Boek IV · Hoofdstuk 16

De kinderdoop

Inhoud van dit hoofdstuk · 32 secties
  1. 1Inleiding
  2. 2Samenvatting van de betekenis van de doop
  3. 3Doop en besnijdenis
  4. 4Overeenkomsten en verschil tussen doop en besnijdenis
  5. 5Kleine kinderen horen bij het verbond
  6. 6Ook voor christenen geldt het verbond met Abraham
  7. 7Jezus liet kinderen bij zich komen
  8. 8De Schrift noemt de kinderdoop niet expliciet
  9. 9Het nut van de kinderdoop
  10. 10Argumenten tegen de kinderdoop
  11. 11De doop is niet geestelijker dan de besnijdenis
  12. 12Vleselijke kinderen en geestelijke kinderen van Abraham
  13. 13Abraham is de vader van alle gelovigen
  14. 14De verhouding tussen Joden en christenen in het verbond
  15. 15De belofte wordt voor Joden en christenen op dezelfde manier vervuld
  16. 16Verschillen tussen doop en besnijdenis
  17. 17Ook kleine kinderen kunnen opnieuw geboren worden
  18. 18Christus was vanaf zijn vroegste kindertijd geheiligd
  19. 19Kinderen hoeven niet dezelfde geloofskennis te hebben als volwassenen
  20. 20Het gaat bij de kinderdoop om toekomstig berouw en geloof
  21. 21Het teken volgt niet altijd op de inhoud
  22. 22De troost van de kinderdoop voor de kinderen zelf
  23. 23Wat de Schrift zegt over volwassenen moeten we niet toepassen op kinderen
  24. 24Abraham werd als volwassene besneden, zijn nakomelingen als kind
  25. 25Water en Geest
  26. 26De doop is niet onmisbaar om gered te worden
  27. 27Het zendingsbevel geeft geen norm voor de volgorde van geloof en doop
  28. 28Het zendingsbevel gaat niet over kleine kinderen
  29. 29Waarom Christus gedoopt werd als volwassene
  30. 30Waarom kinderen niet aan het avondmaal mogen
  31. 31Twintig argumenten van Servet
  32. 32De troost van de kinderdoop voor ouders

Inleiding

Echter, in deze tijd hebben sommige waanzinnigen ernstige onrust gewekt in de kerk over de kinderdoop. Ook nu blijven ze tekeergaan. Daarom mag ik niet nalaten hier nog een bijlage toe te voegen om hun waanzin te beteugelen. Misschien is er iemand die vindt dat deze toevoeging te lang is. Maar dan vraag ik hem om te bedenken dat we er veel waarde aan moeten hechten dat bij een belangrijk onderwerp de leer zuiver is en dat er vrede is in de kerk. We moeten er zoveel waarde aan hechten dat we zonder afkeer aannemen wat nuttig is om die twee dingen te bevorderen. Daar komt bij dat ik zal proberen deze uitleg zo op te zetten dat die een grote bijdrage zal leveren om het mysterie van de doop nog duidelijker uit te leggen.

Mijn tegenstanders bestrijden de kinderdoop met een argument dat inderdaad aantrekkelijk lijkt: ze beweren dat de kinderdoop op geen enkele bepaling van God is gebaseerd, maar alleen ingevoerd is dankzij menselijke brutaliteit en een verkeerde hang naar iets nieuws en dat men vervolgens zo dom en overmoedig was om dat gebruik graag te accepteren. Immers, als een sacrament niet gebaseerd is op het vaste fundament van Gods Woord, hangt het maar aan een draadje. Maar stel nu eens dat, als we eens goed naar deze zaak kijken, zal blijken dat Gods heilige bepaling daarmee vals en onterecht gelasterd wordt?

Daarom gaan we om te beginnen uitzoeken hoe de kinderdoop ontstaan is. Als komt vast te staan dat de kinderdoop alleen bedacht is uit menselijke overmoed, dan moeten we de kinderdoop opgeven en de juiste dooppraktijk alleen afmeten aan Gods wil. Echter, als juist bewezen wordt dat de kinderdoop helemaal niet buiten Gods gezag om gaat, dan moeten we oppassen dat we niet aan Gods heilige bepalingen tornen en zo ook niet de persoon zelf beledigen die die bepalingen gegeven heeft.

Samenvatting van de betekenis van de doop

Om te beginnen is dit een bekend genoeg leerstuk dat alle vromen belijden: de juiste betekenis van de tekenen ligt niet slechts in de uiterlijke rituelen. Nee, die is vooral afhankelijk van de belofte en van de geestelijke mysteries die – daarom heeft de Heer ze ingesteld – de rituelen moeten afbeelden.

Dus als je volledig wilt leren wat de kracht van de doop is, wat het doel van de doop is, kortom alles wat de doop nu eigenlijk is – dan moet je in je gedachten niet blijven staan bij het teken en het fysieke schouwspel. Nee, je moet je gedachten juist opheffen naar Gods beloften die ons in de doop worden aangeboden en naar de innerlijke mysteries die door de doop zichtbaar gemaakt worden voor ons. Als je dit weet, ken je de volledige betekenis en, zeg maar, de totale substantie van de doop. En op basis daarvan leer je dan ook op welke manier de uiterlijke besprenkeling moet gebeuren en wat het nut ervan is.

Aan de andere kant, als je deze dingen vol verachting negeert en je gedachten volledig hecht en bindt aan het zichtbare ritueel – dan zul je niet de kracht en evenmin de eigenlijke betekenis van de doop begrijpen. Dan zul je zelfs niet begrijpen wat de bedoeling is van het water of wat het nut ervan is.

Voor deze stelling zijn zoveel zo duidelijke Schriftbewijzen dat het niet nodig is om hier nog uitgebreider op in te gaan. Dus hoeven we nu alleen nog maar op basis van de beloften die in de doop gegeven worden, na te gaan wat de kracht en de aard van de doop is.

De Schrift laat zien dat de doop in de eerste plaats wijst op de reiniging van onze zonden, die we krijgen dankzij Christus’ bloed. En in de tweede plaats op het sterven van ons vlees, dat ligt in het delen in Christus’ dood. Daardoor worden de gelovigen opnieuw geboren in een nieuw leven en om zo deel te hebben aan Christus. Alles wat de Schrift over de doop leert, kan worden teruggebracht tot deze samenvatting. Behalve dan dat de doop ook een symbool is om onze godsdienst te belijden voor de mensen.

Doop en besnijdenis

Nu had Gods volk, voordat de doop werd ingesteld, in plaats daarvan de besnijdenis. Daarom moeten we eerst nagaan wat de verschillen en overeenkomsten zijn tussen die twee tekenen. Dan zal daaruit blijken wat we van het ene teken kunnen overdragen op het andere teken.

Als de Heer Abraham beveelt de besnijdenis in praktijk te brengen, zegt Hij vooraf dat Hij voor hem en zijn zaad een God zal zijn. En Hij voegt eraan toe dat bij Hem een meer dan voldoende overvloed is van alle dingen, om Abraham te laten weten dat Gods hand voor Hem de bron zou zijn van al het goede. Genesis 17:1-10 Die woorden omvatten de belofte van eeuwig leven. Christus legt dat zo uit. Hij gebruikt deze woorden als bewijs om de onsterfelijkheid en opstanding van de gelovigen aan te tonen. Hij zegt: ‘God is immers geen God van doden, maar van levenden.’ Mattheüs 22:32: Lucas 20:38

Als Paulus aan de Efeziërs wil laten zien uit welke ondergang de Heer hen bevrijd had, concludeert hij daarom op basis van het feit dat ze niet waren toegelaten tot het verbond van de besnijdenis, dat ze zonder Christus en zonder God waren en vreemdelingen voor de testamenten van de belofte. Want het verbond bevatte al die dingen. Efeziërs 2:12

Nu is de vergeving van zonden de eerste toegang tot God en de eerste ingang naar het onsterfelijke leven. Dat betekent dus dat deze belofte correspondeert met de belofte van de doop over onze reiniging.

Vervolgens eist de Heer van Abraham dat hij voor Gods ogen wandelt met een oprecht en onschuldig hart. Genesis 17:1 Dat hoort bij het sterven oftewel de nieuwe geboorte. En om te voorkomen dat iemand eraan zou twijfelen dat de besnijdenis een teken is van het sterven, legt Mozes het ergens anders duidelijker uit. Hij waarschuwt het volk Israël dat ze voor de Heer de voorhuid van hun hart moeten besnijden, omdat ze uit alle volken op aarde waren uitgekozen als Gods volk. Deuteronomium 10:15-16 Als God het nageslacht van Abraham uitkiest als zijn volk, beveelt Hij dat ze besneden moeten worden. En zo zegt Mozes dat ze hun hart moeten besnijden. Daarmee wijst hij dus aan wat de betekenis is van die fysieke besnijdenis. En om te voorkomen dat iemand in eigen kracht zou proberen zijn hart te besnijden, leert Mozes vervolgens dat die besnijdenis het werk is van Gods genade. Deuteronomium 30:6

De profeten prenten het volk al deze dingen zo vaak in dat het niet nodig is om hier veel Schriftbewijzen te verzamelen. Die kom je vanzelf overal tegen. Jeremia 4:4; Ezechiël 16:30

We zien dus dat de aartsvaders in de besnijdenis dezelfde geestelijke belofte kregen als wij krijgen in de doop. Want de besnijdenis was voor hen een afbeelding van de vergeving van zonden en van het sterven van het vlees. Bovendien, ik heb geleerd dat Christus het fundament is van de doop. Die beide dingen zijn op Hem gebaseerd. En het staat vast dat Hij zo ook het fundament van de besnijdenis is. Want Hij wordt aan Abraham beloofd en in Hem wordt aan Abraham een zegen voor alle volken beloofd. Genesis 12:2-3 Om dat genadegeschenk te bezegelen wordt het teken van de besnijdenis eraan toegevoegd.

Overeenkomsten en verschil tussen doop en besnijdenis

Nu kunnen we gemakkelijk zien wat de overeenkomsten en verschillen zijn tussen deze twee tekenen. Ik heb uitgelegd dat de betekenis van de tekenen in de belofte ligt. En die belofte is bij beide gelijk: de belofte dat God ons als een Vader goedgezind is, dat onze zonden vergeven zijn en dat we eeuwig mogen leven. Ook wat er wordt afgebeeld, is bij beide hetzelfde: de nieuwe geboorte. En de vervulling van die dingen is bij beide gebaseerd op hetzelfde fundament. Daarom is er geen enkel verschil in het innerlijke mysterie op basis waarvan de volledige kracht en aard van de sacramenten beoordeeld moet worden.

Het verschil dat overblijft, ligt in het uiterlijke ritueel. En dat is het kleinste deel, omdat het belangrijkste deel van de belofte en de inhoudelijke betekenis afhangt. We kunnen dus wel concluderen dat alles wat van toepassing is op de besnijdenis, ook van toepassing is op de doop, uitgezonderd het zichtbare ritueel.

De apostel Paulus leidt ons bij de hand tot deze diepere interpretatie en vergelijking door de norm waarmee hij ons gebiedt alle Schriftuitleg te beoordelen in overeenstemming met de mate van ons geloof. Romeinen 12:3-6 En de waarheid ligt inderdaad hier zo voor de hand dat je die haast kunt aanraken. Want voor de Joden was de besnijdenis een betrouwbaar teken dat hen ervan verzekerde dat ze werden opgenomen in Gods volk en gezin en waardoor zij ook zelf van hun kant beleden dat ze zich aan God wijdden. Het was voor hen dus de eerste binnenkomst in de kerk. En zo worden wij ook nu door de doop aan God gewijd om meegeteld te worden met zijn volk en zelf ons van onze kant aan Hem te verbinden. Daaruit blijkt onweerlegbaar dat de doop in de plaats gekomen is van de besnijdenis. De doop vervult bij ons dezelfde functie als de besnijdenis.

Kleine kinderen horen bij het verbond

Als we nu willen onderzoeken of het terecht is om ook kleine kinderen te laten delen in de doop, moeten we dan niet zeggen dat je wel heel dom, ja zelfs krankzinnig doet als je je wilt blijven vastklampen aan het element water en het uiterlijke ritueel, maar je gedachten niet wilt richten op het geestelijke mysterie? Als je daar maar een beetje rekening mee houdt, blijkt overduidelijk dat het terecht is om de doop te bedienen aan kleine kinderen. Want zij hebben er recht op.

Immers, vroeger heeft de Heer hen de besnijdenis niet waard gekeurd zonder hen in al die dingen te laten delen die toen door de besnijdenis werden aangeduid. Anders zou Hij alleen maar met goocheltrucs een spelletje gespeeld hebben met zijn volk, als Hij hen had bedrogen met symbolen zonder betekenis. Wat een afschuwelijk idee! Nee, Hij zegt uitdrukkelijk dat de besnijdenis van een kind een zegel zal zijn om de belofte van het verbond te bezegelen. En als het verbond vast en zeker blijft, slaat dat evengoed in onze tijd op de kinderen van christenen als onder het Oude Testament op de kinderen van de Joden. En als kinderen deel hebben aan de inhoud, waarom zouden we hen dan afhouden van het teken? Als ze de werkelijkheid krijgen, waarom zouden we hen dan afweren van de afbeelding?

