Boek IV · Hoofdstuk 14
De sacramenten
Inhoud van dit hoofdstuk · 26 secties
- 1Definitie van wat een sacrament is
- 2De oorsprong van het woord ‘sacrament’
- 3Sacrament en belofte
- 4Woord en zichtbaar teken
- 5Sacrament als zegel
- 6Andere vergelijkingen
- 7Sacrament en geloof
- 8Bevestiging van het geloof
- 9Sacramenten en de Heilige Geest
- 10De Geest geeft dat de sacramenten effect hebben
- 11Het Woord als zaad
- 12We mogen niet vertrouwen op de sacramenten op zich
- 13Sacrament en belijdenis
- 14Sacrament en bijgeloof
- 15Vorm en inhoud
- 16Christus is de inhoud
- 17De kracht van de sacramenten
- 18Alle tekenen van God zijn sacramenten
- 19Rituelen als sacramenten
- 20Oude en nieuwe sacramenten
- 21Besnijdenis, reiniging, offers
- 22Doop en avondmaal
- 23Verschillen en overeenkomsten tussen oude en nieuwe sacramenten
- 24Paulus over besnijdenis en doop
- 25De oude sacramenten als schaduwen
- 26Augustinus over oude en nieuwe sacramenten
Definitie van wat een sacrament is
Naast de prediking hebben wij nog een ander hulpmiddel voor ons geloof: de sacramenten. En het is voor ons heel belangrijk dat we over die sacramenten betrouwbaar onderwijs krijgen om daaruit te leren met welk doel ze ingesteld zijn en hoe we ze tegenwoordig moeten gebruiken.
In de eerste plaats moeten we aandacht schenken aan de vraag wat een sacrament is. Volgens mij geef ik een eenvoudige en juiste definitie als ik zeg dat het een zichtbaar teken is waardoor de Heer voor ons geweten de beloften bezegelt of waarmerkt waarmee Hij ons goedgezind is, om ons zwakke geloof te versterken, en waardoor wij van onze kant niet alleen voor Hem en de engelen, maar ook voor de mensen getuigen van onze vroomheid die op Hem gericht is.
Je kunt het ook anders definiëren, korter nog. Dan noem je een sacrament een bewijs van Gods genade voor ons, bevestigd door een zichtbaar teken, met van onze kant een getuigenis van onze vroomheid die op Hem gericht is.
Welke definitie je ook kiest van deze twee, qua betekenis is er geen enkel verschil met de definitie van Augustinus. Hij zegt dat een sacrament een zichtbaar teken is van iets heiligs of een zichtbare vorm van onzichtbare genade. Maar mijn definities leggen de inhoud beter en ondubbelzinniger uit. Want als je het zo kort zegt, blijft het nogal duister. Veel ongeschoolde mensen hebben daar geen houvast aan. Daarom wilde ik de betekenis vollediger weergeven, met meer woorden, om te voorkomen dat er nog twijfel zou overblijven.
De oorsprong van het woord ‘sacrament’
Het is duidelijk genoeg waarom de kerkvaders dit woord gebruikten in deze betekenis. Telkens als de oude vertaler het Griekse woord mysterion – ‘mysterie’ – in het Latijn wilde weergeven, vertaalde hij het met het woord sacramentum, vooral als het over goddelijke dingen ging.
Bijvoorbeeld in de brief aan de Efeziërs: ‘Opdat Hij ons het sacrament van zijn wil zou bekendmaken.’ Efeziërs 1:9 En: ‘Als jullie tenminste gehoord hebben van de uitdeling van Gods genade, die mij gegeven is voor jullie, dat mij door een openbaring dit sacrament bekend gemaakt is.’ Efeziërs 3:2-3
En aan de Kolossenzen: ‘Het mysterie dat alle eeuwen en generaties verborgen was, maar nu geopenbaard is aan zijn heiligen, aan wie God de rijkdom van dit sacrament bekend wilde maken.’ Kolossenzen 1:26-27
En aan Timotheüs: ‘Het sacrament van de vroomheid is groot: God is geopenbaard in het vlees.’ 1 Timotheüs 3:16
De vertaler heeft niet het woord arcanum – ‘geheim’ – willen gebruiken. Want dan zou het lijken alsof er iets mee bedoeld werd dat minder groot was dan het was. Daarom heeft hij voor ‘mysterie’ het woord ‘sacrament’ gebruikt: het mysterie van iets heiligs.
In die betekenis komt het bij de kerkvaders regelmatig voor. En het is genoegzaam bekend dat wat de Latijn-sprekenden ‘scramenten’ noemen, bij de Grieks-sprekenden ‘mysteries’ heten. De betekenis is hetzelfde en dat maakt een eind aan elke discussie.
Zo komt het dat dit woord ook gebruikt is voor de tekenen die hoge en geestelijke dingen op een verheven manier zichtbaar maken. Ook Augustinus maakt dat ergens duidelijk. Hij zegt: ‘Het zou te lang duren om de variatie aan tekens te behandelen die, als ze op goddelijke dingen slaan, “sacramenten” genoemd worden.’
Sacrament en belofte
Uit de definitie die ik gegeven heb, begrijpen we bovendien dat aan een sacrament altijd een belofte voorafgaat. Een sacrament wordt juist als een soort bijlage aan een belofte toegevoegd met de bedoeling dat het de belofte zelf bevestigt en bezegelt. Het sacrament onderstreept de belofte. Sterker nog, in zekere zin ratificeert het de belofte. God voorzag dat dat in de eerste plaats nodig is voor onze onwetendheid en traagheid van begrip en in de tweede plaats voor onze zwakheid.
Toch moeten we eigenlijk zeggen dat een sacrament niet bedoeld is om Gods heilig Woord te versterken. Nee, het is bedoeld om ons geloof in dat Woord te bevestigen. Gods waarheid is immers op zichzelf voldoende vast en zeker. Die kan door niets beter versterkt worden dan door zichzelf. Maar ons geloof is klein en zwak. Het wordt meteen geschokt, heen en weer geslingerd, aan het wankelen gebracht en zelfs omvergeworpen. Daarom past de barmhartige God zich in zijn onmetelijke welwillendheid aan aan ons begrip. Wij zijn aards. We kruipen altijd over de grond en klampen ons vast aan het vlees. Daarom kunnen we niets geestelijks bedenken. We kunnen zelfs niets geestelijks in ons opnemen. Daarom heeft God er geen bezwaar tegen ons ook door die aardse elementen naar Hem te leiden en in het vlees zelf een spiegel voor ogen te stellen van de geestelijke zegeningen.
Want zoals Chrysostomos zegt: als wij geen lichaam hadden, zou God ons deze dingen ook naakt en zonder lichaam geven. Maar onze ziel woont in een lichaam. Daarom geeft God ons de geestelijke dingen door middel van zichtbare dingen. Niet dat de geschenken die ons in de sacramenten worden aangeboden de natuur van die dingen krijgen. Maar ze zijn door God aangewezen om deze betekenis te hebben.
Woord en zichtbaar teken
En daarom zegt men gewoonlijk dat een sacrament bestaat uit een woord en een zichtbaar teken. Met een woord wordt dan geen woord bedoeld dat ingefluisterd wordt zonder betekenis of geloof en dat alleen door de klank, als een toverformule, de kracht zou hebben om het teken te heiligen. Nee, met een woord wordt het gepredikte Woord bedoeld waardoor we begrijpen wat de bedoeling is van het zichtbare teken.
Wat onder de tirannie van de paus gebeurt, is dus een grote ontheiliging van de mysteries. Want zij denken dat het voldoende is als een priester de consecratieformule mompelt, terwijl het volk er zwijgend bij staat en er niets van begrijpt. Sterker nog, ze passen er expres voor op dat het volk er ook maar iets van zou leren. Want voor ongeletterde mensen zeggen ze alles in het Latijn. Later is het bijgeloof zover gekomen dat ze geloofden dat de consecratie voldoende uitgevoerd was, als het gebeurd was met een zacht gemompel dat slechts door weinig mensen gehoord werd.
Maar Augustinus leert iets heel anders over het woord van het sacrament. Hij zegt: ‘Het Woord moet bij het element komen, dan wordt het een sacrament. Want hoe komt het water aan zo’n grote kracht dat het het lichaam aanraakt en het hart afwast? Toch alleen doordat het Woord daarvoor zorgt? Niet omdat het uitgesproken wordt. Want ook in het Woord zelf ligt de blijvende kracht niet in de vluchtige klank. “Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken,” Romeinen 10:8 zegt de apostel Paulus. Daarom staat er in de Handelingen van de apostelen: “Ze reinigden hun hart door het geloof.” Handelingen 15:9 En de apostel Petrus zegt: “De doop redt ons, niet door het vuil te verwijderen van het lichaam, maar doordat het een vraag is van een goed geweten.” 1 Petrus 3:21 “Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken.” Ongetwijfeld wordt door dat Woord ook de doop geheiligd zodat het kan reinigen.’
Je ziet dat Augustinus eist dat er gepreekt wordt, zodat daaruit geloof geboren wordt. Ik hoef geen moeite te doen om dit te bewijzen. Want het is volstrekt helder wat Christus gedaan heeft, wat Hij ons bevolen heeft te doen, wat de apostelen later gedaan hebben en wat de zuivere kerk in praktijk gebracht heeft. Sterker nog, vanaf het begin van de wereld is het bekend dat, telkens als God de heilige aartsvaders een teken gaf, dat onlosmakelijk verbonden was met onderwijs. Zonder onderwijs zouden onze zinnen verlamd raken als we alleen maar iets te zien krijgen.
Als we horen spreken over het woord van het sacrament, moeten we dus beseffen dat daarmee de belofte bedoeld wordt die door de dienaar met duidelijke stem gepredikt wordt en zo het volk bij de hand leidt naar datgene waar het teken op doelt en ons op richt.
