als hij eerbied heeft voor de kerk, zal hij zich dan onderwerpen en gehoorzamen. Als hij ook dan niet buigt, maar volhoudt in zijn boosaardigheid, dan beveelt Christus dat hij moet worden afgesneden van de gemeenschap van de gelovigen, als iemand die de kerk minacht.

Verborgen en openbare zonden

Maar Christus heeft het hier alleen over verborgen zonden. Daarom moeten we deze indeling maken: sommige zonden zijn verborgen en andere zijn openbaar of openlijk bekend.

Over de eerste categorie zegt Christus tegen iedereen persoonlijk: ‘Berisp hem in een persoonlijk gesprek tussen jou en hem.’ Mattheüs 18:15 Over openbare zonden zegt Paulus tegen Timotheüs: ‘Berisp hen in aanwezigheid van allen, zodat ook de anderen vrees zullen hebben.’ 1 Timotheüs 5:20 Want Christus had eerst gezegd: ‘Als je broeder tegen jou gezondigd heeft.’ Die woorden ‘tegen jou’ kun je – of je zou graag overal over in discussie willen gaan – niet anders opvatten dan: ‘Als alleen jij ervan afweet en verder niemand.’ En wat de apostel Paulus Timotheüs opdraagt wat betreft het openlijk berispen van degenen die openlijk zondigen, heeft hij zelf in praktijk gebracht tegenover Petrus. Want toen Petrus zondigde en daarmee openlijk aanstoot gaf, vermaande Paulus hem niet in een persoonlijk gesprek, maar bracht hij hem in de aanwezigheid van de kerk. Galaten 2:14

De juiste volgorde van handelen is dus dat we bij het corrigeren van verborgen zonden eerst de stappen volgen die Christus bepaald heeft. Maar dat we bij openbare zonden, als er openlijk aanstoot gegeven is, meteen overgaan tot een officiële berisping door de kerk.

Misdaden en de ban

We moeten ook nog een ander onderscheid maken: sommige zonden zijn overtredingen, andere misdaden of schanddaden. Om de laatsten te corrigeren moeten we niet alleen vermaningen of berispingen gebruiken, maar een strenger middel. Paulus laat dat zien. De incestpleger uit Korinthe tuchtigt hij niet alleen met woorden. Nee, hij straft hem ook met de ban, zodra hij van zijn misdaad in kennis is gesteld. 1 Korinthiërs 5:3-5

Nu beginnen we dus beter te zien hoe de geestelijke rechtspraak van de kerk, die de zonden bestraft volgens Gods Woord, het beste hulpmiddel is voor gezondheid, de beste basis voor orde en de beste band voor eenheid. Openlijke plegers van overspel, ontucht, diefstal, roof, oproer, meineed, het afleggen van een vals getuigenis en meer van dat soort dingen en bovendien degenen die – zelfs nadat ze voor lichtere zonden gewaarschuwd zijn zoals het hoort – God en zijn oordeel koppig blijven bespotten, snijdt de kerk af uit haar gemeenschap. Daarmee claimt de kerk niets te veel voor zichzelf, maar brengt zij de rechtspraak in praktijk die de Heer haar heeft opgedragen.

Verder mag niemand zo’n oordeel van de kerk negeren of het onbelangrijk vinden als hij door de stemmen van de gelovigen veroordeeld is. Daarom heeft de Heer verklaard dat dit niets anders is dan de afkondiging van zijn eigen mening en dat wat de gelovigen op aarde gedaan hebben, in de hemel bevestigd wordt. Want de gelovigen hebben het Woord van de Heer, waarmee zij slechte mensen veroordelen. Zij hebben het Woord van de Heer om daarmee degenen die zich bekeren in genade aan te nemen.

Als je erop vertrouwt dat kerken lange tijd overeind kunnen blijven zonder deze band van de tucht, vergis je je volgens mij. Of we zouden ongestraft een hulpmiddel kunnen missen waarvan de Heer van tevoren gezien heeft dat het voor ons onmisbaar is. En hoe onmisbaar het is, kunnen we natuurlijk beter begrijpen als we zien op hoeveel verschillende manieren het nuttig is.

Drie doelen van de tucht

Met zulke correcties en met de ban heeft de kerk drie doelen op het oog.

Het eerste doel is dat mensen die een smerig en schandelijk leven leiden, geen christenen genoemd mogen worden. Want dan zou het net zijn alsof de heilige kerk een samenzwering van slechte en misdadige mensen is. En dat zou een belediging zijn voor God! De kerk is het lichaam van Christus. Daarom kan zij niet door zulke stinkende en verrotte ledematen bezoedeld worden zonder dat het hoofd door enige schande getroffen wordt.

In kerk mag dus niet zoiets zijn dat op zijn heilige naam het brandmerk drukt van schande. Daarom moeten degenen die zo slecht zijn dat het schande oplevert voor de naam van Christus, uit zijn gezin worden weggejaagd.

En daarbij moeten we ook rekening houden met het avondmaal van de Heer. Dat mag niet ontheiligd worden doordat er zonder onderscheid wordt uitgedeeld. Want het is volkomen zeker: is jou het uitdelen toevertrouwd en laat je willens en wetens iemand toe die het niet waard is en die je terecht had kunnen afhouden? Dan sta je even schuldig aan heiligschennis als wanneer je het lichaam van de Heer voor de honden zou gooien.

Daarom vaart Chrysostomos heftig uit tegen priesters die niemand durven afwijzen uit angst voor de macht van hooggeplaatsten. Hij zegt: ‘Het bloed zal worden opgeëist van jullie handen. Als jullie een mens vrezen, zal hij jullie uitlachen. Maar als jullie God vrezen, zullen jullie ook door de mensen zelf gerespecteerd worden. We moeten niet bang zijn voor scepters of purper of kronen. Wij hebben hier een grotere macht. Ik zal in elk geval liever mijn lichaam overgeven aan de dood en mijn bloed laten vergieten dan dat ik zou meedoen aan zo’n besmeuring.’ Dus om te voorkomen dat dat heel heilige mysterie met smaad beladen zou worden, is er bij het uitdelen ervan een nauwkeurig onderscheid nodig. En dat onderscheid kan alleen in praktijk gebracht worden door middel van de rechtspraak van de kerk.

Het tweede doel is dat de goeden niet bedorven mogen worden door continu om te gaan met de slechten. Vaak gebeurt dat wel. Want omdat we geneigd zijn om af te dwalen, is niets zo gemakkelijk voor ons als dat we door slechte voorbeelden worden afgeleid van het rechte levenspad.

Dit nut heeft de apostel Paulus aangewezen, toen hij de Korinthiërs het bevel gaf de incestpleger uit hun gemeenschap te verwijderen. Hij zei: ‘Een beetje zuurdesem maakt heel het deeg zuur.’ Hij voorzag hier zo’n groot gevaar dat hij hun elke omgang verbood. Hij zegt: ‘Als iemand een broeder genoemd wordt, maar een ontuchtpleger is of een gierigaard, afgodendienaar, dronkaard of lasteraar, dan zeg ik jullie dat jullie met zo iemand zelfs niet mogen eten.’ 1 Korinthiërs 5:6-11

Het derde doel is dat zulke mensen zelf uit schaamte berouw beginnen te krijgen over hun schandelijkheid. Zo is het ook voor hen nuttig dat hun slechtheid bestraft wordt. Degenen die door toegeeflijkheid koppiger zouden zijn, worden door het voelen van de roede bij zinnen gebracht.

Dit geeft de apostel Paulus aan als hij zegt: ‘Als iemand ons woord niet gehoorzaamt, wijs hem aan en ga niet met hem om, om hem beschaamd te maken.’ 2 Thessalonicenzen 3:14 En ergens anders, als hij schrijft dat hij de man uit Korinthe heeft overgegeven aan de duivel, om zijn geest te redden op de dag van de Heer. 1

Korinthiërs 5:5 Volgens mijn uitleg betekent dat dat hij hem heeft overgegeven aan een tijdelijke veroordeling om hem voor eeuwig te redden. En dat hij hem aan de duivel heeft overgegeven, zegt hij omdat buiten de kerk de duivel is, net zoals in de kerk Christus is. Sommigen laten dit slaan op een bepaalde kwelling van het vlees, maar dat lijkt mij heel twijfelachtig.

De uitvoering van de tucht

Nu ik zo de doelen opgesomd heb, moeten we alleen nog kijken hoe de kerk dit onderdeel van de tucht dat in de rechtspraak ligt, uitvoert.

