Boek IV · Hoofdstuk 13

Geloften

Inhoud van dit hoofdstuk · 21 secties
  1. 1Inleiding
  2. 2We hebben te maken met God
  3. 3We mogen niet te veel beloven
  4. 4Geloften voor het verleden: dankbaarheid en berouw
  5. 5Geloften voor de toekomst: zelfbeheersing en aansporing
  6. 6Legitieme geloften
  7. 7Verkeerde geloften
  8. 8Het oude kloosterleven
  9. 9Augustinus over het oude kloosterleven
  10. 10Het verschil tussen het oude en het tegenwoordige kloosterleven
  11. 11Het kloosterleven is niet beter dan andere manieren van leven
  12. 12Monniken kunnen niet volmaakter leven dan iedereen moet doen
  13. 13Bezitloosheid is geen volmaaktheid
  14. 14Monniken zijn scheurmakers
  15. 15Leven en moraal van de monniken
  16. 16Bezwaren tegen het oude monnikbestaan
  17. 17Kloostergeloften en de gelofte van kuisheid
  18. 18Paulus over weduwen die niet mogen hertrouwen
  19. 19Geen jonge vrouwen
  20. 20Verkeerde geloften moet je breken
  21. 21Het breken van kloostergeloften

Inleiding

Christus heeft met de onschatbare prijs van zijn bloed vrijheid gekocht voor de kerk. Het is dus wel erg dat die kerk door een wrede tirannie zo onderdrukt en door een ontzaglijke hoop tradities haast overspoeld is. Maar ondertussen laat ieders persoonlijke dwaasheid zien dat God niet zonder heel rechtvaardige reden Satan en zijn dienaren zoveel heeft toegestaan. Het was immers nog niet genoeg dat ze Christus’ gezag negeerden en alle mogelijke lasten droegen die hun door valse leraren werden opgelegd. Nee, ieder van hen heeft zich ook nog eigen lasten op de nek gelegd en is zo, door putten te graven voor zichzelf, nog dieper weggezonken. Dat kwam doordat ze als het ware een wedstrijd deden wie de meeste geloften kon bedenken. Behalve door gezamenlijke banden, werden ze zo nog meer en nog strakker gebonden.

Ik heb al verteld dat degenen die onder het mom van herders in de kerk geregeerd hebben, de dienst van God met hun brutaliteit vervalst hebben. Met hun onrechtvaardige wetten hebben ze arme zielen verstrikt. Daar past goed bij om nu verder te spreken over een kwaad dat daaraan verwant is. Dan blijkt dat de wereld, in overeenstemming met haar slechte aard, altijd met alle mogelijke hindernissen de hulpmiddelen weggeduwd heeft die haar tot God hadden moeten brengen.

Verder moeten de lezers de al eerder genoemde basisprincipes in het oog houden. Dan zal extra duidelijk blijken dat met de geloften een heel ernstig bederf is ingevoerd. In de eerste plaats heb ik geleerd dat de wet alles bevat wat verlangd kan worden om een vroom en heilig leven te leiden. In de tweede plaats heb ik geleerd dat de Heer bepaald heeft dat alle lof voor rechtvaardigheid ligt in oprechte gehoorzaamheid aan zijn wil, om ons extra goed weg te roepen van het bedenken van nieuwe daden. Als dit waar is, kun je daaruit gemakkelijk opmaken dat God blij is met geen enkele verzonnen manier om God te dienen, die we zelf verzinnen om iets bij God te verdienen. Hoe aantrekkelijk we die zelf ook vinden. Vast en zeker wijst de Heer zelf die in vele passages niet alleen uitdrukkelijk af. Hij vindt die ook heel erg.

Dat roept een vraag op wat betreft geloften die gedaan worden tegen het uitdrukkelijke Woord van God in. Hoe moet je die opvatten? Kunnen christenen zulke geloften wel doen? En in hoeverre zijn ze er dan aan gebonden?

Wat tussen mensen een ‘belofte’ genoemd wordt, dat heet tegenover God een ‘gelofte’. Aan mensen beloven we iets waarvan we denken dat ze er blij mee zijn of dat we het tegenover hen verplicht zijn. Als het gaat om geloften die gericht worden aan God zelf, moeten we dus veel zorgvuldiger zijn. Want met Hem moeten we zo serieus mogelijk omgaan.

Op dit punt is er alle eeuwen door een wonderlijk bijgeloof tevoorschijn gekomen. Zonder onderscheid hebben mensen alles wat hun in gedachten of zelfs in de mond viel, meteen aan God beloofd. Vandaar die dwaze, ja monsterlijke en absurde geloften van de heidenen, waarmee ze heel onbeschaamd spelletjes speelden met hun goden. Ach, hadden de christenen deze brutaliteit van de heidenen maar niet geïmiteerd! Het was wel heel ongepast! Maar we zien dat al enkele eeuwen lang niets zo gewoon is als deze slechtheid: het volk minacht overal Gods wet, maar staat volledig in brand van een razende waanzin om alles te beloven waar ze maar van dromen. Ik wil niet hatelijk overdrijven en ook niet stuk voor stuk opsommen hoe ernstig en op hoeveel manieren er op dit punt gezondigd is. Maar het leek me goed dit in het voorbijgaan te zeggen. Dan blijkt extra duidelijk dat we, als we de geloften gaan behandelen, geen overbodige kwestie gaan bespreken.

We hebben te maken met God

Als we bij het beoordelen van welke geloften legitiem en welke verkeerd zijn niet willen dwalen, moeten we nadenken over drie dingen: wie is degene aan wie we een gelofte doen? Wie zijn wij, die een gelofte doen? En ten slotte: welke bedoeling hebben we met een gelofte?

Bij het eerste punt gaat het erom dat we moeten bedenken dat we met God te maken hebben. Hij wil zo graag dat we Hem gehoorzamen, dat Hij alle eigenwillige manieren om Hem te dienen, vervloekt. Hoe mooi en schitterend ze in mensenogen ook zijn. Kolossenzen 2:23 Als God alle eigenwillige manieren om Hem te dienen die wij zelf bedenken zonder dat Hij ze gebiedt, heel erg vindt, dan betekent dat dus dat we Hem alleen blij kunnen maken door Hem te dienen op manieren die door zijn Woord worden goedgekeurd. We moeten voor onszelf dus niet zoveel vrijmoedigheid nemen dat we God iets durven beloven zonder dat we van Hem weten wat Hij ervan vindt.

Paulus leert dat alles wat niet gebeurt uit geloof, zonde is. Romeinen 14:23 Dat omvat alle mogelijke handelingen. Het is dus vooral van toepassing als je iets bedenkt dat rechtstreeks aan God gericht is. Sterker nog, als we al struikelen of dwalen bij de allerkleinste dingen – bijvoorbeeld bij het maken van onderscheid in voedsel, waar Paulus het hier over heeft – als we geen licht krijgen door geloofszekerheid, dan moeten we toch nog veel meer bescheiden zijn als we iets heel belangrijks gaan doen. En niets moeten we immers zo serieus nemen als de plichten van de godsdienst.

Bij het doen van geloften moeten we dus in de eerste plaats oppassen dat we nooit een gelofte doen zonder er eerst in ons geweten zeker van te zijn dat we niet iets doen uit overmoed. En veilig voor overmoed zijn we alleen als God ons voorgaat en ons als het ware uit zijn Woord leert wat goed of zinloos is om te doen.

We mogen niet te veel beloven

Het tweede punt waar we, zoals ik zei, over na moeten denken, houdt in dat we een inschatting maken van onze kracht, dat we gericht blijven op onze roeping en dat we niet het geschenk negeren van de vrijheid die God ons geschonken heeft. Want als je meer belooft dan waar je toe in staat bent of als je iets belooft dat in strijd is met je roeping, ben je overmoedig. En als je de vrijgevigheid minacht waarmee God je heeft aangesteld als heer over alle dingen, dan ben je ondankbaar.

Als ik dit zo zeg, bedoel ik niet dat wij God iets zouden kunnen beloven waar we toe in staat zouden zijn als we op onze eigen kracht vertrouwen. Want heel terecht is er op het concilie van Orange (529) besloten dat we niets aan God beloven zoals het hoort, als het niet iets is dat we uit zijn hand gekregen hebben. Want alle dingen die we aan Hem offeren, zijn alleen maar gaven van Hem. Maar dankzij Gods welwillendheid, krijgen wij sommige dingen, terwijl we andere dingen in overeenstemming met zijn rechtvaardigheid niet krijgen. Daarom moet iedereen – Paulus beveelt dat – kijken hoeveel genade hij gekregen heeft. Romeinen 12:3; 1 Korinthiërs 12:11 Ik wil hier dus alleen maar zeggen dat je je geloften moet beperken in overeenstemming met de maat die God je voorschrijft door zijn gaven. Want als je meer zou proberen dan Hij je toestaat, zou je jezelf te veel aanmatigen en jezelf in de ondergang storten.