Sacrament als zegel
We moeten niet luisteren naar sommigen die zich daartegen proberen te verzetten met een argument dat eerder scherpzinnig is dan overtuigend. Zij zeggen: óf we weten dat het Woord van God dat aan het sacrament voorafgaat echt Gods wil is, óf we weten het niet. Als we het weten, leren we niets nieuws uit het sacrament dat erop volgt. Als we het niet weten, leren we het ook niet van het sacrament. Want de kracht daarvan ligt volledig in het Woord.
Het antwoord hierop kan kort zijn: de zegels die aan oorkonden en andere officiële documenten hangen, betekenen op zichzelf niets. Want het zou geen zin hebben dat ze eraan hangen, als er op het perkament niets geschreven staat. Toch bevestigen en bezegelen zij wat er geschreven staat, als ze aan een document worden toegevoegd.
En mijn tegenstanders kunnen niet zeggen dat deze vergelijking nu pas door mij is uitgevonden. Want Paulus zelf gebruikte die ook al, toen hij de besnijdenis een zegel noemde. Romeinen 4:11 Hij beweert daar uitdrukkelijk dat de besnijdenis Abraham niet rechtvaardigde, maar dat het een zegel was van het verbond. Door geloof in dat verbond was Abraham eerder al gerechtvaardigd.
En waarom zou iemand zich eraan ergeren als ik leer dat de belofte bezegeld wordt door de sacramenten? Want uit de beloften zelf blijkt duidelijk dat die door de sacramenten bevestigd worden. Immers, hoe duidelijker een belofte is, hoe beter die geschikt is om het geloof te ondersteunen. Bovendien is het heel duidelijk dat de sacramenten beloften meebrengen. En boven het Woord hebben ze nog dit extra: ze houden ons die beloften voor ogen alsof ze levensecht staan afgebeeld op een schilderij.
Nu is er wel een verschil tussen de sacramenten en zegels aan oorkonden: beide bestaan uit aards materiaal. Daarom kunnen de sacramenten niet voldoende zijn of in staat zijn om Gods beloften te bezegelen. Want die beloften zijn geestelijk en eeuwig. Terwijl zegels altijd worden gebruikt om besluiten van vorsten te verzegelen over tijdelijke en vergankelijke dingen. Dit verschil wordt vaak aangevoerd. Maar daar moeten we ons niet door uit het veld laten slaan. Want als een gelovige de sacramenten ziet, blijft hij niet bij die materiële vertoning staan. Nee langs de treden die ik met deze vergelijking heb aangegeven, klimt hij met vrome gedachten op naar de verheven mysteries die in de sacramenten schuilen.
Andere vergelijkingen
Omdat de Heer zijn beloften ‘verbonden’ noemt en de sacramenten ‘tekenen’ van de verbonden, Genesis 6:18; 9:9; 17:2 kan er ook een vergelijking worden getrokken met verbonden tussen mensen. Wat zou een geslachte zeug voor betekenis gehad hebben als er geen woorden bijgekomen, of zelfs aan voorafgegaan waren? Er wordt immers vaak een zeug geslacht zonder diep of verheven mysterie! Wat zou het geven van de rechterhand betekenen? Mensen grijpen elkaar immers regelmatig op een vijandige manier bij de hand! Maar als er woorden aan voorafgaan, bekrachtigen zulke tekenen inderdaad de bepalingen van de overeenkomst. Ook al zijn die bepalingen eerst in woorden weergegeven, vastgelegd en vastgesteld.
Sacramenten zijn dus trainingen die ons meer zekerheid geven over de betrouwbaarheid van Gods Woord. En omdat wij vleselijk zijn, worden ze door middel van vleselijke dingen zichtbaar gemaakt, om ons zo in overeenstemming met de traagheid van ons begrip te onderwijzen en bij de hand te leiden, net zoals een mentor doet met kinderen. Daarom noemt Augustinus een sacrament een zichtbaar woord, omdat het Gods beloften voor ogen houdt alsof ze op een schilderij staan afgebeeld en zichtbaar neerzet alsof ze in een beeld zijn uitgehouwen.
Er kunnen ook nog andere vergelijkingen gemaakt worden die nog duidelijker aanduiden wat sacramenten zijn. We noemen ze bijvoorbeeld steunpilaren voor ons geloof. Een gebouw staat en rust weliswaar op het fundament. Maar toch staat het extra stevig dankzij de pilaren die eronder gezet worden. En zo rust geloof op Gods Woord als fundament. Maar als de sacramenten erbij komen, steunt het daarop extra stevig, net als op pilaren.
Nog een voorbeeld: we zeggen dat sacramenten spiegels zijn waarin je de rijkdom kunt zien die God ons geeft. Want in de sacramenten openbaart Hij zich aan ons – dat heb ik al gezegd – voor zover het ons in onze stompzinnigheid gegeven is om Hem te kennen. En Hij geeft ons daarin een nog duidelijker bewijs van zijn welwillendheid en liefde voor ons dan in zijn Woord.
Sacrament en geloof
Mijn tegenstanders beweren ook dat de sacramenten geen bewijzen zijn van Gods genade omdat ze ook worden toegediend aan goddelozen. En die ervaren daardoor niet dat God hun extra genadig is. Nee, ze roepen daarmee juist een nog zwaardere veroordeling over zich af.
Maar ook dit argument snijdt geen hout. Want volgens hetzelfde argument zou ook het evangelie geen bewijs geven van Gods genade. Want velen horen het wel, maar minachten het. En ten slotte zou zelfs Christus zelf geen bewijs vormen van Gods genade. Want meerderen hebben Hem gezien en gekend, maar slechts weinigen van hen hebben Hem aangenomen.
Hetzelfde zie je ook bij documenten. Een groot deel van de massa lacht en spot met zo’n authentiek zegel. Ook al weten ze dat het afkomstig is van de vorst, om te garanderen dat het zijn wil is. Anderen geven er niet om, alsof het iets is dat hun niet aangaat. Weer anderen verwensen het zelfs! Dus als we erop letten hoeveel die twee daarin op elkaar lijken, moet de vergelijking die ik hierboven gebruikt heb ons steeds beter bevallen.
Het is dus zeker dat de Heer zowel door zijn heilig Woord als door de sacramenten ons zijn barmhartigheid en een waarborg van zijn genade aanbiedt. Maar die ook daadwerkelijk vastpakken – dat doen alleen degenen die het Woord en de sacramenten met een vast geloof aannemen. Zo is het ook met Christus. De Vader biedt Hem aan iedereen aan om door Hem gered te worden. Toch wordt Hij niet door iedereen erkend en aangenomen. Als Augustinus dit ergens wil duidelijk maken, zegt hij dat de effectiviteit van het Woord in het sacrament zichtbaar gemaakt wordt, niet omdat het gesproken wordt, maar omdat het geloofd wordt.
Daarom laat Paulus, als hij het tegen gelovigen heeft over de sacramenten, de sacramenten ook het deelhebben aan Christus omvatten. Hij zegt bijvoorbeeld: ‘Al degenen van jullie die in Christus gedoopt zijn, hebben Christus aangetrokken.’ Galaten 3:27 En: ‘Wij zijn allemaal in Christus gedoopt en zijn één lichaam en één geest.’ 1 Korinthiërs 12:12-13 Maar als hij het over verkeerd gebruik van de sacramenten heeft, kent hij de sacramenten niets anders toe dan dat het loze vormen zijn zonder betekenis. Daarmee maakt hij duidelijk dat goddelozen en huichelaars met hun verkeerde gebruik de effectiviteit van
Gods genade in de sacramenten onderdrukken, verduisteren of verhinderen. Maar toch verhindert dat niet dat de sacramenten, telkens als God dat wil, een betrouwbaar bewijs leveren van het deelhebben aan Christus en dat Gods Geest ook zelf precies dat geeft en uitvoert wat de sacramenten beloven.
We stellen dus vast dat de sacramenten terecht bewijzen genoemd worden van Gods genade en als het ware zegels van zijn welwillendheid. Want ze garanderen ons dat God ons goedgezind is. En op die manier ondersteunen, voeden en versterken ze ons geloof en laten ze het groeien.
Sommigen brengen hier onbeduidende en krachteloze argumenten tegen in. Zij zeggen: ‘Als ons geloof goed is, kan het niet beter worden. Want als ons geloof niet onwankelbaar, sterk en onlosmakelijk steunt op Gods barmhartigheid, dan is het geen geloof.’ Zij zouden er beter aan doen om samen met de apostelen te bidden of de
Heer hun geloof wil laten groeien, Lucas 17:5 dan zorgeloos beweren dat hun geloof volmaakt is. Want geen mens heeft zo’n volmaaktheid ooit bereikt of zal die ooit bereiken in dit leven.
Ze moeten maar eens antwoord geven op de vraag wat voor geloof degene had die zei: ‘Ik geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp!’? Marcus 9:24 Dat geloof was nog maar net begonnen, maar ook dat geloof was een goed geloof. Maar toch kon het nog beter worden door het wegnemen van ongeloof. Maar hun argument wordt door geen enkel argument zo overtuigend weerlegd als door hun eigen geweten. Want of ze nu willen of niet, ze kunnen niet ontkennen dat ze zondaren zijn. En als ze dat toegeven, moeten ze dat wel toeschrijven aan de onvolmaaktheid van hun eigen geloof.
Bevestiging van het geloof
‘Maar,’ zeggen mijn tegenstanders, ‘Filippus gaf de eunuch als antwoord dat hij gedoopt mocht worden, als hij maar met heel zijn hart geloofde. Handelingen 8:37 Wat voor ruimte is hier nog voor de de doop als bevestiging, als heel het hart al vol geloof is?’
Ik van mijn kant vraag hun: beseffen ze niet dat een groot deel van hun hart geen geloof heeft? Geven ze niet toe dat geloof elke dag groeit? De bekende Solon pochte dat hij al lerend oud werd. Dan zijn wij christenen wel driemaal ongelukkig als we oud worden zonder vooruit te komen. Ons geloof moet langs alle stadia van ons leven vooruitgaan, totdat het opgroeit tot volwassenheid. Efeziërs 4:13
Met geloven met heel je hart wordt in deze passage dus niet bedoeld dat je volmaakt in Christus gelooft. Nee, er wordt alleen mee bedoeld dat je Hem van harte en oprecht omhelst, dat je geen genoeg van Hem krijgt, dat je met een brandend verlangen honger en dorst naar Hem hebt en naar Hem smacht.