Trouwens, het uiterlijke teken hangt in het sacrament zo met het Woord samen, dat het er niet van kan worden losgemaakt. Als het toch gescheiden wordt, aan welke van de twee moeten we dan de meeste waarde hechten? We zien dat het teken het Woord dient. Dus moeten we natuurlijk zeggen dat het teken ondergeschikt is aan het Woord en moeten we het teken een lagere positie geven. Maar als het Woord van de doop bestemd is voor de kinderen, waarom zouden we hun dan het teken onthouden? Dat is slechts een toevoeging bij het

Woord.

Als we geen andere argumenten beschikbaar hadden, zou alleen dit ene argument al voldoende zijn om iedereen te weerleggen die bezwaar wil maken. Er wordt aangevoerd dat er voor de besnijdenis een bepaalde dag was vastgesteld. Maar dat is niet meer dan een uitvlucht. Ik geef toe dat wij niet meer, zoals de Joden, gebonden zijn aan bepaalde dagen. Maar ook al schrijft de Heer geen bepaalde dag voor, toch verklaart Hij dat Hij graag wil dat kleine kinderen door een publiek ritueel worden opgenomen in zijn verbond. Wat willen we dan nog meer?

Ook voor christenen geldt het verbond met Abraham

Toch opent de Schrift voor ons een nog zekerder kennis van de waarheid. Het is immers heel duidelijk dat het verbond dat de Heer ooit met Abraham sloot, ook tegenwoordig voor christenen nog even recht overeind staat als vroeger voor het Joodse volk. Of we zouden moeten denken dat Christus door zijn komst de genade van de Vader verminderd of opgeschort heeft. En dat zou een afschuwelijke godslastering zijn! De kinderen van de Joden werden heilig zaad genoemd, omdat ze erfgenamen waren van dit verbond. En zo worden dus ook nu nog de kinderen van christenen om dezelfde redenen als heilig beschouwd. Zelfs als ze geboren zijn uit ouders van wie er slechts één gelovig is, verschillen ze van het onreine zaad van afgodendienaars, zo getuigt de apostel Paulus. 1 Korinthiërs 7:14 Nu heeft de Heer meteen na het sluiten van het verbond met Abraham bevolen dat dat verbond bij kleine kinderen bezegeld moest worden met een zichtbaar sacrament. Genesis 17:12 Wat kunnen christenen dan voor reden hebben om tegenwoordig van dat verbond geen bewijs en zegel te geven bij hun kinderen?

En nu moet niemand mij tegenwerpen dat de Heer bevolen heeft zijn verbond te bevestigen met een ander symbool dan het symbool van de besnijdenis en dat de besnijdenis allang is afgeschaft. Want het antwoord ligt voor de hand: voor de tijd van het Oude Testament heeft de Heer de besnijdenis ingesteld om zijn verbond te bevestigen. Maar na de afschaffing van de besnijdenis blijft nog altijd dezelfde reden om het verbond te bevestigen. Wij hebben daarvoor dezelfde reden als de Joden hadden. Daarom moeten we er altijd zorgvuldig op letten wat wij hetzelfde hebben als zij en wat van wat zij hadden, anders is dan wat wij hebben. We hebben hetzelfde verbond en ook dezelfde reden om dat verbond te bevestigen. Alleen de manier van bevestigen is anders. Want zij hadden de besnijdenis, maar bij ons is in plaats daarvan de doop gekomen.

Want anders – stel dat het bewijs dat de Joden ervan verzekerde dat hun zaad gered werd, van ons werd afgepakt. Dan zou Christus’ komst als gevolg gehad hebben dat Gods genade voor ons duisterder en minder overtuigend bewezen is dan vroeger voor de Joden. Dat kunnen we niet zeggen zonder Christus vreselijk te beledigen. Via Hem is de oneindige goedheid van de Vader helderder en royaler dan ooit op aarde uitgestort en aan de mensen duidelijk gemaakt. We moeten dus erkennen dat die goedheid nu niet uit meer karigheid verhuld of met een minder duidelijk bewijs verhelderd moet worden dan onder de duistere schaduwen van de wet.

Jezus liet kinderen bij zich komen

Daarom omhelst de Heer Jezus vriendelijk de kinderen die bij Hem gebracht worden, om een bewijs te geven waaruit de wereld kan begrijpen dat Hij juist gekomen is om de barmhartigheid van de Vader uit te breiden in plaats van in te perken. Hij berispt zijn leerlingen die de kinderen de toegang tot Hem proberen te ontzeggen. Want het koninkrijk van de hemel is van de kinderen, maar de leerlingen voerden hen weg van de enige door wie de toegang tot de hemel open staat. Mattheüs 19:13-15

Maar men zou kunnen zeggen: ‘Wat heeft de doop te maken met deze omhelzing van Christus? Er wordt immers niet verteld dat Hij hen gedoopt heeft. Alleen dat Hij hen heeft ontvangen, omhelsd en gezegend. Dus als we zijn voorbeeld willen volgen, moeten we de kinderen helpen met gebeden, maar niet dopen.’

Maar laten we eens iets nauwkeuriger kijken naar Christus’ daden dan zulke mensen doen. We moeten er immers niet te snel aan voorbijgaan dat Christus beveelt de kinderen bij Hem te brengen, terwijl Hij er de reden aan toevoegt: omdat van zulken het Koninkrijk van de hemel is. En daarna bewijst Hij zijn wil met de daad: Hij omhelst hen en beveelt hen met zijn gebed en zegen aan bij de Vader.

Als het terecht is dat de kinderen bij Christus gebracht worden, waarom zou het dan niet ook terecht zijn dat ze worden toegelaten tot de doop, het symbool van ons deelhebben aan en onze gemeenschap met Christus? Als het koninkrijk van de hemel van hen is, waarom zouden we hun dan het teken weigeren waardoor als het ware de toegang tot de kerk geopend wordt, zodat ze in de kerk worden opgenomen en opgeschreven worden bij de erfgenamen van het hemelse koninkrijk? Hoe oneerlijk zou het niet van ons zijn als we wegjagen wie Christus uitnodigt? Als we beroven wie Hij met zijn gaven tooit? Als we buitensluiten wie Hij uit eigen beweging toelaat?

Als we willen onderzoeken wat het verschil is tussen wat Christus daar gedaan heeft en de doop, zullen we dan veel meer waarde toekennen aan de doop dan aan de ontvangst, de omhelzing, de handoplegging en het gebed van Christus? Met de doop getuigen wij dat de kinderen in Gods verbond zijn opgenomen. Maar hier was Christus zelf aanwezig en verklaarde Hij dat deze kinderen van Hem zijn en door Hem geheiligd worden.

De andere uitvluchten waarmee mijn tegenstanders aan deze passage proberen te ontkomen verraden alleen maar hoe onwetend ze zijn. Christus zegt: ‘Laat de kinderen bij Mij komen.’ Spitsvondig concluderen ze daaruit dat die kinderen al wat ouder waren, omdat ze al konden lopen. Maar de evangelisten noemen hen in het Grieks brephè en paidia. Lucas 18:15; Mattheüs 19:14; Marcus 10:13 Met die woorden worden in het Grieks kleine kinderen bedoeld die nog aan hun moeders borst liggen. Zie je wat voor listen zij die zich verharden tegen de waarheid noodgedwongen moeten verzinnen?

Verder beweren ze dat het koninkrijk van de hemel niet wordt toegekend aan de kinderen, maar aan degenen die als kinderen zijn. Want er wordt niet gezegd dat het van ‘hen’ is, maar van ‘zulken’. Maar dat snijdt even weinig hout. Want als je dat accepteert, waarom wil Christus dan laten zien dat degenen die qua leeftijd nog kinderen zijn, geen vreemden voor Hem zijn? Hij beveelt dat men de kinderen bij Hem moet laten komen. Dan is het overduidelijk dat het hier om de werkelijke kinderleeftijd gaat. En om te voorkomen dat dat absurd zou lijken, voegt Hij eraan toe dat van zulken het koninkrijk van de hemel is. Als daar ook de kinderen onder moeten vallen, dan is het volstrekt helder dat met het woord ‘zulken’ de kinderen zelf bedoeld worden en ieder die aan hen gelijk is.

De Schrift noemt de kinderdoop niet expliciet

Nu is er vast niemand meer die niet ziet dat de kinderdoop echt niet door mensen bedacht is. Want hij wordt ondersteund door zo’n grote goedkeuring van de Schrift. Sommigen werpen tegen dat je nergens vindt dat ook maar één klein kind door de handen van de apostelen gedoopt is. Maar dat is geen erg plausibel bezwaar. Want ook al wordt dit niet expliciet door de evangelisten verteld, toch worden kleine kinderen andersom ook nergens buitengesloten, telkens als er verteld wordt dat er een gezin gedoopt wordt. En wie anders dan een dwaas zou daaruit de conclusie trekken dat kleine kinderen niet gedoopt werden?

Als dit soort argumenten enig hout sneden, zou je evengoed vrouwen moeten afhouden van het avondmaal van de Heer. Want we lezen niet dat zij in de tijd van de apostelen tot het avondmaal werden toegelaten. Toch zijn we op dat punt tevreden met de norm van het geloof. Want als we bedenken wat de instelling van het avondmaal impliceert, kunnen we op grond daarvan gemakkelijk beoordelen wie we moeten toelaten er gebruik van te maken.

En datzelfde zien we bij de doop. Immers, als we beseffen met welk doel de doop is ingesteld, dan zien we duidelijk dat ook kleine kinderen er niet minder recht op hebben dan ouderen. We kunnen kleine kinderen dus niet van de doop beroven zonder de wil van God, die de doop heeft ingesteld, openlijk geweld aan te doen.

Verder strooien mijn tegenstanders onder het eenvoudige volk het praatje rond dat er na Christus’ opstanding een lange reeks jaren voorbijgegaan is waarin de kinderdoop onbekend was. Maar dat is een schandelijke leugen van hen! Er is immers geen schrijver zo oud of hij is er zeker van dat de kinderdoop dateert uit de tijd van de apostelen.

Het nut van de kinderdoop

Nu blijft nog over dat ik kort moet aangeven wat het in praktijk brengen van de kinderdoop oplevert. Niet alleen voor de gelovigen die hun kinderen aan de kerk presenteren om gedoopt te worden. Ook voor de kinderen zelf die met het heilige water gedoopt worden. Want niemand moet deze praktijk als nutteloos en zinloos afwijzen. Trouwens, als iemand op het idee zou komen de kinderdoop onder dit voorwendsel te bespotten, dan drijft hij ook de spot met het gebod dat de Heer gegeven heeft voor de besnijdenis. Immers, wat valt er tegen de kinderdoop in te brengen, dat niet ook tegen de besnijdenis in stelling gebracht kan worden? Zo straft God de arrogantie van degenen die meteen veroordelen wat ze met hun vleselijk besef niet begrijpen.

Maar de Heer voorziet ons van andere wapens om hun dwaasheid mee af te weren. Zijn heilige instelling verdient het niet om overbodig genoemd worden. Wij ervaren immers dat ons geloof er met een geweldige troost door geholpen wordt. Want Gods teken dat aan het kind wordt uitgedeeld, bevestigt als door een ingedrukt zegel de belofte die vrome ouders gekregen hebben. Het verklaart dat het zeker is dat de Heer niet alleen voor henzelf, maar ook voor hun nageslacht een God zal zijn. En dat Hij niet alleen henzelf goed en genadig wil behandelen, maar ook hun nakomelingen tot in de duizendste generatie. Exodus 20:16 Daaruit blijkt Gods grote welwillendheid. Die geeft dus in de eerste plaats royaal aanleiding om zijn glorie te verkondigen. En in tweede plaats overspoelt zij het hart van vrome mensen met een buitengewone vreugde, waardoor ze nog extra worden aangespoord om ook van hun kant liefde te bewijzen aan zo’n liefhebbende Vader die omwille van hen ook voor hun nageslacht blijkt te willen zorgen.

Misschien werpt iemand tegen dat de belofte voldoende zou moeten zijn om te bevestigen dat onze kinderen gered zijn. Maar daar maak ik me niet druk om. Want God vond het goed om het anders te doen. Hij doorziet onze zwakheid en heeft die op dit punt tegemoet willen komen.

Als je de belofte omhelst dat Gods barmhartigheid ook je kinderen omvat, moet je dus bedenken dat het je plicht is hen aan de kerk aan te bieden om hen te laten tekenen met het symbool van de barmhartigheid. Dan bemoedig je ook jezelf, zodat je er extra vast op kunt vertrouwen. Want je ziet voor je ogen dat het verbond van de Heer wordt ingegraveerd in het lichaam van je kinderen.