Een voorbeeld: Lucas vertelt over de sluipmoordenaars die een gelofte deden dat ze geen voedsel zouden proeven voordat Paulus gedood was. Handelingen 23:12 Zelfs als het geen misdadig plan geweest was, zou hun overmoed op zichzelf al totaal onacceptabel zijn. Want ze claimen voor zichzelf de macht over leven en dood. Zo kreeg Jefta de straf voor zijn dwaasheid toen hij in blinde ijver een onbezonnen gelofte deed. Richteren 11:30-31

Bij dit soort geloften staat het celibaat bovenaan qua doldwaze overmoed. Want de priesters, monniken en nonnen vergeten hun eigen zwakheid en vertrouwen erop dat ze de ongehuwde staat aan kunnen. Maar welke goddelijke uitspraak leert hun dat ze heel hun leven kuis kunnen blijven? Toch beloven ze dat tot aan het eind van hun leven! Ze horen Gods Woord over de algemene toestand van de mensen: ‘Het is niet goed dat de mens alleen is.’ Genesis 2:18 Ze begrijpen – en ach, ervoeren ze het maar niet – dat de zonde die in ons blijft heel scherpe prikkels heeft. Hoe durven ze er dan vol vertrouwen zo’n algemene roeping uitschudden voor heel hun leven? De gave van onthouding wordt meestal alleen gegeven voor speciale momenten, als het nodig is.

Ze moeten er maar niet op rekenen dat God hen helpt bij zulke koppigheid. Ze kunnen er beter aan denken dat er gezegd is: ‘Je mag de Heer, je God, niet uittesten.’ Deuteronomium 6:16; Mattheüs 4:7 En dit is God uittesten: als we ingaan tegen de natuur die Hij in ons geplant heeft en zijn tegenwoordige gaven afwijzen alsof we er niets aan hebben. Zij doen niet alleen dat. Ze durven het huwelijk zelfs een besmetting noemen, alleen om hun celibaat, wat dat ook inhoudt, met wonderlijke lofprijzingen op te hemelen. Het huwelijk waarvan God vond dat het niet met zijn majesteit in strijd was om het in te stellen. Het huwelijk dat Hij voor iedereen fatsoenlijk verklaard heeft. Hebreeën 13:4 Het huwelijk dat Christus onze Heer geheiligd heeft door erbij aanwezig te zijn en het waard gekeurd heeft om met zijn eerste wonder te eren. Johannes 2:1-11 Alsof zij er zelf met hun leven geen duidelijk bewijs van leveren dat het celibaat iets heel anders is dan maagdelijkheid. En toch noemen ze hun leven heel brutaal een leven zoals dat van de engelen. Natuurlijk doen ze Gods engelen er een groot onrecht mee dat ze hen vergelijken met plegers van ontucht, overspel en nog veel slechtere en smerigere dingen!

En hier zijn echt helemaal geen argumenten nodig. Want de feiten zelf overtuigen hen duidelijk van hun schuld. We zien duidelijk met wat voor vreselijke straffen de Heer zo’n arrogante en brutale minachting van zijn gaven steeds weer bestraft. De meer verborgen zonden verzwijg ik maar uit schaamte. Wat we ervan begrijpen, is al te veel.

Het staat buiten kijf dat we niets moeten beloven dat ons kan hinderen om onze roeping te dienen. Bijvoorbeeld als de vader van een gezin de gelofte doet dat hij zijn vrouw en kinderen zal verlaten om andere lasten op zich te nemen. Of als iemand die geschikt is om een overheidstaak te vervullen de gelofte doet dat hij een gewone burger blijft, ook al wordt hij verkozen.

Maar ik heb ook gezegd dat we onze vrijheid niet moeten minachten. En wat ik daarmee bedoel, is moeilijker te begrijpen als het niet wordt uitgelegd. In enkele woorden gezegd, moet je het als volgt opvatten: God heeft ons aangesteld als heer over alle dingen. Hij heeft ze aan ons onderworpen zodat wij ze mogen gebruiken om er ons voordeel mee te doen. Daarom moeten we niet hopen dat je God een dienst bewijst als we ons slaaf maken van de uiterlijke dingen die ons zouden moeten helpen. Dit zeg ik omdat sommigen proberen lof te verdienen voor hun nederigheid door zich te verstrikken in vele vormen van onthouding. Terwijl God niet voor niets wilde dat we daar vrij van zouden zijn. Als we aan dat gevaar willen ontkomen, moeten we dus altijd bedenken dat we nooit moeten afwijken van de orde die de Heer in de christelijke kerk heeft ingesteld.

Geloften voor het verleden: dankbaarheid en berouw

Nu kom ik bij het derde punt dat ik genoemd heb: als je wilt dat God blij is met een gelofte, is het heel belangrijk met welke bedoeling je die doet. Want de Heer kijkt naar het hart en niet naar uiterlijke schijn. Zodoende doet hetzelfde ding Hem de ene keer plezier, terwijl Hij het een andere keer heel erg vindt, als je er in je hart een andere bedoeling mee hebt. Als je belooft je van wijn te onthouden, alsof daar iets heiligs in zou liggen, ben je bijgelovig. Als je er een andere, niet verkeerde bedoeling mee hebt, kan niemand het afkeuren.

Voor zover ik dat kan beoordelen, zijn er vier juiste doelen die we met onze geloften op het oog kunnen hebben. Omwille van het onderwijs breng ik daarvan twee in verband met het verleden en twee met de toekomst.

Op het verleden slaan de geloften waarmee we God onze dankbaarheid tonen voor zegeningen die we gekregen hebben of waarmee we onszelf straf opleggen voor misdaden die we begaan hebben, om God te bidden of Hij zijn woede wil laten ophouden. Als je wilt, kunnen we de eerste trainingen in dankbaarheid en de tweede trainingen in berouw noemen.

Een voorbeeld van de eerste categorie hebben we in de tienden die Jacob beloofde als de Heer hem uit ballingschap veilig zou terugbrengen in zijn vaderland. Genesis 28:20-22 Een ander voorbeeld hebben we in de oude vredesoffers die vrome koningen en legeraanvoerders, als ze op het punt stonden te beginnen aan een rechtvaardige oorlog, beloofden te brengen als ze de overwinning zouden behalen. Of anders als ze erg in het nauw zaten en de Heer hen zou verlossen. Zo moeten we de passages opvatten in de Psalmen die over geloften gaan. Psalm 22:26; 56:13; 116:14-18

Zulke geloften kunnen wij tegenwoordig ook gebruiken, steeds als de Heer ons verlost van een zware ziekte of van een ander gevaar. Het is niet zo dat het niet bij de plicht van een vrome man past als hij, als een openbaar teken van dankbaarheid, een gelofteoffer wijdt aan God. Dan lijkt hij niet ondankbaar voor Gods welwillendheid.

Om duidelijk te maken wat de aard is van de tweede categorie, hebben we genoeg aan slechts één bekend voorbeeld. Als iemand gulzig is en door die fout iets verkeerds doet, is er niets op tegen als hij, als straf voor zijn gebrek aan zelfbeheersing, zichzelf een tijdlang alle lekkernijen ontzegt en als hij, om zich daartoe extra streng te verplichten, gebruik maakt van een gelofte. Maar toch schrijf ik mensen die zo gezondigd hebben, geen wet voor die altijd geldig is. Nee, ik laat alleen zien dat degenen die vinden dat dat goed voor hen is, zo’n gelofte mogen doen. Ik sta het doen van zo’n gelofte dus toe, maar tegelijkertijd laat ik het toch vrij.

Geloften voor de toekomst: zelfbeheersing en aansporing

Geloften die op de toekomst slaan, zijn voor een deel bedoeld om ons voorzichtiger te maken en voor een deel om ons als het ware door bepaalde prikkels aan te sporen om onze plicht te doen. Ik heb dat al gezegd.

Stel dat iemand ziet dat hij zo sterk geneigd is tot een bepaalde fout dat hij, bij iets dat op zichzelf niet verkeerd is, zichzelf niet in toom kan houden, maar meteen vervalt tot kwaad doen. Er is dan niets absurds aan als hij door een gelofte het zich voor een bepaalde tijd ontzegd om er gebruik van te maken. Bijvoorbeeld, stel dat iemand inziet dat een of andere versiering van het lichaam gevaarlijk voor hem is en hij er, verleid door begeerte, toch hevig naar verlangt. Wat zou hij dan beter kunnen doen dan zichzelf een teugel aandoen – zichzelf dwingen tot onthouding – en zich zo van alle weifelachtigheid bevrijden?