Om te beginnen moeten we ons daarbij aan de bovengenoemde indeling houden: sommige zonden zijn openbaar en andere persoonlijk of verborgen. Openbare zonden zijn zonden waar niet slechts één of twee getuigen van zijn, maar die openlijk aanwijsbaar zijn, zodat ze heel de kerk aanstoot geven. Met verborgen zonden bedoel ik geen zonden die volledig verborgen zijn voor mensen, zoals de zonden van huichelaars. Zulke zonden vallen niet onder het oordeel van de kerk. Nee, ik bedoel er de zonden mee die behoren tot een middencategorie: zonden waar wel getuigen van zijn, maar die toch niet openbaar zijn.

Voor de eerste categorie zijn niet de stappen nodig die Christus opsomt. Als zo’n zonde openbaar wordt, moet de kerk haar plicht doen door de zondaar te dagvaarden en te straffen in overeenstemming met de ernst van de overtreding. Bij de tweede categorie gaan we niet naar de kerk vóórdat duidelijk is dat de zonde koppig wordt volgehouden. Dat is in overeenstemming met Christus’ regel.

Als het zover gekomen is dat de kerk ervan afweet, dan moeten we letten op de tweede indeling tussen misdaden en overtredingen. Want bij lichtere zonden moeten we niet zo streng zijn. Dan is het voldoende om de zondaar met woorden te berispen en dat dan vriendelijk en vaderlijk. We moeten hem niet verbitteren of in verwarring brengen. Nee, hij moet er eerder blij dan bedroefd om zijn dat hij berispt wordt.

Maar schanddaden moeten met een scherper middel bestraft worden. Als je door het plegen van een misdaad een slecht voorbeeld gegeven hebt en zo de kerk ernstig gekwetst hebt, is het immers niet voldoende als je alleen met woorden berispt wordt. Nee, voor een tijd moet je de gemeenschap van het avondmaal ontzegd worden, tot je blijk gegeven hebt van je berouw. Tegen de man uit Korinthe gebruikt Paulus immers niet alleen een berisping met woorden. Nee, hij verwijdert hem uit de kerk en wijst de Korinthiërs terecht omdat ze hem zo lang geduld hebben. 1 Korinthiërs 5:1-7

Aan deze manier van doen hield de oude en betere kerk zich, toen de wettige regering nog van kracht was. Want als iemand een schanddaad had pleegt en daarmee aanstoot had gegeven, werd hem in de eerste plaats bevolen dat hij zich van het heilig avondmaal moest onthouden. En in de tweede plaats dat hij zich niet alleen voor Gods ogen moest verootmoedigen, maar ook voor de kerk blijk moest geven van zijn berouw.

Bovendien waren er officiële rituelen in gebruik die men altijd oplegde aan mensen die gevallen waren, zodat ze daarmee konden laten zien dat ze berouw hadden. En als zo iemand die zo had uitgevoerd dat de kerk genoegdoening gekregen had, werd hij met handoplegging weer in genade aangenomen. Die heropname wordt door Cyprianus meer dan eens ‘vrede’ genoemd. Hij geeft ook een korte beschrijving van zo’n ritueel. Hij zegt: ‘Een vastgestelde periode doen ze boete. Daarna belijden ze hun schuld en krijgen ze door middel van de handoplegging door de bisschop en de geestelijken het recht om deel te nemen aan het avondmaal.’ Hoewel, de bisschop had wel met zijn geestelijken de leiding over de verzoening. Maar dan wel zo dat hij ook toestemming nodig had van het volk. Dat vertelt Cyprianus ergens anders.

In de oude kerk waren zelfs vorsten onderworpen aan de tucht

Niemand was van deze tucht uitgezonderd. Zelfs vorsten onderwierpen zich eraan, samen met de mensen uit het volk. En terecht. Want het stond vast dat dit Christus’ tucht was. En alle scepters en kronen moeten aan Hem onderworpen zijn.

Ambrosius bijvoorbeeld ontnam keizer Theodosius het recht op deelname aan het avondmaal vanwege het bloedbad in Thessalonica. Theodosius legde toen alle versierselen van zijn keizerlijke waardigheid af. In het openbaar huilde hij over zijn zonde, die hem overvallen had door het bedrog van anderen, en vroeg hij met zuchten en tranen om vergeving. Machtige koningen moeten het immers geen schande voor zichzelf vinden als ze zich nederig ter aarde werpen voor Christus, de koning van de koningen. Ze moeten het niet erg vinden om door de kerk geoordeeld te worden. Want aan hun hof horen ze vrijwel niets anders dan pure vleierij. Daarom is het voor hen extra hard nodig om via de mond van de priesters door de Heer gecorrigeerd te worden. Sterker nog, ze moeten juist wensen dat de priesters hen niet sparen, want dan kan de Heer hen wel sparen.

Ik sla nu over wie deze rechtspraak moeten uitvoeren. Want dat heb ik ergens anders al gezegd. Ik voeg er nu alleen aan toe dat Paulus’ procedure de wettige procedure is om iemand af te snijden. Ouderlingen moeten het niet alleen, op eigen houtje doen, maar met medeweten en goedkeuring van de kerk. En dan zo dat de menigte van het volk niet de leiding heeft over wat er gedaan wordt, maar als getuige toekijkt, zodat enkelingen niets kunnen doen uit willekeur. En niet alleen moet daarbij Gods naam aangeroepen worden. Het moet volledig een ernstige procedure zijn, die wijst op Christus’ aanwezigheid. Dan is er geen twijfel aan dat Hij zelf met zijn oordeel de leiding heeft.

Het belang van zachtmoedigheid

We moeten echter wel bedenken dat de strengheid van de kerk gepaard hoort te gaan met een geest van zachtmoedigheid. Want zoals Paulus gebiedt, moeten we er altijd zorgvuldig voor oppassen dat degene die gestraft wordt, verzwolgen wordt door verdriet. 2 Korinthiërs 2:7 Want dan zou het geneesmiddel juist kapot maken.

Maar we kunnen de norm voor het beperken van de strengheid gemakkelijker afleiden van het doel. Want als we iemand afsnijden, is het de bedoeling dat de zondaar tot berouw gebracht wordt en dat slechte voorbeelden uit het midden van de gemeente worden weggenomen, zodat Christus’ naam niet gelasterd wordt en anderen niet worden aangespoord slechte voorbeelden te volgen. Als we daarop letten, kunnen we gemakkelijker beoordelen hoever onze strengheid moet gaan en waar onze strengheid moet stoppen. Dus wanneer de zondaar aan de kerk bewijs geeft van zijn berouw en door dat bewijs de aanstoot, voor zover hij die geeft, uitwist, moet hij niet verder onder druk gezet worden. Als hij nog verder onder druk gezet wordt, is dat te streng.

De onbeheerste strengheid van de kerkvaders in dit opzicht kan op geen enkele manier verontschuldigd worden. Die week niet alleen volledig af van het voorschrift van de Heer, maar was ook buitengewoon gevaarlijk. Soms legden zij een zondaar op dat hij zeven jaar lang openbaar boete moest doen en zich moest onthouden van het heilig avondmaal, soms vier, soms drie jaar, soms heel zijn leven lang. Waar kon dat anders toe leiden dan tot veel gehuichel of heel diepe wanhoop? Bovendien stonden ze iemand die opnieuw viel, niet toe om voor een tweede keer boete te doen. Nee, zo iemand werd voor de rest van zijn leven de kerk uit gegooid. Maar dat had geen enkel nut en was ook niet redelijk. Dus ieder die met een gezond oordeel over deze zaak nadenkt, zal vinden dat ze hierin niet verstandig handelden.

Echter, ik keur hierin alleen de algemene gewoonte af. Ik beschuldig niet ieder die die gewoonte volgde. Want het is zeker dat sommigen het er niet mee eens waren. Maar ze tolereerden de gewoonte omdat ze die niet konden corrigeren. Cyprianus verklaart in elk geval dat hij zelf niet zo streng was. Hij zegt: ‘Ons geduld en onze toegeeflijkheid en vriendelijkheid liggen klaar voor ieder die komt. Ik wil graag dat iedereen in de kerk terugkomt. Ik wil graag dat al onze medestrijders verzamelt worden binnen Christus’ legerplaats en binnen de woonplaatsen van God de Vader. Ik vergeef alles, ik zie veel door de vingers dankzij mijn ijver en begeerte om de broederschap bijeen te brengen. Bovendien onderzoek ik wat tegen God misdaan is niet tot in alle details. Ik zondig haast zelf door zonden meer dan gepast is te vergeven. Gretig en liefdevol omhels ik degenen die vol berouw terugkeren en hun zonden belijden door nederig en oprecht genoegdoening te geven.’ Chrysostomos is iets strenger, maar zegt toch: ‘Als God welwillend is, waarom zou een priester dan streng willen lijken?’ Bovendien weten we hoe zachtmoedig Augustinus de donatisten behandelde. Hij aarzelde niet om degenen die van de scheuring terugkeerden, toe te laten tot de bisschopstaak, zelfs meteen na hun bekering. Maar omdat de tegenovergestelde manier van doen de overhand had gekregen, waren deze kerkvaders gedwongen die te volgen en hun eigen opvatting los te laten.