Dat is gebruikelijk in de Schrift: als iets oprecht en graag gebeurt, zegt de Schrift dat het met heel het hart gebeurt. Vandaar deze woorden: ‘Ik heb U met heel mijn hart gezocht.’ Psalm 119:10 ‘Ik zal U met heel mijn hart belijden.’ En meer van zulke worden. Psalm 111:1; 138:1 En aan de andere kant, als de Schrift bedriegers en leugenaars berispt, verwijt ze hun vaak dat ze dubbelhartig zijn. Psalm 12:3
Mijn tegenstanders zeggen verder: als geloof groeit door de sacramenten, is de Heilige Geest voor niets gegeven. Het is toch de kracht en het werk van de Heilige Geest geloof te beginnen, te beschermen en volmaakt te maken. Ik geef toe dat geloof eigenlijk alleen een krachtig werk is van de Heilige Geest. Hij verlicht ons, zodat we God en de schatten van zijn welwillendheid kunnen onderscheiden. Zonder zijn licht is ons verstand zo blind dat we er niets mee kunnen zien. Het is zo afgestompt dat we er niets mee kunnen opsnuiven van geestelijke dingen.
Maar mijn tegenstanders prediken slechts één geschenk van God. Ik echter zie er drie. Want in de eerste plaats onderwijst God ons door zijn Woord. In de tweede plaats versterkt Hij ons door de sacramenten. En in de derde plaats verlicht Hij ons hart door het licht van zijn Heilige Geest en opent Hij ons hart voor het Woord en de sacramenten. Want anders zouden die alleen onze oren raken en zich voor onze ogen laten zien, maar zouden ze ons van binnen niets doen.
Sacramenten en de Heilige Geest
Daarom zou ik graag willen dat de lezer zich herinnert wat ik – volgens mij met volstrekt ondubbelzinnige woorden – al gezegd heb over de versterking en de groei van het geloof: ik schrijf deze bediening niet aan de sacramenten toe op een manier dat ik zou denken dat er in de sacramenten continu een soort geheime kracht schuilt. Ik geloof niet dat sacramenten op zichzelf in staat zijn om geloof te bevorderen of te versterken. Nee, ik schrijf hun deze bediening toe omdat de Heer ze heeft ingesteld om te dienen voor de bevestiging en groei van het geloof.
Verder voeren ze hun taak pas uit zoals het hoort, als de innerlijke leermeester, de Geest, erbij komt. Hij alleen kan met zijn kracht het hart binnendringen en de verlangens veranderen. Alleen dan staat de toegang tot onze ziel open voor de sacramenten. Als Hij er niet is, hebben de sacramenten ons hart niets méér te bieden dan wanneer de glans van de zon schittert voor blinde ogen of wanneer een stem klinkt voor dove oren.
Tussen de Geest en de sacramenten maak ik dus dit onderscheid: de Geest heeft de kracht om te werken, maar de sacramenten bedienen alleen maar. En dat is dan een bediening die zonder het werk van de Geest zinloos en zonder betekenis is, maar die vol kracht is als de Geest binnen in ons werkt en zijn macht laat zien.
Het is duidelijk hoe volgens deze opvatting een vroom hart versterkt wordt door de sacramenten: zoals ogen zien dankzij de glans van de zon en oren horen dankzij het geluid van een stem. Ogen zouden totaal niet door welk licht dan ook getroffen worden als ze geen ingeschapen gezichtsvermogen hadden dat uit zichzelf het licht opvangt. En oren zouden tevergeefs getroffen worden door geluid als ze niet geschikt gemaakt waren om te horen. Wat in onze ogen zorgt voor het gezichtsvermogen, zodat we het licht kunnen zien, en in onze oren voor het gehoor, zodat we stemmen kunnen opvangen, datzelfde is in ons hart het werk van de Heilige Geest dat geloof begint, steunt, voedt en in stand houdt. Dat zou voor ons vast moeten staan.
En als dat waar is, dan betekent dat ook de volgende twee dingen. In de eerste plaats dat je met de sacramenten geen steek opschiet zonder de kracht van de Heilige Geest. En in de tweede plaats dat niets verhindert dat de sacramenten het geloof sterker en groter maken in harten die al eerder door de Heilige Geest als leermeester onderwezen zijn. Er is slechts één verschil: het vermogen om te horen en te zien is van nature in onze ogen en oren ingeschapen. Maar Christus werkt in ons hart dankzij een speciale genade die uitgaat boven de beperkingen van onze natuur.
De Geest geeft dat de sacramenten effect hebben
Dat weerlegt meteen de tegenargumenten die sommigen bang maken: als we de groei of versterking van het geloof toeschrijven aan geschapen dingen, doen we Gods Geest onrecht. Want we moeten alleen Hem erkennen als de bewerker van die groei en versterking.
Maar ik beroof Hem niet van de eer dat Hij het geloof versterkt en laat groeien. Sterker nog, ik verzeker juist dat het feit dat Hij het geloof laat groeien en versterkt niets anders inhoudt dan dat Hij met zijn innerlijke verlichting ons hart klaarmaakt om de versterking aan te nemen die de sacramenten bieden.
Heb ik dit nog niet duidelijk genoeg gezegd? Dan zal het wel volledig helder worden door de volgende vergelijking die ik zal aanvoeren. Als je je voorneemt iemand met woorden over te halen om iets te doen, ga je alle argumenten bedenken waarmee je hem van jouw idee kunt overtuigen en hij haast gedwongen wordt naar je advies te luisteren. Maar het is allemaal vergeefse moeite als hij op zijn beurt geen inzicht en scherp oordeel heeft en dus niet in staat is na te gaan hoeveel waarde je argumenten hebben, als hij bovendien geen ontvankelijk karakter heeft en niet bereid is naar onderwijs te luisteren en als hij ten slotte niet van tevoren over jouw zuivere bedoelingen en jouw verstand een mening heeft gevormd waardoor hij geneigd is om toe te geven. Er zijn immers veel starre mensen die je nooit met welk argument ook kunt overtuigen. En als jouw goede trouw verdacht is of je gezag geminacht wordt, bereik je weinig, zelfs bij ontvankelijke mensen. Maar als aan de andere kant aan al die voorwaarden voldaan wordt, dan heeft dat natuurlijk als gevolg dat degene die jouw advies hoort, zich erbij neerlegt, terwijl hij er anders mee gespot zou hebben.
Dit is nu wat de Geest in ons doet. Om te voorkomen dat het Woord tevergeefs in onze oren zou klinken en de sacramenten tevergeefs onze ogen zouden treffen, laat Hij zien dat het God is die daarin tegen ons spreekt. Hij verzacht de koppigheid van ons hart en maakt het bereid om te gehoorzamen zoals we het Woord van de Heer verschuldigd zijn. Kortom, Hij brengt de uiterlijke woorden en sacramenten van onze oren over naar onze ziel.
Zowel het Woord als de sacramenten versterken dus ons geloof doordat ze ons de goede wil laten zien van de Hemelse Vader voor ons. En als we die wil kennen, alleen dan staat ons geloof overeind en groeit het in kracht. De Geest versterkt ons geloof doordat Hij die versterking in ons hart grift en effectief maakt. Ondertussen kan niet verhinderd worden dat de Vader van de lichten Jacobus 1:17 ons hart verlicht door de sacramenten, als door een indirecte glans, net zoals Hij ook onze fysieke ogen verlicht met de stralen van de zon.
Het Woord als zaad
Dat het uiterlijke Woord deze eigenschap heeft, heeft de Heer geleerd toen Hij het in een gelijkenis ‘zaad’ noemde. Mattheüs 13:3-23; Lucas 8:5-15 Immers, als zaad in een verlaten en verwaarloosd deel van de akker valt, kan het alleen maar dood gaan. Maar als het op een goed bewerkt en verzorgd zaaiveld gestrooid wordt, zal het vrucht opleveren met een grote winst. En zo is het ook met Gods Woord. Als het op een hard hart valt, blijft het onvruchtbaar, alsof het op zand gestrooid is. Maar als het een ziel treft die door de hand van de hemelse Vader bewerkt is, zal het heel vruchtbaar zijn.
We zeggen dat graan uit zaad voortkomt, groeit en rijpt. Als het met het Woord net zo gaat als met zaad, waarom zouden we dan niet ook zeggen dat geloof door het Woord ontstaat, groeit en volwassen wordt?
Deze beide dingen legt Paulus in verschillende passages heel goed uit.
Als hij de Korinthiërs eraan wil herinneren hoe krachtig God gebruik gemaakt heeft van zijn werk, 1 Korinthiërs 2:4 geeft hij er hoog van op dat hij de bediening van de Geest heeft. 2 Korinthiërs 3:6 Alsof de Heilige Geest onlosmakelijk met zijn prediking verbonden is om de harten vanbinnen te verlichten en te veranderen.
Maar ergens anders wil hij erop wijzen waar Gods Woord op zichzelf toe in staat is als het door een mens gepredikt wordt. En dan vergelijkt hij de dienaren met landbouwers. Als ze ijverig hun werk gestoken hebben in het bewerken van de grond, hebben ze verder niets meer te doen. En wat zou ploegen, zaaien en begieten opleveren als het gezaaide niet vruchtbaar gemaakt werd door een hemelse zegen? Hij concludeert dus dat degene die plant en degene die begiet niets betekenen. Nee, alles moet worden toegeschreven aan God. Hij alleen geeft de groei. 1 Korinthiërs 3:6-9
De apostelen laten in hun prediking dus de kracht van de Geest zien, voor zover God de instrumenten die Hij bepaald heeft, gebruikt om zijn geestelijke genade uit te leggen. Toch moeten we dit onderscheid vasthouden. Want dan beseffen we waar de mens op zichzelf toe in staat is en wat alleen God zelf kan.