Of stel dat iemand vergeetachtig of laks is bij het doen van de plichten van vroomheid. Waarom zou hij zijn geheugen niet wakker schudden en zijn laksheid verjagen door een gelofte te doen?

Ik geef toe dat beide geloften iets lijken te hebben van een basisopvoeding. Maar juist omdat ze helpen bij zwakheid, kunnen ongeschoolden en onvolwassenen er baat bij hebben. Daarom zullen we geloften waarmee een van deze doelen beoogd wordt, vooral in uiterlijke dingen, legitiem noemen. Maar dan moeten ze wel gebaseerd zijn op Gods goedkeuring, passen bij onze roeping en niet meer van ons vragen dan waar we toe in staat zijn dankzij de gaven die God ons gegeven heeft.

Legitieme geloften

Nu is het ook niet moeilijk meer om hieruit af te leiden hoe we over geloften in het algemeen moeten denken. Alle gelovigen hebben één zelfde gelofte. Die hebben we gedaan bij de doop. En door onderwijs in de christelijke leer en door gebruik te maken van het avondmaal bevestigen en ratificeren we die als het ware. Want de sacramenten zijn net schriftelijke overeenkomsten waarin de Heer ons zijn barmhartigheid en daarmee het eeuwige leven geeft en wij van onze kant beloven dat we Hem zullen gehoorzamen.

Dit is de formulering van deze geloften, of in elk geval komt die in de kern hierop neer: we zweren de duivel af en wijden ons in slavernij aan God om zijn heilige geboden te gehoorzamen en niet te luisteren naar de slechte begeerte van ons vlees. Deze gelofte wordt ondersteund door bewijzen uit de Schrift. Daarom mogen we er niet aan twijfelen dat deze gelofte heilig en gezond is.

Daarbij vormt het geen bezwaar dat het in dit leven niemand lukt om volmaakt de wet te gehoorzamen, zoals God van ons eist. Want deze gelofte is onderdeel van het genadeverbond, samen met de vergeving van zonden en de Geest van de heiliging. Daarom gaat de belofte die we hier doen gepaard met smeken om vergeving en vragen om hulp.

Als we speciale geloften beoordelen, moeten de drie bovengenoemde normen in gedachten houden. Op basis daarvan kunnen we bij elke gelofte gemakkelijk beoordelen wat voor gelofte het is. Toch moet je niet denken dat ik geloften waarvan ik verzeker dat ze heilig zijn, zo sterk aanbeveel dat ik zou willen dat je elke dag zulke geloften doet. Ik durf niets voorschrijven over het aantal of de tijdsduur. Maar als je naar mijn advies luistert, zul je slechts zelden en tijdelijk geloften doen. Want als je steeds weer veel geloften doet, zal door de herhaling de godsdienstige waarde ervan afnemen en kom je gemakkelijk tot bijgeloof. Als je je bindt aan een gelofte voor altijd zul je je er met grote moeite of met tegenzin aan houden. Misschien waag je het uiteindelijk zelfs om je gelofte te breken, omdat je het na al die tijd zat bent.

Verkeerde geloften

En het is duidelijk onder hoeveel bijgeloof de wereld in dit opzicht enkele eeuwen lang geleden heeft. De een deed de gelofte dat hij geen wijn zou drinken, alsof het niet drinken van wijn op zichzelf een manier was om God te dienen, waar God blij mee was. Een ander verplichtte zich om op bepaalde dagen te vasten en weer een ander om geen vlees te eten, omdat ze zich door een ongefundeerd idee inbeeldden dat daar qua godsdienst iets speciaals in lag, meer dan in andere dingen. En er werden nog veel kinderachtiger geloften gedaan, maar niet door kinderen. Want het werd als een grote wijsheid beschouwd als je de gelofte deed pelgrimstochten te maken naar heilige plaatsen, soms zelfs te voet of halfnaakt, zodat je iets extra’s kon verdienen door je zelf extra uit te putten.

Als je deze en andere zulke geloften, waar de wereld een tijdlang ongelooflijk ijverig haar best voor deed, onderzoekt volgens de normen die ik hierboven genoemd heb, dan zal blijken dat ze niet alleen zinloos en waardeloos zijn. Nee, het is overduidelijk dat ze vol goddeloosheid zijn. Want wat het vlees er ook van vindt, God vindt niets zo erg als verzonnen manieren om Hem te dienen.

Bovendien hebben huichelaars het gevaarlijke en vervloekte idee dat ze, als ze zulke onzinnige dingen gedaan hebben, een meer dan gewone rechtvaardigheid verdiend hebben. Ze plaatsen de kern van vroomheid in uiterlijke rituelen. Ze minachten alle andere mensen die daar minder waarde aan lijken te hechten.

Het oude kloosterleven

Het is niet nodig alle vormen een voor een op te sommen. Maar kloostergeloften staan meer in aanzien, omdat de kerk die met een publiek oordeel lijkt goed te keuren. Daarom moet ik die geloften kort bespreken.

In de eerste plaats moet niemand het monnikbestaan, zoals het tegenwoordig is, verdedigen door erop te wijzen dat het al heel oud is. Daarom moet ik noemen dat er vroeger in kloosters heel anders geleefd werd. Degenen die zich wilden trainen in een grote strengheid en geduld, gingen naar het klooster. Wat verteld wordt over de tucht van de Spartanen onder de wetten van Lycurgus, zo was het toen bij monniken, zelfs nog strenger! Ze sliepen op de grond, dronken water en aten brood, kruiden en wortels. Hun grootste luxe bestond uit olie en erwten. Ze onthielden zich van alle meer verfijnde manieren om het lichaam te voeden en te verzorgen.

Als ik dit zeg, kan het lijken alsof ik overdrijf. Maar het wordt ons overgeleverd door getuigen die het zelf gezien en ervaren hebben: Gregorius van Nazianze, Basilius de Grote en Chrysostomos.

En door zo’n basistraining bereidden de monniken zich voor op grotere taken. Want kloostergemeenschappen waren toen als het ware kweekplaatsen voor de geestelijke stand. Overtuigend bewijs daarvan vormen niet alleen degenen die ik net noemde – ze zijn alle drie in kloosters opgevoed en vandaar geroepen tot de bisschopstaak – maar ook andere grote en geweldige mannen uit hun tijd.

En Augustinus laat zien dat het ook in zijn tijd gebruikelijk was dat kloosters de dienaren leverden voor de kerk. Want tegen de monniken van het eiland Capraria zegt hij: ‘Ik spoor jullie aan, broeders, dat jullie blijven bij jullie voornemen en tot het eind toe volhouden. En als onze moeder, de kerk, op een geven moment graag wil dat jullie werken, neem die taak dan niet aan uit een gretige trots en wijs die evenmin af uit een verleidelijke luiheid. Nee, gehoorzaam God met een zachtmoedig hart. Stel je eigen gemak niet boven de behoeften van de kerk. Want als goede mannen de kerk niet hadden willen dienen toen ze in barensnood was, hadden jullie niet de kans gekregen om geboren te worden.’ Hij heeft het namelijk over de bediening waardoor gelovigen geestelijk opnieuw geboren worden.

En tegen Aurelius zegt hij: ‘Als deserteurs uit het klooster gekozen worden om te dienen als geestelijken, wordt hun een aanleiding gegeven om te vallen en dan wordt de stand van de geestelijken heel groot onrecht gedaan. Want van degenen die wel in het klooster blijven, nemen we altijd alleen degenen die het meest getest en de besten zijn, aan om in de kerk te dienen. Anders wordt er, net zoals men zegt: “Een slechte fluitist is nog wel een goede muzikant,” ook over ons voor de grap gezegd: “Een slechte monnik is nog wel een goede dienaar.” Het zou heel erg zijn als we de monniken zouden verheffen tot zo’n gevaarlijke hoogmoed en de dienaren zo’n grote belediging waard zouden keuren. Want soms kan zelfs een goede monnik nauwelijks een goede dienaar worden, als hij wel voldoende zelfbeheersing heeft, maar niet de benodigde kennis.’

Uit deze passages blijkt dat het de gewoonte was dat vrome mannen zich door de kloosterdiscipline voorbereidden op het besturen van de kerk. Dan zouden ze extra bekwaam en beter getraind zijn om zo’n grote taak op zich te nemen. Maar niet iedereen bereikte dat einddoel of probeerde dat zelfs maar. Want een groot deel van hen was ongeletterd. Maar degenen die geschikt waren, werden uitgekozen.