Aan de andere kant levert de doop ook de kinderen voordeel op. Want doordat ze worden geënt in het lichaam van de kerk, worden ze heel wat sterker aanbevolen bij de andere leden. Bovendien, als ze opgroeien, spoort hun doop hen sterk aan om God serieus en ijverig te dienen. Want Hij heeft hen met een publiek symbool van adoptie als zijn kinderen aangenomen, nog vóórdat ze Hem gezien hun lieftijd als Vader konden erkennen.

Ten slotte moet ons de vloek afschrikken dat God wraak zal nemen als iemand nalaat zijn kind te tekenen met het symbool van het verbond. Want door zo’n minachting wordt de aangeboden genade afgewezen en als het ware afgezworen. Genesis 17:14

Argumenten tegen de kinderdoop

Dan gaan we nu de argumenten onderzoeken waarmee sommige waanzinnige beesten deze heilige instelling van God blijven aanvallen.

In de eerste plaats merken ze dat de overeenkomst tussen doop en besnijdenis hen te sterk in het nauw brengt, zodat ze klem komen te zitten. Daarom doen ze hun best deze twee tekenen uit elkaar te trekken door zo’n groot onderscheid te maken dat ze niets meer met elkaar gemeen lijken te hebben. Want ze zeggen in de eerste plaats dat deze tekenen verschillende dingen betekenen en in de tweede plaats dat er iets anders bedoeld wordt met de aanduiding ‘kinderen’.

Als ze het eerste willen bewijzen, doen ze net alsof de besnijdenis een teken was van het sterven, niet van de doop. Dit geef ik hun graag toe. Want het is een goede verdediging voor mijn opvatting. Ik gebruik daar geen ander argument voor dan dat de doop en de besnijdenis tekenen zijn van het sterven. Daaruit concludeer ik dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is om voor ons hetzelfde uit te beelden als waar de besnijdenis vroeger voor de Joden het teken van was.

Als ze beweren dat er verschil is in het verbond, hoe barbaars brutaal verscheuren en bederven ze dan de Schrift! En dat doen ze niet met één passage. Nee, ze laten niets ongeschonden. Want ze tekenen de Joden voor ons als zo vleselijk, dat ze meer op beesten lijken dan op mensen: ze zeggen dat het verbond dat

God met hen sloot niet verder reikt dan het tijdelijke leven. En dat de beloften die God hun gaf alleen slaan op tegenwoordige en fysieke gaven. Als dit dogma waar is, wat kunnen we dan nog anders zeggen dan dat het Joodse volk een tijdlang verzadigd is met Gods zegeningen – net zoals je een kudde varkens in een hok vetmest – met de bedoeling dat het uiteindelijk voor eeuwig verloren zou gaan? Want zodra wij de besnijdenis aanhalen en de beloften die eraan verbonden waren, antwoorden zij dat de besnijdenis een letterlijk teken was en dat de beloften van de besnijdenis vleselijk waren.

De doop is niet geestelijker dan de besnijdenis

Maar als de besnijdenis een letterlijk teken was, moeten we natuurlijk hetzelfde oordeel geven over de doop. Want de apostel Paulus maakt het ene teken niet geestelijker dan het andere. Hij zegt dat wij in Christus besneden zijn met een besnijdenis die zonder handen gebeurd is, door het lichaam van de zonde die in ons vlees woonde, uit te trekken. Dat noemt hij de besnijdenis van Christus. Daarna voegt hij de uitleg van deze uitspraak toe: door de doop zijn we in Christus begraven. Kolossenzen 2:11-12 Wat bedoelt hij met die woorden anders dan dat de vervulling en de betekenis van de doop tegelijk ook de vervulling en de betekenis van de besnijdenis is? Ze beelden precies hetzelfde uit! Paulus wil juist bewijzen dat voor christenen de doop hetzelfde is wat vroeger de besnijdenis was voor de Joden.

Ik heb al duidelijk uitgelegd dat beide tekenen dezelfde beloften en hetzelfde mysterie voorstellen. Daarom zal ik er nu niet langer bij blijven stilstaan. Ik raad de gelovigen alleen aan om eens – terwijl ik zwijg – voor zichzelf na te denken over de vraag of je een teken aards en letterlijk moet beschouwen als het niets anders voorstelt dan geestelijke en hemelse dingen.

Maar om te voorkomen dat mijn tegenstanders hun rookgordijnen aansmeren aan eenvoudige mensen, zal ik één tegenargument ontzenuwen waarmee zij deze heel brutale leugen proberen te bedekken. Het is volkomen zeker dat de belangrijkste beloften die het verbond vormden dat God onder het Oude Testament met de Israëlieten sloot, geestelijk waren en gericht waren op het eeuwige leven. Ook is het volkomen zeker dat de aartsvaders die beloften, zoals ze hoorden te doen, geestelijk opvatten. Aan die beloften ontleenden ze vertrouwen voor het toekomstige leven, waar ze met heel het verlangen van hun hart op uit waren.

Ondertussen ontken ik zeker niet dat God hun met aardse en vleselijke zegeningen bewees dat Hij hun goedgezind was. Maar volgens mij waren die zegeningen bedoeld om hun hoop op de geestelijke beloften te versterken. Bijvoorbeeld, toen God zijn dienaar Abraham eeuwig geluk beloofde, voegde Hij er een andere belofte aan toe over het bezit van het land Kanaän. Genesis 15:1-18 Zo stelde Hij Abraham een duidelijk bewijs voor ogen van zijn genade. Op die manier moet je alle aardse beloften opvatten die het Joodse volk kreeg. De geestelijke belofte vormt de kern. Die staat altijd voorop. De andere beloften hebben daarmee te maken.

Ik heb dit al uitgebreider behandeld toen ik het verschil besprak tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Daarom stip ik het nu alleen kort aan.

Vleselijke kinderen en geestelijke kinderen van Abraham

In de aanduiding ‘kinderen’ vinden mijn tegenstanders dit verschil: onder het Oude Testament worden degenen die voortkomen uit Abrahams nageslacht zijn kinderen genoemd. Maar nu worden degenen die hem volgen in zijn geloof zo genoemd. De vleselijke kinderen die door de besnijdenis werden geënt in de verbondsgemeenschap vormden dus een afbeelding van de geestelijke kinderen van het Nieuwe Testament, die door Gods Woord opnieuw geboren zijn in het onsterfelijke leven.

In die woorden zie ik wel een klein vonkje waarheid. Maar die lichtzinnige geesten zondigen ernstig omdat ze het eerste dat ze in handen krijgen, vastpakken en zich dan koppig vastklampen aan één woord. Maar ze zouden verder moeten gaan en meer dingen met elkaar moeten vergelijken. Omdat ze dat niet doen, raken ze onvermijdelijk op een dwaalspoor. Want ze doen niet hun best deze kwestie grondig te leren kennen.

Natuurlijk geef ik toe dat het vleselijke zaad van Abraham een tijdlang de plaats innam van het geestelijk zaad dat door geloof in hem geënt wordt. Wij worden immers zijn kinderen genoemd, ook al zijn we op de natuurlijke manier helemaal niet aan hem verwant. Galaten 4:28; Romeinen 4:12 Maar als zij denken dat ze duidelijk aantonen dat aan het vleselijke nageslacht van Abraham nooit Gods geestelijke zegen beloofd is, dan vergissen ze zich daarin!

Daarom moeten we op een beter doel mikken. De heel betrouwbare leiding van de Schrift brengt ons daar. De Heer belooft Abraham dus dat hij zaad zal hebben waarin alle volken van de aarde gezegend zullen worden. Genesis 12:3 En Hij geeft hem tegelijk zijn woord dat Hij voor hem en zijn zaad een God zal zijn. Genesis 17:7 Alle mensen die Christus als bewerker van deze zegen met geloof aannemen, zijn erfgenamen van deze belofte. Daarom worden ze kinderen van Abraham genoemd.

Abraham is de vader van alle gelovigen

Sinds Christus’ opstanding zijn de grenzen van Gods koninkrijk wijd en zijd uitgebreid over alle volken, zonder onderscheid. Want het is de bedoeling dat – zo zegt Christus – van alle kanten gelovigen verzameld worden om samen met Abraham, Izak en Jacob te gaan zitten in de hemelse glorie. Mattheüs 8:11 Toch had God vele eeuwen eerder de Joden omhelsd met diezelfde grote barmhartigheid. Hij passeerde toen alle andere volken en koos alleen dit volk uit om een tijdlang zijn genade tot hen te beperken. Daarom noemde Hij hen zijn eigendom en het volk dat Hij verworven had. Exodus 15:16

Als bewijs van die vrijgevigheid is de besnijdenis gegeven. Dat symbool moest de Joden leren dat God voor hen de beschermer van hun behoud was. Als ze dat wisten, richtte dat hun hart op zodat ze hoop hadden op het eeuwige leven. Want wat kom je nog tekort als God je eenmaal heeft aangenomen in zijn trouw?

Daarom zegt Paulus, als hij wil bewijzen dat de heidenen samen met de Joden kinderen van Abraham zijn: ‘Abraham is gerechtvaardigd door geloof toen hij nog niet besneden was. Later kreeg hij het teken van de besnijdenis, het teken van de rechtvaardigheid door geloof, om een vader te zijn voor alle gelovigen, zowel onbesnedenen als besnedenen. Niet van degenen die zich alleen laten voorstaan op de besnijdenis, maar van degenen die het geloof volgen dat onze vader Abraham had toen hij nog onbesneden was.’ Romeinen 4:10-12

Zien we niet dat Paulus de waardigheid van beide gelijk stelt? Immers, in de periode die God bepaald had, was Abraham de vader van de besnijdenis. Maar toen werd de muur afgebroken die heidenen en Joden van elkaar scheidde, zoals de apostel ergens anders schrijft.

Efeziërs 2:14 Daardoor werd ook voor de heidenen de toegang geopend tot Gods koninkrijk. En toen werd Hij ook hún vader, maar zonder het teken van de besnijdenis. Want zij hebben de doop in plaats van de besnijdenis.

En Paulus ontkent expliciet dat Abraham de vader is van degenen die alleen maar besneden zijn. Dat staat er om de hoogmoed te bedwingen van degenen die zich niet druk maakten om vroomheid, maar zich alleen lieten voorstaan op rituelen. Zo kan ook tegenwoordig de zinloosheid weerlegd worden van degenen die in de doop alleen maar water zoeken.

De verhouding tussen Joden en christenen in het verbond

Maar hier wordt een andere passage uit de brief aan de Romeinen tegen aangevoerd. Daar leert de apostel dat degenen die uit het vlees zijn, niet Abrahams kinderen zijn. Alleen de kinderen van de belofte worden beschouwd als Abrahams nageslacht. Romeinen 9:7 Dat lijkt erop te wijzen dat vleselijke afstamming van Abraham niets betekent. Terwijl ik er toch waarde aan hecht.

We moeten er hier echter zorgvuldig op letten welk onderwerp de apostel hier behandelt. Hij wil de Joden laten zien hoe weinig Gods goedheid gebonden was aan Abrahams nageslacht. Sterker nog, dat afstamming van Abraham helemaal niets oplevert. Daarom voert hij Ismaël en Ezau aan als bewijs. Volgens het vlees waren ze echte nakomelingen van Abraham. Toch waren ze vreemdelingen. De zegen blijft bij Izak en Jacob. Romeinen 9:6-13 Daaruit volgt wat hij later verzekert: het behoud hangt af van Gods barmhartigheid, die Hij bewijst aan wie Hij wil. Romeinen 9:15-16 En er is geen reden voor de Joden om vanwege het verbond zelfingenomen te zijn of zich erop te laten voorstaan, tenzij ze zich houden aan de wet van het verbond. Dat wil zeggen: het Woord gehoorzamen.

Echter, ook al ontneemt Paulus de Joden het ongefundeerde vertrouwen op hun afkomst, toch ziet hij dat het verbond dat God ooit met Abrahams nakomelingen gesloten had, absoluut niet ongedaan gemaakt kon worden. Daarom betoogt hij in hoofdstuk 11 dat de vleselijke afstamming van Abraham niet beroofd mag worden van haar waardigheid. Hij leert dat door die zegen de Joden de eerste en natuurlijke erfgenamen zijn van het evangelie. Behalve dan voor zover ze vanwege hun ondankbaarheid verstoten zijn, omdat ze het niet waard zijn.

Maar toch zo dat de hemelse zegen hun volk niet volledig verlaten heeft. Ook al zijn ze koppig en hebben ze het verbond verbroken, toch noemt Paulus hen daarom heilig. Zoveel eer bewijst hij het heilige volk, dat God zijn heilig verbond waard gekeurd had. En ons beschouwt hij, met hen vergeleken, als postuum geboren – of ook als doodgeboren – kinderen van Abraham. En dan geadopteerde kinderen, geen natuurlijke kinderen. Net zoals een stekje van zijn eigen boom word afgebroken en op een vreemde stam geënt wordt. Romeinen 11:16-17

De Joden mochten dus niet van hun voorrecht beroofd worden. Daarom moest eerst aan hen het evangelie verkondigd worden. Want zij zijn in Gods gezin als het ware de oudsten. Daarom moest hun deze eer bewezen worden, totdat ze wat hun werd aangeboden, verwierpen en er met hun ondankbaarheid voor zorgden dat het naar de heidenen ging. En hoe koppig ze ook oorlog blijven voeren tegen het evangelie, toch mogen we hen daarom niet minachten. We moeten bedenken dat er bij hen nog iets van Gods zegen overblijft, omwille van de belofte. Want de apostel verklaart dat die zegen hen nooit helemaal zal verlaten. God heeft immers nooit spijt van zijn gaven of van zijn roeping.