We mogen niet vertrouwen op de sacramenten op zich
Verder zijn sacramenten zo duidelijk bedoeld om ons geloof te versterken, dat de Heer soms de sacramenten zelf wegneemt als Hij het vertrouwen wil wegnemen in de dingen die Hij in de sacramenten belooft. Als Hij Adam het geschenk van onsterfelijkheid afneemt en hem de toegang ontzegt, zegt Hij: ‘Hij mag niet nemen van de vrucht van het leven, om te voorkomen dat hij voor eeuwig leeft.’ Genesis 3:22 Wat horen we? Kon die vrucht Adam zijn onsterfelijkheid teruggeven, die hij al kwijt was? Natuurlijk niet! Maar het is net alsof God zegt: ‘Hij mag niet onterecht blijven vertrouwen omdat hij het symbool van mijn belofte houdt. Daarom moet hem ontnomen worden wat hem nog enige hoop op onsterfelijkheid kan geven.’
Toen de apostel Paulus de Efeziërs aanspoorde om te bedenken dat ze vreemdelingen geweest waren voor de verbonden en geen deel gehad hadden aan het burgerschap van Israël, zonder God en zonder Christus, zei hij daarom dat ze geen deel hadden gehad aan de besnijdenis. Efeziërs 2:11-12 Door middel van een metonymie maakt hij dus duidelijk dat zij, die het teken van de belofte niet hadden gekregen, ook van de belofte zelf uitgesloten geweest waren.
Dan het andere bezwaar van mijn tegenstanders: dat er zoveel kracht wordt toegekend aan geschapen dingen dat Gods eer daarop wordt overgedragen en voor zover dat gebeurt, daardoor tekortgedaan wordt. Op dit bezwaar kan ik gemakkelijk antwoord geven: ik plaats geen kracht in geschapen dingen. Ik zeg alleen dat God middelen en instrumenten gebruikt waarvan Hij zelf voorziet dat ze nuttig zijn. Zo laat Hij alles meewerken aan zijn eer. Want Hij is Heer en gebieder over alles.
Door middel van brood en ander voedsel voedt Hij ons lichaam. Door middel van de zon verlicht Hij de wereld. En door middel van vuur verwarmt Hij die. Toch betekenen brood, zon of vuur niets behalve voor zover Hij door middel van die instrumenten zijn zegeningen aan ons uitdeelt. En zo voedt Hij dus ook ons geloof geestelijk door middel van de sacramenten. Hun enige functie is dat ze ons zijn beloften voor ogen houden en daar voor ons zelfs waarborgen van zijn.
En het is onze plicht om niet te vertrouwen op de andere geschapen dingen die dankzij Gods vrijgevigheid en welwillendheid bestemd zijn om door ons gebruikt te worden. We mogen ze ook niet bewonderen of prijzen alsof zij de oorzaken zijn van ons welzijn. Zo mogen we ons vertrouwen ook niet hechten aan de sacramenten en mogen we Gods eer daar niet op overdragen. Nee, we moeten alle dingen aan de kant leggen en in ons geloof en onze belijdenis opklimmen naar de bewerker zelf van de sacramenten en van alle dingen.
Sacrament en belijdenis
Ten slotte gebruiken sommigen het woord ‘sacrament’ als argument. Maar dat is absoluut geen overtuigend argument. Ze zeggen dat het woord ‘sacrament’ bij goede schrijvers weliswaar veel betekenissen heeft, maar dat slechts één betekenis past bij de tekenen. Deze betekenis: het duidt een plechtige eed aan die een soldaat aflegt aan zijn bevelhebber als hij in militaire dienst gaat. Want net zoals nieuwe soldaten door die krijgseed trouw zweren aan hun bevelhebber en verklaren dat ze dienst genomen hebben, zo erkennen wij met onze tekenen Christus als onze bevelhebber en verklaren wij dat we onder zijn vaandel dienen.
Ze voegen hier nog meer vergelijkingen aan toe om te verduidelijken wat ze bedoelen. De toga onderscheidde de Romeinen van de Grieken in hun pallium. In Rome zelf onderscheidden de standen zich door hun tekenen. De senatorenstand onderscheidde zich van de ridderstand door purper en door schoenen die versierd waren met een zilveren maantje. De ridderstand onderscheidde zich van gewone burgers door een ring. En zo dragen ook wij onze symbolen die ons onderscheiden van onheiligen.
Maar uit het voorgaande blijkt duidelijk genoeg dat de oude schrijvers, die de tekenen de naam ‘sacramenten’ hebben gegeven, er helemaal niet op gelet hebben hoe dit woord door schrijvers in het Latijn gebruikt werd. Nee, ze hebben er voor hun eigen gemak een nieuwe betekenis aan gegeven. Ze wilden er simpelweg de heilige tekenen mee aanduiden.
Als we dieper op dit onderwerp in willen gaan, kunnen we misschien zeggen dat ze dit woord op dezelfde manier betekenis gaven als ze met het woord fides –‘geloof’ of ‘vertrouwen’ – gedaan hebben in de betekenis waarin het nu gebruikt wordt. Fides betekent eigenlijk trouw in het nakomen van beloften. Toch hebben ze fides gebruikt voor de zekerheid of vaste overtuiging die je hebt over die trouw. Op dezelfde manier hebben ze het woord ‘sacrament’ gebruikt voor het woord van de bevelhebber, waarmee hij de soldaten in zijn gelederen opneemt, ook al betekent het eigenlijk de krijgseed waarmee een soldaat dienst neemt onder zijn bevelhebber. Want de Heer belooft door middel van de sacramenten dat Hij onze God zal zijn en dat wij zijn volk zullen zijn. 2 Korinthiërs 6:16; Ezechiël 37:27 Maar we laten zulke spitsvondige redeneringen voor wat ze zijn. Want volgens mij heb ik voldoende overtuigend bewezen dat de oude schrijvers geen andere bedoeling hadden dan aangeven dat de sacramenten tekenen zijn van heilige en geestelijke dingen.
De vergelijkingen die ze aanvoeren wat betreft zichtbare onderscheidingstekenen accepteer ik wel. Maar ik vind het onacceptabel dat zij wat bij de sacramenten op de laatste plaats staat, op de eerste plaats zetten of zelfs als enige laten staan. Dit is het eerste: dat ze ons geloof helpen bij God. En dit is het laatste: dat ze voor de mensen getuigen van onze belijdenis. Op de laatste betekenis zijn die vergelijkingen van toepassing. Maar ondertussen moeten we het eerste vasthouden. Want zoals we gezien hebben, zouden de mysteries hun betekenis verliezen als ze geen hulpmiddelen zouden zijn voor ons geloof en bijlagen bij de leer, bestemd voor hetzelfde gebruik en hetzelfde doel.
Sacrament en bijgeloof
Aan de andere kant moeten we erop gewezen worden dat er, net zoals deze mensen de kracht van de sacramenten verzwakken, ook anderen zijn die precies het tegenovergestelde doen. Zij dichten de sacramenten allerlei geheime krachten toe. Maar je leest nergens dat God die erin gelegd heeft. Eenvoudige en onervaren mensen worden door die dwaling misleid. Hun wordt geleerd Gods gaven te zoeken waar je ze absoluut niet vinden kunt. Stap voor stap worden ze van God afgetrokken, zodat ze in plaats van de waarheid enkel onzin omhelzen.
De scholen van de sofisten hebben met grote eenstemmigheid geleerd dat de sacramenten van de nieuwe wet – dat wil zeggen: die in de christelijke kerk gebruikt worden – rechtvaardigen en genade brengen. Als we er maar geen barrière tegen opwerpen van een dodelijke zonde.
Het is niet in woorden uit te drukken hoe levensgevaarlijk deze opvatting is. Vooral omdat ze veel eeuwen geleden in een flink deel van de wereld vaste voet aan de grond gekregen heeft. De kerk heeft daardoor grote schade geleden.
Natuurlijk is deze opvatting door en door duivels. Want ze belooft rechtvaardigheid zonder geloof. Daardoor worden de zielen halsoverkop in de ondergang gejaagd. Bovendien legt ze de oorzaak van de rechtvaardigheid in de sacramenten. Daardoor bindt ze de arme zielen van mensen die uit zichzelf al meer dan genoeg geneigd zijn tot aardse dingen, aan dit bijgeloof: ze zoeken hun rust nog meer in het zien van fysieke dingen in plaats van in God zelf.
Ach, wisten we deze twee dingen maar niet zo duidelijk uit eigen ervaring, dat we helemaal geen lange argumentatie nodig hebben! Wat is nu een sacrament dat je krijgt zonder geloof? Wat is dat anders dan de zekere ondergang van de kerk? Want er valt van een sacrament niets te verwachten zonder de belofte. En de belofte dreigt evengoed ongelovigen met woede als ze gelovigen genade aanbiedt. Als je denkt dat de sacramenten je meer geven dan Gods Woord je aanbiedt en je met echt geloof aanneemt, houd je jezelf dus voor de gek!
Daaruit volgt nog iets anders: het vertrouwen dat je gered bent, is niet afhankelijk van het deelnemen aan een sacrament, alsof de rechtvaardiging daarin zou liggen. Nee, we weten dat de rechtvaardiging alleen klaarligt in Christus en niet minder door de prediking van het evangelie aan ons wordt uitgedeeld dan door de bezegeling door een sacrament. Dus kan de rechtvaardiging ook volledig bestaan zonder sacrament.
Voor zover is dus waar wat ook Augustinus schrijft: de onzichtbare heiliging kan bestaan zonder zichtbaar teken en aan de andere kant kan het zichtbare teken bestaan zonder echte heiliging. Want zoals hij ook ergens anders schrijft: soms trekken mensen Christus zover aan dat ze het sacrament ontvangen. En soms trekken ze Hem zover aan dat ze hun leven heiligen. Het eerste kan zowel voor goede als voor slechte mensen gelden, maar het tweede geldt alleen voor goede en vrome mensen.