Augustinus over het oude kloosterleven

Vooral in twee passages tekent Augustinus voor ons hoe het oude kloosterleven er uitzag. In het ene boek, Over demoraalvan de katholieke kerk, verdedigt hij de heiligheid van het kloosterleven tegen de laster van de manicheeërs. En in het andere boek, met de titel Over het werk van monniken, vaart hij uit tegen ontaarde monniken die het kloosterleven begonnen te bederven. Ik zal de kern weergeven van wat hij leert en dan zo dat ik zoveel mogelijk zijn eigen woorden gebruik:

‘Monniken wijzen de aantrekkelijke dingen van deze wereld af en komen bij elkaar om samen kuis en heilig te leven. Ze brengen hun leven samen door met bidden, lezen en gesprekken, zonder verwaandheid, zonder koppigheid, zonder jaloezie. Niemand bezit iets als zijn eigendom, niemand is een ander tot last. Ze werken met hun handen om voedsel te verdienen voor hun lichaam zonder dat hun geest van God wordt afgehouden. En wat hun werk oplevert, geven ze aan degenen zie ze “dekens” noemen. Die dekens beheren alles heel zorgvuldig en leggen verantwoording af aan één man. Die noemen ze “vader”. Deze vaders zijn niet alleen moreel gezien heel heilig. Ze blinken ook uit in de goddelijke leer en in alle dingen. Zonder hoogmoed zorgen zij voor degenen die zij “zonen” noemen. Ze hebben groot gezag om te bevelen en de anderen zijn graag bereid om te gehoorzamen.

Tegen het eind van de dag komen ze bij elkaar, ieder uit zijn eigen cel. Voordat ze gaan eten, luisteren ze eerst naar de vader. En bij iedere vader komen minstens drieduizend mannen.’ Augustinus heeft het vooral over Egypte en het Oosten. ‘Daarna versterken ze hun lichaam, voor zover dat voldoende is voor hun gezondheid en welzijn. Ieder houdt daarbij zijn begeerte in bedwang, om te voorkomen dat hij te veel eet, zelfs van het sobere en eenvoudige voedsel dat hem ter beschikking staat. Om in staat te zijn hun begeerte in toom te houden, onthouden ze zich dus niet alleen van vlees en wijn, maar van alles wat in de maag en de keel zin in eten oproept. Sommigen vinden die dingen “reiner”. Met die benaming wordt vaak op een belachelijke en schandelijke manier de schandelijke begeerte naar delicatessen verdedigd, omdat het niet om vlees gaat.

Dankzij het werk van hun handen en hun sobere maaltijden, is er veel meer eten dan nodig is om in leven te blijven. Wat over is, wordt uitgedeeld aan mensen die het nodig hebben. Dat gebeurt met nog meer zorg dan waarmee degenen die het uitdelen het verdiend hebben. Ze doen op geen enkele manier hun best om overvloed te hebben, maar proberen wel op alle mogelijke manieren te voorkomen dat ze de overvloed die ze hebben, houden.’

Augustinus vertelt dan over hun strengheid. Zelf had hij daar voorbeelden van gezien in Milaan en andere plaatsen. Vervolgens zegt hij:

‘Ondertussen wordt niemand gedwongen iets te doen dat te moeilijk voor hem is. Niemand wordt iets opgelegd dat hij weigert. En niemand wordt door de anderen veroordeeld als hij toegeeft dat hij de anderen niet kan nadoen. Want ze bedenken hoe sterk liefde is aanbevolen. Ze bedenken dat voor wie rein zijn, alle dingen rein zijn. Titus 1:15 Daarom richten ze niet al hun ijver op het verwerpen van sommige soorten voedsel, alsof die besmeurd zijn. Nee, ze richten hun ijver op het beteugelen van de begeerte en het bewaren van de liefde voor hun broeders.

Ze bedenken dat het voedsel er is voor de maag en de maag voor het voedsel. 1 Korinthiërs 6:13 Toch leggen vele sterken zich meer onthouding op omwille van de zwakken. Voor veel anderen is die reden er niet. Maar ze doen het toch omdat ze zich graag voeden met eenvoudig en goedkoop voedsel. Dezelfde mensen die, als ze gezond zijn, zich ergens van onthouden, eten dat voedsel zonder angst wel als hun gezondheidstoestand hen ertoe dwingt. Velen drinken geen wijn, maar toch denken ze niet dat wijn hen onrein maakt. Want ze geven heel welwillend wijn aan degenen die zwak zijn en die zonder wijn hun lichaam niet gezond kunnen houden. Sommigen die zo dwaas zijn om wijn te weigeren, vermanen ze broederlijk, om te voorkomen dat ze door zinloos bijgeloof zwakker worden in plaats van heiliger.

Zo trainen ze zich ijverig in vroomheid. En ze weten dat training van het lichaam slechts een korte tijd zin heeft. Ze bewaren vooral liefde. Voedsel, gesprekken, kleding en gezichtsuitdrukkingen – al die dingen gebruiken ze voor liefde. Ze komen samen in en streven samen naar één liefde. Het kwetsen van die liefde beschouwen ze als een zonde, alsof je God kwetst. Wie zich verzet tegen liefde, gooien ze eruit en mijden ze. Als iemand de liefde kwetst, wordt hij geen dag langer geduld.’

Het lijkt alsof deze heilige man met deze woorden als op een schilderij een afbeelding gegeven heeft van hoe vroeger het monnikbestaan er uitzag. Daarom vond ik het niet erg deze worden hier in te voegen, ook al waren ze vrij lang. Want als ik dit allemaal had moeten verzamelen uit verschillende schrijvers, zou ik nog meer woorden gebruikt hebben, ook al zou ik mijn best gedaan hebben het kort te houden.

Het verschil tussen het oude en het tegenwoordige kloosterleven

Nu is het niet mijn bedoeling om dit onderwerp hier volledig te behandelen. Ik wil alleen terloops aanwijzen wat voor monniken er in de oude kerk waren en ook wat het beroep van monnik inhield. Verstandige lezers kunnen dan op basis van een vergelijking beoordelen hoe brutaal het is om het monnikwezen van tegenwoordig overeind te houden door het verleden aan te halen.

Als Augustinus voor ons het heilige en legitieme kloosterleven tekent, wil hij dat dat ver verwijderd blijft van elk star eisen van dingen waar Gods Woord ons vrij in laat. Maar tegenwoordig wordt niets zo streng geëist als juist die dingen! Want de roomsen vinden het een onverzoenbare misdaad als iemand ook maar een heel klein beetje afwijkt van de voorschriften als het gaat om kledingkleur of -vorm, voedselsoorten of andere waardeloze rituelen zonder betekenis.

Augustinus stelt met nadruk dat monniken niet werkloos mogen leven van andermans bezit. Hij ontkent dat daar in zijn tijd een voorbeeld van bestond in een goed geregeld klooster. De monniken van tegenwoordig plaatsen het belangrijkste onderdeel van hun heiligheid in nietsdoen. Want als je hun het recht ontneemt om niets te doen, wat blijft er dan over van het contemplatieve leven waardoor zij – zo pochen ze – uitblinken boven alle anderen en dichter bij de engelen komen?

Ten slotte eist Augustinus een kloosterleven dat niets anders is dan een training in en een hulp bij het uitvoeren van de plichten van vroomheid. Plichten die aan alle christenen worden aanbevolen. Hij plaatst liefde als hoogste, ja haast als enige regel voor het kloosterleven. Moeten we dan denken dat hij een samenzwering prijst waardoor enkele mensen zich aan elkaar verbinden en zich afscheiden van de rest van het lichaam van de kerk? Integendeel! Hij wil dat monniken een lichtend voorbeeld zijn om de eenheid van de kerk te bewaren.

In beide opzichten is de toestand van het monnikwezen van tegenwoordig zo anders dat je nauwelijks iets kunt vinden dat er zo weinig op lijkt, om niet te zeggen: dat er zo mee in strijd is. Immers, de monniken van onze tijd zijn niet tevreden met de vroomheid waarvan Christus gebiedt dat de zijnen die continu moeten proberen te bereiken. Daarom verzinnen ze een of andere nieuwe vroomheid. Ze denken dat ze, als ze daarover mediteren, volmaakter zijn dan alle andere mensen.

Het kloosterleven is niet beter dan andere manieren van leven

Als de monniken dit ontkennen, dan zou ik van hen wel eens willen weten waarom zij vinden dat alleen hun stand de aanduiding ‘volmaakt’ verdient en waarom ze alle andere roepingen van God die aanduiding ontnemen. Het is mij niet onbekend wat hun spitsvondige antwoord is: ze noemen hun stand niet zo omdat die op zichzelf volmaakt is, maar omdat het de beste stand is om volmaaktheid te bereiken.