Romeinen 11:29

De belofte wordt voor Joden en christenen op dezelfde manier vervuld

Je ziet wat de waarde is van de belofte die Abrahams nageslacht gekregen heeft en aan welke norm wij die moeten afmeten. Weliswaar twijfel ik er niet aan dat Gods uitverkiezing vrij regeert en het volste recht heeft onderscheid te maken tussen de erfgenamen van het koninkrijk en bastaarden en vreemdelingen. Toch zien we ook dat God Abrahams zaad graag speciaal met zijn barmhartigheid wilde omhelzen. En om die barmhartigheid extra duidelijk te bewijzen, wilde Hij die bezegelen door de besnijdenis.

Met de christelijke kerk zit het net zo. Want Paulus betoogt in deze passage dat de Joden geheiligd worden door hun ouders. Maar ergens anders leert hij dat kinderen van christenen van hun ouders dezelfde heiliging krijgen. En op basis daarvan concludeert hij dat wie schuldig blijkt aan onreinheid, het verdient om afgescheiden te worden van de anderen. 1 Korinthiërs 7:14-15

Wie kan er nu nog aan twijfelen dat het totale onzin is wat mijn tegenstanders beweren: dat de kinderen die vroeger besneden werden, alleen een afbeelding vormden van het geestelijk kind zijn dat het gevolg is van de nieuwe geboorte uit Gods Woord? De apostel doet immers niet aan zulk scherpzinnig gefilosofeer. Hij schrijft dat Christus een dienaar is van de besnijdenis om de beloften te vervullen die aan de aartsvaders gedaan waren. Romeinen 15:8 Het is net alsof hij zei: het verbond dat God met Abraham sloot, is gericht op zijn zaad. Daarom is Christus gekomen om het Joodse volk te redden, om zo het eenmaal door zijn Vader gegeven woord te vervullen en in te lossen. Zie je dat Paulus vindt dat ook na Christus’ opstanding de verbondsbelofte niet alleen figuurlijk maar ook letterlijk vervuld moest worden aan het vleselijke zaad van Abraham?

Daarop slaat ook wat Petrus aan de Joden verkondigt: zij en hun zaad hebben, op grond van het verbond, recht op de zegen van het evangelie. Handelingen 2:39 En in het hoofdstuk dat erop volgt, noemt hij hen ‘kinderen’ – erfgenamen – ‘van het verbond’. Handelingen 3:25 Dat is niet veel anders dan de passage van de apostel Paulus, die ik hierboven heb aangehaald, waar hij de besnijdenis die in de kinderen is gegraveerd als bewijs ziet en presenteert van hun deelhebben aan Christus. Efeziërs 2:11-13

En werkelijk, als we naar het geklets van mijn tegenstanders luisteren, wat blijft er dan over van de belofte waarmee de Heer in het tweede gebod van zijn wet degenen die Hem dienen, belooft dat Hij hun zaad genadig zal zijn tot in de duizendste generatie? Exodus 20:6 Moeten we hier onze toevlucht nemen tot een allegorische uitleg? Wat een waardeloze uitvlucht zou dat zijn! Moeten we zeggen dat deze belofte is afgeschaft? Maar dan zou de wet uit elkaar gescheurd worden, terwijl Christus juist gekomen is om de wet te bevestigen, voor zover die ons goed doet en leven geeft. Het moet dus buiten kijf staan dat God voor de zijnen zo goed en royaal is dat Hij wil dat omwille van hen zelfs de kinderen die zij hebben voortgebracht bij zijn volk gerekend worden.

Verschillen tussen doop en besnijdenis

Verder zijn de verschillen die mijn tegenstanders tussen de doop en de besnijdenis proberen te maken niet alleen belachelijk en totaal niet plausibel. Nee, ze zijn ook met elkaar in strijd. Want ze beweren eerst dat de doop op de eerste dag van de geestelijke strijd slaat, maar de besnijdenis op de achtste dag, als het sterven al volledig is. Maar dat vergeten ze meteen weer en dan zingen ze een ander liedje: ze noemen de besnijdenis een beeld van het sterven van het vlees, maar de doop een begrafenis. En, zeggen ze, alleen wie al dood is, mag in die doop begraven worden. Zijn er nog andere dwaasheden van krankzinnige mensen die zo gemakkelijk uit elkaar spatten? Want in hun eerste uitspraak moet de doop aan de besnijdenis voorafgaan. Maar hun tweede uitspraak laat de doop erna komen. Toch is het niets nieuws dat menselijke gedachten zo heen en weer geslingerd worden als ze hun eigen fantasie aanbidden als een heel zeker woord van God.

Het eerste verschil is volgens mij dus enkel fantasie. Als je op de achtste dag een allegorie zou willen toepassen, moet je dat toch niet op deze manier doen. Het zou veel beter zijn om, net als de oude schrijvers, het getal acht te laten slaan op de opstanding. Die vond plaats op de achtste dag. En we weten dat het nieuwe leven daarvan afhankelijk is. Of je zou het getal acht kunnen laten slaan op heel de duur van het tegenwoordige leven. In dit leven moet het sterven steeds doorgaan, totdat we aan het eind van onze levensloop komen. Dan is ook het sterven volledig. Het zou trouwens ook heel goed kunnen dat God de besnijdenis tot de achtste dag uitstelde uit zorg voor de kwetsbaarheid van de kinderen. Voor pasgeborenen met nog een roze huid zou de wond nogal gevaarlijk zijn.

En hoeveel zinniger is hun bewering dat we eerst sterven en pas daarna door de doop begraven worden? De Schrift roept daar immers duidelijk tegenin dat we in de doop begraven worden op voorwaarde dat we sterven en daarna over die dood nadenken! Romeinen 6:4

Even grote onzin is wat ze verder zeggen: dat vrouwen niet gedoopt horen te worden, als de doop gelijk zou staan aan de besnijdenis. Het teken van de besnijdenis bewees dat het zaad van Israël geheiligd was. Als dat helemaal zeker is, dan blijkt daaruit ook dat dat teken gegeven werd om zowel mannen als vrouwen te heiligen.

Maar het teken werd alleen in het lichaam van de mannen gegraveerd, omdat dat alleen bij hen van nature mogelijk was. Maar toch op een manier dat de vrouwen er in zekere zin via hen toch ook in deelden.

Weg dus met die dwaasheid! Laten we maar vasthouden dat de doop en de besnijdenis aan elkaar gelijk zijn. We zien dat duidelijk in het innerlijke mysterie, in de beloften, in het nut en in het effect.

Ook kleine kinderen kunnen opnieuw geboren worden

Mijn tegenstanders denken dat ze ook een heel sterk argument aanvoeren waarom kinderen van de doop moeten worden afgehouden, als ze stellen dat kinderen vanwege hun leeftijd nog niet in staat zijn om het mysterie te begrijpen waar de doop voor staat. Dat mysterie is de geestelijke nieuwe geboorte. En die geboorte kan niet plaatsvinden in de vroege kindertijd. Dus concluderen zij dat we hen moeten beschouwen als niets anders dan kinderen van Adam totdat ze opgroeien tot een leeftijd die geschikt is voor de tweede geboorte.

Maar Gods waarheid gaat overal tegen al deze dingen in. Want als we hen tussen de kinderen van Adam moeten laten, laten we hen in de dood. In Adam kunnen we immers alleen maar sterven. Christus beveelt echter dat de kinderen bij Hem gebracht moeten worden. Mattheüs 19:14 Waarom? Omdat Hij het leven is. Hij laat hen dus delen in Hem om hen levend te maken. Terwijl deze mensen hen ondertussen ver wegjagen en naar de dood verwijzen. Ze proberen wel te komen met de uitvlucht dat kleine kinderen nog niet omkomen, alleen omdat we hen als kinderen van Adam beschouwen. Maar die dwaling wordt door de Schrift overduidelijk weerlegt. Want de Schrift verkondigt dat alle mensen in Adam sterven. 1 Korinthiërs 15:22 Dat betekent dus dat er geen hoop op leven overblijft, behalve in Christus. Om erfgenamen van het leven te worden, moeten we dus deel hebben aan Hem. En ergens anders staat geschreven dat we van nature allemaal onderworpen zijn aan Gods woede Efeziërs 2:3 en verwekt zijn in zonde, Psalm 51:7 wat altijd veroordeling betekent. Daarom moeten we eerst verhuizen uit onze natuur. Pas daarna staat de toegang tot Gods koninkrijk voor ons open. En wat kan er duidelijker gezegd worden dan dat vlees en bloed Gods koninkrijk niet kunnen bezitten? 1 Korinthiërs 15:50 Alles wat van ons is, moet dus vernietigd worden. En dat kan niet gebeuren zonder dat we opnieuw geboren worden. Dan zullen we ervaren dat we het koninkrijk bezitten. Kortom, Christus predikt dat Hij het leven is. Johannes 11:25; 14:6 Als Hij daarmee de waarheid spreekt, moeten we in Hem geënt worden om uit de slavernij van de dood verlost te worden.

Maar, zeggen mijn tegenstanders, hoe worden kleine kinderen opnieuw geboren? Ze hebben toch nog geen kennis van goed of kwaad? Mijn antwoord is dat Gods werk, ook al gaat het ons begrip te boven, toch aanwezig is. Verder, ongetwijfeld worden sommige kleine kinderen gered. Maar om gered te worden, moet de Heer hen wel eerst opnieuw geboren laten worden. Dat is volstrekt helder. Want als ze hun aangeboren bederf uit de schoot van hun moeder meenemen, moeten ze gereinigd worden voordat ze worden toegelaten in Gods koninkrijk. Want daar komt niets binnen dat bevlekt of besmeurd is. Openbaring 21:27 David en Paulus verzekeren dat kleine kinderen als zondaren geboren worden. Dan is God dus niet blij met hen en blijft Hij hen haten, tenzij ze gerechtvaardigd worden. En waarom zoeken we nog verder? De rechter zelf verklaart openlijk dat niemand toegang krijgt tot het eeuwige leven, behalve wie opnieuw geboren is. Johannes 3:3

En om dit soort tegensprekers de mond te snoeren, heeft God in Johannes de Doper een bewijs geleverd van waar Hij ook bij anderen toe in staat is: Hij heeft Johannes al in de moederschoot geheiligd. Lucas 1:15 Mijn tegenstanders spelen hier met de uitvlucht dat dit een eenmalige gebeurtenis was en dat dat niet meteen betekent dat de Heer elke keer zo doet met kleine kinderen. Maar daar schieten ze niets mee op. Want dat beweer ik ook niet. Ik wil alleen maar aantonen dat zij Gods macht onterecht en boosaardig beperken tot grenzen waarbinnen zij zich niet laat opsluiten.

Hun andere uitvlucht is even weinig waard. Ze beweren dat de woorden ‘vanaf de moederschoot’ in de Schrift altijd betekent: ‘van jongs af aan.’ Maar je kunt gemakkelijk zien dat de engel iets anders bedoelde toen hij dit aankondigde aan Zacharias: het kind zou al met de Heilige Geest vervuld worden, nog voordat het geboren was. We moeten dus niet proberen God een wet op te leggen dat Hij niet mag heiligen wie Hij wil op de manier waarop Hij Johannes de Doper geheiligd heeft. Want zijn macht is niets verminderd.

Christus was vanaf zijn vroegste kindertijd geheiligd

En inderdaad is Christus vanaf zijn vroegste kindertijd geheiligd om in zichzelf uit elke leeftijd, zonder onderscheid, zijn uitverkorenen te heiligen. Want om de schuld uit te wissen van ongehoorzaamheid die in ons vlees begaan was, heeft Hij datzelfde vlees aangenomen om omwille van ons en in onze plaats een volmaakte gehoorzaamheid te bewijzen. En op dezelfde manier is Hij door de Heilige Geest verwekt zodat zijn aangenomen vlees volledig doordrenkt was zijn diens heiligheid, om die ook weer in ons over te gieten. Wij hebben in Christus het volmaaktste voorbeeld van alle genadegaven die God aan zijn kinderen schenkt. Daarom is Hij ook op dit punt voor ons het bewijs dat een kinderlijke leeftijd niet volledig in strijd is met heiliging.

Hoe dan ook, volgens mij staat het buiten kijf dat niemand van de uitverkorenen wordt weggeroepen uit het tegenwoordige leven, zonder eerst geheiligd en door Gods Geest opnieuw geboren te zijn.