De grenzen van de tucht

Nu wordt in heel het lichaam van de kerk deze zachtmoedigheid geëist: ze moet gevallenen toegeeflijk en niet extreem streng straffen, maar liever volgens Paulus’ voorschrift haar liefde voor hen bevestigen. Daarom moeten we ons ook ieder persoonlijk aanpassen aan deze toegeeflijkheid en vriendelijkheid. Degenen die uit de kerk gezet zijn, mogen we dus niet schrappen uit het aantal uitverkorenen. We mogen niet over hen wanhopen, alsof ze al verloren zijn. Het is wel toegestaan om hen te beschouwen als vreemdelingen voor de kerk en daarom voor Christus. Maar slechts voor zolang ze van de kerk gescheiden blijven. Maar zelfs dan, als ze meer blijk geven van koppigheid dan van zachtmoedigheid, moeten we hen toch toevertrouwen aan het oordeel van de Heer. We moeten voor de toekomst betere dingen voor hen hopen dan we zien in het heden. Daarom moeten we voor hen tot God blijven bidden.

Om het in één woord samen te vatten: de persoon bevindt zich alleen in de hand en het oordeel van God. Daarom moeten we hem niet overgeven aan de dood. We moeten alleen op basis van de wet van de Heer ieders daden beoordelen. Als we deze regel volgen, vertrouwen we liever op Gods oordeel, dan dat we met ons eigen oordeel komen. Als we Gods macht niet willen inperken en zijn barmhartigheid niet de wet willen voorschrijven, moeten we ons bij het oordelen niet meer vrijheid aanmatigen. Want zo vaak Hij het goed vindt, worden de allerslechtsten verandert in de allerbesten en worden vreemdelingen ingelijfd en buitenstaanders opgenomen in de kerk. Dat doet de Heer om zo de spot te drijven met de opvattingen van mensen en hun overmoed te kortwieken. Want als die niet bedwongen wordt, durven zij zich meer recht aan te matigen om te oordelen dan gepast is.

De ban is geen veroordeling voor eeuwig

Want als Christus belooft dat in de hemel vastgebonden zal zijn wat de zijnen op aarde vastgebonden hebben, Mattheüs 18:18 dan beperkt Hij de macht om vast te binden tot de straf van de kerk. Degenen die afgesneden worden, worden door die straf niet in de eeuwige dood en veroordeling geworpen. Nee, ze horen dat hun leven en moraal veroordeeld wordt en daardoor wordt hun verzekerd dat ze voor eeuwig veroordeeld zullen worden als ze zich niet bekeren.

Want dit is het verschil tussen de ban en het anathema – ‘vervloeking’: bij de laatste wordt de mens vervloekt, zonder hoop op vergeving, maar bij de eerste wordt meer zijn leven en moraal bestraft en gewroken. Natuurlijk wordt ook dan de mens gestraft. Maar dan zo gestraft dat hij gewezen wordt op zijn komende veroordeling en wordt teruggeroepen tot redding. En als hij gered wordt, ligt er verzoening en heropname in de gemeenschap voor hem klaar. Maar het anathema wordt maar heel zelden of helemaal niet gebruikt.

Ook al is het door de kerkelijke tucht niet toegestaan om vertrouwelijk of intiem met hen om te gaan, toch moeten we er dus op alle mogelijke manieren naar streven dat ze zich bekeren tot een beter leven en terugkeren naar de gemeenschap en de eenheid van de kerk. Zo leert de apostel Paulus het ook: ‘Beschouw hen niet als vijanden maar corrigeer hen als broeders.’ 2 Thessalonicenzen 3:15 Als we deze vriendelijkheid niet bewaren, niet alleen persoonlijk, maar ook in het openbaar, lopen we het gevaar dat onze tucht spoedig vervalt tot een slachtpartij. Dan corrigeren we niet meer, maar executeren we.

De tucht mag niet ten koste gaan van eenheid en vrede

Om de tucht te beperken is ook vooral nodig wat Augustinus als argument gebruikt tegenover de donatisten: ook al zien kerkleden dat de kerkenraad fouten minder ijverig bestraft, toch mogen ze zich daarom niet meteen van de kerk afscheiden. Ook de herders zelf mogen hun bediening niet neerleggen of de kerk in beroering brengen door extra streng te zijn, als ze zien dat ze alles wat gecorrigeerd zou moeten worden niet kunnen zuiveren zoals ze graag zouden willen.

Want het is helemaal waar wat hij schrijft: als je door te berispen corrigeert wat je kunt, of met behoud van de band van de vrede buitensluit wat je niet kunt corrigeren, of eerlijk afkeurt en krachtig draagt wat je niet met behoud van de band van de vrede kunt buitensluiten, dan ben je vrij en losgemaakt van de vloek.

De reden hiervoor noemt hij ergens anders: elke vrome handelwijze en elke vorm van kerkelijke tucht moet altijd de eenheid van de Geest en de band van de vrede in het oog houden. De apostel Paulus beveelt ons dat we die moeten bewaren door elkaar te verdragen. Efeziërs 4:2-3 Als die band niet bewaard wordt, dan is het medicijn van de straf niet alleen overbodig. Nee, dan wordt het gevaarlijk en is het geen medicijn meer. Augustinus zegt: ‘Wie hier zorgvuldig over nadenkt, verwaarloost niet de strengheid van de tucht om de eenheid te bewaren en breekt niet de band van de gemeenschap door te streng te straffen.’

Hij geeft wel toe dat niet alleen de herders erop uit moeten zijn dat er in de kerk geen fouten overblijven, maar dat iedereen daar zijn best voor moet doen. En hij verzwijgt niet dat als je nalatig bent in het waarschuwen, berispen en straffen van slechte mensen, ook al ben je hun niet gunstig gezind en doe je niet mee met hun zonden, je toch schuldig staat voor God. En dat als je in de positie verkeert dat je slechte mensen kunt afhouden van deelname aan de sacramenten, maar het niet doet, je niet meer zondigt door de fout van een ander, maar door je eigen fout. Dat geeft hij allemaal toe. Alleen, het moet gebeuren met de voorzichtigheid die God ook eist. Want als het onkruid uitgetrokken wordt, mag het graan niet beschadigd worden. Mattheüs 13:29

Daarna concludeert hij met Cyprianus: ‘Laat de mens dus barmhartig corrigeren wat hij kan. Laat hij wat hij niet kan corrigeren, geduldig dragen. En laat hij uit liefde zuchten en huilen.’

De dwaling van de donatisten en de wederdopers

Augustinus zegt dit vanwege de veeleisendheid van de donatisten. Zij zagen in de kerken gebreken die door de bisschoppen wel met woorden berispt, maar niet met de ban bestraft werden. Want de bisschoppen dachten dat ze daar niets mee zouden opschieten. Maar de donatisten gingen daarom fel tegen de bisschoppen tekeer. Ze maakten hen uit voor verraders van de tucht en scheidden zich in een goddeloze scheuring af van de kudde van Christus.

Tegenwoordig doen de wederdopers hetzelfde. Zij willen geen enkele vergadering erkennen als kerk van Christus als die niet uitblinkt door een volmaaktheid zoals die van de engelen. Maar onder het voorwendsel van hun ijver verhinderen ze elke opbouw.

‘Zulke mensen,’ zegt Augustinus, ‘proberen – niet uit afkeer van de onrechtvaardigheid van anderen, maar omdat ze zelf graag in discussie gaan – de zwakken die verstrikt geraakt zijn in de loze roem van hun naam, óf volledig naar zich toe te trekken óf in elk geval van de anderen te scheiden. Verwaand van trots en waanzinnig van koppigheid leggen ze hinderlagen van laster en gaan ze oproerig tekeer. Maar om te voorkomen dat zou uitkomen dat ze zelf het licht van de waarheid missen, hullen ze zich in een schaduw van starre strengheid. De Heilige Schrift beveelt ons dat we de fouten van onze broeders moeten corrigeren. Maar daarbij moeten we ons wel inhouden. We moeten oprechte liefde en de eenheid van de vrede bewaren. Zij echter misbruiken dat voorschrift voor een heiligschennende scheuring en als een aanleiding om af te breken. Zo verandert Satan zich in een engel van het licht. 2 Korinthiërs 11:14 Als er aanleiding is voor schijnbaar terechte strengheid, adviseert hij wrede strengheid. Maar hij wil niets anders dan de band van de vrede en de eenheid bederven en verbreken. Want als die band onder christenen sterk blijft, dan verliezen al zijn krachten hun macht om te beschadigen. Dan worden alle valstrikken van zijn hinderlagen vernield en zijn plannen om omver te halen verijdeld.’