Als ze zich bij het volk willen aanprijzen, als ze ongeschoolde en onwetende jongens in hun strikken willen vangen, als ze hun privileges willen verdedigen, als ze hun eigen aanzien willen opkrikken door anderen te beledigen – dan pochen ze erop dat zij in de volmaakte toestand verkeren. Maar wanneer ze te veel in het nauw gebracht worden en deze loze aanmatiging niet langer overeind kunnen houden, dan wijken ze uit naar deze loopgraaf: ze hebben nog geen volmaaktheid bereikt, maar ze verkeren toch in een toestand waardoor ze er meer hun best voor doen dan anderen.

Ondertussen blijft het volk hen bewonderen, alsof alleen het kloosterleven een leven is zoals dat van de engelen, volmaakt en gezuiverd van alle gebreken. Onder dit voorwendsel drijven ze een heel winstgevende handel. En de genoemde beperking blijft in enkele boeken begraven liggen. Wie ziet niet dat dit een onacceptabel lachertje is?

Maar laten we hen behandelen alsof ze hun beroep niet meer waarde toekennen dan dat ze het een toestand noemen om volmaaktheid te bereiken. Door hun beroep zo aan te duiden, maken ze natuurlijk met een speciaal kenmerk onderscheid tussen hun beroep en andere manieren van leven. En wie kan dat accepteren, dat zo’n grote eer wordt toegekend aan een instelling die nergens ook maar met één woord wordt goedgekeurd? Dat alle roepingen van God, die Hij met zijn heilige mond niet alleen bevolen maar ook met geweldige woorden van lof versierd heeft, deze eer niet waard gekeurd worden? En wat voor groot onrecht wordt God gedaan, vraag ik je, als een of andere verzonnen manier van leven geplaatst wordt boven alle andere manieren van leven, die Hij bepaald en met zijn verklaring geprezen heeft?

Monniken kunnen niet volmaakter leven dan iedereen moet doen

Nou, laat ze maar eens zeggen dat wat ik eerder gezegd heb laster is: dat ze niet tevreden zijn met de regel die God heeft voorgeschreven. Maar al zou ik zwijgen, dan nog beschuldigen ze zichzelf al meer dan voldoende. Want ze leren openlijk dat ze een zwaardere last op zich nemen dan Christus hun heeft opgelegd. Immers, ze beloven dat ze zich zullen houden aan de aansporingen van het evangelie over het liefhebben van je vijanden, over geen wraak willen nemen, over niet zweren, enzovoort. Mattheüs 5:33-48 De christenen in het algemeen zijn daar volgens hen niet aangebonden.

Wat kunnen ze daarover tegen mij aanvoeren vanuit het verleden? Geen enkele van de oude schrijvers is ooit op dit idee gekomen. Ze roepen allemaal eenstemmig uit dat Christus nooit ook maar één woordje gesproken heeft waar we niet onontkoombaar aan moeten gehoorzamen. En zonder aarzelen leren zij overal dat vooral dit onderwijs verplicht is, waarvan deze fraaie uitleggers beweren dat Christus het alleen maar aangeraden heeft.

Maar hierboven heb ik al uitgelegd dat dit een heel gevaarlijke dwaling is. Daarom moet het nu voldoende zijn dat ik er in het kort op gewezen heb dat het monnikbestaan van tegenwoordig gebaseerd is op een idee dat alle vromen terecht verschrikkelijk vinden: hun verzinsel dat er een volmaaktere regel is om naar te leven dan de algemene regel die God aan heel de kerk gegeven heeft. Alles wat op dit fundament gebouwd wordt, kan niet anders dan weerzinwekkend zijn.

Bezitloosheid is geen volmaaktheid

Maar de monniken voeren nog een ander argument aan voor hun volmaaktheid. Een heel sterk argument, vinden zij. Want tegen de jongeman die de Heer vroeg naar volmaakte rechtvaardigheid, zei Hij: ‘Als je volmaakt wilt zijn, verkoop dan alles wat je hebt en geeft het aan de armen.’ Mattheüs 19:21

Of de monniken dit ook doen, daar heb ik het niet over. Laten we nu maar even toegeven dat ze het doen. Ze pochen dus dat ze volmaakt zijn geworden door alles wat ze hebben, op te geven. Als daarin de kern ligt van volmaaktheid, wat bedoelt Paulus dan als hij leert dat je niets bent als je alles wat je hebt aan de armen uitgedeeld hebt, maar geen liefde hebt? 1 Korinthiërs 13:3 Wat is dat voor volmaaktheid als die samen met de mens verloren gaat als er geen liefde is?

Nu kunnen ze niets anders antwoorden dan dat dit wel de hoogste, maar niet de enige daad van volmaaktheid is. Maar ook dat spreekt Paulus tegen. Hij aarzelt niet liefde de band van volmaaktheid te noemen, zonder een dergelijk loslaten van bezittingen. Kolossenzen 3:14 Het is toch zeker dat de leermeester en de leerling elkaar niet tegenspreken? En de leerling ontkent duidelijk dat de volmaaktheid van de mens eruit bestaat dat hij alles opgeeft wat hij heeft. Bovendien verzekert hij dat die volmaaktheid bestaat zonder het opgeven van alles wat je hebt. Dus moeten we kijken hoe we deze uitspraak van Christus moeten opvatten: ‘Als je volmaakt wilt zijn, verkoop dan alles wat je hebt.’

De betekenis is volstrekt helder als we in rekening brengen aan wie deze woorden gericht zijn. Daar moet je altijd op letten, bij heel Christus’ prediking. De jongeman vraagt met welke daden hij toegang krijgt tot het eeuwige leven. Omdat hij vraagt naar daden op basis van de wet, verwijst Christus hem naar de wet. Mattheüs 19:16-19 En terecht. Want dat is, op zichzelf gezien, de weg naar het eeuwige leven. Dat de wet niet in staat is om ons het behoud te bezorgen, komt nergens anders door dan door onze slechtheid. Met dit antwoord verklaart Christus dat Hij geen andere norm leert om het leven naar te richten dan de wet van de Heer die in het verleden gegeven was. Daarmee getuigde Hij van Gods wet dat die de leer was van volmaakte rechtvaardigheid. Bovendien ging Hij daarmee in tegen laster, om te voorkomen dat het zou lijken alsof Hij met een of andere nieuwe norm voor het leven het volk zou aanzetten tot afval van de wet.

De jongeman had geen kwade bedoelingen. Hij was alleen verwaand door een ongefundeerd vertrouwen in zichzelf. Daarom antwoordt hij dat hij zich van jongs af aan alle geboden van de wet gehouden heeft. Er is natuurlijk geen twijfel aan dat hij oneindig ver verwijderd was van het doel dat hij al bereikt dacht te hebben. En als zijn pochen terecht zou zijn, zou hij van de hoogste rechtvaardigheid niets meer missen. Want ik heb hierboven al aangetoond dat de wet volmaakte rechtvaardigheid bevat. Dat blijkt uit het feit dat de wet de weg naar eeuwig behoud genoemd wordt. Dus om hem te leren hoe weinig hij nog maar is opgeschoten in de richting van rechtvaardigheid, waarvan hij veel te overmoedig geantwoord had dat hij haar al bereikt had, was het nodig om zijn veelvoorkomende gebrek tevoorschijn te brengen. Nu was hij heel rijk en daarom was hij aan zijn rijkdom verknocht. Omdat hij deze verborgen wond niet voelde, kwetst Christus hem juist daar. Hij zegt: ‘Ga, verkoop alles wat je hebt!’ Als de jongeman zich zo goed aan de wet hield als hij dacht, zou hij na het horen van deze uitspraak niet verdrietig weggegaan zijn. Mattheüs 19:21-22 Want als je God met heel je hart liefhebt, beschouw je niet alleen alles wat zich tegen liefde voor God verzet als modder. Nee, dan heb je er een dodelijke afkeer van.

Dat Christus de rijke gierigaard gebiedt alles op te geven wat hij heeft, is dus hetzelfde alsof Hij een eerzuchtig iemand beveelt alle eer, een genotzuchtig iemand elk genot en een onkuis iemand alle instrumenten van wellust vaarwel te zeggen. Als het geweten niet geraakt wordt door algemene vermaningen, moet het zo gebracht worden tot het besef van de eigen specifieke zonde.

De monniken geven dus onterecht een algemene uitleg van deze uitspraak, alsof Christus de volmaaktheid van de mens plaatste in het loslaten van je bezit. Want zijn enige bedoeling met die woorden was dat Hij de jongeman, die het bijzonder met zichzelf getroffen had, zijn wond wilde laten voelen. Dan zou hij begrijpen dat hij nog heel ver verwijderd was van de volmaakte gehoorzaamheid aan de wet die hij onterecht beweerde te hebben.