Vorm en inhoud
Vandaar het onderscheid dat dezelfde Augustinus vaak maakt tussen het sacrament en de inhoud van het sacrament. Dat onderscheid moet je wel op de juiste manier opvatten. Hij maakt niet alleen duidelijk dat de vorm en de inhoud in het sacrament met elkaar verbonden zijn, maar ook dat ze niet zo met elkaar samenhangen dat ze niet van elkaar gescheiden kunnen worden. Hij geeft aan dat in die eenheid inhoud en teken van elkaar onderscheiden moeten worden. We mogen wat op het een slaat, niet op het ander laten slaan.
Hij heeft het over het onderscheid als hij schrijft dat de sacramenten alleen in de uitverkorenen hun betekenis effect geven.
En ook als hij over de Joden schrijft: ‘Hoewel ze allemaal deel hadden aan de sacramenten, hadden ze toch niet allemaal deel aan de genade, die de kracht van de sacramenten is. Ze is het ook nu met het bad van de nieuwe geboorte. Daar heeft iedereen deel aan, maar niet ieder heeft deel aan de genade zelf waardoor de ledematen van Christus met hun hoofd opnieuw geboren worden.’
En ergens anders schrijft hij over het avondmaal van de Heer: ‘Ook wij ontvangen tegenwoordig het zichtbare voedsel. Maar het sacrament is iets anders dan de kracht van het sacrament. Hoe komt het dat velen iets krijgen van het altaar en toch sterven en juist sterven omdat ze krijgen? Want ook voor Judas was het stuk brood van de Heer vergif, niet omdat hij iets slechts kreeg, maar omdat hij zelf slecht was en iets goeds verkeerd aannam.’
En even verderop: ‘Het sacrament met deze inhoud – de eenheid van het lichaam en het bloed van Christus – wordt op sommige plekken elke dag en op andere plekken met regelmatige tussenpozen op de tafel van de Heer klaargezet. En van die tafel leidt het voor sommigen tot de dood. Maar de inhoud zelf, waar het het sacrament van is, leidt voor allen die er deel aan hebben tot het leven en voor niemand tot de ondergang.’
En even daarvóór had hij gezegd: ‘Wie ervan gegeten heeft, zal niet sterven. Dat wil zeggen: wie deel heeft aan de kracht van het sacrament. Wie innerlijk eet, niet wie uiterlijk eet. Wie eet met het hart, niet wie eet met zijn tanden.’
Hier hoor je overal dat het sacrament losgemaakt wordt van de inhoud als degene die er gebruik van maakt het niet waard is. Dan blijft er niets van over dan een lege en zinloze vorm. Om te voorkomen dat je het teken zonder inhoud hebt, in plaats van de inhoud met het teken, is het nodig dat je met geloof het Woord aanneemt dat het bevat. De sacramenten leveren je dus iets op als je door de sacramenten verder komt in het deelhebben aan Christus.
Christus is de inhoud
Als dit nog een beetje onduidelijk is omdat het te kort is, zal ik het nog uitgebreider uitleggen. Volgens mij is Christus de materie – of als je dat liever hebt: de substantie – van alle sacramenten. Want hun zekerheid ligt volledig in Hem. Ze beloven niets zonder Hem.
Daarom is de dwaling van Petrus Lombardus absoluut onacceptabel. Hij maakt van de sacramenten expliciet de oorzaken van rechtvaardigheid en redding, terwijl het daar onderdelen van zijn. We moeten dus alle oorzaken die het menselijk verstand verzint, loslaten en ons houden aan de enige oorzaak.
De sacramenten hebben dus zoveel effect bij ons als wij erdoor geholpen worden om in ons de ware kennis van Christus te voeden, te versterken en te laten groeien en ook om Hem steeds vollediger te bezitten en om van zijn rijkdommen te genieten. En dit gebeurt als we met echt geloof aannemen wat in de sacramenten wordt aangeboden.
Nu zul je zeggen: ‘Zorgen de goddelozen er met hun ondankbaarheid dan voor dat wat God bepaald heeft, geen effect heeft en geen betekenis meer heeft?’ Mijn antwoord daarop is dat je wat ik gezegd heb niet moet opvatten alsof de kracht en de inhoud van een sacrament afhankelijk is van wat degene die het ontvangt, besluit. Want wat God bepaald heeft, blijft overeind en blijft wat het is, ook al veranderen mensen. Nee, aanbieden is iets anders dan aannemen. Daarom verhindert niets dat het symbool dat de Heer met zijn Woord geheiligd heeft, inderdaad is wat het genoemd wordt en zijn kracht houdt, maar het toch niets oplevert voor een slecht en goddeloos mens.
Maar Augustinus lost deze kwestie in enkele woorden mooi op. Hij zegt: ‘Als je het vleselijk aanneemt, is het nog steeds geestelijk. Maar niet voor jou.’
En net zoals Augustinus in de hierboven geciteerde passages laat zien dat het sacrament geen waarde heeft als je het losmaakt van de inhoud, zo wijst hij er ergens anders op dat we ook onderscheid moeten maken als ze wel bij elkaar blijven. Want we moeten ons niet krampachtig vastklampen aan een uiterlijk teken. Hij zegt: ‘Het getuigt van slaafse zwakheid als je je houdt aan de letter en de tekenen belangrijker vindt dan de inhoud. En zo is het ook een grote dwaling als je de tekenen op een zinloze manier uitlegt.’
Hij noemt hier twee fouten waar je voor moet oppassen. De eerste fout is dat we de tekenen opvatten alsof ze voor niets gegeven zijn en we hun verborgen betekenis uit kwade opzet afzwakken of minimaliseren en er zo voor zorgen dat ze ons niets opleveren. De tweede fout is dat we onze gedachten niet boven het zichtbare teken uittillen en dat we op het teken de lof overdragen voor de zegeningen die alleen Christus ons geeft. Hij doet dat door de Heilige Geest. Met behulp van de uiterlijke tekenen zorgt die ervoor dat we deel krijgen aan Christus. Die tekenen nodigen ons uit om naar Christus te gaan. Maar als we ze op iets anders richten, wordt heel hun nut op een onwaardige manier vernietigd.
De kracht van de sacramenten
Het moet dus vaststaan dat de sacramenten geen andere functie hebben dan Gods Woord: ze bieden ons Christus aan en presenteren ons in Hem de schatten van de hemelse genade. Maar ze geven niets en leveren niets op als ze niet met geloof worden aangenomen. Het is net als met wijn of olie of een andere vloeistof. Ook al schenk je die royaal uit, ze stroomt weg en gaat verloren als de opening van het vat dicht zit. Het vat zelf blijft dan leeg en zonder inhoud, ook al heb je het aan alle kanten overgoten.
Bovendien moeten we oppassen dat we niet terechtkomen bij een andere, even erge dwaling door wat de oude schrijvers iets te mooi geschreven hebben om de waardigheid van de sacramenten te prijzen: we moeten niet denken dat de sacramenten gepaard gaan met een of andere verborgen kracht die eraan vastgehecht zou zitten. We moeten niet denken dat de sacramenten op zichzelf ons de gaven van de Heilige Geest schenken, zoals we wijn krijgen in een beker. Want God heeft de sacramenten slechts deze functie gegeven: ze getuigen voor ons van Gods welwillendheid en bevestigen die. Als de Heilige Geest er niet bij komt om ons verstand en ons hart te openen en ons geschikt te maken om dit getuigenis te begrijpen, leveren ze ons verder niets op.
Daarbij worden allerlei verschillende gaven van God voor ons duidelijk zichtbaar. Ik heb hierboven al aangestipt dat voor ons sacramenten hetzelfde zijn van Gods kant als de brengers van blijde berichten of de zegels of waarmerken van de ratificatie van verdragen van de kant van mensen. Op zichzelf geven ze geen genade. Nee, ze berichten ons, ze laten ons zien en ze ratificeren – het zijn immers waarmerken – voor ons wat Gods ons in zijn vrijgevigheid geeft. De sacramenten geven de Heilige Geest niet aan iedereen, zonder onderscheid. Nee, God geeft de Geest speciaal aan de zijnen. En De Geest is degene die Gods gaven meebrengt. Hij maakt in ons ruimte voor de sacramenten en zorgt ervoor dat ze vrucht opleveren.
Nu ontken ik niet dat God zelf de door Hem ingestelde sacramenten steunt door daarin de Geest heel krachtig te laten werken. Zo voorkomt Hij dat de bediening van sacramenten die Hij bepaald heeft onvruchtbaar en zinloos zou zijn. Maar ik beweer wel dat de innerlijke genade van de Geest onderscheiden moet worden van de uiterlijke bediening en dus apart overwogen moet worden. Alles wat God door de tekenen belooft en afbeeldt, geeft Hij dus echt. En de tekenen zijn niet zonder effect, om te bewijzen dat hun auteur betrouwbaar is. De vraag is alleen of God door zijn eigen – zeg maar – innerlijke kracht werkt, of dat Hij zijn werk overdraagt aan de uiterlijke symbolen. Welnu, volgens mij doet God op geen enkele manier afstand van zijn primaire activiteit, welke instrumenten Hij ook gebruikt.
Als dit onze leer is over de sacramenten, wordt er hoog opgegeven van hun waardigheid. Dan wordt duidelijk aangewezen hoe ze gebruikt moeten worden. Dan wordt overvloedig verkondigd wat we eraan hebben. En dan houden we bij dat alles de juiste maat. Dan geven we de sacramenten geen eer die ze niet horen te hebben en ontnemen we ze aan de andere kant geen eer waar ze recht op hebben. Ondertussen maken we dan een eind aan het verzinsel waarmee de oorzaak voor rechtvaardiging en de kracht van de Heilige Geest in de tekenen wordt opgesloten als in vaten en wagens. En dan wordt de belangrijkste kracht, die anderen over het hoofd zien, duidelijk uitgelegd.
We moeten ook dit bedenken: God voert innerlijk uit wat de dienaar door middel van de uiterlijke handeling uitbeeldt en verklaart. We moeten dus niet aan een sterfelijk mens toeschrijven wat God alleen voor zichzelf claimt. Daar wijst ook Augustinus heel verstandig op. Hij zegt: ‘Hoe heiligt zowel Mozes als God? Mozes heiligt niet in plaats van God, maar Mozes doet het door zijn dienst met zichtbare sacramenten. Maar God doet het door de Heilige Geest met onzichtbare genade. En daarin liggen ook alle vruchten van de zichtbare sacramenten. Want wat heb je aan die zichtbare sacramenten zonder die heiliging door onzichtbare genade?’
