Boek IV · Hoofdstuk 15

De doop

Inhoud van dit hoofdstuk · 22 secties
  1. 1De betekenis van de doop
  2. 2De doop als teken van reiniging van zonden
  3. 3De reiniging van de doop geldt voor heel ons leven
  4. 4Doop, berouw en boete
  5. 5De doop als teken van dood en opstanding
  6. 6De doop als teken van vereniging met Christus
  7. 7De doop van Johannes de Doper en vergeving van zonden
  8. 8De doop van Johannes de Doper en de Heilige Geest
  9. 9De doop in het Oude Testament
  10. 10De doop en de erfzonde
  11. 11Ook na de doop blijven we zondigen
  12. 12Paulus in Romeinen 7 over blijvende zonden
  13. 13De doop als belijdenis
  14. 14Fysiek teken en geestelijke werkelijkheid
  15. 15De doop heeft geen waarde zonder geloof
  16. 16De waarde van de doop hangt niet af van wie hem bedient
  17. 17De doop is niet waardeloos zolang we nog niet tot bekering komen
  18. 18Paulus doopte niet voor een tweede keer
  19. 19Het doopritueel
  20. 20Een nooddoop is onnodig
  21. 21Vrouwen mogen niet dopen
  22. 22Het voorbeeld van Sippora

De betekenis van de doop

De doop is het teken van de inwijding waardoor wij worden opgenomen in de gemeenschap van de kerk. Geënt in Christus worden we dan als een van Gods kinderen beschouwd. En dit is het doel waarvoor God ons de doop gegeven heeft – het doel dat voor alle mysteries hetzelfde is, zoals ik geleerd heb: in de eerste plaats als bewijs van ons geloof voor Hem en in de tweede plaats als belijdenis voor de mensen. Wat die beide bedoelingen inhouden, zal ik nu een voor een uitleggen.

De doop levert ons geloof drie dingen op. Ook die moeten we een voor een behandelen. Het eerste is dat de Heer ons de doop presenteert als teken en bewijs van onze reiniging. Of – om beter uit te leggen wat ik bedoel – als een verzegeld document waarmee Hij ons wil verzekeren dat al onze zonden weggedaan, doorgestreept en uitgewist zijn. En wel zo dat ze Hem nooit meer onder ogen kunnen komen en nooit meer genoemd of aangerekend zullen worden. Want Hij wil dat ieder die tot geloof gekomen is, gedoopt wordt zodat zijn zonden vergeven zijn.

Er zijn mensen die denken dat de doop alleen maar een merkteken of een herkenningsteken is waarmee wij onze godsdienst belijden voor mensen. Net zoals soldaten de kentekenen van hun bevelhebber dragen als herkenningsteken om aan te geven dat ze onder hem dienen. Maar zij houden geen rekening met het belangrijkste van de doop. Het belangrijkste is dat we de doop moeten ontvangen met de belofte dat ieder die tot geloof gekomen en gedoopt is, gered zal worden. Marcus 16:16

De doop als teken van reiniging van zonden

Zo moeten we opvatten wat Paulus schrijft: de kerk is door haar bruidegom Christus geheiligd en gereinigd met het waterbad in het Woord van het leven. Efeziërs 5:26 En ergens anders: wij zijn in overeenstemming met zijn barmhartigheid gered door het bad van de nieuwe geboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest. Titus 3:5 En wat Petrus schrijft: de doop redt ons. 1 Petrus 3:21

Want Paulus wilde niet aangeven dat onze wassing en redding tot stand gebracht wordt door water of dat water de kracht in zich heeft om te reinigen, opnieuw geboren te laten worden en te vernieuwen. En Petrus wilde niet aangeven dat de oorzaak voor de redding in dit sacrament ligt. Nee, ze wilden alleen aangeven dat we door de doop weten en er zeker van zijn dat we die dingen krijgen.

Dat blijkt duidelijk genoeg uit hun woorden zelf. Want Paulus verbindt de doop met het Woord van het leven, alsof hij zei dat het evangelie ons de boodschap brengt dat we gewassen en geheiligd zijn en dat die boodschap door de doop bezegeld wordt. En Petrus voegt onmiddellijk toe dat die doop niet inhoudt dat je de smerigheden van het vlees uittrekt, maar dat je een goed geweten hebt voor God, wat voortkomt uit geloof.

De doop belooft ons dus geen andere reiniging dan door de besprenkeling met het bloed van Christus. Dat wordt door water uitgebeeld, omdat ook water in staat is om te reinigen en te wassen. Wie wil dan beweren dat we gereinigd worden door het water dat er juist van getuigt dat het bloed van Christus ons echte en enige bad is?

Dus wil je de dwaling weerleggen van degenen die alles toeschrijven aan de kracht van de doop, dan kun je nergens een overtuigender argument vinden dan in de betekenis van de doop zelf. Die trekt ons weg van de zichtbare materie die ons voor ogen gehouden wordt, net als van alle andere middelen, om ons hart alleen aan Christus te hechten.

De reiniging van de doop geldt voor heel ons leven

En we moeten ook niet denken dat de doop alleen te maken heeft met het verleden, zodat we voor nieuwe zonden, waar we na onze doop in vallen, nieuwe verzoeningsmiddelen moeten zoeken in een of ander ander sacrament, alsof de kracht van de doop niet langer geldt. Als gevolg van deze dwaling wilden sommigen pas als hun leven echt gevaar liep, ja pas tijdens hun laatste ademtochten, door de doop worden ingewijd. Want dan zouden ze vergeving krijgen voor heel hun leven. De oude bisschoppen varen in hun geschriften heel vaak uit tegen deze verkeerde voorzichtigheid.

Dit moeten we bedenken: op welk moment we ook gedoopt worden, we worden voor eens en voor altijd gewassen en gereinigd voor heel ons leven. Dus telkens als we zondigen, moeten we terugdenken aan onze doop en ons hart wapenen met die herinnering. Dan kunnen we steeds zeker en zonder zorgen zijn wat betreft de vergeving van zonden.

De doop wordt slechts eenmaal bediend en lijkt daarom voorbij te zijn. Toch doen latere zonden de doop niet teniet. Want in de doop wordt ons Christus’ reinheid aangeboden. Die houdt haar kracht altijd. Die wordt nooit verduisterd door vlekken, maar bedekt al ons vuil en wist het af.

Toch mogen we op basis hiervan niet de vrijheid nemen om in de toekomst te gaan zondigen. Dit is ook echt niet bedoeld om ons te leren zo overmoedig te zijn. Nee, dit onderwijs wordt alleen gegeven aan degenen die al gezondigd hebben en dan vermoeid en belast onder hun zonden zuchten. Zij mogen dan iets hebben waarmee ze zich kunnen opbeuren en troosten, zodat ze niet in verwarring en wanhoop neerstorten.