Ik geef toe dat sommige kerkvaders deze passage verkeerd begrepen hebben. Dat heeft geleid tot een hang naar vrijwillige armoede, waardoor je pas als echt gelukkig beschouwd werd als je afstand deed van al je aardse bezittingen en je naakt aan Christus overgaf. Maar ik vertrouw erop dat alle goede mensen, die niet graag in discussie gaan, tevreden kunnen zijn met deze uitleg van mij. Ze hoeven dus niet te twijfelen over wat Christus bedoelt.

Monniken zijn scheurmakers

Trouwens, het laatste waar de kerkvaders aan gedacht hebben, is het bevestigen van een dergelijke volmaaktheid, zoals sofisten met monnikskappen later gefabriceerd hebben om zo een dubbel christendom te stichten. Want toen was nog niet dat godslasterlijke dogma ontstaan dat het beroep van monniken vergelijkt met de doop, sterker nog, dat openlijk verklaart dat het een soort tweede doop is. Wie zou eraan twijfelen dat de kerkvaders deze laster afschuwelijk zouden hebben gevonden?

Dan nu het laatste dat volgens Augustinus voor de oude monniken gold: dat ze zich volledig wijden aan liefde. Waarom zou het nodig zijn om met woorden te bewijzen dat het nieuwe beroep van monnik van tegenwoordig totaal anders is? De feiten spreken voor zich: ieder die het klooster in gaat, scheidt zich af van de kerk. Immers, ze nemen voor zichzelf een speciale bediening en een aparte uitdeling van de sacramenten aan. Scheiden ze zich daarmee niet af van de wettige gemeenschap van de gelovigen? Als dit geen uit elkaar scheuren is van de gemeenschap van de kerk, wat is het dan?

En – om verder te gaan met de vergelijking waar ik aan begonnen ben en om die af te maken – hoe lijken ze daarmee op de oude monniken? Die woonden weliswaar apart van de anderen. Maar ze hadden geen aparte kerk. Ze deelden de sacramenten met de anderen. Ze verschenen in de openbare bijeenkomsten. Ze waren daar deel van het volk. Maar de nieuwe monniken hebben voor zichzelf een speciaal altaar opgericht. Wat hebben ze daarmee anders gedaan dan de band van de eenheid breken? Want ze hebben zich afgesneden van het lichaam als geheel en ze wijzen de gewone bediening af waarmee de Heer de vrede en de liefde wilde bewaren tussen degenen die van Hem zijn.

Dus zoveel kloosters als er tegenwoordig zijn, zoveel vergaderplaatsen zijn er volgens mij van scheurmakers, die de orde van de kerk verstoren en zich hebben afgesneden van de wettige gemeenschap van de kerk. En om te voorkomen dat die afscheiding niet duidelijk zichtbaar zou zijn, hebben ze zich allerlei namen van sekten gegeven. Ze schamen zich er zelfs niet voor om te pochen op wat Paulus niet sterk genoeg kan afkeuren. 1 Korinthiërs 1:12-13; 3:4 Of we zouden moeten denken dat Christus weliswaar door de Korinthiërs verdeeld werd omdat de een zich op deze en een ander op die leraar liet voorstaan. Maar dat het Christus nu geen onrecht doet als we sommigen ‘benedictijnen’, anderen ‘franciscanen’ en nog weer anderen

‘dominicanen’ horen noemen in plaats van ‘christenen’. En dat zij deze benamingen vol trots aannemen als geloofsbelijdenis, terwijl ze zich graag afscheiden van de grote massa van de christenen.

Leven en moraal van de monniken

Deze verschilpunten tussen de oude monniken en de monniken van onze tijd, die ik tot nu toe heb opgesomd, liggen niet in leven en moraal, maar in het beroep zelf. Daarom moeten de lezers bedenken dat ik het meer gehad heb over het monnikwezen dan over de monniken. Ik heb niet gewezen op gebreken die kleven aan het leven van enkele monniken. Nee, ik heb gewezen op gebreken die je niet los kunt zien van deze manier van leven zelf.

Wat heeft het voor zin om nog apart uit te leggen hoe groot het verschil in leven en moraal is? Het staat vast dat er geen categorie mensen is die zo besmeurd is met alle schandelijke gebreken. Nergens wemelt het zo van scheurmakerij, haat, partijdigheid en eerzucht. In enkele kloosters leeft men wel kuis, als je het kuis mag noemen als de wellust zover onderdrukt wordt dat die niet tot openlijke schande leidt. Maar toch zul je nauwelijks één op de tien kloosters vinden dat niet eerder een bordeel is dan een heiligdom van kuisheid. En wat voor eenvoud is er nog qua voeding? Ze worden vetgemest als varkens in een varkensstal. Maar om te voorkomen dat ze zouden klagen dat ik ze te streng behandel, ga ik niet verder. Trouwens, ieder die de feiten kent, moet toegeven dat ik van de weinige punten die ik genoemd heb, niets overdreven heb.

Augustinus getuigt dat de monniken erg uitblonken in kuisheid. Toch klaagt hij dat er veel landlopers waren die met boosaardige trucs en bedrog eenvoudige mensen geld afpersten. Ze droegen relikwieën mee van martelaren, waarin ze een schandelijke handel dreven. Sterker nog, in plaats van relikwieën van martelaren boden ze botten van alle mogelijke gewone mensen te koop aan. Met zulke misdaden maakten ze hun stand te schande. Ook verklaart Augustinus dat hij geen betere mensen gezien heeft dan degenen die in een klooster vooruitkomen. Maar tegelijk klaagt hij dat hij geen slechtere mensen gezien heeft dan degenen die in een klooster achteruitgaan.

Wat zou hij zeggen als hij tegenwoordig zou zien dat bijna alle kloosters overstromen en als het ware uit hun voegen barsten van zoveel en zulke ellendige gebreken? Ik zeg niets anders dan wat iedereen heel goed weet. Toch raakt deze berisping niet iedereen zonder uitzondering. Hoe goed de regel en de tucht om heilig te leven in de kloosters ook ooit geregeld was, er waren altijd wel enkele slechte monniken die heel anders waren dan de anderen. En zo zeg ik nu: hoe sterk de monniken tegenwoordig ook ontaard zijn van die heiligheid uit het verleden, er zijn in hun gezelschap toch nog wel enkele goede monniken. Maar deze goede monniken zijn er maar weinig en ze zijn verspreid en gaan schuil tussen de grote menigte slechte monniken. Ze worden niet alleen geminacht, maar ook slecht en zelfs wreed behandeld door de anderen, die – volgens het spreekwoord van de Milesiërs – geloven dat er onder hen geen plaats mag zijn voor een goed mens.

Bezwaren tegen het oude monnikbestaan

Ik vertrouw erop dat ik met deze vergelijking tussen het oude en het nieuwe monnikbestaan bereikt heb wat ik wilde: het blijkt dat onze kapdragers om hun beroep te verdedigen onterecht het voorbeeld gebruiken van de eerste kerk. Want ze verschillen net zo sterk van de oude monniken als apen verschillen van mensen.

Ondertussen ontken ik niet dat ook die oude vorm, die Augustinus aanprijst, iets heeft dat mij slecht aanstaat. Ik geef toe dat de oude monniken niet bijgelovig waren in de uiterlijke trainingen van hun strenge discipline. Maar volgens mij gingen ze wel wat te ver in hun neigingen en was hun ijver wel wat misplaatst.

Het was mooi om afstand te doen van je bezit en vrij te zijn van alle aardse zorgen. Maar God waardeert meer de zorg om vroom je gezin te regeren, als een heilige huisvader zich dat voorhoudt als een bepaalde roeping om God te dienen, los en vrij van alle hebzucht, eerzucht en andere begeerten van het vlees.

Het is mooi om in afzondering, ver van de omgang met mensen, te filosoferen. Maar het is geen teken van christelijke nederigheid als je uit haat voor het menselijk geslacht naar een eenzame woestijn vlucht en bovendien de plichten in de steek laat die de Heer in de eerste plaats geboden heeft.

Zelfs al zouden we toegeven dat er in het monnikwezen geen ander kwaad stak, dan was dit in elk geval geen onbeduidend kwaad. Het heeft een nutteloos en gevaarlijk voorbeeld ingevoerd in de kerk.

Kloostergeloften en de gelofte van kuisheid

Laten we dan nu kijken door wat voor geloften monniken tegenwoordig worden ingewijd in deze schitterende stand.