Mijn tegenstanders werpen tegen dat de Geest in de Schrift geen andere nieuwe geboorte kent dan uit onvergankelijk zaad, oftewel uit Gods Woord. Maar daarmee leggen zij deze uitspraak van Petrus verkeerd uit. Hij heeft het daarin alleen over de gelovigen die onderwezen waren door de prediking van het evangelie. 1 Petrus 1:23 Ik geef toe dat voor zulke mensen het Woord van de Heer het enige zaad is van de geestelijke nieuwe geboorte. Maar ik ontken dat je daaruit moet concluderen dat kleine kinderen niet door Gods kracht opnieuw geboren kunnen worden. Hij kan net zo gemakkelijk over die kracht beschikken als die voor ons onbegrijpelijk en wonderlijk is. Bovendien zou het nogal onvoorzichtig zijn de Heer het vermogen te ontzeggen om zich op een of andere manier aan kinderen kenbaar te maken.

Kinderen hoeven niet dezelfde geloofskennis te hebben als volwassenen

Maar, zeggen mijn tegenstanders, geloof komt voort uit luisteren. Romeinen 10:17 En kinderen kunnen nog niet luisteren. Ze zijn ook nog niet in staat om God te kennen. Want Mozes leert dat ze nog geen kennis hebben van goed en kwaad. Deuteronomium 1:39

Maar ze beseffen niet dat de apostel Paulus, als hij het luisteren noemt als de oorsprong van geloof, alleen maar de gewone manier van uitdelen beschrijft, waar de Heer zich aan houdt als Hij de zijnen roept. Hij legt God echter geen regel op, alsof Hij geen andere manier zou kunnen gebruiken. Natuurlijk heeft Hij bij het roepen van velen wel een andere manier gebruikt. Velen heeft Hij ware kennis van Hem gegeven alleen door innerlijke verlichting door de Geest, zonder tussenkomst van de prediking.

Mijn tegenstanders vinden het heel absurd als kleine kinderen enige kennis van God wordt toegeschreven, omdat Mozes hun de kennis van goed en kwaad ontzegt. Maar dan moeten ze mij maar eens antwoord geven op de vraag wat er voor gevaar bij is als je zegt dat ze nu al een deel van de genade krijgen, terwijl ze een tijdje later zullen genieten van de volle overvloed van die genade. Sommige kinderen, die in hun prille jeugd meteen door de dood hier weggerukt worden, gaan over in het eeuwige leven. Als het leven vol is als je God volmaakt kent, worden ze dan natuurlijk opgenomen om direct Gods gelaat te zien. Waarom zou de Heer degenen die Hij met de volle glans van zijn licht zal beschijnen, ook niet in de tegenwoordige tijd al met een klein vonkje bestralen als Hij daar zin in heeft? Vooral als Hij hen niet eerder van hun onwetendheid bevrijdt dan wanneer Hij hen losrukt uit de gevangenis van het vlees?

Niet dat ik zo maar zou willen beweren dat zij al hetzelfde geloof hebben gekregen dat wij in ons ervaren. Of dat zij in het algemeen een kennis hebben die gelijk is aan geloof. Dat laat ik liever in het midden. Nee, ik zeg dit om een beetje de domme arrogantie in te tomen van degenen die zo maar onbekommerd alles ontkennen of beweren wat hun maar in de mond komt.

Het gaat bij de kinderdoop om toekomstig berouw en geloof

Maar mijn tegenstanders blijven stevig vasthouden aan hun standpunt. Daarom voegen ze eraan toe dat de doop een sacrament is van berouw en geloof. En van die twee valt in de prille kindertijd nog niets te merken. Daarom moet je ervoor oppassen dat de betekenis van de doop niet leeg en nutteloos gemaakt wordt als je kleine kinderen toestaat erin te delen.

Echter, deze wapens worden meer tegen God gericht dan tegen ons. Immers, dankzij vele Schriftbewijzen is het volkomen zeker dat ook de besnijdenis een teken van berouw was. Bovendien noemt Paulus de besnijdenis een zegel van de rechtvaardigheid door geloof. Romeinen 4:11 Dan moet je dus God zelf ter verantwoording roepen waarom Hij bevolen heeft dat de besnijdenis in de lichamen van kleine kinderen gegraveerd moest worden. Want de doop en de besnijdenis hebben dezelfde inhoud. Daarom kunnen mijn tegenstanders de besnijdenis niets toestaan zonder dat ook aan de doop toe te staan. Als ze hun heil zoeken in de gewone uitvlucht dat de kinderlijke leeftijd geestelijke kinderen symboliseerde, dan heb ik hun die weg al versperd.

Volgens mij is er niets absurds aan dat, als God kinderen laat delen in de besnijdenis als sacrament van berouw en geloof, zij nu ook delen in de doop. Tenzij je openlijk tekeer wilt gaan tegen wat God bepaald heeft. Maar net als in al Gods daden schittert ook in dit besluit voldoende wijsheid en rechtvaardigheid om de tegenwerkingen van de goddelozen af te weren. Op het moment dat de kinderen besneden werden, begrepen ze met hun verstand weliswaar niet wat de bedoeling van dat teken was. Maar toch werden ze echt besneden om hun bedorven en besmeurde natuur te doden. Later, als ze volwassen waren, moesten ze daarover na gaan denken. Kortom, dit bezwaar kan gemakkelijk hiermee weerlegd worden: kinderen worden gedoopt voor toekomstig berouw en toekomstig geloof. Want ook al zijn die nu nog niet in hen gevormd, van beide bevatten ze dankzij het verborgen werk van de Geest al wel het zaad.

Dit antwoord haalt in één keer alles onderuit wat mijn tegenstanders tegen mij in stelling brengen wat ze afleiden van de betekenis van de doop. Bijvoorbeeld de eretitel waar Paulus de doop mee tooit als hij die het bad van de nieuwe geboorte en van de vernieuwing noemt. Titus 3:5 Zij concluderen daaruit dat je de doop alleen mag geven aan degenen die voor beide dingen geschikt zijn. Maar daar kan ik van de andere kant weer tegen inbrengen dat ook de besnijdenis de nieuwe geboorte aanduidde en dan dus ook alleen gegeven had mogen worden aan wie opnieuw geboren was. Maar dan veroordelen we wat God bepaald heeft. Zoals ik dus al meerdere keren aangestipt heb, alle argumenten die de neiging hebben de besnijdenis aan het wankelen te brengen, hebben geen enkele waarde om de doop te bestrijden.

En mijn tegenstanders kunnen ook niet ontsnappen als ze zeggen dat alles wat op Gods gezag gebaseerd is, vast en zeker is, zelfs als we niet begrijpen waarom, maar dat we die eerbied niet hoeven te hebben voor de kinderdoop en andere zulke dingen, omdat die ons niet expliciet door Gods Woord geboden worden. Want ze lopen altijd vast in deze logica: Gods gebod over het besnijden van kleine kinderen was óf legitiem, zodat je er niets tegenin kunt brengen, óf je kunt er kritiek op hebben. Als er niets mis mee en niets absurds aan was, dan kun je ook niets absurds aanwijzen in de praktijk van de kinderdoop.

Het teken volgt niet altijd op de inhoud

Het stigma van absurditeit, dat mijn tegenstanders mij op dit punt proberen aan te smeren, veeg ik als volgt af. Degenen die de Heer het heeft waard gekeurd dat Hij hen heeft uitgekozen en die het teken van de nieuwe geboorte gekregen hebben en daarna uit het tegenwoordige leven verhuizen voordat ze volwassen zijn, die vernieuwt Hij door de voor ons onbegrijpelijke kracht van zijn Geest. Alleen Hij ziet op welke manier dat het beste kan. Maar als ze opgroeien tot een leeftijd waarop hun de betekenis van de doop geleerd kan worden, dan zal het hen extra aansporen om vernieuwing na te streven, als ze leren dat ze het teken daarvan al meteen in hun vroegste kindertijd gekregen hebben. Want daardoor leren ze om ze tijdens heel hun levensloop aan die vernieuwing te denken.

Hier moeten we ook op laten slaan wat Paulus in twee passages leert: we zijn door de doop met Christus begraven. Romeinen 6:4; Kolossenzen 2:12 Want hij bedoelt daarmee niet dat wie gedoopt moet worden, eerst met Christus begraven moet zijn. Nee, hij wijst simpelweg aan wat de doop leert aan degenen die al gedoopt zijn. Dus zelfs dwazen kunnen op basis van deze passage niet beweren dat het begraven voorafgaat aan de doop. Op dezelfde manier herinnerden Mozes en de profeten het volk eraan wat de besnijdenis betekende, Deuteronomium 10:16; Jeremia 4:4 ook al hadden ze dat teken als kleine kinderen gekregen.

Hetzelfde bedoelt Paulus met wat hij aan de Galaten schrijft: toen ze gedoopt werden, hadden ze Christus aangetrokken. Galaten 3:27 Waarom? Nou, om voortaan voor Christus te leven. Want tot dan toe hadden ze dat niet gedaan. Weliswaar moeten ouderen het sacrament eerst begrijpen, voordat ze het teken mogen krijgen. Maar straks zal ik uitleggen dat kleine kinderen anders behandeld moeten worden.

Op dezelfde manier moeten we de passage zien van Petrus, waar mijn tegenstanders veel steun denken te vinden: Petrus zegt dat de doop geen afwassing is waarmee het vuil van het lichaam wordt afgewassen, maar een getuigenis van een goed geweten voor God, door de opstanding van Christus. 1 Petrus 3:21 Mijn tegenstanders beweren op basis hiervan dat van de kinderdoop niets overblijft dan een ijle damp. En wel omdat de kinderdoop ver verwijderd blijft van deze betekenis. Maar ze zondigen steeds weer door het waanidee dat de inhoud qua volgorde in de tijd vooraf moet gaan aan het teken. Immers, ook de betekenis van de besnijdenis lag in hetzelfde getuigenis van een goed geweten. Als dat perse vooraf had moeten gaan, zouden kleine kinderen nooit op Gods bevel besneden zijn. Maar God laat zelf zien dat het getuigenis van een goed geweten bij de inhoud van de besnijdenis hoort. Toch beveelt Hij tegelijk ook om kleine kinderen te besnijden. Hij wijst dus duidelijk genoeg aan dat de besnijdenis wat dat betreft gegeven wordt voor de toekomst. Daarom moeten we in de kinderdoop voor het heden niet meer effect zoeken dan dat die het verbond dat de Heer met hen sluit bevestigt en ratificeert. Wat dat sacrament nog meer betekent, zal later volgen, op het moment dat God zelf voorzien heeft.

De troost van de kinderdoop voor de kinderen zelf

Volgens mij is er nu niemand meer die niet duidelijk ziet dat al dit soort argumenten enkel de Schrift verdraaien. De overige argumenten die hieraan verwant zijn, zullen we in het kort langslopen.

Mijn tegenstanders werpen tegen dat de doop gegeven wordt voor vergeving van zonden. Als dit wordt toegeven, zal dat mijn opvatting sterk steunen. Want we worden als zondaren geboren. Daarom hebben we vanaf de moederschoot al vergeving en genade nodig. Bovendien, snijdt God voor deze leeftijd de hoop op barmhartigheid niet af. Sterker nog, Hij maakt die juist zeker. Het teken heeft veel minder waarde dan de inhoud zelf. Waarom zouden we het teken dan wegnemen? Het wapen dat zij tegen mij in stelling proberen te brengen, keer ik dus zo om tegen henzelf: kleine kinderen krijgen vergeving van hun zonden. Dus mogen we hen niet beroven van het teken.

Mijn tegenstanders komen ook aanzetten met deze woorden uit de brief aan de Efeziërs: de Heer heeft de kerk gereinigd met het waterbad in het Woord van het leven. Efeziërs 5:26 Er kan niets aangehaald worden dat zo geschikt is om hun dwaling te weerleggen. Want het levert ons een gemakkelijker bewijs op: als

Christus wil dat de doop getuigt van de afwassing waarmee Hij zijn kerk reinigt, dan lijkt het niet juist dat die afwassing daar niet van getuigt bij kleine kinderen. Die worden immers terecht ook bij de kerk gerekend. Want ze worden erfgenamen genoemd van het hemelse koninkrijk. Mattheüs 19:14 Paulus omvat immers heel de kerk als hij zegt dat ze gereinigd is met het waterbad.

En ergens anders zegt Paulus dat we door de doop worden geënt in Christus’ lichaam. 1 Korinthiërs 12:13 Christus telt kleine kinderen mee met zijn ledematen. Dus concluderen wij op basis van wat Paulus zegt dat ze gedoopt moeten worden, om te voorkomen dat ze van Christus’ lichaam worden afgescheurd.

Kijk eens hoe sterk de aanval is die mijn tegenstanders met zoveel oorlogstuig doen op de burcht van ons geloof!