Paulus zegt dat Christus onze verzoener is geworden om eerdere zonden te vergeven. Romeinen 3:25 Daarmee ontkent hij niet dat we in Hem continu en ononderbroken vergeving van zonden krijgen, tot de dood toe. Nee, hij geeft aan dat Christus door de Vader alleen gegeven is aan ellendige zondaren die, gebrandmerkt door hun geweten, zuchten om de dokter. Hun wordt Gods barmhartigheid aangeboden. Degenen die het niet krijgen van straf als een aanleiding en vrijbrief willen nemen om te zondigen, doen niets anders dan Gods woede en oordeel over zich afroepen.

Doop, berouw en boete

Ik weet wel dat men er over het algemeen anders over denkt: de vergeving die we, als we voor het eerst opnieuw geboren, worden alleen door de doop krijgen, zouden we na de doop krijgen door de zegen van berouw en de sleutels. Maar degenen die dit verzinnen, dwalen omdat ze niet bedenken dat de sleutelmacht waar ze het over hebben, vastzit aan de doop. Je mag ze op geen enkele manier van elkaar losmaken. Een zondaar krijgt vergeving door de bediening van de kerk, niet zonder de verkondiging van het evangelie. Wat wordt er verkondigd? Dat we door het bloed van Christus gereinigd worden van onze zonden. Maar het teken en bewijs van dat bad, wat is dat anders dan de doop? We zien dus dat de vrijspraak en de doop met elkaar te maken hebben.

Deze dwaling heeft het verzonnen sacrament van de boete opgeleverd. Ik heb daar eerder al het een en ander over gezegd en zal de rest afhandelen als er ik eraan toe ben. Het is geen wonder dat mensen die in overeenstemming met hun ruwe aard te veel gehecht zijn aan uiterlijke dingen, ook op dit punt dit gebrek hebben laten zien: niet tevreden met de zuivere instelling van God, hebben ze nieuwe zelfverzonnen hulpmiddelen ingevoerd. Alsof de doop niet zelf het sacrament van boete is! Als ons wordt aanbevolen om heel ons leven lang berouw te hebben en boete te doen, moet ook de doop dezelfde reikwijdte hebben. Daarom is er ook geen twijfel aan dat alle vromen tijdens heel hun levensloop hun doop in herinnering durven terugroepen. Zo versterken ze hun vertrouwen op de enige en eeuwige reiniging die we hebben in het bloed van Christus.

De doop als teken van dood en opstanding

De doop levert nog een tweede vrucht op. Hij laat ons zien dat we in Christus gestorven zijn en in Hem een nieuw leven hebben. Want de apostel Paulus zegt: ‘We zijn in zijn dood gedoopt, we zijn met Hem begraven om te wandelen in een nieuw leven.’ Met deze woorden spoort hij ons niet alleen aan om Christus te imiteren, alsof hij zei dat de doop ons aanspoort om volgens het voorbeeld van Christus’ dood te sterven voor onze begeerten en volgens het voorbeeld van zijn opstanding opgewekt te worden in rechtvaardigheid. Nee, Paulus steekt veel dieper af: door de doop laat Christus ons delen in zijn dood. We worden in zijn dood geënt. Een takje haalt zijn substantie en voedsel uit de wortel waarop het geënt is. Zo ervaren degenen die de doop ontvangen met het geloof waarmee ze het horen te ontvangen, echt de kracht van Christus’ dood in het afsterven van hun vlees en tegelijk ook de kracht van Christus’ opstanding in de levendmaking door de Geest. Dat is voor Paulus de aanleiding voor deze aansporing: als we christenen zijn, moeten we ook gestorven zijn voor de zonde en leven voor rechtvaardigheid. Romeinen 6:3-11

Dezelfde argumentatie gebruikt hij ergens anders: we zijn besneden en hebben de oude mens uitgetrokken nadat we in de doop in Christus begraven zijn. Kolossenzen 2:11-12 En in die betekenis noemde hij in de passage die ik eerder aangehaald heb, de doop een bad van de nieuwe geboorte en van de vernieuwing. Titus 3:5

Ons wordt dus in de eerste plaats de vergeving van zonden uit genade en de toerekening van rechtvaardigheid beloofd. En in de tweede plaats de genade van de Heilige Geest die ons verandert in een nieuw leven.

De doop als teken van vereniging met Christus

Ten slotte levert de doop voor ons geloof ook een betrouwbaar getuigenis op dat we niet alleen zijn geënt in Christus’ dood en leven, maar ook zo één zijn met Christus zelf dat we deel hebben aan al zijn zegeningen. Want Hij heeft de doop in zijn eigen lichaam gewijd en geheiligd. Hij is dus net als wij gedoopt, Mattheüs 3:13 zodat die doop een heel sterke band is van de eenheid en gemeenschap die Hij met ons wilde aangaan. Op basis daarvan bewijst Paulus dat wij Gods kinderen zijn omdat wij in de doop Christus aangetrokken hebben. Galaten 3:26-27 We zien dus dat de vervulling van de doop in Christus ligt. Daarom noemen we Hem het eigenlijke object van de doop. Het is daarom geen wonder dat er wordt verteld dat de apostelen doopten in zijn naam, Handelingen 8:16; 19:5 ook al hadden ze ook het bevel gekregen om te dopen in de naam van de Vader en van de Geest. Mattheüs 28:19 Want alle gaven van God die in de doop gepresenteerd worden, zijn alleen te vinden in Christus.

Toch is het onmogelijk dat iemand die in Christus doopt, niet tegelijk ook de naam van de Vader en van de Geest zou aanroepen. Want we worden door Christus’ bloed gereinigd omdat de barmhartige Vader ons volgens zijn weergaloze welwillendheid in genade wil aannemen en daarom deze middelaar tussenbeide gesteld heeft. Hij moet bij de Vader genade voor ons verwerven. En Christus’ dood en opstanding leveren ons pas de nieuwe geboorte op als wij door de Geest geheiligd zijn en vervuld worden met een nieuwe, geestelijke natuur. Daarom krijgen wij en, in zekere zin, onderscheiden wij de oorzaak van onze reiniging en onze nieuwe geboorte in de

Vader, de materie in de Zoon en de uitvoering in de Geest. Zo heeft eerst Johannes de Doper gedoopt en daarna de apostelen met een doop van berouw voor vergeving van zonden. Mattheüs 3:6-11; Lucas 3:16; Johannes 3:23; 4:1; Handelingen 2:38-41 En met het woord ‘berouw’ bedoelden ze zo’n nieuwe geboorte en met ‘vergeving van zonden’ de afwassing.

De doop van Johannes de Doper en vergeving van zonden

Daaruit blijkt heel zeker dat de bediening van Johannes de Doper volledig dezelfde was als de bediening die later werd opgedragen aan de apostelen. Want de doop wordt geen andere doop als die bediend wordt door andere handen. Nee, als de leer dezelfde is, blijkt daaruit dat de doop dezelfde is. Johannes de Doper en de apostelen stemden overeen in dezelfde leer. Beiden doopten voor berouw, beiden doopten voor vergeving van zonden, beiden doopten in de naam van Christus, bij wie berouw en vergeving van zonden vandaan komen.