In de eerste plaats is het hun bedoeling om op een nieuwe en verzonnen manier God te gaan dienen om daarmee bij God iets te verdienen. Daarom concludeer ik op basis van wat ik hiervóór gezegd heb dat alles wat zij beloven in Gods ogen weerzinwekkend is.

In de tweede plaats bedenken ze een manier van leven die hun bevalt, zonder erop te letten of God hen ertoe roept of dat Hij het goedkeurt. Daarom is dat volgens mij een overmoedig en daarom onwettig waagstuk. Want hun geweten kan voor God nergens op steunen. En alles wat niet voortkomt uit geloof, is zonde. Romeinen 14:23

In de derde plaats bevat het monnikwezen van tegenwoordig veel verkeerde en goddeloze rituelen. Daar binden zij zich aan en daarom beweer ik dat ze niet aan God, maar aan een demon gewijd worden. Want waarom mochten de profeten zeggen dat de Israëlieten hun kinderen aan demonen offerden en niet aan God? Deuteronomium 32:17; Psalm 106:37 Dat mochten ze zeggen enkel omdat de Israëlieten de juiste manier om God te dienen bedorven hadden met onheilige rituelen. En waarom zouden wij dan niet hetzelfde mogen zeggen over de monniken? Als zij hun kap omslaan, doen ze tegelijk daarmee een strik om van duizend goddeloze vormen van bijgeloof.

Nou, wat voor geloften doen zij? Ze beloven God een altijd blijvende maagdelijke reinheid, alsof ze vooraf met God een verbond gesloten hadden dat Hij hen zou bevrijden van de onmisbaarheid van het huwelijk. Ze moeten niet aanvoeren dat ze deze belofte alleen maar doen uit vertrouwen op Gods genade. Want Hij verklaart zelf dat niet iedereen dit krijgt. Mattheüs 19:11-12 Daarom is het ons niet toegestaan erop te vertrouwen dat wij deze speciale gave krijgen. Als je die gave hebt, dan mag je die gebruiken. Maar als je op een bepaald moment merkt dat je vlees je in beroering brengt, dan moet je je toevlucht nemen tot de hulp van Hem met wiens kracht alleen je je ertegen kunt verzetten. Als je niet vooruitkomt, dan moet je niet het geneesmiddel afwijzen dat je wordt aangeboden. Als je het vermogen geweigerd wordt om je te onthouden, dan word je door een onmiskenbaar woord van God geroepen tot het huwelijk. 1 Korinthiërs 7:9

Ik noem het geen onthouding als alleen het lichaam zuiver wordt gehouden van ontucht. Nee, onthouding noem ik het alleen als de geest bewaard wordt in een smetteloze kuisheid. Immers, Paulus leert dat je niet alleen moet oppassen voor uiterlijke wellust, maar ook dat je hart niet gaat branden.

De monniken zeggen dat dit sinds mensenheugenis in praktijk gebracht is doordat degenen die zich volledig aan de Heer wilden wijden, zich bonden door een gelofte van onthouding. Nu geef ik toe dat deze gewoonte ook vroeger gebruikelijk was. Maar ik geef niet toe dat die tijd zo volledig zonder gebreken was dat we alles wat men toen deed, nu als norm moeten beschouwen. En slechts langzamerhand sloop er deze onverbiddelijke strengheid in dat je, als je een gelofte gedaan had, geen gelegenheid meer kreeg om die te herroepen.

Dat blijkt uit de woorden van Cyprianus: ‘Als maagden zich uit geloof aan Christus gewijd hebben, dan moeten ze kuis en rein volhouden, zonder ook maar even in opspraak te komen. Ze moeten zo sterk en standvastig het loon op hun maagdelijkheid verwachten. Maar als ze niet willen of kunnen volhouden, is het beter dat ze trouwen dan dat ze door hun genot in het vuur vallen.’

Als nu iemand de gelofte van onthouding met een dergelijke redelijkheid zou willen beperken, met wat voor verwijten zouden de monniken hem dan niet willen verscheuren? Ze zijn dus heel ver van die oude gewoonte afgeweken. Want ze staan niet alleen geen enkele beperking of toegeeflijkheid toe als iemand niet in staat blijkt zich aan zijn gelofte te houden. Nee, ze verklaren zelfs zonder schaamte dat je erger zondigt als je je gebrek aan zelfbeheersing geneest door een vrouw te nemen, dan wanneer je je lichaam en ziel besmeurt met ontucht.

Paulus over weduwen die niet mogen hertrouwen

Maar ze gaan nog verder en proberen aan te tonen dat een dergelijke gelofte gebruikelijk was in de tijd van de apostelen. Want Paulus zegt dat weduwen die trouwden nadat ze eenmaal waren aangenomen voor een openbare bediening, hun eerste geloof verloochenden. 1 Timotheüs 5:11-13

Ik ontken absoluut niet dat weduwen die zichzelf en hun diensten aan de kerk wijdden, zich tegelijk onderwierpen aan de norm dat ze altijd ongetrouwd zouden blijven. Niet omdat ze daarin iets zagen om God mee te dienen, zoals men dat later ging doen. Nee, omdat ze hun functie alleen konden vervullen als ze eigen baas waren, vrij van het juk van een huwelijk. Als ze hun woord gegeven hadden, maar daarna toch een huwelijk gingen overwegen – wat was dat anders dan Gods roeping van zich afschudden? Geen wonder dus dat Paulus zegt dat ze zich door zulke verlangens van Christus afkeerden. En vervolgens onderstreept hij dat nog eens door eraan toe te voegen dat ze ook hun eerste gelofte, die ze bij de doop gedaan hebben, schenden en ongedaan maken. Want die gelofte houdt ook in dat ieder zijn roeping zal beantwoorden.

Of je moet het liever zo willen opvatten: ze hadden elk schaamtegevoel verloren en wierpen vervolgens ook nog de zorg voor fatsoen van zich af en gaven zichzelf over aan alle mogelijke losbandigheid. Door hun losse bandeloze leven lieten ze zien dat ze allesbehalve christelijke vrouwen waren. Ook die uitleg bevalt me heel goed.

Mijn antwoord is dus dat de weduwen die toen werden aangenomen voor een openbare bediening zich onderwierpen aan de voorwaarde dat ze altijd ongetrouwd zouden blijven. Als ze later toch trouwden, kunnen we gemakkelijk begrijpen dat er gebeurde wat Paulus zegt: ze schudden alle ingetogenheid van zich af en werden onbeschaamder dan christelijke vrouwen paste. Ze zondigden dus niet alleen door de trouw te breken die ze aan de kerk gegeven hadden. Nee, ze weken af van de algemene norm voor vrome vrouwen.

Maar in de eerste plaats, ik ontken dat hun belofte om ongetrouwd te blijven een andere reden had dan dat de bediening die zij op zich namen niet te verenigen was met een huwelijk. En ik zeg dat ze zich alleen bonden aan de ongehuwde staat voor zover dat nodig was voor hun roeping.

In de tweede plaats zeg ik dat ze niet zo gebonden waren dat het niet ook dan nog beter voor hen was om te trouwen dan gekweld te worden door de prikkels van het vlees of te vervallen tot welke onzedelijkheid ook.

In de derde plaats zeg ik dat Paulus voorschrijft weduwen te kiezen die zo oud zijn dat ze normaal gesproken geen gevaar meer lopen. Want hij beveelt alleen vrouwen te kiezen die al eerder bewezen hadden dat ze ingetogen waren, omdat ze met één huwelijk tevreden waren geweest. 1Timotheüs 5:9-10

Kortom, de gelofte van het celibaat keur ik om geen andere reden af dan dat die onterecht beschouwd wordt als een manier om God te dienen en te gemakkelijk gedaan wordt door mensen die niet het vermogen gekregen hebben om zich te onthouden.

Geen jonge vrouwen

En hoe is het mogelijk dat men deze passage van Paulus op nonnen laat slaan? Diaconessen werden immers niet gekozen om met zingen of onverstaanbaar mompelen God te strelen en de rest van de tijd door te brengen met nietsdoen. Nee, ze moesten de openbare bediening van de kerk aan de armen uitvoeren en zich zo ijverig en zorgvuldig mogelijk wijden aan de plichten van liefde. De gelofte om ongetrouwd te blijven, deden ze niet om God een of andere dienst te bewijzen door zich te onthouden van een huwelijk. Nee, ze deden die gelofte om zo extra geschikt te zijn om hun taak uit te voeren. Bovendien deden ze hun gelofte niet aan het begin van hun tijd als maagd of nog in de bloei van hun leven. Dan zouden ze er te laat achter kunnen komen in welk gevaar ze zich gebracht zouden hebben. Nee, pas als ze alle gevaren overwonnen leken te hebben, dan pas deden ze een belofte die even veilig als heilig was.