Onderwijs voor velen, tucht voor enkelingen

Augustinus beveelt vooral één ding aan: als de grote massa met zonde besmet is geraakt, is de strenge barmhartigheid van een sterke tucht nodig. ‘Want,’ zegt hij, ‘het advies om je af te scheiden is zinloos, gevaarlijk en heiligschennend. Het maakt goddeloos en hoogmoedig. Het brengt alleen zwakke goeden in verwarring, in plaats van dat het moedige slechten corrigeert.’

En wat hij hier anderen voorschrijft, heeft hij ook zelf trouw gedaan. Want als hij aan Aurelius, de bisschop van Carthago schrijft, klaagt hij dat in Afrika de dronkenschap ongestraft tiert, terwijl de Schrift die zo ernstig veroordeelt. En hij adviseert Aurelius om een concilie van bisschoppen bijeen te roepen en met een geneesmiddel te komen. Vervolgens voegt hij eraan toe: ‘Volgens mij worden zulke dingen niet opgeruimd door streng of hard te zijn of door tot gehoorzaamheid te dwingen. Nee, eerder door te onderwijzen dan door te bevelen, eerder door aan te sporen dan door te dreigen. Want zo moet men doen met een menigte van zondaren. Maar strengheid moet worden toegepast tegen de zonden van enkelingen.’

Toch bedoelt hij niet dat de bisschoppen zonden door de vingers moeten zien of moeten zwijgen omdat ze deze openbare schanddaden niet streng kunnen bestraffen. Dat legt hij daarna ook zelf uit. Nee, hij wil dat de strafmaat beperkt wordt, zodat de straf het lichaam niet doodt, maar gezond maakt. Daarom concludeert hij ten slotte: ‘Ook het gebod van de apostel over het verwijderen van slechten mogen we dus absoluut niet negeren. Als het maar kan gebeuren zonder dat er gevaar dreigt dat de vrede verstoord wordt. Want hij wilde niet dat het anders zou gaan. En ook moeten we erop letten dat we ons best doen de eenheid van de Geest in de band van de vrede te bewaren door elkaar te verdragen.’

Vasten

Het doel van de tucht of discipline dat nu nog over is, valt eigenlijk niet onder de sleutelmacht. Het houdt in dat de herders, in overeenstemming met wat voor bepaalde tijden nodig is, het volk oproepen tot vasten of tot samen bidden of tot andere trainingen in nederigheid, berouw en geloof. Van zulke dingen schrijft Gods Woord niet voor wanneer, hoe of in welke vorm dat moet gebeuren, maar het laat dat over aan het oordeel van de kerk.

Het is niet alleen nuttig om dit onderdeel in praktijk te brengen. Het is in de oude kerk vanaf de tijd van de apostelen zelf ook altijd de praktijk geweest. Trouwens, de apostelen zijn er ook zelf niet mee begonnen. Ze hebben daarin het voorbeeld gevolgd van de wet en de profeten. Want daar zien we dat, telkens als er iets ernstigs gebeurde, het volk samengeroepen werd en er biddagen werden uitgeschreven en een vasten. De apostelen deden dus iets na dat voor Gods volk niet nieuw was en waarvan ze zagen dat het nuttig zou zijn. Hetzelfde geldt voor de andere trainingen die het volk aansporen zijn plicht te gaan doen of die het volk helpen zijn plicht te blijven doen en te blijven gehoorzamen. Overal in de heilige geschiedenissen kun je daar voorbeelden van vinden. Het is niet nodig om die te verzamelen.

In de kern komt het hierop neer: telkens als er een verschil van mening ontstaat over de godsdienst waar door een synode of door een kerkelijk oordeel een eind aan gemaakt moet worden, telkens als er een dienaar gekozen moet worden, kortom, telkens als er een moeilijke en heel belangrijke kwestie behandeld moet worden en ook als er oordelen van Gods woede te zien zijn, zoals pest, oorlog en hongersnood – dan is dit een heilige en voor alle tijden gezonde instelling: de herders sporen het volk aan tot een algemeen vasten en tot het doen van buitengewone gebeden.

Misschien accepteert iemand de Schriftbewijzen niet die uit het Oude Testament kunnen worden aangehaald, alsof ze niet van toepassing zijn op de christelijke kerk. Maar toch staat dan nog wel vast dat de apostelen zo deden. Ik denk dat er nauwelijks iemand te vinden is die bidden ter discussie zou willen stellen. Laat ik dus iets zeggen over vasten. Want heel velen begrijpen niet wat voor nut dat heeft en daarom vinden ze het niet zo nodig. Anderen vinden het overbodig en wijzen het daarom volledig af. En als je niet goed begrijpt wat vasten eigenlijk inhoudt, verval je gemakkelijk tot bijgeloof.

Het doel van vasten

Heilig en legitiem vasten heeft drie doelen. We gebruiken het om het vlees te verzwakken en te onderwerpen, om te voorkomen dat het losbandig wordt. Of om ons beter voor te bereiden op bidden of heilige overdenkingen. Of om een bewijs te geven dat we ons verootmoedigen voor God als we onze schuld voor Hem willen belijden.

Het eerste doel is niet zo vaak geschikt voor het algemene vasten. Want niet iedereen heeft dezelfde lichaamsgesteldheid en dezelfde gezondheidstoestand. Daarom past het beter bij persoonlijk vasten.

Het tweede doel past bij beide. Want de kerk als geheel heeft het evengoed nodig om zich zo voor te bereiden op het bidden als elke gelovige persoonlijk.

Voor het derde doel geldt dat ook. Soms treft God een volk met oorlog, pest of een andere ramp. In deze gemeenschappelijke tuchtiging moet heel het volk zich schuldig verklaren en zijn schuld belijden. En als de hand van de Heer iemand persoonlijk treft, moet hij hetzelfde doen, óf alleen, óf met zijn gezin. Het gaat hierbij vooral om het hart. Want als het hart geraakt wordt zoals het moet, kan het haast niet anders of het breekt uit in een zichtbaar bewijs. Vooral als dat kan helpen tot algemene opbouw, als iedereen tegelijk zijn zonde belijdt en zo God de eer geeft voor zijn rechtvaardigheid en zij elkaar onderling aansporen met hun voorbeeld.

Vasten en bidden

Omdat vasten een teken van verootmoediging is, wordt het vaker gebruikt in het openbaar dan persoonlijk, ook al past het bij beide, zoals ik heb gezegd. Dus wat betreft de tucht of discipline – daar hebben we het nu over – zou het goed zijn een vasten uit te schrijven, telkens als men God moet smeken over een of andere belangrijke zaak. Bijvoorbeeld, toen de gelovigen in Antiochië Paulus en Barnabas de handen oplegden, lieten ze hun gebed gepaard gaan met vasten, om de bediening van Paulus en Barnabas beter bij God aan te bevelen. Handelingen 13:3 En ook Paulus en Barnabas hadden de gewoonte om zowel te vasten als te bidden als ze dienaren aanstelden over de kerken. Handelingen 14:23 Met dit soort vasten hadden ze maar één doel: dat ze extra enthousiast en voorbereid waren om te bidden.

In elk geval ervaren we dat als onze buik vol is, onze gedachten niet zo goed naar boven, op God gericht zijn dat we serieus en ernstig kunnen gaan bidden en kunnen blijven bidden. Zo moeten we opvatten wat Lucas vertelt over Anna: ze diende de Heer met vasten en smeekbeden. Lucas 2:37 Hij bedoelt immers niet dat het dienen van God in het vasten ligt, maar geeft aan dat de heilige vrouw zich op die manier trainde om het bidden vol te houden. Zo vastte ook Nehemia, toen hij ijverig tot God bad voor de bevrijding van zijn volk. Nehemia 1:4 Daarom zegt Paulus dat het goed is als gelovigen zich voor een tijd onthouden van het huwelijksbed, om zich vrijer te kunnen wijden aan bidden en vasten. 1 Korinthiërs 7:5 Hij verbindt het vasten daar als hulpmiddel aan het bidden. Zo wijst hij er ook op dat het op zichzelf geen waarde heeft als het niet voor dit doel gebruikt wordt. Bovendien beveelt hij in die passage degenen die getrouwd zijn dat ze welwillend tegenover elkaar moeten zijn. 1 Korinthiërs 7:3 Het is dus duidelijk dat hij het niet heeft over het dagelijkse bidden, maar over bidden waarbij een meer serieuze aandacht nodig is.