Johannes zei dat Christus het lam van God was, dat de zonden van de wereld zou wegdragen. Johannes 1:29 Daarmee maakte hij duidelijk dat Christus een offer was waar God blij mee was, de verzoener van de rechtvaardigheid, de bewerker van de redding.

Wat hadden de apostelen nog aan deze belijdenis kunnen toevoegen? Daarom moet niemand in verwarring raken doordat de oude schrijvers hun best doen om de ene doop te onderscheiden van de andere. Want we moeten met hen niet zoveel rekening houden dat de zekerheid van de Schrift daardoor aan het wankelen gebracht wordt.

Immers, wie zou liever naar Chrysostomos luisteren dan naar Lucas? Chrysostomos ontkent dat de doop van Johannes vergeving van zonden bevatte. Lucas echter verzekert dat Johannes een doop van berouw predikte voor vergeving van zonden. Lucas 3:3

Ook mogen we de spitsvondige redenering van Augustinus niet accepteren. Hij beweert dat de doop van Johannes alleen hoop gaf op vergeving van zonden, maar dat die pas door de doop van Christus daadwerkelijk kwijtgescholden worden. Want de evangelist verklaart duidelijk dat Johannes in zijn doop vergeving van zonden beloofde. Waarom is het dan nodig iets van die lof af te doen? Niets dwingt daar toch toe? Als je in Gods Woord zoekt naar een verschil, zul je niets anders vinden dan dat Johannes doopte in degene die nog moest komen Lucas 3:16 en de apostelen in degene die zich al geopenbaard had. Handelingen 19:4

De doop van Johannes de Doper en de Heilige Geest

Na Christus’ opstanding zijn er royalere gaven van de Geest uitgestort. Maar dat kunnen we niet gebruiken om onderscheid te maken tussen verschillende dopen. Immers, de doop die de apostelen bedienden toen Christus nog op aarde was, werd Christus’ doop genoemd. Toch had die doop geen royalere gaven van de Geest dan de doop van Johannes de Doper. Sterker nog, zelfs na de hemelvaart krijgen de Samaritanen niet méér van de Geest dan normaal was, ook al werden ze gedoopt in de naam van Jezus, totdat Petrus en Johannes naar hen gezonden werden om hun de handen op te leggen. Handelingen 8:14-17

De kerkvaders zeiden dat de doop van Johannes de Doper slechts een voorbereiding was op de doop van Christus. Dat ze dat zeiden, komt volgens mij alleen maar doordat ze misleid zijn doordat Paulus mensen opnieuw doopt die al een keer de doop van Johannes gekregen hadden. Handelingen 19:3-6 Maar als ik daaraan toe ben, zal ik heel duidelijk uitleggen hoe ze zich daarin vergist hebben.

Wat betekende het dan dat Johannes zei dat hij wel met water doopte, maar dat Christus zou komen om te dopen met de Heilige Geest en met vuur? Mattheüs 3:11; Lucas 3:16 Dat kan ik in enkele woorden uitleggen. Hij wilde geen onderscheid maken tussen de ene doop en de andere. Nee, hij vergeleek alleen de ene persoon met de andere en zei dat hij water bediende, maar dat Christus de Heilige Geest zou geven. En dat Christus die kracht met een zichtbaar wonderteken zou bewijzen op de dag waarop Hij de Heilige Geest met tongen van vuur naar de apostelen zou zenden. Handelingen 2:3

Waar konden de apostelen zich meer op laten voorstaan? En waarop degenen die tegenwoordig dopen? Ze bedienen slechts uiterlijke tekenen, maar Christus bewerkt de innerlijke genade. Dat leren diezelfde oude schrijvers ook overal, vooral Augustinus. Tegen de donatisten beroept hij zich vooral hierop: wie er ook doopt, toch heeft alleen Christus de leiding.

De doop in het Oude Testament

De dingen die ik gezegd heb zowel over het sterven als over het wassen, zijn afgebeeld in het volk Israël. Daarom zegt de apostel Paulus dat het volk Israël gedoopt is in de wolk en in de zee. 1 Korinthiërs 10:2 Toen de Heer hen verloste uit de hand en de wrede slavernij van de farao, was dat een symbool van het sterven. Hij baande toen een weg voor hen door de Rode Zee. En de farao zelf en de Egyptische vijanden die hen achtervolgden en op de hielen zaten, verdronken. Exodus 14 Op dezelfde manier belooft de Heer ook ons in de doop en bewijst Hij ons door het teken dat Hij geeft, dat wij door zijn kracht weggevoerd en verlost zijn uit de gevangenschap van Egypte: de slavernij van de zonde. En dat onze farao – de duivel – verdronken is, ook al blijft hij ons nog kwellen en lastigvallen. Die Egyptische vijand was niet diep in de zee weggezonken. Nee, hij was op de oever geworpen en maakte de Israëlieten nog bang met zijn vreselijke aanblik. Toch kon hij hen geen schade meer berokkenen. Zo dreigt onze vijand nog wel. Hij laat zijn wapens zien en laat merken dat hij er is. Maar hij kan niet meer winnen.

De wolk vormde een symbool van de reiniging. Door het uitspreiden van de wolk bedekte de Heer de Israëlieten en gaf Hij hun verkoeling, zodat ze niet zouden bezwijken en vergaan door de meedogenloze hitte. Exodus 13:21; Numeri 9:15 En zo belijden wij dat we in de doop door Christus’ bloed bedekt en beschermd worden, zodat Gods strengheid – echt een onverdraaglijke vlam – niet op ons valt. Weliswaar was dit mysterie toen nog duister. Slechts weinigen wisten ervan. Maar er was geen andere manier om redding te krijgen dan in die twee genadegaven. Daarom heeft God de aartsvaders, die Hij als zijn erfgenamen had aangenomen, toch niet willen beroven van een teken van die beide gaven.

De doop en de erfzonde

Nu is wel duidelijk hoe onjuist de leer is van sommigen lang geleden en waar anderen nog steeds aan vasthouden: door de doop zouden we verlost en bevrijd worden van de erfzonde en van het bederf dat zich vanaf Adam heeft voortgeplant in heel zijn nageslacht. Door de doop zouden we hersteld worden in dezelfde rechtvaardigheid en zuivere natuur als Adam gehouden zou hebben als hij overeind was gebleven in de ongeschonden toestand waarin hij in het begin geschapen was.

Immers, wie zoiets leert, heeft nooit begrepen wat de erfzonde, wat de oorspronkelijke rechtvaardigheid en wat de genade van de doop eigenlijk inhoudt. Ik heb eerder al uitgelegd dat de erfzonde de slechtheid en het bederf is van onze natuur, die ons in de eerste plaats schuldig stelt voor Gods woede en er in de tweede plaats ook voor zorgt dat wij dingen doen die de Schrift ‘daden van het vlees’ noemt. Galaten 5:19 Daarom moeten we goed letten op deze twee verschillende punten.