Alle tekenen van God zijn sacramenten
Het woord ‘sacrament’ zoals ik het tot nu toe gebruikt heb, omvat in het algemeen alle tekenen die God ooit aan mensen bevolen heeft om hun mee te delen en de zekerheid te geven dat zijn beloften echt zijn. Soms wilde Hij dat die tekenen bestonden uit natuurlijke dingen, soms liet Hij ze zien in wonderen.
Dit zijn enkele voorbeelden van de eerste categorie: de boom van het leven die Hij aan Adam en Eva gaf als waarborg van onsterfelijkheid, zodat ze daar voor zichzelf onbekommerd zeker van zouden zijn zolang ze de vrucht van die boom zouden eten. Genesis 2:17; 3:3 Ook de regenboog die Hij Noach en zijn nakomelingen als herinneringsteken gaf dat Hij de aarde niet meer door een zondvloed zou verwoesten. Genesis 9:13-16 Deze dingen waren voor Adam en Noach sacramenten. Niet omdat die boom hun onsterfelijkheid zou geven. De boom kon zichzelf niet eens onsterfelijkheid geven! Ook de regenboog was niet in staat het water in bedwang te houden. Een regenboog is niet meer dan de weerkaatsing van de zon op de wolken ertegenover. Nee, ze droegen een teken dat er door Gods Woord ingegrift was, dat ze de bewijzen en zegels waren van zijn verbond. Eerst was de boom gewoon een boom en de regenboog gewoon een regenboog. Maar toen Gods Woord hen tekende, kregen ze een nieuwe vorm. Toen werden ze wat ze eerst nog niet waren.
En niemand moet denken dat het geen zin heeft om dit te zeggen. Want de regenboog is ook voor ons nu nog een getuige van het verbond dat de Heer sloot met Noach. Telkens als we een regenboog zien, lezen we daarin Gods belofte dat de aarde nooit meer ten onder zal gaan in een zondvloed. Misschien wil enige nep-filosoof ons eenvoudige geloof bespotten door te beweren dat zo’n kleurenvariatie op natuurlijke wijze ontstaat door de weerkaatsing van zonnestralen op de wolken ertegenover. Dan kunnen we dat gewoon toegeven. Maar we kunnen hem ook uitlachen om zijn domheid dat hij God niet erkent als de Heer en bestuurder van de natuur. Hij gebruikt alle elementen zoals Hij het goed vindt om zijn glorie te dienen. Als Hij in de zon, in sterren, in de aarde en in stenen zulke herinneringstekens gegrift had, zouden dat voor ons sacramenten zijn. Immers, waarom heeft ongemunt en gemunt zilver niet dezelfde waarde? Het is toch volledig hetzelfde metaal? Nou, omdat ongemunt zilver niets anders heeft dan wat het van zichzelf is. Maar als er een officieel stempel in geslagen is, wordt het een geldstuk en krijgt het een nieuwe waarde. Zou God de dingen die Hij geschapen heeft dan niet kunnen tekenen met zijn Woord, zodat het sacramenten worden, terwijl het eerst enkel gewone elementen waren?
Dit zijn voorbeelden van de tweede categorie: dat Hij aan Abraham vuur liet zien in een rokende oven. Genesis 15:17 Dat Hij een vacht vochtig maakte van de dauw, terwijl de aarde droog bleef en opnieuw dat Hij de aarde vochtig maakte, terwijl de vacht droog bleef, om Gideon de overwinning te beloven. Richteren 6:37-38 En dat Hij de schaduw van de zonnewijzer tien stappen achteruit liet gaan om Hizkia gezondheid te beloven. 2 Koningen 20:9-11; Jesaja 38:7-8 Deze dingen gebeurden om hun te hulp te komen in hun zwakke geloof. Daarom waren het ook sacramenten.
Rituelen als sacramenten
Maar ik moet nu speciaal de sacramenten bespreken waarvan de Heer wilde dat die in de kerk in gebruik zouden zijn om degenen die Hem eren en dienen te voeden in één geloof en in het belijden van dat ene geloof. Want, om de woorden van Augustinus te gebruiken, mensen kunnen in geen enkele godsdienst – of het nu een ware of een valse godsdienst is – verenigd worden, als ze niet aan elkaar verbonden worden door samen op een of andere manier deel te hebben aan zichtbare tekenen of sacramenten.
Omdat de heel goede Vader van tevoren zag dat dit nodig was, heeft Hij vanaf het begin bepaalde trainingen in vroomheid ingesteld voor wie Hem dienen. Maar Satan heeft die later veranderd in goddeloze en bijgelovige rituelen en ze op allerlei manieren misvormd en bedorven. Vandaar de inwijdingsrituelen van de heidenen in hun heilige handelingen en al die andere verbasterde rituelen. Ook al waren ze vol dwaling en bijgeloof, toch gaven ze tegelijk een aanwijzing dat mensen zulke tekenen niet kunnen missen bij het belijden van een godsdienst. Maar ze waren niet gebaseerd op Gods Woord en wezen niet terug naar de waarheid die in alle tekenen zichtbaar moet worden. Daarom zijn ze het niet waard dat we ze in herinnering brengen als we het hebben over de heilige symbolen die God heeft ingesteld en die niet zijn afgeweken van hun basisdoel als hulpmiddelen voor echte vroomheid.
Deze sacramenten bestaan niet uit eenvoudige tekenen, zoals de regenboog en de boom waren, maar uit rituelen. Ik heb hierboven gezegd dat het getuigenissen zijn van de kant van de Heer van genade en redding. Maar tegelijk zijn het van onze kant ook bewijzen van een openlijke verklaring van ons waarmee we God in zijn naam openlijk trouw zweren.
Terecht noemt Chrystostomos deze sacramenten dus ergens ‘contracten’. Daarin verbindt God zich met ons en worden wij verplicht om rein en heilig te leven. Want de Heer belooft daarin dat Hij alle schuld en straf zal doorstrepen en uitwissen en dat Hij ons met zich verzoent in zijn eniggeboren Zoon. En zo verbinden wij ons van onze kant door onze openlijke verklaring dat we vroom en onschuldig zullen proberen te leven. Je kunt dus terecht wel zeggen dat de sacramenten rituelen zijn waarmee God zijn volk wil trainen om in de eerste plaats innerlijk het geloof te voeden, aan te sporen en te versterken en in de tweede plaats zijn godsdienst voor de mensen te belijden.
Oude en nieuwe sacramenten
Dit waren ook verschillende sacramenten, afhankelijk van de verschillende tijden en manieren waarop de Heer zich wilde laten zien aan de mensen, eerst op deze manier, dan op die manier. Immers, Hij beval Abraham en zijn nakomelingen dat ze zich moesten besnijden. Later kwamen daar de reinigingsvoorschriften, de offers en andere rituelen uit de wet van Mozes bij. Dat waren de sacramenten van de Joden tot aan de komst van Christus. Door Christus’ komst werden ze afgeschaft en toen zijn er twee sacramenten ingesteld. Die zijn nu nog in de christelijke kerk in gebruik: de doop en het avondmaal van de Heer.
Ik heb het over de sacramenten die zijn ingesteld om door heel de kerk gebruikt te worden. Ik vind het helemaal niet erg om toe te staan dat ook de handoplegging waarmee dienaren van de kerk gewijd worden, een sacrament genoemd wordt. Maar ik tel dat niet mee als een van de gewone sacramenten. En straks zullen we zien hoe we moeten aankijken tegen de andere rituelen die vaak als sacramenten beschouwd worden.
De oude sacramenten waren gericht op hetzelfde doel waarop nu ook onze sacramenten gericht zijn: ze moeten ons bij Christus brengen en haast bij de hand naar Hem toe leiden. Of beter: ze moeten Hem als beelden voor ogen stellen en Hem laten zien zodat we Hem leren kennen. Ik heb eerder al geleerd dat de sacramenten betrouwbare zegels zijn die Gods beloften bezegelen. En het is zeker dat de mens nooit een belofte aangeboden is behalve in Christus. Als de sacramenten ons iets moeten leren over welke belofte van God ook, kan het dus niet anders, of ze moeten ons Christus laten zien.
Daar had het hemelse voorbeeld van de tabernakel en van de dienst van de wet mee te maken dat Mozes op de berg te zien kreeg. Het enige verschil is dat de oude sacramenten de beloofde Christus tekenden die nog verwacht werd, terwijl de sacramenten van het Nieuwe Testament van Hem getuigen als van iemand die al gezonden en geopenbaard is.
Besnijdenis, reiniging, offers
Deze dingen worden nog veel duidelijker als ze een voor een uitgelegd zijn.
De besnijdenis was voor de Joden een symbool dat hen erop wees dat alles wat voortkomt uit mensenzaad – de hele menselijke natuur – bedorven is en het nodig heeft om gesnoeid te worden. Bovendien was de besnijdenis een bewijs en herinneringsteken dat hun geloof versterkte in de belofte die gegeven was aan Abraham over het gezegende zaad. In dat zaad zouden alle volken op aarde gezegend worden en daarvan moesten ook de Joden zelf hun zegen verwachten. Genesis 22:18 Nu leert Paulus ons dat dat reddende zaad Christus was. Galaten 3:16 De Joden vertrouwden erop dat ze alleen in Hem zouden terugkrijgen wat ze in Adam verloren hadden. Daarom was de besnijdenis voor hen wat het voor Abraham was: een zegel van de rechtvaardigheid door geloof. Romeinen 4:11 Dat wil zeggen: een zegel dat hen er nog vaster van verzekerde dat hun geloof waarmee ze dat zaad verwachtten hun door God zou worden toegerekend als rechtvaardigheid. Maar we krijgen ergens anders een betere gelegenheid om de besnijdenis en de doop uitgebreid met elkaar te vergelijken.