Vasten als teken van berouw

Opnieuw, als er pest, hongersnood of oorlog begint te woeden, of als het land op een andere manier een of andere ramp boven het hoofd lijkt te hangen, ook dan is het de plicht van de herders van de kerk om op te roepen tot vasten, om nederig te bidden of de Heer zijn woede wil afwenden. Want als Hij gevaar laat opdoemen, kondigt Hij aan dat Hij klaar staat en zich in zekere zin gewapend heeft om wraak te nemen. Vroeger wierpen aangeklaagden zich altijd met een lange baard, ongekamde haren en in een rouwgewaad nederig neer om een beroep te doen op de barmhartigheid van de rechter. En zo is het dus ook goed voor Gods eer en de algemene opbouw en bovendien nuttig en gezond voor onszelf als wij, als we voor Gods rechterstoel worden aangeklaagd, in een meelijwekkende houding tot God bidden of Hij niet te streng wil zijn.

Dat dit gebruikelijk was bij het volk Israël, kunnen we opmaken uit de woorden van Joël. Hij beveelt om op de bazuin te blazen, een vergadering bijeen te roepen, een vasten uit te schrijven, enzovoort. En dan spreekt hij daarover als over dingen die algemeen gebruikelijk en geaccepteerd waren. Joël 2:15-16 Kort daarvoor had hij gezegd dat God besloten had tot een onderzoek naar de schanddaden van het volk. Hij had verkondigd dat de dag van het oordeel al dichtbij was en hij had de beschuldigden gedagvaard om verantwoording af te leggen. Joël 2:1 Vervolgens roept hij uit dat ze zich haastig moeten hullen in zak en as en moeten huilen en vasten. Dat wil zeggen: ze moeten zich ook door zichtbare uitingen voor God vernederen.

Zak en as pasten wellicht beter bij die tijd. Maar bijeenroepen, huilen en vasten en dat soort dingen passen natuurlijk evengoed in onze tijd, telkens als dat gezien de omstandigheden nodig is. Het is een heilige training, niet alleen om je te vernederen voor de mensen, maar ook als belijdenis van je nederigheid. Dus waarom zouden wij er bij evenveel nood minder gebruik van maken dan de mensen in het verleden? We lezen dat als teken van verdriet niet alleen de kerk van Israël vastte, die gevormd en ingericht was volgens Gods Woord. 1 Samuël 7:6; 31:13; 2 Samuël 1:12 Nee, ook de inwoners van Ninevé deden het, die geen ander onderwijs hadden dan alleen de prediking van Jona. Jona 3:5 Wat voor reden hebben wij dan om niet hetzelfde te doen?

Maar, zal men zeggen, het is een uiterlijk ritueel, waar net als aan de andere rituelen in Christus een eind aan gekomen is. Zeker, maar net zoals het altijd geweest is, is het ook nu nog een heel goed hulpmiddel voor de gelovigen en een nuttige waarschuwing om zichzelf aan te sporen dat ze met hun te grote zorgeloosheid en onvoorzichtigheid God niet nog meer moeten tergen als ze door zijn gesels getuchtigd worden. Daarom zegt Christus, als hij zijn apostelen verontschuldigt omdat ze niet vasten, niet dat het vasten is afgeschaft. Nee, Hij bestemt het voor tijden van tegenslag en verbindt het met rouw. Hij zegt: ‘Er komt een tijd dat de bruidegom van hen wordt weggenomen.’ Mattheüs 9:15; Lucas 5:34-35

Een definitie van vasten

Maar laat ik een definitie geven van wat vasten eigenlijk is, om vergissingen in de betekenis van het woord te voorkomen. Met vasten bedoel ik niet simpelweg beheerst en beperkt gebruik van levensmiddelen. Het leven van vromen moet weliswaar beheerst worden door zelfbeheersing en soberheid, zodat in heel hun levensloop iets van vasten zichtbaar wordt, voor zover mogelijk. Maar er is ook nog een ander, tijdelijk vasten. Dan nemen we iets af van onze gewone manier van leven, tijdelijk, óf voor één dag, óf voor een bepaalde tijd. Dan leggen we ons een zelfbeheersing op die nog krapper en strenger is dan normaal.

Dat bestaat uit drie dingen: wanneer, wat en hoeveel we eten. Met ‘wanneer’ bedoel ik dat we de dingen waarom we vasten, nuchter uitvoeren. Bijvoorbeeld: als iemand vast voor het samen bidden, dan gaat hij naar dat bidden toe zonder eerst te eten. Met ‘wat’ bedoel ik dat we geen enkele lekkernij eten en we tevreden zijn met gewoon en eenvoudig voedsel. We strelen ons gehemelte niet met delicatessen. Met ‘hoeveel’ bedoel ik dat we kariger en minder eten dan anders. We eten niet meer dan nodig is en ook niet om ervan te genieten.

Vasten uit bijgeloof

Maar we moeten er altijd vooral voor oppassen dat er bijgeloof binnensluipt, zoals dat vroeger gebeurd is. Dat heeft de kerk veel ellende gebracht. Het zou veel beter zijn om helemaal geen gebruik te maken van vasten dan dat we het ijverig in praktijk brengen, terwijl het ondertussen bedorven wordt door valse, gevaarlijke ideeën. En als de herders die ideeën niet zo trouw en verstandig mogelijk bestrijden, vervalt de wereld er zo nu en dan in.

Om te beginnen moeten de herders altijd benadrukken wat Joël leert: niet de kleren moeten gescheurd worden, maar het hart. Joël 2:13 Dat wil zeggen: ze moeten het volk waarschuwen dat God aan vasten op zichzelf niet veel waarde hecht. Er moet een innerlijke emotie van het hart bijkomen. Je moet een hekel hebben aan de zonde en aan jezelf. Je moet je echt vernederen en echt verdriet hebben uit vrees voor God. Vasten is alleen maar nuttig omdat het deze emoties als een bijkomend hulpmiddel ondersteunt.

Daarom vaart Jesaja heel fel uit tegen deze huichelarij: de Joden dachten dat ze God genoegdoening gaven als ze alleen maar vastten, ook al koesterden ze goddeloze en smerige gedachten in hun hart. Hij zegt: ‘Is dit het vasten dat de Heer heeft uitgekozen

…?’ Jesaja 58:5-6 Huichelachtig vasten is dus niet alleen een zinloze inspanning. Het is ook iets heel afschuwelijks!

Hier is een tweede kwaad aan verwant, waar we heel erg voor moeten oppassen: we mogen vasten niet beschouwen als een soort daad om God te dienen om er iets mee te verdienen. Op zichzelf doet het er immers niet toe. Het heeft geen waarde behalve vanwege de doelen waar het op gericht moet zijn. Het is dus gevaarlijk bijgeloof als je het verwart met de daden die God bevolen heeft en die op zichzelf en niet met het oog op iets anders onmisbaar zijn.

Zulk bijgeloof was in het verleden de dwaasheid van de manicheeërs, die Augustinus weerlegt. Daarbij leert hij heel duidelijk dat je alleen waarde moet hechten aan vasten vanwege de doelen die ik genoemd heb. En dat God het alleen goedkeurt als je het daarop richt.

De derde dwaling is weliswaar minder goddeloos, maar toch gevaarlijk: dat je vasten te angstvallig en te streng eist als een van de voornaamste plichten. Als je er zo oneindig hoog van opgeeft, dat de mensen denken dat ze iets geweldigs gedaan hebben als ze hebben gevast. De kerkvaders durf ik op dit punt niet volledig te verontschuldigen. Nee, ze hebben enkele zaadjes van bijgeloof uitgestrooid en aanleiding gegeven voor de tirannie die later opgekomen is. Weliswaar tref je bij hen soms gezonde en verstandige uitspraken aan over vasten. Maar later kom je zo nu en dan weer veel te hoge lofprijzingen tegen op vasten, waarmee ze het verheffen tot een van de belangrijkste goede daden.

Manichaeum XXX, 5.