In alle onderdelen van onze natuur zijn we zo aangetast en bedorven dat we alleen daarom al voor God terecht veroordeeld zijn. Want Hij kan nergens anders blij mee zijn dan met rechtvaardigheid, onschuld en reinheid. Sterker nog, zelfs kleine kinderen dragen hun veroordeling vanaf de moederschoot al met zich mee. Want ook al hebben ze nog geen vruchten voortgebracht van hun onrechtvaardigheid, toch dragen ze het zaad daarvan al in zich. Eigenlijk is heel hun aard zaad van de zonde. Daarom kan het niet anders of God haat hen en vindt hen weerzinwekkend.

Maar de gelovigen krijgen door de doop de zekerheid dat deze veroordeling van hen is weggerukt. Want zoals ik gezegd heb, de Heer belooft ons door dit teken dat alles ons volledig vergeven is, zowel de schuld die ons moest worden aangerekend als de straf die we vanwege onze schuld hadden moeten betalen.

De gelovigen krijgen ook rechtvaardigheid in handen, maar dan een rechtvaardigheid die Gods volk in dit leven in handen kan krijgen: alleen door toerekening. Door zijn barmhartigheid beschouwt de Heer hen als rechtvaardig en onschuldig.

Ook na de doop blijven we zondigen

Dan het tweede punt waar we op moeten letten: deze slechtheid is nooit passief in ons, maar brengt continu nieuwe vruchten voort. Dat zijn de daden van het vlees die ik eerder al beschreven heb. Het is net als met een brandende oven die continu vlammen en vonken uitblaast of een bron waar onophoudelijk water uit opborrelt. Want bij mensen verdwijnen en doven de hartstochtelijke begeerten nooit, voordat ze door de dood uit het lichaam verlost worden en ze zichzelf volledig hebben uitgetrokken.

Weliswaar belooft de doop ons dat onze farao verdronken en de zonde gedood is. Maar dat betekent niet dat ze er niet meer zijn en ons niet meer lastigvallen. Nee, het betekent alleen dat ze niet meer kunnen winnen. Want zolang wij in deze gevangenis van ons lichaam opgesloten leven, blijven er restanten van zonde in ons huizen. Maar als we met geloof vasthouden aan de belofte die God ons in de doop gegeven heeft, zullen ze ons niet domineren of over ons regeren.

Maar laat niemand zichzelf voor de gek houden of zichzelf vleien in zijn slechtheid als hij hoort dat er altijd zonde in ons blijft huizen. Dit wordt niet gezegd met de bedoeling dat degenen die toch al meer dan genoeg geneigd zijn om te zondigen, in hun zonden zorgeloos in slaap mogen vallen. Nee, dit wordt gezegd om te voorkomen dat degenen die door hun vlees verontrust en gestoken worden, aan het wankelen of twijfelen raken. Zij moeten juist bedenken dat ze nog onderweg zijn. Als ze merken dat hun hartstochtelijke begeerte elke dag een stukje minder wordt, mogen ze geloven dat ze grote vooruitgang geboekt hebben, totdat ze komen waar ze naar op weg zijn: de totale ondergang van hun vlees. Die ondergang zal voltooid zijn bij de ondergang van dit sterfelijke leven. Ondertussen moeten ze dapper blijven strijden, zichzelf aanmoedigen vooruit te gaan en zichzelf aansporen tot aan de volledige overwinning. Want als ze zien dat er nog zoveel problemen overblijven, ook al hebben ze al zolang hun best gedaan, dan moet ook dat hun nog extra aansporen om het te blijven proberen.

We moeten het dus zo opvatten: we worden gedoopt om ons vlees te laten sterven. Dat begint vanaf het moment dat we gedoopt worden en we gaan daar elke dag mee door. En dat proces is pas voltooid als we uit dit leven verhuizen naar de Heer.

Paulus in Romeinen 7 over blijvende zonden

Ik zeg hier niets anders dan wat de apostel Paulus heel duidelijk uitlegt in Romeinen 7. Eerst heeft hij de gratis rechtvaardigheid behandeld. Sommige goddelozen concludeerden daaruit dat we in ons leven kunnen doen waar we maar zin in hebben, omdat God ons niet aanneemt om wat we met onze daden verdienen. Daarom voegt Paulus eraan toe dat ieder die gekleed wordt in Christus’ rechtvaardigheid tegelijk door de Geest opnieuw geboren wordt en dat we in de doop een waarborg hebben van deze nieuwe geboorte. Op basis daarvan waarschuwt hij de gelovigen dat ze de zonde niet mogen laten regeren over hun ledematen. Nu wist hij dat er altijd nog zwakheid is in de gelovigen. Om te voorkomen dat dat hen moedeloos maakt, voegt hij er deze troost aan toe: ze zijn niet onderworpen aan de wet. Romeinen 6

Maar aan de andere kant kon het nu lijken dat christenen overmoedig mogen worden, omdat ze niet meer onderworpen zijn aan het juk van de wet. Daarom bespreekt hij wat die afschaffing eigenlijk inhoudt en bovendien wat het nut van de wet is. Al twee keer had hij die kwestie uitgesteld.

De kern is dat we bevrijd zijn van de strengheid van de wet om ons vast te klampen aan Christus. En dat de functie van de wet is om ons te overtuigen van onze slechtheid, zodat we onze onmacht en ellende belijden.

Nu blijkt uit een onheilig mens, die zonder vrees voor God zijn begeerten de vrije teugel laat, niet zo gemakkelijk dat die slechtheid in onze natuur zit. Daarom neemt hij een opnieuw geboren mens als voorbeeld: zichzelf. Hij zegt dus dat hij continu moet vechten tegen de restanten van zijn vlees en dat hij gevangen gehouden wordt in een ellendige slavernij, waardoor hij zich niet volledig kan wijden aan het gehoorzamen van Gods wet. Daarom kan hij niet anders dan zuchten en kreunen: ‘Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?’ Romeinen 7:24

Als Gods kinderen hun leven lang gevangen gehouden worden, moeten ze wel heel bang zijn als ze denken aan hun gevaar. Tenzij we deze angst bestrijden. Om dat te kunnen doen, heeft Paulus er daarom deze troost aan toegevoegd: er is geen veroordeling meer voor wie in Christus Jezus zijn. Romeinen 8:1 Daarmee leert hij dat degenen die de Heer voor eens en voor altijd in genade heeft aangenomen, in de gemeenschap met Christus heeft geënt en door de doop heeft opgenomen in de gemeenschap van de kerk van schuld en veroordeling zijn vrijgesproken, doordat ze vasthouden aan het geloof in Christus. Zelfs al worden ze door de zonde belegerd, ja zelfs al dragen ze de zonde in zichzelf mee. Als deze eenvoudige uitleg van Paulus juist is, is er geen reden waarom het zou lijken dat ik iets vreemds leer. Ik volg woord voor woord de leer van Paulus, als ik zeg dat in de doop de schuld van de zonde vergeven wordt, maar dat zonde voor christenen tot hun dood altijd realiteit blijft.