Wat de Schrift zegt over volwassenen moeten we niet toepassen op kinderen

Verder komen mijn tegenstanders bij de praktijk en de gewoonte in de tijd van de apostelen. Over niemand in die tijd hoor je dat hij tot de doop werd toegelaten zonder dat hij eerst zijn geloof en berouw had beleden. Immers, als degenen die tot inkeer gekomen waren aan Petrus vragen wat ze moeten doen, raadt hij hun aan om eerst berouw te hebben en zich dan te laten dopen voor vergeving van hun zonden. Handelingen 2:37-38 En toen de eunuch Filippus vroeg of hij gedoopt mocht worden, antwoordde ook hij dat het was toegestaan, als hij maar oprecht geloofde. Handelingen 8:37 Op basis hiervan denken mijn tegenstanders te kunnen bewijzen dat niemand wordt toegelaten tot de doop als er geen geloof en berouw aan voorafgaan.

Maar werkelijk, als we ruimte zouden geven voor zo’n argumentatie, dan bewijst de eerste passage dat alleen berouw voldoende is en de tweede passage dat alleen geloof voldoende is. Want de eerste passage noemt geen geloof en de tweede passage noemt geen berouw. Ik denk dat mijn tegenstanders zullen aanvoeren dat beide passages elkaar ondersteunen en daarom samengevoegd moeten worden. Op mijn beurt zeg ook ik dan dat we ze ook moeten vergelijken met andere passages die ook van belang zijn bij het oplossen van deze passages. Want er zijn veel uitspraken in de Schrift waarbij de betekenis afhangt van de situatie.

Dit is een voorbeeld daarvan. Petrus en Filippus zeggen dit tegen personen die een leeftijd hebben waarop ze in staat zijn om berouw te hebben en tot geloof te komen. Ik ontken met klem dat zulke personen gedoopt mogen worden zonder dat we gezien hebben dat ze berouw en geloof hebben, in elk geval voor zover mensen dat kunnen beoordelen. Maar het is overduidelijk dat kleine kinderen als een andere categorie beschouwd moeten worden. Want als vroeger iemand zich aansloot bij de religieuze gemeenschap van Israël, moest hij onderwezen worden in het verbond van de Heer en in de wet. Pas daarna mocht hij het teken van de besnijdenis krijgen. Want hij was van een ander volk. Dat wil zeggen dat hij een vreemdeling was voor het volk Israël, waarmee het verbond gesloten was dat door de besnijdenis bevestigd werd.

Abraham werd als volwassene besneden, zijn nakomelingen als kind

Zo is het ook als de Heer Abraham uitkiest om deel te krijgen aan Hem. Dan begint Hij niet bij de besnijdenis, terwijl Hij ondertussen verzwijgt wat Hij met dat teken bedoelt. Nee, Hij kondigt eerst aan wat voor verbond Hij met Abraham wil gaan sluiten. En pas als Abraham Gods belofte gelooft, geeft Hij hem het sacrament. Waarom volgt bij Abraham het sacrament op geloof en waarom gaat het sacrament bij Izak aan elk begrip vooraf? Omdat Abraham pas op volwassen leeftijd wordt aangenomen om deel te krijgen aan het verbond. Tot dan toe was hij een vreemdeling voor dat verbond. Daarom is het gepast dat hij eerst de voorwaarden van het verbond leert. Maar dat hoeft niet bij het kind dat uit hem geboren wordt. Want dat is op grond van erfrecht, volgens de formulering van de belofte, al vanaf de moederschoot in het verbond opgenomen. Of – om deze kwestie duidelijker en korter uit te leggen – als de kinderen van de gelovigen deel hebben aan het verbond zonder hulp van hun verstand, is er geen reden om hen af te houden van het teken, alleen omdat ze nog niet kunnen zweren op de bepalingen van het verbond.

Vast en zeker is dat de reden waarom God meerdere keren verzekert dat de kinderen die uit de Israëlieten geboren worden, voor Hem verwekt en geboren zijn. Ezechiël 16:20; Ezechiël 23:37 Want ongetwijfeld beschouwt Hij de kinderen van degenen aan wie Hij beloofd heeft dat Hij een Vader zou zijn voor hun zaad, als zijn kinderen. Maar wie ongelovig is en geboren is uit goddeloze ouders, wordt beschouwd als een vreemdeling voor de gemeenschap van het verbond, totdat hij door geloof met God verenigd wordt. Het is dus logisch dat Hij zo iemand ook het teken niet geeft. Want bij zo iemand zou dat vals en zonder betekenis zijn. Dat bedoelt Paulus ook als hij schrijft dat de heidenen, zolang ze nog in hun afgodendienst weggezonken waren, buiten het verbond stonden. Efeziërs 2:12

Deze hele kwestie kan, als ik me niet vergis, als volgt kort worden samengevat: wie pas op volwassen leeftijd het geloof in Christus omhelzen, mogen pas met de doop getekend worden als er eerst geloof en berouw tussenbeide komen. Want ze zijn tot nog toe vreemdelingen geweest voor het verbond. En alleen geloof en berouw kunnen de toegang tot de gemeenschap van het verbond openen. Maar de kleine kinderen die uit christenen geboren zijn, moeten tot de doop worden toegelaten. Want God neemt hen meteen nadat ze geboren zijn, aan als erfgenamen van het verbond.

Daarop moeten we laten slaan wat de evangelist Mattheüs vertelt: Johannes de Doper doopte degenen die hun zonden beleden. Dat voorbeeld moeten we volgens mij ook tegenwoordig volgen. Want als een moslim zich zou aanbieden om gedoopt te worden, zouden we hem niet zomaar mogen dopen. Hij moet eerst belijdenis doen en zo de kerk genoegdoening geven.

Water en Geest

Bovendien komen mijn tegenstanders aanzetten met de woorden van Christus uit Johannes 3: ‘Als iemand niet opnieuw geboren wordt uit water en Geest, dan kan hij Gods koninkrijk niet binnengaan.’ Johannes 3:5 Ze denken dat deze woorden al direct bij de doop een nieuwe geboorte eisen. ‘Kijk,’ zeggen ze, ‘de Heer zelf noemt de doop een nieuwe geboorte. Welk excuus hebben wij dan om kleine kinderen te wijden door de doop? Het is genoegzaam bekend dat zij nog niet vatbaar zijn voor een nieuwe geboorte en de doop kan niet bestaan zonder nieuwe geboorte!’

Om te beginnen vergissen ze zich omdat ze denken dat het in deze passage over de doop gaat, omdat ze horen over water. Christus heeft Nicodemus uitgelegd dat de natuur bedorven is. Hij heeft hem geleerd dat er een nieuwe geboorte nodig is. Maar Nicodemus fantaseerde over een lichamelijke geboorte. Daarom wijst Hij hem nu aan op welke manier God iemand opnieuw geboren laat worden: door water en Geest. Het is alsof Hij zegt: door de Geest die in het reinigen en besprenkelen van zielen de functie van water vervult.

Ik vat ‘water en Geest’ dus simpelweg op als ‘de Geest die water is’. Dat is ook geen nieuwe manier van spreken. Want die komt volledig overeen met wat je leest in Mattheüs 3: ‘Hij die na mij komt, is degene die doopt met de Heilige Geest en met vuur.’ Mattheüs 3:11 Dopen met de Heilige Geest en met vuur betekent de Heilige Geest geven die bij de nieuwe geboorte de taak en de aard heeft van vuur. En zo betekent opnieuw geboren worden door water en Geest niets anders dan kracht van de Geest krijgen die bij de ziel doet wat water doet bij het lichaam.

Ik weet dat anderen het anders uitleggen. Maar ik twijfel er niet aan dat dit de juiste betekenis is. Want Christus heeft geen andere bedoeling dan leren dat ieder die op zoek is naar het hemelse koninkrijk, zijn eigen verstand moet loslaten.

Trouwens, als ik vervelende uitvluchten zou willen zoeken, zoals mijn tegenstanders altijd doen, dan zou het – als ik zou toegeven wat zij beweren – voor de hand liggen om tegen hen aan te voeren dat de doop voorafgaat aan geloof en berouw. Want in Christus’ woorden gaat het water vooraf aan de Geest. Natuurlijk gaat het hier over geestelijke gaven. Als die na de doop komen, heb ik mijn zin. Maar weg met die uitvluchten.

We moeten vasthouden aan de eenvoudige uitleg die ik gegeven heb: niemand kan Gods koninkrijk binnengaan vóórdat hij vernieuwd is door het levende water: de Geest.

De doop is niet onmisbaar om gered te worden

Verder is het duidelijk dat we het verzinsel van mijn tegenstanders moeten afkeuren, omdat ze ieder die niet gedoopt is verwijzen naar de eeuwige dood. Dus stel dat, zoals zij eisen, de doop alleen bediend wordt aan volwassenen. En stel dat er een kind is dat goed onderwezen is in de basisprincipes van de vroomheid, zoals het hoort. De dag van de doop komt dichterbij, maar tegen ieders hoop in, wordt het kind weggerukt door een onverwachte dood. Wat gebeurt er volgens mijn tegenstanders met zo’n kind?

De belofte van de Heer is duidelijk: ieder die in de Zoon gelooft, zal de dood niet zien en zal niet in het oordeel komen, maar is van de dood overgegaan in het leven. Johannes 5:24 Nergens lees je dat de Heer mensen die nog niet gedoopt zijn, veroordeeld heeft. Ik bedoel niet dat ik het zo opvat dat ik zou toegeven dat je de doop ongestraft kunt minachten. Ik beweer juist dat je met zo’n verachting Gods verbond schendt. Het is dus absoluut niet zo dat ik zoiets zou willen verontschuldigen. Nee, ik hoef alleen maar te bewijzen dat de doop niet zo onmisbaar is dat, als iemand niet de kans gehad heeft om de doop te krijgen, je meteen moet geloven dat hij verloren gegaan is. Maar als we instemmen met het verzinsel van mijn tegenstanders, veroordelen we zonder uitzondering iedereen die toevallig niet gedoopt kon worden. Hoeveel geloof zo iemand ook had gekregen, waarmee hij Christus zelf in bezit had.

Bovendien veroordelen mijn tegenstanders alle kleine kinderen tot de eeuwige dood. Want ze weigeren hun de doop, terwijl ze tegelijk beweren dat die onmisbaar is om gered te worden. Ze moeten maar eens kijken hoe geweldig ze overeenstemmen met wat Christus zegt. Hij wijst aan kinderen van die leeftijd het koninkrijk van de hemel toe. Mattheüs 19:14 En zelfs al zouden we hun alles toegeven wat betreft de uitleg van deze passage, dan nog winnen ze daar niets bij als ze niet eerst het dogma onderuithalen dat ook kleine kinderen opnieuw geboren kunnen worden. Maar dat dogma heb ik al stevig vastgezet.

Het zendingsbevel geeft geen norm voor de volgorde van geloof en doop

Maar mijn tegenstanders pochen dat hun sterkste bolwerk de instelling van de doop zelf is. Die halen ze uit het laatste hoofdstuk van Mattheüs. Daar zendt Christus zijn apostelen erop uit. En dan geeft Hij hun twee bevelen. Het eerste gaat over het onderwijs en het tweede over de doop. Mattheüs 28:19 En dat knopen mijn tegenstanders vast aan deze woorden uit het laatste hoofdstuk van Marcus: ‘Wie tot geloofd komt en gedoopt wordt, zal gered worden.’ Marcus 16:16 Zij zeggen: ‘Waarom zoeken we nog verder? De woorden van de Heer zeggen duidelijk dat je eerst moet onderwijzen en dan pas dopen. Zijn woorden zetten de doop op de tweede plaats, na geloof. En de Heer Jezus heeft van die volgorde ook zelf een bewijs gegeven. Want Hij wilde pas gedoopt worden toen Hij dertig jaar oud was.’

Maar op hoeveel manieren, goede God, verstrikken zij zich hier en verraden ze hun domheid! Want ze vergissen zich al heel erg kinderachtig als ze de instelling van de doop uit die passages halen. Christus heeft zijn apostelen immers vanaf het begin van zijn prediking bevolen om te dopen. Er is dus geen reden om te beweren dat we uit die twee passages de wet en regel voor de doop moeten halen, alsof die de eerste instelling van de doop bevatten.

Maar zelfs al vergeven we hun deze dwaling, hoe overtuigend is hun argumentatie dan nog? Als ik een uitvlucht zou willen zoeken, dan ligt er niet één schuilhoek voor mij open, maar een heel veld ligt voor mij uitgestrekt, waar ik kan ontkomen. Immers, zij staan zo nadrukkelijk op de volgorde van de woorden, dat ze beweren dat je eerst moet prediken vóórdat je doopt en eerst moet geloven vóórdat je gedoopt wilt worden. Want er staat: ‘Ga heen, predik en doop,’ en ook: ‘Wie tot geloof komt en gedoopt wordt.’ Marcus 16:15-16 Maar waarom zou ik op mijn beurt dan niet mogen zeggen dat je mensen eerst moet dopen, vóórdat je hun leert om zich te houden aan wat Christus bevolen heeft? Want er staat immers: ‘Doop hen en leer hun zich te houden aan alles wat ik jullie geboden heb.’ Mattheüs 28:19-20

Hetzelfde hebben we ook gezien bij de hierboven aangehaalde uitspraak van Christus over de nieuwe geboorte door water en Geest. Johannes 3:5 Want als je dit opvat zoals zij eisen, betekent dat natuurlijk dat de doop voorafgaat aan de geestelijke nieuwe geboorte. Want het water wordt het eerst genoemd. Christus leert immers niet dat we opnieuw geboren moeten worden uit Geest en water, maar uit water en Geest.