Vasten in de veertigdagentijd

Toen was het ook gewoonte geworden om je bijgelovig te houden aan het vasten in de veertigdagentijd. Want het gewone volk dacht dat het daarmee een geweldige gehoorzaamheid aan God liet zien en de herders prezen het aan als een heilig imiteren van Christus. Het is echter duidelijk dat Christus niet vastte om een voorbeeld te geven voor anderen. Nee, Hij vastte om bij het begin van zijn prediking van het evangelie daadwerkelijk te bewijzen dat het geen menselijke leer was, maar een die afkomstig was uit de hemel. En het is wonderlijk dat zo’n grove dwaling, die met zoveel duidelijke argumenten weerlegd kan worden, mensen met een scherp oordeel heeft kunnen besluipen.

Christus vast immers niet meerdere keren. Dat had Hij wel moeten doen als Hij een wet had willen geven dat we elk jaar moeten vasten. Nee, Hij vast slechts één keer, als Hij zich klaarmaakt om het evangelie te gaan verkondigen. Mattheüs 4:2 Hij vast niet zoals mensen dat doen. Dat had Hij wel moeten doen als Hij de mensen had willen aansporen om Hem te imiteren. Nee, het voorbeeld dat Hij laat zien is meer bedoeld om iedereen ertoe te brengen Hem te bewonderen, dan om hen aan te sporen Hem te imiteren.

Kortom, de manier waarop Hij vast is niet anders dan de manier waarop Mozes dat deed toen Hij de wet uit de hand van de Heer ontving. Exodus 24:18; 34:28 Dit wonder in Mozes werd gegeven om het gezag van de wet te bevestigen. Daarom mocht het niet weg blijven in Christus. Want dan zou het lijken alsof het evangelie lager stond dan de wet. Toch is er sinds die tijd nooit iemand op het idee gekomen een dergelijke vorm van vasten in te voeren in het volk Israël, onder het voorwendsel Mozes te imiteren. En niemand van de heilige profeten en voorvaders heeft het geïmiteerd, ook al hadden ze genoeg zin en ijver voor alle vrome trainingen. Van Elia wordt wel verteld dat hij veertig dagen leefde zonder eten en drinken. 1 Koningen 19:8 Maar dat was alleen bedoeld om het volk te laten inzien dat hij aangesteld was om de wet te beschermen, waar vrijwel heel Israël van afgeweken was. Dat men dit vasten tooide met de naam en de schijn van imitatie van Christus, was dus enkel uit een verkeerde ijver en vol bijgeloof.

Er was toen echter veel variatie in de manier van vasten. Cassiodorus vertelt dat in boek 9 van de Historia Tripartita op basis van Socrates Scholasticus. Hij zegt dat de Romeinen maar drie weken vastten. Maar dat deden ze dan wel continu, behalve op zondag en zaterdag. De Illyriërs en de Grieken vastten zes weken, anderen zeven weken. Maar dan met tussenpozen. Evenveel variatie was er in wat ze wel aten. Sommigen aten alleen brood met water, anderen aten er ook groente bij. Sommigen zagen niet af van vis en gevogelte, anderen maakten geen onderscheid in het voedsel. Ook Augustinus noemt deze variatie, in zijn tweede brief aan Januarius.

Misstanden bij het vasten

Daarna kwamen er slechtere tijden. Bij de verkeerde ijver van het volk kwam ook nog de onwetendheid en onkunde van de bisschoppen en bovendien hun heerszucht en tirannieke strengheid. Er werden goddeloze wetten gemaakt, die het geweten bonden met levensgevaarlijke banden. Vlees eten werd verboden, alsof dat de mens besmette. Het ene heiligschennende idee werd op het andere gestapeld, totdat men de hoogst mogelijke stapel dwalingen had. En om te voorkomen dat er ook maar één slechtheid vergeten werd, begon men onder de heel dwaze dekmantel van onthouding een spelletje te spelen met God. Want de lof van vasten wordt gezocht in de meest exquise delicatessen. Dan is er nooit genoeg lekkers. Nooit is er een grotere overvloed of verscheidenheid aan voedsel en nooit is het lekkerder. Ze denken dat ze met zulke heerlijke gerechten God dienen zoals het hoort. Ik zwijg er nog over dat degenen die als heel heilig beschouwd willen worden, zich nooit zo schandelijk volproppen.

Kortom, de beste manier om God te dienen is voor hen dat je je onthoudt van vlees, maar verder een overvloed hebt van alle soorten lekkernijen. En aan de andere kant is het toppunt van goddeloosheid, wat nauwelijks door de dood verzoend kan worden, voor hen dat iemand tijdens het vasten een heel klein stukje ranzig pekelvlees geproefd heeft, met droog brood.

Hiëronymus vertelt dat er in zijn tijd al mensen waren die met zulke dwaasheden een spelletje speelden met God. Om geen olie te eten, lieten ze zich van alle kanten het meest exquise voedsel bezorgen. Om hun natuur met geweld in toom te houden, onthielden ze zich van het drinken van water, maar zorgden ze er wel voor dat ze lekkere en kostbare dranken hadden die ze niet uit een beker dronken, maar uit een schelp. De fout die slechts weinigen hadden, is tegenwoordig wijd verbreid onder alle rijken: ze vasten met als enige doel royalere en schitterendere maaltijden te kunnen houden.

Maar ik wil niet veel woorden verbruiken aan iets waar we zo weinig aan hoeven te twijfelen. Ik zeg alleen dit: de pausgezinden schieten niet alleen in het vasten, maar in alle andere onderdelen van de discipline zo sterk tekort in alles wat juist en zuiver en goed geregeld en geordend is, dat ze geen enkele reden hebben om zich daar trots op te laten voorstaan, alsof er bij hen nog iets prijzenswaardigs over zou zijn.

De tucht voor geestelijken

Nu volgt het tweede onderdeel van de tucht of discipline dat speciaal gericht is op de geestelijkheid. Deze tucht bevatten de canones die de oude bisschoppen zichzelf en hun stand opgelegd hebben. Zoals: een geestelijke mag zich niet overgeven aan jagen, spelen of drinkgelagen. Een geestelijke mag geen financiële zaken doen of handel drijven. Een geestelijke mag niet aanwezig zijn bij losbandige danspartijen. En meer van zulke regels.

Er werden ook sancties aan toegevoegd om het gezag van deze canones te bevestigen, zodat niemand ze ongestraft zou overtreden. Voor dat doel kreeg elke bisschop de leiding over zijn eigen geestelijken, om hen in overeenstemming met de canones te regeren en ervoor te zorgen dat ze hun plicht bleven doen. Daarvoor werden jaarlijkse onderzoeken en synodes ingesteld, om ieder te berispen die een beetje nalatig was in het doen van zijn plicht. En om, als iemand gezondigd had, hem te straffen in overeenstemming met de ernst van zijn overtreding. De bisschoppen zelf hadden elk jaar hun provinciale synodes, vroeger zelfs twee keer per jaar. Die oordeelden over hen als zij iets misdaan hadden dat in strijd was met hun plicht. Want als een bisschop te hard was voor zijn geestelijken of tegenover hen zijn macht misbruikte, dan konden zij in beroep gaan bij die synodes, zelfs al was er maar één die klaagde. De straf was heel streng. Wie gezondigd had, werd van zijn taak ontheven en mocht een tijd niet aan het avondmaal. En omdat dit een permanente regeling was, lieten zij een synode nooit uiteengaan zonder tijd en plaats voor de eerstvolgende synode vast te stellen. Een algemeen concilie bijeenroepen was immers alleen aan de keizer, zoals uit alle oude uitschrijvingen blijkt.

Zolang deze strengheid stand hield, eisten de geestelijken met hun woorden niet meer van het volk dan waar ze zelf met hun daden het goede voorbeeld van gaven. Sterker nog, ze waren voor zichzelf veel strenger dan voor het volk. En inderdaad is het ook gepast dat het volk met een zachtere en, zeg maar, een iets lossere tucht geregeerd wordt en dat de geestelijken op elkaar een strengere censuur toepassen en bij zichzelf veel minder door de vingers zien dan bij anderen.

Het is niet nodig om te vertellen hoe dit allemaal in onbruik geraakt is. Tegenwoordig kun je je immers niets voorstellen dat zo bandeloos is als deze stand van de geestelijken. Die is zo losbandig geworden dat de hele wereld het uitschreeuwt. Ik geef toe dat ze de eenvoudigen misleiden met enkele schaduwen, om te voorkomen dat het lijkt alsof het verleden bij hen volledig begraven is. Maar die schaduwen lijken niet méér op de morele normen van vroeger dan het imiteren door apen lijkt op wat mensen met verstand en beleid doen.