De doop als belijdenis

Dan hoe de doop ons helpt om ons geloof te belijden voor mensen. De doop is een kenteken waardoor wij openlijk belijden dat we meegeteld willen worden met Gods volk. Met de doop verklaren we dat we met alle christenen overeenstemmen in het dienen van de enige God en in de ene godsdienst. Kortom, door de doop bevestigen we in het openbaar dat we geloven, zodat niet alleen ons hart Gods lof ademt, maar ook onze tong en alle ledematen van ons lichaam die lof verkondigen op alle manieren waarop ze zich kunnen uiten. Want zoals het hoort, wordt alles wat we hebben, gebruikt om Gods glorie te dienen. Daar hoort alles vol van te zijn. En zo worden anderen door ons voorbeeld aangespoord om net zo ijverig te zijn.

Dat bedoelde Paulus toen hij de Korinthiërs vroeg of ze niet in Christus’ naam gedoopt waren. 1 Korinthiërs 1:13 Daarmee gaf hij aan dat ze juist doordat ze in Christus’ naam gedoopt waren, zich aan Hem gewijd hadden, aan Hem trouw gezworen hadden en voor de mensen verklaard hadden dat ze hun vertrouwen op Hem stelden. Dus als ze de belijdenis die ze bij de doop gedaan hadden, niet wilden verloochenen, konden ze niemand anders meer belijden dan Christus alleen.

Fysiek teken en geestelijke werkelijkheid

Nu ik heb uitgelegd met welke bedoeling de Heer de doop heeft ingesteld, kunnen we vervolgens gemakkelijk beoordelen hoe we de doop moeten gebruiken en ontvangen. Voor zover we de doop krijgen om ons geloof op te richten, te voeden en te versterken, moeten we hem aannemen als uit de hand van de auteur zelf. En we moeten er vast van overtuigd zijn dat Hij zelf door dit teken tegen ons spreekt. Dat Hij zelf ons reinigt en wast en de herinnering aan onze zonden uitwist. Dat Hij zelf ons laat delen in zijn dood, Satan zijn rijk afpakt en de krachten van onze hartstochten verlamt. Sterker nog, dat Hij zelf één met ons wordt, zodat wij, als we Hem aangetrokken hebben, als Gods kinderen beschouwd worden. Dat, zeg ik, Hij dit net zo betrouwbaar en zeker binnen in onze ziel uitvoert als we zien dat de buitenkant van ons lichaam gewassen, ondergedompeld en omhuld wordt.

Want deze analogie of overeenkomst is de zekerste regel voor de sacramenten: in fysieke dingen zien we de geestelijke dingen, net alsof ze zich voor onze ogen bevinden. Want de Heer wilde ze in zulke vormen aan ons presenteren. Niet omdat zulke genadegaven vastzitten aan het sacrament of erin opgesloten zitten, zodat we de genadegaven krijgen door de kracht van het sacrament. Nee, alleen omdat de Heer door dit teken voor ons wil getuigen van wat Hij wil: dat Hij ons dit allemaal wil schenken. En Hij voedt onze ogen niet enkel maar met een schouwspel. Nee, Hij brengt ons bij de werkelijkheid zelf. Wat het schouwspel symboliseert, laat Hij tegelijk daadwerkelijk in vervulling gaan.

De doop heeft geen waarde zonder geloof

Als bewijs hiervoor kan Cornelius dienen, de centurio. Voordat hij gedoopt werd, had hij al vergeving van zonden en de zichtbare gaven van de Heilige Geest gekregen. Door de doop probeerde hij geen royalere vergeving te krijgen, maar training in meer geloofszekerheid, een groei in vertrouwen. Handelingen 10:48

Misschien brengt iemand hiertegen in: waarom zei Ananias dan tegen Paulus dat hij zijn zonden door de doop zou afwassen, als de zonden niet worden afgewassen door de kracht van de doop zelf? Handelingen 9:17-18 Ik antwoord: er wordt gezegd dat we ontvangen en daadwerkelijk in handen krijgen wat de Heer ons, voor zover we ons daar in ons geloof van bewust zijn, aanbiedt. En dan maakt het niet uit of Hij daar pas dan voor het eerst van getuigt of dat Hij er al eerder van getuigd heeft en het dan nog extra zeker bevestigt. Ananias bedoelde dus alleen maar: ‘Om de zekerheid te krijgen dat je zonden je vergeven zijn, moet jij, Paulus, je laten dopen. Want in de doop belooft de Heer de vergeving van zonden. Neem de doop aan, dan kun je gerust zijn.’

Trouwens, het is niet mijn bedoeling om iets af te doen aan de kracht van de doop, alsof het teken niet gepaard gaat met de inhoud zelf, voor zover God door de uiterlijke middelen werkt. Echter, net als alle andere sacramenten levert dit sacrament ons niets op, behalve voor zover we die met geloof aannemen. Als geloof ontbreekt, bewijst het alleen maar hoe ondankbaar we zijn. En dat stelt ons dan schuldig voor God, omdat we de belofte die in dit sacrament gedaan wordt, niet geloven.

Maar voor zover de doop een symbool is van onze belijdenis, moeten we door de doop getuigen dat we ons vertrouwen stellen op Gods barmhartigheid en onze reinheid zoeken in de vergeving van zonden, die Jezus Christus voor ons verdiend heeft. En dat we Gods kerk binnengaan, om in hetzelfde geloof en dezelfde liefde eensgezind te leven met alle gelovigen. Dat laatste bedoelt Paulus, als hij zegt dat we allemaal gedoopt zijn in één Geest, om samen één lichaam te zijn. 1 Korinthiërs 12:13

De waarde van de doop hangt niet af van wie hem bedient

Nu hebben we vastgesteld dat we de waarde van een sacrament niet moeten taxeren volgens de hand van wie het bedient, maar volgens de hand van God van wie het zonder twijfel afkomstig is. Als dit waar is, kun je daaruit opmaken dat aan de waardigheid van een sacrament niets wordt toe- of afgedaan door degene wiens hand het uitdeelt. Het is net als wanneer er tussen mensen een brief verstuurd wordt. Dan doet het er absoluut niet toe wie of wat voor iemand de brief bezorgt. Als het handschrift en het zegel maar duidelijk genoeg te herkennen zijn. Zo moet het voor ons voldoende zijn als we in de sacramenten van de Heer zijn hand en zegel herkennen, wie ze dan ook bezorgt.

Dit weerlegt heel goed de dwaling van de donatisten. Zij maten de kracht en de waarde van het sacrament af aan de waardigheid van de dienaar. Tegenwoordig zijn onze wederdopers ook zulke mensen. Zij ontkennen koppig dat wij gedoopt zijn zoals het hoort, omdat wij gedoopt zijn in het rijk van de paus, door goddelozen en afgodendienaars. Daarom dringen ze als bezetenen aan op herdoop.