Maar ik wil niet te veel nadruk leggen op de eerste twee punten. Daarom zeg ik dat het niet was toegestaan om jonge vrouwen toe te laten tot het doen van de gelofte van onthouding, voordat ze zestig jaar oud waren. Want de apostel laat alleen vrouwen van zestig jaar toe. Jongere vrouwen beveelt hij om te trouwen en kinderen te baren. Dus valt het op geen enkele manier te verontschuldigen dat men er eerst twaalf, toen twintig en later dertig jaar afgetrokken heeft. En het is helemaal onacceptabel dat arme meisjes, nog voordat ze gezien hun leeftijd zelfkennis of levenservaring kunnen hebben, er niet alleen maar door bedrog, maar zelfs met geweld en bedreigingen toe gedwongen worden deze vervloekte strikken om te doen.

Ik ga geen moeite doen om de twee andere beloften, van armoede en gehoorzaamheid, te bestrijden. Ik zeg alleen: ze zijn niet alleen verwikkeld in allerlei vormen van bijgeloof. Nee, zoals de zaken er tegenwoordig voor staan, lijken ze er speciaal voor bedoeld dat degenen die deze beloften doen, met God en mensen een spelletje spelen. Maar ik wil niet de indruk wekken dat ik kwaadaardig elk puntje afzonderlijk wil aanvallen. Daarom zullen we maar tevreden zijn met de algemene weerlegging die ik hierboven gegeven heb.

Verkeerde geloften moet je breken

Ik geloof dat ik nu duidelijk genoeg heb uitgelegd wat voor geloften legitiem zijn en God plezier doen. Maar soms twijfelen onervaren en angstige mensen in hun geweten over de vraag of ze zich aan een gelofte moeten binden, zelfs als die gelofte hun tegenstaat en ze die afkeuren. Ze worden er zwaar door gekweld, omdat ze God hun woord gegeven hebben en ervoor terugschrikken dat woord te breken. Terwijl ze aan de andere kant bang zijn dat ze nog meer zondigen door zich aan hun woord te houden. Daarom moet ik hun hier hulp bieden, zodat ze zich uit dit probleem kunnen bevrijden.

Ik zal in één keer alle bezwaren uit de weg ruimen. Dat doe ik door te zeggen dat alle niet legitieme geloften niet gedaan zijn zoals het hoort, voor God geen enkele waarde hebben en daarom ook voor ons ongeldig moeten zijn. Bij contracten tussen mensen zijn we alleen gebonden aan beloften waar degene met wie wij het contract aangaan ons aan wil houden. Het is dus absurd als we wel gedwongen zouden zijn dingen uit te voeren die God echt niet van ons eist. Vooral omdat onze daden alleen goed zijn als ze God plezier doen en ons geweten ervan getuigt dat ze Hem plezier doen.

Want dit blijft overeind staan: ‘Alles wat niet voortkomt uit geloof, is zonde.’ Romeinen 14:23 Daarmee bedoelt Paulus dat iets wat je vol twijfel doet, zondig is, omdat geloof de wortel is van alle goede daden. Door geloof zijn we er zeker van dat ze God plezier doen. Een christen mag dus nergens aan beginnen zonder deze zekerheid. Als hij uit onwetendheid en onbezonnenheid iets op zich genomen heeft, waarom zou hij er dan niet van mogen afzien als hij van zijn dwaling bevrijd is? Dat geldt voor alle onbezonnen gedane beloften. Daar zijn we dus niet alleen niet aan gebonden. Nee, het is zelfs nodig om ze te breken.

En wat zegt het ons dat ze in Gods ogen niet alleen waardeloos zijn, maar zelfs weerzinwekkend? Ik heb dat hiervóór immers laten zien. Het is overbodig om nog langer een zinloze kwestie te behandelen. Dit ene argument lijkt me meer dan voldoende om mensen met een vroom geweten gerust te stellen en van elke bezwaar te bevrijden: alle daden die niet opborrelen uit een zuivere bron en niet gericht zijn op een legitiem doel, worden door God verworpen. En wel zo verworpen dat Hij niet niet alleen verbiedt eraan te beginnen, maar evengoed om ermee door te gaan. Op basis daarvan kunnen we concluderen dat geloften die voortkomen uit dwaling en bijgeloof, voor God geen waarde hebben en dat wie die moeten opgeven.

Het breken van kloostergeloften

Bovendien, wie dit antwoord kent, heeft voldoende argumenten om tegen de laster van slechte mensen degenen te verdedigen die vanuit het monnikbestaan overstappen op een fatsoenlijke manier van leven. Zulke mensen worden zwaar beschuldigd van het breken van hun woord en het plegen van meineed. Want ze breken de – zo gelooft men algemeen – onverbrekelijke band waarmee zij gebonden waren aan God en de kerk. Maar als God tenietdoet wat de mens vaststelt, is er volgens mij nooit een band geweest.

Verder, ook al zouden we toegeven dat ze gebonden waren toen ze nog vast zaten in de strikken van hun onwetendheid en dwalingen over God, dan zijn ze nu door de genade van Christus meteen vrij, nu ze verlicht zijn door het kennen van de waarheid. Want het kruis van Christus heeft zoveel kracht dat het ons bevrijdt van de vloek van Gods wet die ons gebonden hield. Galaten 3:13 Dan zal het ons toch zeker losrukken uit vreemde banden, die niets anders zijn dan bedrieglijke netten van Satan! Er is dus geen twijfel aan dat Christus ieder over wie Hij het licht van zijn evangelie laat schijnen, losmaakt uit alle strikken waar hij zich uit bijgeloof in verward heeft.

Trouwens, als ze niet in staat waren om zich aan het celibaat te houden, hebben ze ook nog een tweede argument voor hun verdediging. Want een onmogelijke gelofte betekent de zekere ondergang van de ziel. Maar God wil dat de ziel gered wordt. Hij wil niet dat die verloren gaat. Dat betekent dus dat je zo’n gelofte echt niet moet volhouden. En ik heb eerder al uitgelegd hoe onmogelijk de gelofte van onthouding is voor degenen die die speciale gave niet gekregen hebben. En al had ik gezwegen, dan leert onze ervaring dat wel. Het is immers niet onbekend hoe vol bijna alle kloosters zijn met onkuisheid. En als sommige kloosters fatsoenlijker en ingetogener lijken dan andere, dan zijn ze toch nog niet kuis alleen omdat ze het kwaad van de onkuisheid vanbinnen onderdrukken en in toom houden.

Zo straft God inderdaad met huiveringwekkende voorbeelden de overmoed van mensen, als ze geen rekening houden met hun eigen zwakheid en in strijd met hun natuur iets proberen te bereiken dat hun ontzegd is. Als ze de geneesmiddelen negeren die de Heer hun ter beschikken gesteld heeft en erop vertrouwen dat ze met koppig volhouden de ziekte van hun gebrek aan zelfbeheersing kunnen overwinnen. Je bent gewaarschuwd dat je het huwelijk nodig hebt en dat de Heer het je als geneesmiddel gegeven heeft. Maar je wijst het niet alleen af. Nee, je dwingt jezelf met een eed om het af te wijzen. Hoe zouden we dat anders noemen dan koppigheid?

Voetnoten

  1. 635

    Lycurgus (9e eeuw v. Chr.), wetgever in Sparta.

  2. 636

    Augustinus, Epistulae,48,2.

  3. 637

    Augustinus, Epistulae,60,1.

  4. 638

    Augustinus, De moribus ecclesiae catholicae et de moribus Manichaeorum I, 31,67.

  5. 639

    Augustinus, De moribus ecclesiae catholicae et de moribus Manichaeorum I, 33,70-73.

  6. 640

    Augustinus, De opere monachorum, 23,27.

  7. 641

    Augustinus, De opere monachorum, 28,36.

  8. 642

    Cyprianus van Carthago, Epistulae, 4,2.

Voetnoot 635

Lycurgus (9e eeuw v. Chr.), wetgever in Sparta.

Voetnoot 636

Augustinus, Epistulae,48,2.

Voetnoot 637

Augustinus, Epistulae,60,1.

Voetnoot 638

Augustinus, De moribus ecclesiae catholicae et de moribus Manichaeorum I, 31,67.

Voetnoot 639

Augustinus, De moribus ecclesiae catholicae et de moribus Manichaeorum I, 33,70-73.

Voetnoot 640

Augustinus, De opere monachorum, 23,27.

Voetnoot 641

Augustinus, De opere monachorum, 28,36.

Voetnoot 642

Cyprianus van Carthago, Epistulae, 4,2.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.