Er bestaat een opvallende passage bij Xenofon. Daarin vertelt hij dat de Perzen schandelijk ontaard waren van gewoonten van hun voorouders. Van hun strenge manier van leven waren ze vervallen tot verwijfdheid en overdadigheid. Toch hadden ze, om deze schande te verhullen, de oude gewoonten zorgvuldig bewaard. In de tijd van Cyrus was de soberheid en zelfbeheersing zo groot, dat het niet nodig was om je neus te snuiten. Men beschouwde dat zelfs als iets onfatsoenlijks. Hun nakomelingen hadden nog steeds de gewoonte dat niemand zijn neus mocht snuiten, maar het was wel toegestaan dat je het vieze vocht dat je door je gulzigheid liet ontstaan, weer opsnoof en binnenhield, zelfs tot het verrotte. Ook was het volgens een oud verbod niet toegestaan om kruiken op tafel te zetten. Maar dat je je bedronk en ladderzat weggedragen moest worden, tolereerden ze. Het voorschrift was dat je maar één maaltijd mocht houden. Die fraaie nakomelingen hadden dat niet afgeschaft, maar lieten hun drinkgelagen duren van het middaguur tot middernacht. Volgens de wet moest je een dagreis afleggen zonder te eten en daar hielden ze zich nog steeds aan. Maar om uitputting te voorkomen, namen ze de vrijheid om de reis tot twee uur te beperken. Dat werd algemeen gebruikelijk.

Telkens als de pausgezinden hun ontaarde canones presenteren om te laten zien dat ze verwant zijn aan de heilige kerkvaders, maakt dit voorbeeld voldoende duidelijk hoe belachelijk hun imitatie is. Een schilder had het niet levendiger kun tekenen.

Het celibaat

In één kwestie zijn de pausgezinden extreem star en onverbiddelijk: ze staan priesters niet toe om te trouwen. En ik hoef niet te zeggen hoeveel ontucht er onder hen heerst die niet bestraft wordt. Omdat ze vertrouwen op hun stinkende ongehuwde staat, plegen ze onaangedaan allerlei schanddaden.

Maar dit verbod laat duidelijk zien hoe gevaarlijk alle tradities zijn. Want het heeft de kerk niet alleen beroofd van goede en geschikte herders. Het heeft ook een afschuwelijke modderpoel van misdaden veroorzaakt en vele zielen in de afgrond van vertwijfeling gestort. Echt, dat het priesters verboden is om te trouwen, dat is het gevolg van een goddeloze tirannie die niet alleen in strijd is met Gods Woord, maar ook met elke redelijkheid. Om te beginnen mogen mensen op geen enkele manier de vrijheid nemen om te verbieden wat de Heer toestaat. Verder heeft God er door zijn Woord uitdrukkelijk voor gezorgd dat deze vrijheid niet ingeperkt zou worden. Dat is zo duidelijk dat het niet nodig is om daar een uitgebreid bewijs voor te geven.

Ik sla over dat Paulus in meer dan één passage wil dat een bisschop een man is met één vrouw. 1 Timotheüs 3:2; Titus 1:6 Maar wat kon er overtuigender gezegd worden dan dat hij geleid door de Heilige Geest verkondigt dat er in de laatste tijden mensen zullen zijn die het huwelijk verbieden en dat hij hen niet alleen bedriegers noemt, maar zelfs demonen? 1 Timotheüs 4:1-3 Dit is dus een voorzegging, een heilige goddelijke uitspraak van de Heilige Geest. Hiermee heeft Hij vanaf het begin zijn kerk willen versterken tegen gevaren: het verbod om te trouwen is een leer van demonen!

Maar de pausgezinden denken dat ze hier heel mooi aan kunnen ontsnappen als ze deze uitspraak verdraaien en toepassen op Montanus, de tatianen, de encratieten en andere oude ketters. ‘Dat zijn de enigen die het huwelijk veroordeeld hebben,’ zeggen zij. ‘Wij veroordelen het huwelijk helemaal niet. Wij houden alleen de stand van de geestelijken ervan af, omdat we vinden dat het niet goed bij hen past.’ Alsof deze voorzegging niet ook op hen slaat, ook al is ze eerst vervuld in de hierboven genoemde ketters! Of alsof dat kinderachtige scherpzinnigheidje het waard is om naar te luisteren, waarmee zij beweren dat ze het huwelijk niet verbieden omdat ze het niet aan iedereen verbieden! Dat is immers hetzelfde als wanneer een tiran zou beweren dat een wet niet onredelijk is omdat slechts een deel van de burgers er onder gebukt gaat.

Christus en Paulus keuren het huwelijk goed

De pausgezinden brengen hiertegen in dat een priester door een bepaald kenmerk hoort te verschillen van het volk. Alsof de Heer er niet voor gezorgd heeft door welke versieringen de priesters moeten uitblinken! Zo beschuldigen zij de apostel Paulus ervan dat hij de stand van de geestelijken verstoort en hun sieraad schendt! Toen hij het ideaalbeeld schetste van een goede bisschop, durfde hij ook het huwelijk te noemen als een van de gaven die hij in zo iemand nodig vond.

Ik weet wel hoe zij dat uitleggen: we mogen niet iemand kiezen die nog een tweede vrouw heeft. En ik geef toe dat dat geen nieuwe uitleg is. Maar uit de context blijkt duidelijk dat het een verkeerde uitleg is. Want hij schrijft meteen daarna voor wat voor vrouwen bisschoppen en diakenen moeten hebben. 1

Timotheüs 3:11 Paulus noemt het huwelijk als een van de goede eigenschappen van een bisschop. Maar de pausgezinden leren dat het bij geestelijken een onacceptabele fout is. En, als God het toestaat, zijn ze met dat algemene verwijt nog niet tevreden. Daarom noemen ze het in hun canones iets onreins en iets dat het vlees besmeurt.

Ieder moet zelf maar bedenken uit welke hoek dit afkomstig is. Christus keurt het huwelijk deze eer waard: Hij wil dat het een beeld is van zijn heilige band met de kerk. Efeziërs 5:23-32 Zou er iets mooiers gezegd kunnen worden om de waarde van het huwelijk aan te prijzen? Wat brutaal dan om het onrein of besmet te noemen, als het beeld van Christus’ geestelijke genade erin schittert!

De priesters uit het Oude Testament zijn geen goed voorbeeld

Al is het verbod van de pausgezinden nog zo duidelijk in strijd met Gods Woord, toch vinden ze in de Schrift nog iets waarmee ze het willen verdedigen. Ze zeggen: ‘De priesters uit de stam Levi moesten zich onthouden van hun vrouwen, telkens als het hun beurt was om te bedienen. 1 Samuël 21:4-5 (2:5-6) Dan konden ze de heilige dienst schoon en onbesmet uitvoeren. Onze heilige bedieningen zijn veel edeler en die voeren we elke dag uit. Daarom zou het heel onfatsoenlijk zijn als die zouden worden uitgevoerd door mannen die getrouwd zijn.’

Alsof de bediening van het evangelie dezelfde rol heeft als het priesterschap van de stam Levi! De priesters uit de stam Levi vertegenwoordigden als voorbeelden Christus die als middelaar tussen God en mensen de Vader met ons zou verzoenen door zijn volmaakte reinheid. Maar omdat de priesters zondaren waren, konden zij niet in alle opzichten een beeld laten zien van Christus’ heiligheid. Om hen er toch een ruwe schets van te laten tonen, kregen zij het bevel zich meer te heiligen dan de mensen gewend waren als ze naar het heiligdom gingen. Want juist dan beeldden de priesters Christus af, omdat ze dan als vredestichters, om het volk met God te verzoenen, verschenen in de tabernakel, die een beeld vormde van de hemelse rechtbank.

Maar tegenwoordig vervullen de herders van de kerk deze rol niet. Daarom is het niet terecht om hen te vergelijken met de priesters. Daarom durft de apostel gerust te stellen dat het huwelijk fatsoenlijk is, zonder uitzondering. Maar als je ontucht of overspel pleegt, staat je Gods oordeel te wachten. Hebreeën 13:4 En de apostelen zelf hebben met hun voorbeeld laten zien dat er geen enkele taak, hoe hoog ook, zo heilig is dat het huwelijk die niet waard is. Want Paulus verklaart dat ze hun vrouw niet alleen hielden, maar zelfs meenamen op reis. 1 Korinthiërs 9:5

De kerkvaders beschouwden het huwelijk als heilig

Bovendien was het wonderlijk brutaal dat de pausgezinden die fraaie kuisheid hebben aangeprezen als iets onmisbaars. Daarmee beledigen ze de oude kerk! Die was heel rijk qua geweldige kennis van God, maar blonk nog meer uit qua heiligheid. Als de pausgezinden zich niet druk maken om de apostelen – soms durven ze die regelrecht te minachten – wat, vraag ik je, doen ze dan met alle oude kerkvaders? Het is zeker dat die het huwelijk niet alleen accepteerden in de bisschopsstand, maar zelfs goedkeurden. Gaven zij dan echt voeding aan een schandelijke ontheiliging van de heilige dingen, doordat ze de mysteries van de Heer niet eerden zoals het hoort?