Tegen zulke onzin zijn we met voldoende argumenten bewapend als we bedenken dat we door de doop niet worden ingewijd in de naam van een mens, maar in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het is dus niet de doop van een mens, maar van God, wie die doop ook bediend mag hebben. Ook al waren degenen die ons doopten ook nog zo onwetend of ook al hadden ze nog zoveel minachting voor God en heel de vroomheid, toch hebben ze ons niet gedoopt om te delen in hun onwetendheid of heiligschennis, maar in het geloof in Jezus Christus. Want ze hebben niet hun eigen naam aangeroepen, maar Gods naam. Ze hebben ons in geen andere naam gedoopt.

Als het Gods doop was, bevatte die vast en zeker de belofte over de vergeving van zonden, het sterven van het vlees, de geestelijke levendmaking en het deel krijgen aan Christus. De Joden hebben er ook geen nadelige gevolgen van ondervonden dat ze besneden werden door onreine en afvallige priesters. Dat maakte het teken niet ongeldig, zodat de besnijdenis herhaald zou moeten worden. Nee, het was voldoende als ze terugkeerden naar de echte oorsprong.

De wederdopers werpen tegen dat de doop bediend moet worden in een vergadering van vromen. Maar dat bekent nog niet dat de kracht van de doop volledig wordt gedoofd door een gedeeltelijk gebrek. We leren wel wat er moet gebeuren om de doop rein te houden en vrij van alle smetten. Maar daarom doen we Gods instelling nog niet teniet, ook al bederven afgodendienaars die. Vroeger was de besnijdenis bedorven door vele vormen van bijgeloof. Toch bleef men die beschouwen als een symbool van de genade. En toen Josia en Hizkia uit heel Israël degenen verzamelden die afvallig geworden waren van God, riepen ze hen niet op om zich voor de tweede keer te laten besnijden.

De doop is niet waardeloos zolang we nog niet tot bekering komen

Verder vragen de wederdopers ons wat voor geloof er enkele jaren lang op onze doop volgde. Op basis daarvan willen ze ons bewijzen dat onze doop ongeldig is, omdat de doop alleen bij ons geheiligd wordt als we het woord van de belofte gelovig aannemen. Mijn antwoord daarop is dat we de belofte die we in de doop kregen weliswaar lange tijd niet kenden, dankzij onze blindheid en ongeloof. Maar toch bleef de belofte zelf altijd vast, krachtig en betrouwbaar. Want het was Gods belofte. Al zouden alle mensen onbetrouwbare leugenaars zijn, toch blijft God betrouwbaar. Romeinen 3:3 Al zouden alle mensen verloren gaan, toch blijft Christus de redding.

Ik geef dus toe dat we niets aan de doop gehad hebben zolang we de belofte die ons in de doop werd aangeboden ongebruikt lieten liggen. Zonder die belofte heeft de doop geen betekenis. Maar we hebben dankzij Gods genade berouw gekregen. Nu klagen we onszelf aan om onze blindheid en harde hart, omdat we zolang ondankbaar geweest zijn tegenover Gods grote goedheid.

Maar we geloven niet dat de belofte zelf verdwenen is. Nee, we bedenken juist dat God door de doop vergeving van zonden belooft en dat Hij die belofte ongetwijfeld zal nakomen voor ieder die gelooft. Die belofte is ons in de doop aangeboden. Laten we die dus met geloof omhelzen! Weliswaar was die belofte vanwege ons ongeloof lange tijd begraven. Maar laten we die nu met geloof aannemen!

Als de Heer het Joodse volk uitnodigt tot berouw, beveelt Hij hun daarom niets over een tweede besnijdenis, al waren ze – ik heb dat al gezegd – besneden door een goddeloze en heiligschennende hand en hadden ze een tijd lang geleefd verstrikt in dezelfde goddeloosheid. Nee, Hij dringt alleen aan op bekering van hun hart. Want ook al hadden zij het verbond geschonden, toch bleef het symbool van het verbond steeds krachtig en onschendbaar, zoals de Heer het had ingesteld. Berouw was dus de enige voorwaarde waarop ze opnieuw werden opgenomen in het verbond dat God eenmaal met hen in de besnijdenis gesloten had. Echter, zij hadden die besnijdenis gekregen uit de hand van een verbondsbrekende priester en vervolgens hadden ze die, voor zover zij dat konden, bezoedeld en het effect ervan gedoofd.

Paulus doopte niet voor een tweede keer

Maar de wederdopers denken dat ze ons met een vreselijk wapen te lijf gaan als ze zich erop beroepen dat Paulus degenen die al een keer gedoopt waren met de doop van Johannes de Doper, opnieuw doopte. Handelingen 19:2-7 Ik heb toegegeven dat de doop van Johannes volledig dezelfde doop was als onze doop. Toch werden zij, die eerst verkeerd onderwezen waren, opnieuw gedoopt in het juiste geloof, toen ze dat geloof hadden leren kennen. Maar dan moeten we dus een doop zonder de ware leer als waardeloos beschouwen. En dan moeten ook wij opnieuw gedoopt worden in de ware godsdienst die we nu pas hebben leren kennen.

Sommigen denken dat er een of andere valse imitator geweest was, die hen door de eerste doop had ingewijd in loos bijgeloof. Deze gissing maken ze blijkbaar op grond van het feit dat die leerlingen erkennen dat ze helemaal niets weten over een Heilige Geest. Johannes de Doper zou hen daarover nooit in onwetendheid hebben laten blijven. Maar het is niet waarschijnlijk dat de Joden helemaal niets over de Geest zouden hebben geweten, zelfs al waren ze nooit gedoopt. De Geest wordt door zoveel Schriftbewijzen bekendgemaakt. Dus dat ze antwoorden dat ze niet weten dat er een Geest is, moeten we anders opvatten. Het is alsof ze zeggen dat ze nog niet gehoord hadden dat de gaven van de Geest, waar Paulus hen naar vroeg, al aan Christus leerlingen gegeven waren.

Nu geef ik toe dat het de echte doop van Johannes geweest was en dat dat dezelfde doop was als de doop van Christus. Maar ik ontken dat ze opnieuw gedoopt zijn. Wat betekenen dan de woorden: ‘Ze werden gedoopt in de naam van Jezus’? Sommigen leggen ze zo uit dat Paulus hen alleen onderwees in de zuivere leer. Maar ik vat ze liever eenvoudiger op, dat er de doop van de Heilige Geest mee bedoeld wordt: de zichtbare gaven van de Geest die gegeven worden door handoplegging. Want het is niet nieuw dat die worden aangeduid met het woord ‘doop’. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat de apostelen zich op de pinksterdag de woorden van de Heer herinnerden over de doop met vuur en de Geest. Handelingen 1:5 En Petrus vertelt dat diezelfde woorden hem weer in herinnering kwamen toen hij zag welke gaven er uitgestort werden op Cornelius en zijn gezin en huisgenoten. Handelingen 11:16

En dat is niet in strijd met wat er later aan wordt toegevoegd: ‘Toen Paulus hun de handen oplegde, kwam de Heilige Geest op hen.’ Want Lucas vertelt niet twee verschillende dingen, maar volgt de manier van vertellen die gebruikelijk was bij de Hebreeën. Zij noemden eerst de kern waar het om ging en legden het dan verder uit. Dat kan ieder zelf opmaken uit de context. Want hij zegt: ‘Toen ze dit gehoord hadden, werden ze gedoopt in de naam van Jezus. En toen Paulus hun de handen oplegde, kwam de Heilige Geest op hen.’ Die laatste woorden beschrijven wat voor doop het was.