Het zendingsbevel gaat niet over kleine kinderen

Deze onweerlegbare argumentatie, waar mijn tegenstanders zo sterk op vertrouwen, lijkt nu al een beetje te wankelen. Maar de waarheid vindt voldoende bescherming in eenvoud. Daarom wil ik niet ontkomen dankzij zulke onbeduidende scherpzinnigheden. Ze moeten dus een grondig antwoord krijgen.

Christus geeft hier vooral een gebod voor het prediken van het evangelie. De doop voegt hij daar als bijlage aan toe. Bovendien spreekt Hij over de doop alleen voor zover de bediening daarvan ondergeschikt is aan de onderwijstaak. Want Christus zendt de apostelen erop uit om aan alle volken op aarde het evangelie te verkondigen. Met de leer van het behoud moeten ze van alle kanten mensen die eerst verloren waren, verzamelen in zijn koninkrijk. Maar wie zijn die mensen? Of wat voor mensen zijn dat? Natuurlijk gaat het alleen over degenen die in staat zijn de leer aan te nemen.

Vervolgens voegt Christus eraan toe dat zulke mensen, als ze onderwijs gekregen hebben, gedoopt moeten worden. En daarbij geeft Hij deze belofte: degenen die tot geloof komen en gedoopt worden, zullen gered zijn. Staat er in al deze woorden eigenlijk wel één lettergreep over kleine kinderen? Dus met wat voor argumenten kunnen ze ons dan aanvallen? Volwassenen moeten eerst onderwijs krijgen om ze tot geloof te brengen en mogen pas daarna gedoopt worden. En dus is het niet toegestaan om kinderen te laten delen in de doop? Ook al zouden ze zich inspannen tot ze eraan kapot gaan, dan nog kunnen ze op basis van deze passage niets anders aantonen dan dat bij degenen die ernaar kunnen luisteren, eerst het evangelie gepredikt moet worden en dat ze dan pas gedoopt mogen worden. Want het gaat alleen over zulke mensen. Laten mijn tegenstanders op basis hiervan maar een blokkade opwerpen om kinderen van de doop af te houden, als ze dat kunnen.

Waarom Christus gedoopt werd als volwassene

Maar ik wil dat ook blinden de misleidingen van mijn tegenstanders kunnen tasten. Daarom zal ik het met een heel duidelijke vergelijking laten zien. Stel dat iemand zou willen beweren dat je kleine kinderen geen eten moet geven, onder het voorwendsel dat de apostel Paulus zegt dat alleen wie werkt, mag eten. 2 Thessalonicenzen 3:10 Zou zo iemand het dan niet verdienen dat iedereen hem veracht? Waarom? Paulus zegt dit over een bepaalde categorie mensen van een bepaalde leeftijd. Maar zo iemand laat het op iedereen slaan, zonder onderscheid. Mijn tegenstanders doen net zo slinks bij het onderwerp waar het nu over gaat. Iedereen kan zien dat het alleen op volwassenen slaat. Maar zij laten het ook op kinderen slaan, zodat dus ook deze leeftijdscategorie onder de regel valt die alleen voor ouderen gegeven is.

Wat betreft het voorbeeld van Christus: dat biedt hun zaak geen enkele steun. Hij is niet gedoopt vóór Hij dertig was. Dat is inderdaad waar. Maar de reden ligt voor de hand: Hij besloot op die leeftijd een stevig fundament voor de doop te leggen met zijn prediking. Of beter: Hij besloot het fundament te bevestigen dat kort daarvóór gelegd was door Johannes de Doper. Lucas 3:23; Mattheüs 3:13 Hij wilde dus door zijn prediking de doop instellen. En om die instelling extra gezag te geven, heeft Hij de doop met zijn eigen lichaam geheiligd. En dat deed Hij op het moment dat daar het meest geschikt voor was: toen Hij met zijn prediking begon. Kortom, mijn tegenstanders kunnen niets anders bewijzen dan dat de oorsprong en het begin van de doop in het evangelie ligt.

Als ze zo graag de leeftijd van dertig jaar willen vastpinnen, waarom houden ze zich dan niet aan die leeftijd? Waarom nemen ze dan iedereen aan om gedoopt te worden als die volgens hun oordeel genoeg vooruitgekomen is? Dat geldt zelfs voor Servet, een van hun leermeesters. Ook al dringt hij nog zo koppig aan op de leeftijd van dertig jaar, toch begon hij zich al voor profeet uit te geven toen hij eenentwintig was. Alsof het acceptabel zou zijn dat iemand zich de positie van leraar in de kerk toe-eigent, voordat hij zelf lid is van de kerk!

Waarom kinderen niet aan het avondmaal mogen

Ten slotte werpen mijn tegenstanders tegen dat er niet meer reden is om aan kinderen de doop te bedienen dan het avondmaal van de Heer. En het avondmaal wordt hun niet toegestaan.

Alsof de Schrift op dat punt geen heel groot verschil maakt! Weliswaar liet men in de oude kerk wel vaak kinderen toe aan het avondmaal. Dat blijkt uit wat Cyprianus en Augustinus schrijven. Maar die gewoonte is terecht afgeschaft. Want als we kijken wat het specifieke karakter van de doop is, dan is dat natuurlijk een bepaalde toegang en als het ware een inwijding waardoor wij worden toegevoegd aan Gods volk. Het is een teken van onze geestelijke nieuwe geboorte waardoor wij opnieuw geboren worden als kinderen van God. Het avondmaal echter is bedoeld voor degenen die al wat ouder zijn. Die de prille kindertijd te boven zijn en al geschikt zijn voor vast voedsel.

Dit onderscheid wordt in de Schrift heel duidelijk aangewezen. Want de Heer maakt in de Schrift voor de doop geen onderscheid qua leeftijd. Maar het avondmaal biedt Hij niet aan zodat iedereen daar op dezelfde manier deel aan mag hebben. Nee, alleen degenen die in staat zijn het lichaam en bloed van de Heer te onderscheiden, hun eigen geweten te onderzoeken, de dood van de Heer te verkondigen en over de kracht daarvan na te denken.

Willen we nog iets duidelijkers dan wat de apostel Paulus leert als hij waarschuwt dat ieder zichzelf moet toetsen en onderzoeken en dan pas van dit brood mag eten en uit deze beker mag drinken? Er moet dus een onderzoek aan voorafgaan. En het heeft geen zin om dat te verwachten van kinderen. Ook zegt Paulus dat als je eet zonder dat je het waard bent, je jezelf een oordeel eet en drinkt omdat je het lichaam niet onderscheidt. 1 Korinthiërs 11:28-29 Als je het alleen waard bent om deel te nemen aan het avondmaal als je de heiligheid van Christus’ lichaam kunt onderscheiden zoals het hoort, waarom zouden we onze prille kinderen dan als levendmakend voedsel vergif geven?

Wat kunnen we zeggen van het gebod van de Heer? ‘Jullie moeten dit doen ter herinnering aan Mij.’ Lucas 22:19 En wat van wat de apostel Paulus daar verder van afleidt? ‘Telkens als jullie dit brood eten, moeten jullie de dood van de Heer verkondigen, totdat Hij komt.’ 1 Korinthiërs 11:25-26 Hoe kunnen we van kinderen eisen dat ze denken aan iets waar ze nog nooit enig besef van gehad hebben? Hoe kunnen we van hen eisen dat ze het kruis van Christus prediken, als ze de kracht en de zegen daarvan nog niet kunnen begrijpen?

Bij de doop wordt van al deze dingen niets voorgeschreven. Daarom is er een heel groot verschil tussen deze twee tekenen. En dat zien we ook bij dezelfde tekenen tijdens het Oude Testament. Zoals bekend correspondeert de besnijdenis met onze doop. Die was wel voor kinderen bestemd. Maar bij het pascha, waar het avondmaal nu voor in de plaats gekomen is, werden niet alle mogelijke gasten toegelaten, zonder onderscheid. Nee, je kon er pas van eten zoals het hoorde, als je in staat was te vragen wat het betekende.

Als mijn tegenstanders nog een greintje gezond verstand over hadden, zouden ze dan zo blind zijn in een kwestie die zo duidelijk voor de hand ligt?

Twintig argumenten van Servet

Ik vind het vervelend om mijn lezers op te zadelen met een hoop van deze onzin. Toch is het goed om kort de mooiklinkende argumenten te weerleggen die Servet – niet de minste van de wederdopers, sterker nog, de trots van die troep – gebruikt als hij zich wapent voor de strijd.

In de eerste plaats beweert Servet dat er voor de sacramenten van Christus volmaakte mensen nodig zijn of misschien mensen die tot volmaaktheid in staat zijn, omdat die sacramenten zelf ook volmaakt zijn. Maar het antwoord ligt klaar: het is verkeerd om de volmaaktheid van de doop te beperken tot één moment. Die volmaaktheid reikt tot aan het moment dat we sterven. Ik voeg daar nog aan toe dat het dom is om op de eerste dag in een mens al te zoeken naar een volmaaktheid waar de doop ons tijdens heel ons leven stap voor stap toe uitnodigt.

In de tweede plaats werpt Servet tegen dat Christus’ sacramenten zijn ingesteld als aandenken aan Hem. Dan kan ieder zich herinneren dat hij samen met Christus begraven is. Mijn antwoord is dat Servet dit zelf verzonnen heeft en dat het niet nodig is dit te weerleggen. Sterker nog, wat Servet hier op de doop laat slaan, gaat over het heilig avondmaal. Dat blijkt uit Paulus’ woorden dat ieder zichzelf moet onderzoeken. 1 Korinthiërs 11:28 Nergens staat zoiets over de doop. Daaruit concludeer ik dat het juist is om degenen te dopen die gezien hun leeftijd nog niet in staat zijn om zichzelf te onderzoeken.

In de derde plaats voert Servet aan dat ieder die niet in de Zoon van God gelooft, in de dood blijft en dat Gods woede op hem blijft. Johannes 3:36 Kleine kinderen kunnen nog niet geloven en daarom liggen ze nog in hun veroordeling. Mijn antwoord daarop is dat Christus het hier niet heeft over de algemene schuld waar alle nakomelingen van Adam in verstrikt zitten. Nee, Hij dreigt hiermee alleen degenen die het evangelie minachten en de hun aangeboden genade trots en koppig afwijzen. Maar dat slaat niet op kleine kinderen. Bovendien plaats ik er een omgekeerde argumentatie tegenover: ieder die door Christus gezegend wordt, wordt verlost van de vloek van Adam en van Gods woede. We weten dat Hij kleine kinderen gezegend heeft. Mattheüs 19:15; Marcus 10:16 Dat betekent dus dat ze verlost zijn van de dood.

Vervolgens haalt Servet een vals citaat aan dat nergens te lezen staat: dat ieder die uit de Geest geboren is, de stem van de Geest hoort. Maar zelfs al zou ik toegeven dat dat ergens geschreven staat, dan zou hij daar toch alleen maar uit kunnen opmaken dat gelovigen zo gevormd worden dat ze gaan gehoorzamen, in overeenstemming met hoe de Geest in hen werkt. Maar het is verkeerd om wat gezegd wordt over een bepaald aantal mensen, op alle mensen op de zelfde manier te laten slaan.

In de vierde plaats beweert Servet dat we, omdat het natuurlijke eerst komt, moeten wachten op het moment dat voor de doop geschikt is. Want de doop is geestelijk. Nu geef ik toe dat alle nakomelingen van Adam uit het vlees geboren zijn en vanaf de moederschoot hun veroordeling met zich meedragen. Toch ontken ik dat dit zou verhinderen dat God meteen een geneesmiddel toepast. Servet kan immers niet laten zien dat God heeft voorgeschreven dat het nieuwe geestelijke leven pas na een aantal jaren kan beginnen. Ook al zijn degenen die uit gelovige ouders geboren zijn, van nature bedorven, toch zijn ze – zo verklaart Paulus – dankzij een bovennatuurlijke genade heilig. 1 Korinthiërs 7:14

In de vijfde plaats komt Servet aanzetten met een allegorie: toen David de burcht Sion beklom, nam hij geen blinden of kreupelen mee, maar sterke soldaten. 2 Samuël 5:8 Maar stel dat ik daar de gelijkenis tegenover zet waarin God voor de hemelse maaltijd blinden en kreupelen uitnodigt. Lucas 14:21 Hoe kan Servet dit probleem dan oplossen? Ook vraag ik of er eerder niet wél kreupelen of verminkten in Davids leger dienden. Maar het is niet nodig nog langer bij deze redenering te blijven stilstaan. De lezers zullen op basis van de heilige geschiedenis wel merken dat deze redenering alleen maar uit leugens bestaat.