De rituele wassingen en reinigingen hielden de Joden de onreinheid, smerigheid en besmetting voor ogen waarmee ze van nature besmeurd waren. En ze beloofden hun een ander bad waarmee al hun smerigheid afgewist en afgewassen zou worden. Dit bad was Christus. Hebreeën 9:10-14 Als we door zijn bloed gewassen zijn, brengen we zijn reinheid God onder ogen. Dan bedekt zijn reinheid al onze onreinheid. 1 Johannes 1:7; Openbaring 1:5
De offers lieten de Joden hun onrechtvaardigheid zien. Bovendien leerden ze hun dat er betaling nodig was om Gods oordeel genoegdoening te geven. Er zou dus een betrouwbare hogepriester komen, de middelaar tussen God en mensen. Die zou God genoegdoening geven door zijn bloed uit te gieten en een offer te offeren dat voldoende zou zijn om de zonden te vergeven. Die hogepriester was Christus. Hebreeën 4:14; 5:5; 9:11 Hij heeft zijn eigen bloed uitgegoten. Hij is zelf het offer geweest. Want Hij heeft zichzelf gehoorzaam aan de Vader geofferd in de dood. Filippenzen 2:8 Door die gehoorzaamheid heeft Hij de ongehoorzaamheid van de mens, die Gods woede gewekt had, ongedaan gemaakt. Romeinen 5:19
Doop en avondmaal
Wat betreft onze sacramenten: die bieden ons Christus nog duidelijker aan. Want Hij is duidelijker aan de mensen geopenbaard sinds de Vader Hem echt gegeven heeft zoals Hij beloofd was. De doop verzekert ons dat we gereinigd en gewassen zijn. Het avondmaal verzekert ons dat we verlost zijn. In het water wordt het wassen afgebeeld en in het bloed de genoegdoening. Die twee dingen vinden we in Christus. Zoals Johannes zegt: Hij is gekomen in water en bloed. Dat wil zeggen: om te reinigen en te verzoenen. Ook Gods Geest is daar getuige van. Ja, deze drie getuigen samen: water, bloed en de Geest. 1 Johannes 5:6-8 Water en bloed getuigen van de reiniging en de verlossing. Maar de Geest is de belangrijkste getuige. Die zorgt ervoor dat we vast op dit getuigenis vertrouwen.
Dit verheven mysterie is heel mooi voor ons zichtbaar gemaakt in Christus’ kruis, toen er water en bloed uit zijn heilige zijde stroomden. Johannes 19:34 Terecht heeft Augustinus dit de bron van onze sacramenten genoemd.
Toch moet ik die sacramenten nog iets uitgebreider behandelen. Als je de tijden met elkaar vergelijkt, is er geen twijfel aan dat ook de genade van de Geest zich nu royaler laat zien. Want die heeft te maken met de glorie van Christus’ koninkrijk. Dat kunnen we opmaken uit veel passages, vooral uit Johannes 7. Johannes 7:8-9; 7:38-39
In die betekenis moeten we de uitspraak van Paulus opvatten dat er onder de wet schaduwen waren, maar dat in Christus de werkelijkheid is. Kolossenzen 2:17 Hij zegt dat niet omdat hij wil proberen de genadebewijzen onderuit te halen waarin God zich in het verleden als betrouwbaar wilde laten zien aan de aartsvaders, net zoals Hij dat tegenwoordig aan ons doet in doop en avondmaal. Nee, Paulus wil met deze vergelijking laten zien hoeveel wij gekregen hebben. Want dan hoeft niemand het vreemd te vinden dat door Christus’ komst de rituelen van de wet zijn afgeschaft.
Verschillen en overeenkomsten tussen oude en nieuwe sacramenten
In het voorbijgaan wil ik even aanstippen dat de scholastici een groot onderscheid maken tussen de sacramenten van de oude en van de nieuwe wet. Ze doen net alsof de oude sacramenten Gods genade alleen maar afbeeldden, terwijl de nieuwe sacramenten haar daadwerkelijk geven. Dit dogma moeten we volledig afkeuren! Immers, de apostel Paulus spreekt over de oude sacramenten net zo schitterend als over de nieuwe sacramenten. Hij zegt dat de aartsvaders hetzelfde geestelijke voedsel aten als wij en met dat voedsel bedoelt hij Christus. 1 Korinthiërs 10:3 Wie durft daar een loos teken van maken, als de Joden daardoor echt deel kregen aan Christus?
En de stand van zaken die Paulus daar bespreekt, vormt een argument voor mijn opvatting. Want hij gebruikt de Joden als voorbeeld van Gods strengheid, om ons te laten weten dat dezelfde straffen die hen getroffen hebben, ook ons boven het hoofd hangen als we zouden toegeven aan dezelfde zonden. Zo wil Paulus voorkomen dat iemand Gods oordeel zou durven minachten omdat hij vertrouwt op een betekenisloze kennis van Christus, op enkel de naam van het christendom en op uiterlijke kenmerken. Maar die vergelijking zou alleen van toepassing zijn als Paulus kon aantonen dat er geen verschil is tussen ons en de Joden in de dingen waarop hij ons verbood ons daar onterecht op te laten voorstaan. Daarom stelt hij de Joden in de eerste plaats aan ons gelijk in de sacramenten. En hij laat ons geen enkel stukje houden van een privilege waardoor wij zouden durven hopen dat we ongestraft zouden blijven.
Inderdaad is het ons niet toegestaan aan onze doop meer toe te schrijven dan hij zelf ergens anders toeschrijft aan de besnijdenis. Die noemt hij een zegel van de rechtvaardigheid door geloof. Romeinen 4:11 Dus alles wat wij tegenwoordig in de sacramenten krijgen, kregen de Joden in het verleden in hun sacramenten: Christus met zijn geestelijke rijkdommen. Dezelfde kracht die onze sacramenten hebben, ervoeren zij ook in hun sacramenten: dat ze zegels waren dat God hun goedgezind was, zodat ze mochten hopen op eeuwige redding.
Als de scholastici de brief aan de Hebreeën goed hadden uitgelegd, zouden ze zich niet zo vergist hebben. Maar ze lazen daarin dat de rituelen van de wet de zonden niet konden verzoenen. Ja, dat de oude schaduwen geen enkele betekenis hadden voor rechtvaardigheid. Hebreeën 10:1 Ze hebben de vergelijking die daar gemaakt wordt, genegeerd en er alleen uitgehaald dat de wet op zichzelf niets oplevert voor wie zich eraan houdt. Daarom dachten ze dat de vormen simpelweg zonder inhoud waren. Maar de bedoeling van de apostel is te laten zien dat de rituele wet geen waarde heeft totdat je bij Christus komt. Van Hem is heel het effect van de rituele wet afhankelijk.
Paulus over besnijdenis en doop
Maar daar brengen de scholastici vast tegen in wat je bij Paulus leest over de besnijdenis van de letter: die betekent niets voor God, die levert niets op en is zinloos. Romeinen 2:25-29; 1 Korinthiërs 7:19; Galaten 5:6; 6:15 Het lijkt inderdaad dat zulke uitspraken de besnijdenis ver onder de doop plaatsen. Maar zo is het helemaal niet. Want je zou hetzelfde ook heel goed over de doop kunnen zeggen. Sterker nog, het wordt ook over de doop gezegd! In de eerste plaats door Paulus zelf, als hij laat zien dat God zich niet druk maakt om het wassen van de buitenkant, waardoor we worden ingewijd in de godsdienst, tenzij ook het hart vanbinnen gereinigd wordt en tot het eind toe rein blijft. 1 Korinthiërs 10:5 En in de tweede plaats door Petrus, als hij verklaart dat de betekenis van de doop niet ligt in het wassen van de buitenkant, maar in een goed getuigenis van het geweten. 1 Petrus 3:21
Maar ook in een andere passage lijkt Paulus de besnijdenis die met de hand gebeurt, totaal te minachten in vergelijking met de besnijdenis van Christus. Kolossenzen 2:11-12 Mijn antwoord is dat ook in deze passage niets wordt afgedaan van de waardigheid van de besnijdenis. Paulus is hier in discussie met degenen die de besnijdenis eisten als onmisbaar, ook al was die al afgeschaft. Hij waarschuwt de gelovigen dus dat ze de oude schaduwen los moeten laten en zich moeten richten op de inhoud. Hij zegt: ‘Deze leermeesters dringen erop aan dat jullie lichamen besneden worden. Maar jullie zijn geestelijk besneden in lichaam en ziel. Dus hebben jullie de inhoud zelf gekregen en die is veel beter dan de schaduw.’
Maar iemand zou hiertegen in kunnen brengen dat het feit dat ze de inhoud gekregen hadden, nog geen reden was waarom ze de vorm mochten minachten. Immers, ook de aartsvaders hadden het uittrekken van de oude mens, waar Paulus het over heeft, en toch was de uiterlijke besnijdenis voor hen niet overbodig. Maar Paulus is dit bezwaar voor. Want hij voegt er meteen aan toe dat de Kolossenzen met Christus begraven waren in de doop. Daarmee geeft hij aan dat tegenwoordig voor christenen de doop is wat de besnijdenis vroeger was. En dat de besnijdenis daarom niet kan worden opgelegd aan christenen zonder de doop onrecht te doen.
De oude sacramenten als schaduwen
Maar wat nu komt, is moeilijker op te lossen. Ik heb het eerder al even genoemd: alle Joodse rituelen waren schaduwen van toekomstige dingen en Christus is de werkelijkheid. Kolossenzen 2:17 Maar verreweg het moeilijkste is wat in veel hoofdstukken van de brief aan de Hebreeën behandeld wordt: het bloed van dieren reikte niet tot het geweten. Hebreeën 9:12 De wet bevatte een schaduw van toekomstige gaven, niet het beeld van de dingen zelf. Hebreeën 8:4-5; 10:1 Degenen die zich hielden aan de rituelen van Mozes kregen geen volmaaktheid. Hebreeën 7:19; Hebreeën 9:9 En meer van zulke dingen.