Als de eerste doop door onwetendheid geschonden wordt, zodat die onwetendheid gecorrigeerd moet worden door een tweede doop, dan hadden de apostelen als allereersten opnieuw gedoopt moeten worden. Want na hun doop proefden ze drie jaar lang nauwelijks iets van de zuivere leer. En hoe zouden wij dan ooit genoeg rivieren hebben om net zoveel onderdompelingen te herhalen als er elke dag dankzij de barmhartigheid van de Heer weer punten van onwetendheid in ons gecorrigeerd worden?

Het doopritueel

Als ik me niet vergis moeten de waardigheid, het nut en het doel van dit mysterie nu voldoende duidelijk zijn. Wat betreft het zichtbare symbool: ach, had de juiste instelling van Christus maar voldoende kracht gehad om de overmoed van de mensen te bedwingen! Want men doet net alsof het iets verachtelijks is om volgens Christus’ gebod gedoopt te worden met water. Daarom heeft men een zegenspreuk – of beter: een toverformule – bedacht die de echte heiliging met water besmeurde. Later is er nog een waskaars met zalf aan toegevoegd en dacht men dat het uitblazen de duivel verjoeg en de deur opende voor de doop.

Nu weet ik heel goed hoe oud de oorsprong is van deze mengelmoes van toevoegingen. Maar toch is het mij en alle vromen toegestaan om alles af te wijzen wat mensen hebben durven toevoegen aan wat Christus heeft ingesteld. Maar toen Satan zag dat dankzij de lichtgelovigheid van de wereld zijn vormen van bedrog al bij het begin van het evangelie haast zonder moeite werden geaccepteerd, ging hij verder met grovere bespottingen. Als gevolg daarvan zijn er met een tomeloze overmoed speeksels en meer van zulke onzin ingevoerd om de doop openlijk te bespotten. Die ervaringen moeten ons leren dat niets heiliger, beter of veiliger is dan tevreden zijn met Christus’ gezag alleen.

Het zou dus veel beter zijn als men al die toneelvoorstellingen zou loslaten, die de ogen van de eenvoudigen verblinden en hun geest afstompen, en als men iemand die gedoopt moet worden, zou presenteren in de vergadering van de gelovigen en hem aan God zou aanbieden, terwijl heel de kerk als het ware als getuige toekijkt en voor hem bidt. Als men de belijdenis voorlas van het geloof waarin hij moet worden onderwezen, de beloften opnoemde die de doop bevat, de catechumeen doopte in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest Mattheüs 28:19 en hem ten slotte met gebed en dankzegging liet gaan. Dan zou men niets weglaten van wat er toe doet. En dat ene ritueel dat van God afkomstig is, zou heel helder schitteren doordat het niet bedolven zou worden onder vuile dingen van buitenaf.

Verder is het van geen enkel belang of degene die gedoopt wordt volledig wordt ondergedompeld – en of dat driemaal of tweemaal gebeurt – of dat hij alleen maar met water besprenkeld wordt. Nee, daar moeten de kerken vrij in blijven, in overeenstemming met regionale verschillen. Want zowel het een als het ander maakt het teken zichtbaar. Ook al betekent het woord baptizoo ‘onderdompelen’ en staat het vast dat de oude kerk zich hield aan het ritueel van onderdompelen.

Een nooddoop is onnodig

Ook horen we te weten dat het verkeerd is als mensen zonder officiële functie zich de bediening van de doop aanmatigen. Want de uitdeling zowel van de doop als van het avondmaal is onderdeel van de bediening van de kerk. Immers, Christus heeft niet aan vrouwen of aan alle mogelijke mensen bevolen om te dopen. Nee, Hij heeft dit bevel gegeven aan degenen die Hij had aangesteld als apostelen. Mattheüs 28:19 En toen Hij de leerlingen bij het bedienen van het avondmaal beval te doen wat ze Hem hadden zien doen, vervulde Hij zelf de functie van wettige uitdeler. Ongetwijfeld wilde Hij dat ze ook op dat punt zijn voorbeeld zouden volgen. Lucas 22:19

Nu is het sinds vele eeuwen, ja haast vanaf het begin van de kerk, de gewoonte geweest dat bij levensgevaar, als er niet op tijd een dienaar aanwezig was, leken doopten. Maar ik zie niet met wat voor geldige argumenten dat verdedigd kan worden. Zelfs voor de oude schrijvers zelf, die deze gewoonte hadden of toestonden, stond het niet vast of het wel juist was dat het gebeurde. Augustinus laat merken dat hij eraan twijfelt, als hij zegt: ‘Als een leek, door noodzaak gedwongen, de doop bediend heeft, weet ik niet of het vroom is om te zeggen dat de doop herhaald moet worden. Want als het zonder dwingende noodzaak gebeurt, eigent men zich onterecht andermans taak toe. Maar als de noodzaak dringt, is het óf geen zonde, óf een vergeeflijke zonde.’

Over vrouwen is trouwens op het concilie van Carthago (418) vastgesteld dat ze helemaal niet mogen dopen, zonder enige uitzondering.

Maar, bestaat er dan geen gevaar dat iemand die ziek is, beroofd wordt van de genade van de nieuwe geboorte als hij zonder doop sterft? Absoluut niet. Als God belooft dat Hij de God zal zijn van ons en ons nageslacht, dan verklaart Hij dat Hij onze kinderen aanneemt als zijn kinderen vóórdat ze geboren worden. Genesis 17:7 Deze belofte bevat hun redding. Niemand zal God zo durven lasteren dat hij zou ontkennen dat Gods belofte op zichzelf voldoende is om in vervulling te gaan.

Slechts weinigen beseffen hoe veel schade het slecht uitgelegde dogma aangericht heeft dat de doop onmisbaar is om gered te worden. En als gevolg daarvan is men er ook minder voorzichtig mee. Want als de overtuiging heerst dat ieder die niet met water gedoopt is, verloren is, dan zijn we er nog slechter aan toe dan het oude volk. Alsof Gods genade nu beperkter zou zijn dan onder de wet! Want dan zul je moeten concluderen dat Christus niet gekomen is om de belofte te vervullen, maar om die af te schaffen. Want onder de wet was de belofte tot aan de achtste dag voldoende om redding te geven, maar nu zou de belofte krachteloos zijn zonder de hulp van het teken.