In de zesde plaats volgt nog een andere allegorie: de apostelen waren vissers van mensen, niet van kleine kinderen. Mattheüs 4:19 Maar, vraag ik, wat bedoelt Christus dan als Hij zegt dat in het net van het evangelie allerlei soorten vis verzameld worden? Mattheüs 13:47 Maar ik heb geen zin om met allegorieën te spelen. Daarom antwoord ik dat, toen de apostelen de taak werd opgedragen om te onderwijzen, het hun echt niet werd verboden om kleine kinderen te dopen. Trouwens, de evangelist heeft het over het vissen van mensen. En met het woord ‘mensen’ wordt zonder uitzondering heel het menselijk geslacht bedoeld. Ik zou dus ook wel eens willen weten waarom Servet ontkent dat kleine kinderen mensen zijn!

In de zevende plaats voert Servet aan dat geestelijke dingen alleen passen bij geestelijke dingen en dat kinderen dus niet geschikt zijn voor de doop, omdat ze niet geestelijk zijn. Om te beginnen is het volkomen duidelijk hoe verkeerd hij deze passage van Paulus verdraait. Het gaat daar over de leer. De Korinthiërs waren erg tevreden met zichzelf, meer dan gepast was, vanwege hun scherpzinnigheid. Daarom laat Paulus zien hoe laks ze waren. Want ze hadden nog onderwijs nodig in de basisbeginselen van de hemelse leer. 1 Korinthiërs 2:13-14 Wie kan daaruit opmaken dat de doop geweigerd moet worden aan kinderen? Ook al zijn ze uit het vlees geboren, God heiligt hen als zijn kinderen door hen uit genade te adopteren.

In de achtste plaats voert Servet aan dat kleine kinderen, als ze nieuwe mensen zijn, gevoed moeten worden met geestelijk voedsel. Het antwoord hierop is gemakkelijk. Door de doop worden ze toegelaten tot Christus’ kudde. Het symbool van hun adoptie is voor hen voldoende, totdat ze opgroeien en vast voedsel kunnen verdragen. Dan moeten we wachten op het moment dat ze zichzelf kunnen onderzoeken. Want voor het heilig avondmaal eist God zulk onderzoek.

In de negende plaats werpt Servet tegen dat Christus ieder die van Hem is, naar het heilig avondmaal roept. Maar het staat voldoende vast dat Hij niemand toelaat die niet al vooraf bereid is om de herinnering aan zijn dood te prijzen. Dat betekent dus dat kinderen die Christus zijn omhelzing waard gekeurd heeft, totdat ze opgroeien een aparte, eigen positie innemen, maar toch geen buitenstaanders zijn.

Servet brengt daar tegenin dat het absurd is als een mens na zijn geboorte niet zou eten. Mijn antwoord daarop is dat de ziel anders gevoed wordt dan door het zichtbare voedsel van het avondmaal. Christus is dus toch het voedsel voor kleine kinderen, ook al nemen ze geen deel aan het symbool. Maar met de doop is het anders. Want dat opent voor hen alleen de deur naar de kerk.

In de tiende plaats werpt Servet tegen dat een goede rentmeester de gezinsleden op tijd te eten geeft. Mattheüs 25:45 Ik geef dat graag toe. Maar op grond van welke norm wil hij voor ons bepalen wat de het juiste moment is voor de doop, om te bewijzen dat het niet het juiste moment is om die aan kinderen te geven? Servet voert Christus’ bevel aan de apostelen aan dat ze zich moesten haasten om te gaan oogsten, omdat de akkers wit zijn. Johannes 4:35 Maar het is immers alleen maar Christus’ bedoeling dat de apostelen extra ijverig aan het werk zouden gaan om te onderwijzen als ze de vrucht op hun arbeid zagen. Wie kan daaruit opmaken dat alleen de oogst het juiste moment is voor de doop?

Dit is Servets elfde argument: in de eerste kerk waren christenen en leerlingen hetzelfde. Handelingen 11:26 Maar we hebben al gezien dat hij heel dom redeneert van een deel naar het geheel. Met leerlingen werden degenen bedoeld die al oud genoeg waren, die al onderwijs hadden gekregen en zich aan Christus hadden overgegeven. Net als de Joden onder de wet leerlingen van Mozes moesten zijn. Maar toch kan niemand daar terecht uit opmaken dat kleine kinderen buitenstaanders zijn. God heeft van hen verklaard dat ze zijn gezinsleden zijn.

In de twaalfde plaats voert Servet aan dat alle christenen broeders zijn en dat kinderen daar volgens ons niet bij horen zolang we hen afhouden van het avondmaal. Maar ik ga terug naar het principe dat alleen Christus’ ledematen erfgenamen zijn van het koninkrijk van de hemel. En verder dat Christus’ omhelzing een echt teken was van adoptie, waardoor de kleine kinderen werden samengevoegd met de volwassenen. Mattheüs 19:13-15; Marcus 10:13-16; Lucas 18:15-17 En dat de tijdelijke afhouding van het avondmaal niet verhindert dat ze bij het lichaam van de kerk horen. Ook de bekeerde moordenaar aan het kruis is evengoed een broeder van de vromen, ook al is hij nooit aan het avondmaal gegaan. Lucas 23:40-43

In de dertiende plaats voegt Servet er nog aan toe dat niemand onze broeder wordt, behalve door de Geest van de adoptie.

Romeinen 8:15 En die wordt alleen gegeven door het luisteren naar het geloof. Galaten 3:2 Mijn antwoord is dat Servet altijd terugvalt op een verkeerde logica: wat alleen over volwassenen gaat, laat hij ook op kinderen slaan. Paulus leert daar dat dit Gods gewone manier van roepen is: Hij brengt zijn uitverkorenen tot geloof door trouwe leraren voor hen te laten opstaan. Via hun bediening en werk strekt Hij zijn hand naar hen uit. Wie zou Hem op grond daarvan een wet durven opleggen dat Hij kleine kinderen niet op een andere verborgen manier in Christus zou mogen enten?

In de veertiende plaats werpt Servet tegen dat Cornelius pas gedoopt werd nadat hij de Heilige Geest gekregen had. Handelingen 10:44-48 Maar uit het voorbeeld van de eunuch en de Samaritanen blijkt hoe verkeerd hij een algemene regel afleidt uit één voorbeeld. Want bij de eunuch en de Samaritanen volgde God een andere volgorde. Daar ging de doop aan de gaven van de Geest vooraf. Handelingen 8:12; 8:27-38

Servets vijftiende argument is meer dan absurd. Hij zegt dat we door onze nieuwe geboorte goden worden en dat Gods Woord naar goden toekomt. Psalm 82:6: Johannes 10:34-35 En dat dat niet van toepassing is op kleine kinderen. Dat hij goddelijkheid toekent aan de gelovigen, is een van zijn waanzinnige ideeën, die ik hier nu niet hoef te weerleggen. Maar dat hij deze passage uit een psalm in zo’n verkeerde betekenis verdraait, laat zien hoe hopeloos brutaal hij is. Christus zegt dat koningen en overheidspersonen door de profeet goden genoemd worden, omdat ze een taak vervullen die hun door God is opgelegd. Maar deze handige uitlegger laat wat hier gaat over het speciale bevel aan bepaalde mensen om te regeren, slaan op de leer van het evangelie. Zo wil hij de kleine kinderen uit de kerk verwijderen.

In de zestiende plaats werpt Servet tegen dat kleine kinderen niet als nieuwe mensen beschouwd kunnen worden, omdat ze niet geboren worden uit het Woord. Maar ook nu herhaal ik wat ik al meerdere keren gezegd heb: de leer is een onvergankelijk zaad om ons opnieuw geboren te laten worden, als we in staat zijn die te begrijpen. 1 Petrus 1:23 Maar als wij vanwege onze leeftijd nog niet in staat zijn om te leren, dan heeft God zijn eigen route om de zijnen opnieuw geboren te laten worden.

In de zeventiende plaats keert Servet weer terug naar zijn allegorieën. Hij zegt dat onder de wet een schaap en een geit niet meteen geofferd werden nadat ze geboren waren. Als we hier met beeldspraak willen komen, kan ik daar gemakkelijk tegen aanvoeren dat alle eerstgeborenen, zodra ze geboren waren, aan God geheiligd waren. Exodus 13:2 En verder dat er een eenjarig lam geofferd moest worden. Exodus 12:5 Dat betekent dus dat je echt niet op volwassen kracht hoeft te wachten. Juist ook pasgeboren en nog prille vruchten kunnen worden uitgekozen om aan God te offeren.

In de achttiende plaats beweert Servet dat alleen degenen die door Johannes de Doper voorbereid zijn, bij Christus kunnen komen. Alsof Johannes’ taak niet tijdelijk was! Maar dat laat ik maar liggen. De kinderen die Christus omhelsd en gezegend heeft, hadden die voorbereiding in elk geval niet gehad. Mattheüs 19:13-15; Marcus 10:13-16; Lucas 18:15-17 Daarom, weg met dat valse principe!

Uiteindelijk neemt Servet in de negentiende plaats Trismegistus en de sibillen als zijn verdedigers om aan te tonen dat alleen volwassenen recht hebben op heilige afwassingen. Kijk eens hoe eervol hij denkt over de doop van Christus! Hij meet die af aan de onheilige rituelen van de heidenen om te voorkomen dat die anders bedient zou worden dan Trismegistus goedvindt. Maar voor mij heeft het gezag van God meer waarde. Hij vond het goed kinderen voor zich te heiligen en hen in te wijden door het heilige symbool waarvan zij de kracht nog niet kunnen begrijpen vanwege hun leeftijd. En volgens mij is het niet toegestaan om iets over te nemen van de verzoeningsmiddelen van de heidenen. Want dan zou bij de doop de eeuwige en onschendbare wet van God veranderd worden, die Hij gemaakt heeft voor de besnijdenis.

Ten slotte redeneert Servet zo: als je kinderen mag dopen zonder dat ze het begrijpen, kunnen kinderen de doop bedienen in hun spel, als een spottende imitatie. Maar dan moet hij daarover maar met God in discussie gaan. Dankzij Gods gebod deelden kleine kinderen in de besnijdenis, voordat ze verstand gekregen hadden. Was de besnijdenis daarom een spelletje of onderworpen aan de dwaasheden van kinderen, zodat ze Gods heilige instelling onderuit konden halen? Maar het is geen wonder dat deze verworpen geesten de grofste absurditeiten aanvoeren om hun dwalingen te verdedigen, alsof ze door krankzinnigheid gedreven worden. Want God straft hun hoogmoed en koppigheid met zulke waanzin. Maar ik vertrouw erop dat ik duidelijk gemaakt hebt hoe zwak de hulp is die Servet zijn kleine broertjes, de wederdopers, geboden heeft.

De troost van de kinderdoop voor ouders

Volgens mij kan geen enkel verstandig mens er meer aan twijfelen hoe onbezonnen Christus’ kerk in verwarring gebracht wordt door degenen die discussie en strijd voeren over de kinderdoop. Toch is het goed om erop te letten wat Satan zo sluw probeert te bereiken: hij probeert ons te beroven van de bijzondere vrucht van vertrouwen en geestelijke vreugde die de kinderdoop ons moet opleveren en ook om iets af te doen aan de eer van Gods goedheid.

Want hoe heerlijk is het voor mensen met een vroom hart om er niet alleen door het Woord, maar ook door het zien met hun ogen van verzekerd te worden dat ze bij de hemelse Vader zoveel genade gekregen hebben dat Hij zelfs voor hun nakomelingen zorgt! Hier kunnen we immers zien dat Hij tegenover ons de rol op zich neemt van een ver vooruitziende huisvader, die zelfs na onze dood niet ophoudt voor ons te zorgen. Nee, Hij blijft zelfs dan nog voor onze kinderen zorgen. Moeten wij hier niet, volgens het voorbeeld van David, met heel ons hart opspringen om dank te zeggen, zodat zijn naam door zo’n bewijs van goedheid geheiligd wordt?

Hier is het Satan natuurlijk om te doen als hij de kinderdoop met zoveel geweld aanvalt: dat dit bewijs van Gods genade van ons wordt afgepakt en de belofte die door de kinderdoop voor ons zichtbaar wordt, uiteindelijk verdwijnt. En dat zou niet alleen een goddeloze ondankbaarheid veroorzaken tegenover Gods barmhartigheid. Het zou ons ook laks maken in het onderwijzen van onze kinderen in vroomheid. Immers, als we eraan denken dat onze kinderen vanaf hun geboorte door God meteen als zijn kinderen beschouwd worden, vormt deze prikkel voor ons een sterke aansporing om hen op te voeden God serieus te vrezen en zich aan de wet te houden. Als we Gods vrijgevigheid niet uit kwade opzet willen verduisteren, moeten we Hem dus onze kinderen aanbieden. Hij heeft hun een plaats toegekend tussen zijn vrienden en gezinsleden, dat wil zeggen: tussen de leden van zijn kerk.

Voetnoten

  1. 673

    Hermes Trismegistus, mytische figuur aan wie in de oudheid allerlei wijsheidsteksten werden toegeschreven.

Voetnoot 673

Hermes Trismegistus, mytische figuur aan wie in de oudheid allerlei wijsheidsteksten werden toegeschreven.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.