Ik herhaal wat ik al genoemd heb: Paulus noemt de rituelen geen schaduwen omdat ze geen zekerheid boden, maar omdat hun vervulling tot Christus’ verschijning in zekere zin nog in de lucht hing. Bovendien moeten we dit volgens mij niet opvatten wat betreft hun effect, maar meer wat betreft hun manier van aanduiding. Want voor het moment dat Christus geopenbaard is in het vlees, schaduwen alle tekenen Hem af als een afwezige. Ook al liet Hij de gelovigen innerlijk wel voelen dat zijn kracht en ook Hijzelf aanwezig waren.
Maar we moeten er vooral op letten dat Paulus in al deze passages niet simpelweg iets zegt. Nee, hij is in discussie. Want hij moest valse apostelen bestrijden die beweerden dat vroomheid alleen in rituelen lag, zonder rekening te houden met Christus. Om hen te weerleggen, was het voldoende om alleen de vraag te behandelen waar rituelen op zichzelf toe in staat zijn. Ook de schrijver van de brief aan de Hebreeën was daarop uit. We moeten dus bedenken dat de rituelen hier niet behandeld worden in hun echte, oorspronkelijke betekenis, maar verdraaid tot een valse en verkeerde uitleg. En niet hun legitieme gebruik, maar het misbruik van het bijgeloof. Dan is het toch niet vreemd als de rituelen, losgemaakt van Christus, van alle kracht beroofd worden! Want van alle tekenen blijft niets over als de inhoud eruit gehaald wordt.
Ook Christus past zo zijn woorden aan aan de grove opvatting van degenen die dachten dat het manna niets anders was dan voedsel voor de buik. Hij zegt dat Hij beter voedsel geeft, dat de ziel voedt tot onsterfelijkheid. Johannes 6:27
Maar als je om een duidelijkere oplossing vraagt, in de kern komt alles hierop neer: in de eerste plaats is heel het uiterlijk vertoon van de rituelen in de wet van Mozes leeg en zonder betekenis als het niet op Christus gericht wordt. In de tweede plaats waren de rituelen zo op Christus gericht dat ze pas vervuld werden toen Hij in het vlees geopenbaard was. En in de derde plaats moesten ze door zijn komst worden afgeschaft, net als een schaduw verdwijnt in het heldere licht van de zon.
Maar een uitgebreide bespreking van dit onderwerp stel ik uit tot het moment dat ik van plan ben de doop te vergelijken met de besnijdenis. Daarom stip ik het nu alleen kort aan.
Augustinus over oude en nieuwe sacramenten
Misschien zijn deze arme sofisten ook misleid door de overdreven lofprijzing op de sacramenten die je over deze tekenen leest bij oude schrijvers. Augustinus zegt bijvoorbeeld dat de sacramenten van de oude wet alleen maar de redder beloofden, maar dat onze sacramenten de redding geven. De sofisten hadden niet door dat deze en meer van zulke uitdrukkingen overdreven waren. Daarom hebben ze ook zelf overdreven dogma’s afgekondigd, maar met een heel andere betekenis dan wat de kerkvaders schreven. Want Augustinus bedoelt daar niets anders dan wat hij ergens anders schrijft: dat de sacramenten van de wet van Mozes verkondigden dat Christus zou komen, maar dat onze sacramenten verkondigen dat Hij gekomen is. En in Tegen Faustus de manicheeër schrijft hij dat de oude sacramenten beloften waren van dingen die nog vervuld moesten worden, maar dat de tegenwoordige sacramenten dingen aanwijzen die al vervuld zijn. Alsof hij wilde zeggen dat de oude sacramenten Christus afbeeldden toen Hij nog verwacht werd, maar dat onze sacramenten Hem laten zien als aanwezig, omdat Hij al gekomen is.
Hij spreekt verder over de manier waarop de sacramenten Christus aanduiden, zoals hij ook ergens anders laat zien. Hij zegt: ‘De wet en de profeten hadden sacramenten die iets in de toekomst van tevoren aankondigden. Maar de sacramenten van onze tijd verklaren dat dat waarvan de oude sacramenten voorzegden dat het zou komen, gekomen is.’
En hij legt in meer dan één passage uit wat zijn opvatting was over de inhoud en de kracht van de oude sacramenten. Hij zegt bijvoorbeeld dat de sacramenten van de Joden anders waren qua tekenen, maar hetzelfde qua inhoud. Dat ze verschillend waren qua zichtbare vorm, maar hetzelfde qua geestelijke kracht.
En: ‘In verschillende tekenen hetzelfde geloof. Want het is met verschillende tekenen net als met verschillende woorden. De klank van woorden verandert met de tijd. Woorden zijn dus niet anders dan tekenen. De aartsvaders dronken dezelfde geestelijke drank, maar niet dezelfde fysieke drank als wij. Je ziet dus dat de tekenen veranderd zijn, maar het geloof hetzelfde blijft. Destijds was de rots Christus. Voor ons is wat op het altaar gelegd wordt Christus. Zij dronken als een geweldig sacrament water uit de rots, wat wij drinken weten de gelovigen wel. Als je let op de zichtbare vorm is het iets anders. Maar als je let op de betekenis die erdoor wordt aangeduid, hebben zij dezelfde geestelijke drank gedronken.’
Ergens anders: ‘Hun voedsel en drank is in het sacrament hetzelfde als die van ons. Maar alleen hetzelfde qua betekenis, niet qua vorm. Want in de rots werd voor hen dezelfde Christus afgebeeld als de Christus die aan ons geopenbaard is in het vlees.’
Toch geef ik toe dat er op dit punt ook een verschil is. Beide soorten sacramenten verklaren dat ons Gods vaderlijke welwillendheid in Christus en de gaven van de Heilige Geest worden aangeboden. Maar onze sacramenten doen dat helderder en duidelijker. Beide soorten laten Christus zien, maar onze sacramenten rijker en voller, in overeenstemming met het verschil tussen het Oude en het Nieuwe Testament dat ik hierboven behandeld heb.
En dat bedoelt dezelfde Augustinus ook – ik citeer hem meerdere keren als de beste en betrouwbaarste getuige uit heel de oude kerk – als hij leert dat na de openbaring van Christus sacramenten zijn ingesteld die minder in aantal, heerlijker qua betekenis en sterker qua kracht zijn.
Verder is het goed dat de lezers hier kort op gewezen worden: alles wat de sofisten kletsen over het opus operatum – het ‘gewerkte werk’ in hun jargon – is niet alleen onjuist, maar ook in strijd met de aard van de sacramenten die God heeft ingesteld. De gelovigen moeten zonder goede dingen en arm naar de sacramenten komen. Ze mogen niets meebrengen dan hun grote armoede. Dat betekent dus dat ze, als ze de sacramenten ontvangen, niets doen waarmee ze lof verdienen en dat hun in deze handeling geen enkele daad kan worden toegeschreven. Want ze zijn daarbij volledig passief. God doet alles. Wij krijgen alleen.
Voetnoten
- 643
Augustinus, Epistulae, 138.
- 644
Chrysostomos, Homiliaede statuisad populumAntiochenum, 60.
- 645
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 80,3.
- 646
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 80,3; Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XIX, 16.
- 647
Solon (ca. 600 v. Chr.), Atheense politicus en dichter.
- 648
Cicero, Desenectute VIII, 26.
- 649
Augustinus, Quaestiones inheptateuchum III, 84.
- 650
Augustinus, De baptismo contraDonatistas V, 24,34.
- 651
Augustinus, De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum II, 36.
- 652
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 78.
- 653
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 26,11-15.
- 654
Petrus Lombardus, Sententiae IV, 1,5.
- 655
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 27,6.
- 656
Augustinus, De doctrina christiana III, 9,13.
- 657
Augustinus, Quaestiones inheptateuchum III, 84.
- 658
Augustinus, Contra Faustum Manichaeum IX, 11.
- 659
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 15,8 en 120,2.
- 660
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 73.
- 661
Augustinus, Quaestiones in heptateuchum IV, 33.
- 662
Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XIX, 14.
- 663
Augustinus, ContralitterasPetilianiDonatistae Cirtensisepiscopi II, 37,87.
- 664
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 26,12.
- 665
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 45,9.
- 666
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 77, 2.
- 667
Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XIX, 13; Augustinus, De doctrina christiana III, 9,13; Augustinus, Epistulae, 54,1.
Voetnoot 643
Augustinus, Epistulae, 138.
Voetnoot 644
Chrysostomos, Homiliaede statuisad populumAntiochenum, 60.
Voetnoot 645
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 80,3.
Voetnoot 646
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 80,3; Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XIX, 16.
Voetnoot 647
Solon (ca. 600 v. Chr.), Atheense politicus en dichter.
Voetnoot 648
Cicero, Desenectute VIII, 26.
Voetnoot 649
Augustinus, Quaestiones inheptateuchum III, 84.
Voetnoot 650
Augustinus, De baptismo contraDonatistas V, 24,34.
Voetnoot 651
Augustinus, De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum II, 36.
Voetnoot 652
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 78.
Voetnoot 653
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 26,11-15.
Voetnoot 654
Petrus Lombardus, Sententiae IV, 1,5.
Voetnoot 655
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 27,6.
Voetnoot 656
Augustinus, De doctrina christiana III, 9,13.
Voetnoot 657
Augustinus, Quaestiones inheptateuchum III, 84.
Voetnoot 658
Augustinus, Contra Faustum Manichaeum IX, 11.
Voetnoot 659
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 15,8 en 120,2.
Voetnoot 660
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 73.
Voetnoot 661
Augustinus, Quaestiones in heptateuchum IV, 33.
Voetnoot 662
Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XIX, 14.
Voetnoot 663
Augustinus, ContralitterasPetilianiDonatistae Cirtensisepiscopi II, 37,87.
Voetnoot 664
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 26,12.
Voetnoot 665
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 45,9.
Voetnoot 666
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 77, 2.
Voetnoot 667
Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XIX, 13; Augustinus, De doctrina christiana III, 9,13; Augustinus, Epistulae, 54,1.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.