Vrouwen mogen niet dopen

Wat vóór de tijd van Augustinus de gewoonte was, kun je in de eerste plaats opmaken uit Tertullianus. Die zegt dat het een vrouw niet is toegestaan om in de kerk te spreken en ook niet om te onderwijzen of te dopen of te offeren. Want ze mag zich geen onderdeel toe-eigenen van een mannentaak, laat staan van een priestertaak.

Ook Epiphanius van Salamis is een betrouwbare getuige in deze kwestie. Hij verwijt Marcion dat hij vrouwen de vrijheid geeft om te dopen.

Nu ken ik heel goed het antwoord van degenen die er anders over denken. Volgens hen bestaat er een groot verschil tussen het normale gebruik en een buitengewoon middel voor als de uiterste nood dringt. Maar Epiphanius verklaart dat het een bespotting is om vrouwen de vrijheid te geven om te dopen. En hij maakt daarbij geen enkele uitzondering. Daaruit blijkt duidelijk genoeg dat hij dit misbruik veroordeelt. Het is dus onder geen enkel voorwendsel te verontschuldigen. Ook in boek 3, waar hij leert dat het zelfs Christus’ heilige moeder niet was toegestaan om te dopen, voegt hij geen enkele uitzondering toe.

Het voorbeeld van Sippora

Onterecht halen mijn tegenstanders het voorbeeld van Zippora aan. De engel van God was tevredengesteld toen zij een stenen mes had gepakt en haar zoon had besneden. Exodus 4:25 Op basis daarvan concluderen zij dat God dat van haar goedkeurde. Maar dat is niet waar. Anders zouden we ook moeten zeggen dat God blij was met de dienst die de heidenen die uit Assyrië waren overgebracht, in Samaria hadden gesticht. Ze werden daarna immers niet meer aangevallen door wilde dieren. 2 Koningen 17:24-41

Maar ik kan met nog andere overtuigende argumenten aantonen dat het heel dom is om te imiteren wat deze dwaze vrouw gedaan heeft. Ik zou kunnen zeggen dat het een speciaal geval was waar we geen voorbeeld aan mogen nemen en dat het met de besnijdenis heel anders zit dan met de doop, vooral omdat we nergens lezen dat specifiek de priesters het bevel gekregen hadden om te besnijden. Dat zou voldoende zijn om dit overtuigend te weerleggen. Want Christus’ woorden zijn duidelijk: ‘Ga op weg, onderwijs alle volken en doop ze.’ Mattheüs 28:19 Hij stelt dezelfde mannen aan om zowel het evangelie te bedienen als de doop te bedienen. En de apostel getuigt dat niemand zich die eer mag aanmatigen, behalve wie net als Aäron geroepen is. Hebreeën 5:4 Dus wie zonder wettige roeping doopt, eigent zich andermans taak toe.

Paulus verklaart openlijk dat alles waar we met een twijfelend geweten aan beginnen, zelfs de kleinste dingen zoals eten en drinken, zonde is.

Romeinen 14:23 Dan is het dus een nog veel grotere zonde als vrouwen de doop bedienen. Want dan wordt overduidelijk een regel overtreden die Christus gegeven heeft.

We weten immers dat het niet is toegestaan om te scheiden wat God samenvoegt. Mattheüs 19:6; Marcus 10:9

Maar ik sla dit allemaal over. Ik zou alleen graag willen dat de lezers erop letten dat het allesbehalve Zippora’s bedoeling was om God een dienst te bewijzen. Als ze ziet dat haar zoon in gevaar is, klaagt ze en moppert ze en boos gooit ze zijn voorhuid op de grond. Ze scheldt zo op haar man dat ze daarmee tegelijk tegen God tekeergaat. Kortom, het is duidelijk dat dit allemaal voortkwam uit een driftbui. Want ze moppert tegen God omdat ze gedwongen wordt het bloed van haar zoon te vergieten.

Daar komt nog iets bij. Ook al had ze zich in alle andere dingen goed gedragen, dan was het toch een niet te verontschuldigen brutaliteit dat ze haar zoon besneed in aanwezigheid van haar man. Dat was niet zomaar een of andere gewone man, maar Mozes, de belangrijkste profeet van God die ooit in Israël is opgestaan! Dat mocht ze niet, evenmin als het tegenwoordig vrouwen is toegestaan om de dopen voor het oog van een bisschop.

Maar dit meningsverschil zal meteen zonder enige moeite uit de weg geruimd worden op basis van dit principe: als het kleine kinderen overkomt dat ze uit dit leven verhuizen vóórdat ze gedoopt zijn, worden ze niet buiten het koninkrijk van de hemel gesloten. We hebben al gezien dat Gods verbond groot onrecht gedaan wordt als we daar niet op vertrouwen, alsof het op zichzelf zwak zou zijn. Want de kracht van dat verbond is niet afhankelijk van de doop of iets anders dat erbij moet komen. Het sacrament komt er later bij als zegel. Niet om Gods belofte kracht te geven, alsof die op zichzelf zwak zou zijn. Nee, alleen om die voor ons te bevestigen. Dat betekent dus dat de kinderen van de gelovigen niet gedoopt worden omdat ze dan pas Gods kinderen worden, terwijl ze eerder nog niet bij de kerk hoorden. Nee, ze worden juist gedoopt om ze zo door een publiek teken in de kerk op te nemen omdat ze door het geschenk van de belofte daarvóór al bij Christus’ lichaam hoorden.

Dus als het teken niet achterwege blijft uit laksheid, minachting of nalatigheid, zijn we veilig voor elk gevaar. Het is dus veel heiliger om Gods bepalingen te eren door de sacramenten nergens anders te zoeken dan waar de Heer ze in bewaring heeft gegeven. En als we ze niet van de kerk kunnen krijgen – Gods genade is niet zo aan de sacramenten gebonden dat we die niet door geloof zouden kunnen krijgen uit het Woord van de Heer.

Voetnoten

  1. 668

    Chrysostomos, Homiliae in Matthaeum,10,1.

  2. 669

    Augustinus, De baptismo contraDonatistas V, 10,12.

  3. 670

    Augustinus, Contra epistulam Parmeniani II, 13,29.

  4. 671

    Gratianus, Decretum III, 4,20.

  5. 672

    Epiphanius van Salamis, Panarion sive arcula adversus haereses, 42,4 en 79,3.

Voetnoot 668

Chrysostomos, Homiliae in Matthaeum,10,1.

Voetnoot 669

Augustinus, De baptismo contraDonatistas V, 10,12.

Voetnoot 670

Augustinus, Contra epistulam Parmeniani II, 13,29.

Voetnoot 671

Gratianus, Decretum III, 4,20.

Voetnoot 672

Epiphanius van Salamis, Panarion sive arcula adversus haereses, 42,4 en 79,3.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.