Op het concilie van Nicea (325) heeft men wel geprobeerd voor elkaar te krijgen dat het celibaat werd voorgeschreven. Er zijn altijd wel bijgelovige mensjes die steeds iets nieuws verzinnen om zo bewonderd te worden. Maar wat werd er besloten? Nou, men sloot zich aan bij de opvatting van Paphnutius van Thebe.

Die zei dat slapen met je eigen vrouw kuis is. Dus bleven zij het huwelijk als heilig beschouwen en niet als iets onfatsoenlijks. Ook geloofden ze niet dat het de bediening met enige smet besmeurde.

Het ontstaan van het celibaat als ideaal

Daarna kwamen er tijden waarin het celibaat nog bijgeloviger bewonderd werd. Vandaar telkens weer dat onbeheerste opdreunen van lofprijzingen op maagdelijkheid. Algemeen geloofde men dat er nauwelijks een goede eigenschap is die je daarmee zou kunnen vergelijken. Weliswaar werd het huwelijk niet beschuldigd van onreinheid. Maar de waardigheid ervan werd zo verzwakt en de heiligheid ervan zo verduisterd dat het leek dat je niet enthousiast genoeg naar volmaaktheid streefde als je je niet van het huwelijk onthield.

Vandaar dat er eerst canones kwamen die mannen die al priester waren, verboden om te trouwen. Vervolgens mochten er alleen nog maar ongehuwde mannen als priester geaccepteerd worden, of mannen die samen met hun vrouw afscheid namen van het huwelijksbed.

Ik geef toe dat deze dingen ook in het verleden met groot gejuich ontvangen werden, omdat ze eerbied leken te wekken voor het priesterschap. Maar als mijn tegenstanders mij het verleden voor de voeten werpen, dan antwoord ik in de eerste plaats dat in de tijd van de apostelen en meerdere eeuwen daarna bisschoppen de vrijheid hadden om getrouwd te zijn en dat de apostelen en de andere herders met groot gezag die hen opvolgden, er geen enkel bezwaar tegen hadden om van deze vrijheid gebruik te maken. Het voorbeeld van die nog oudere kerk hoort voor ons zoveel waarde te hebben dat we niet moeten denken dat wat in die tijd met lof aanvaard werd en algemeen gebruikelijk was, voor ons niet toegestaan of onfatsoenlijk zou zijn.

In de tweede plaats zeg ik dat in de tijd toen men veel te weel waarde ging hechten aan maagdelijkheid en daardoor een onredelijk standpunt ging innemen tegenover het huwelijk, priesters het celibaat niet als wet opgelegd kregen alsof het iets op zichzelf onmisbaars was. Nee, het was alleen omdat men ongetrouwde priesters boven getrouwde priesters stelde.

Ten slotte zeg ik dat degenen die niet tot onthouding in staat waren, door deze wet niet met geweld onontkoombaar tot onthouding gedwongen werden. Ontucht werd weliswaar met heel strenge wetten bestraft. Maar voor degenen die een huwelijk sloten, bepaalde men alleen dat ze hun taak moesten opgeven.

Een kuis huwelijk is beter dan een onkuis celibaat

Dus steeds als de verdedigers van de nieuwe tirannie het verleden als voorwendsel gebruiken om hun celibaat te verdedigen, moeten we dit antwoord geven: ze moeten bij hun priesters de oude kuisheid herstellen en plegers van overspel en ontucht verwijderen. Ze mogen niet toelaten dat degenen van wie ze niet toestaan dat ze fatsoenlijk en kuis gebruik maken van het huwelijk, zich ongestraft in alle vormen van wellust storten. Ze moeten weer de in verval geraakte discipline terugroepen, die alle losbandigheid bedwingt. Zo moeten ze de kerk verlossen van deze misdadige schande, die haar al zo lang misvormt.

Als ze hieraan toegeven, dan moeten we hen verder waarschuwen dat ze het celibaat niet moeten aanprijzen als iets onmisbaars. Want op zichzelf is het een vrije kwestie, die afhankelijk is van wat het de kerk oplevert.

Toch zeg ik dit niet omdat ik zou vinden dat we ooit, onder welke voorwaarde ook, ruimte zouden moeten geven aan regels die de stand van de geestelijken binden aan het celibaat. Nee, ik zeg dit om verstandige mensen te laten begrijpen hoe brutaal onze vijanden in de priesters het heilige huwelijk onteren door het verleden als voorwendsel te gebruiken.

Wat betreft de kerkvaders van wie we nog geschriften hebben: behalve Hiëronymus hebben ook zij, als ze hun eigen mening gaven, het fatsoen van het huwelijk niet zo boosaardig verkleind. We stellen ons maar tevreden met één uitspraak van Chrysostomos. Hij was de belangrijkste bewonderaar van maagdelijkheid. We kunnen hem dus onmogelijk beschouwen als iemand die het huwelijk sterker aanprees dan anderen.

Welnu, hij zegt: ‘Het hoogste niveau van kuisheid is zuivere maagdelijkheid. Het tweede niveau is een trouw huwelijk. De kuise liefde in het huwelijk is dus een tweede soort maagdelijkheid.’

Voetnoten

  1. 617

    Chrysostomos, Homiliae in Matthaeum,132,6.

  2. 618

    Augustinus, De verbis apostolorum, 68.

  3. 619

    Cyprianus van Carthago, Epistulae, 62, 16,2 en 14,4.

  4. 620

    Ambrosius van Milaan, Epistulae I, 3.

  5. 621

    Cyprianus van Carthago, Epistulae, 59,16.

  6. 622

    Augustinus, Contra epistulam Parmeniani II, 1,2.

  7. 623

    Augustinus, Contra epistulam Parmeniani III, 1 en 2.

  8. 624

    Augustinus, Contra epistulam Parmeniani III, 1 en 3.

  9. 625

    Augustinus, Epistulae, 22.

  10. 626

    Augustinus, Contra epistulam Parmeniani III, 2.

  11. 627

    Augustinus, De moribus ecclesiae catholicae et de moribus Manichaeorum II, 13,27-28; Augustinus, Contra Faustum

  12. 628

    Flavius Magnus Aurelius Cassiodorus Senator (5e eeuw), Romeinse politicus en auteur.

  13. 629

    Historiae ecclesiasticae tripartitae epitome IX,38.

  14. 630

    Augustinus, Epistulae, 54.

  15. 631

    Xenofon,KuropaidiaVIII, 8,8.

  16. 632

    Paus Siricius aan Himerius, 1,7.

  17. 633

    Historiae ecclesiasticae tripartitae epitome II, 14.

  18. 634

    Pseudo-Chrysostomos, De inventione sanctae crucis.

Voetnoot 617

Chrysostomos, Homiliae in Matthaeum,132,6.

Voetnoot 618

Augustinus, De verbis apostolorum, 68.

Voetnoot 619

Cyprianus van Carthago, Epistulae, 62, 16,2 en 14,4.

Voetnoot 620

Ambrosius van Milaan, Epistulae I, 3.

Voetnoot 621

Cyprianus van Carthago, Epistulae, 59,16.

Voetnoot 622

Augustinus, Contra epistulam Parmeniani II, 1,2.

Voetnoot 623

Augustinus, Contra epistulam Parmeniani III, 1 en 2.

Voetnoot 624

Augustinus, Contra epistulam Parmeniani III, 1 en 3.

Voetnoot 625

Augustinus, Epistulae, 22.

Voetnoot 626

Augustinus, Contra epistulam Parmeniani III, 2.

Voetnoot 627

Augustinus, De moribus ecclesiae catholicae et de moribus Manichaeorum II, 13,27-28; Augustinus, Contra Faustum

Voetnoot 628

Flavius Magnus Aurelius Cassiodorus Senator (5e eeuw), Romeinse politicus en auteur.

Voetnoot 629

Historiae ecclesiasticae tripartitae epitome IX,38.

Voetnoot 630

Augustinus, Epistulae, 54.

Voetnoot 631

Xenofon,KuropaidiaVIII, 8,8.

Voetnoot 632

Paus Siricius aan Himerius, 1,7.

Voetnoot 633

Historiae ecclesiasticae tripartitae epitome II, 14.

Voetnoot 634

Pseudo-Chrysostomos, De inventione sanctae crucis.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.