Boek IV · Hoofdstuk 17

Het avondmaal

Inhoud van dit hoofdstuk · 50 secties
  1. 1Het doel van het avondmaal
  2. 2De wonderlijke ruil
  3. 3Lichamelijk en geestelijk voedsel
  4. 4De belofte van het avondmaal
  5. 5Eten en drinken uit geloof
  6. 6Augustinus en Chrysostomos over gelovig eten en drinken
  7. 7Het mysterie van het avondmaal
  8. 8Christus woont in ons vlees
  9. 9Christus’ vlees maakt levend
  10. 10De aanwezigheid van Christus’ vlees in het avondmaal
  11. 11Betekenis, materie en effect
  12. 12Christus’ lichaam is niet ruimtelijk aanwezig
  13. 13De dwaling van de scholastici
  14. 14Transsubstantiatie
  15. 15Weerlegging van argumenten voor transsubstantiatie
  16. 16Consubstantiatie
  17. 17Consubstantiatie past niet bij een echt menselijk lichaam
  18. 18Christus is aanwezig door de kracht van de Geest
  19. 19Christus’ hemelse glorie en zijn menselijke natuur
  20. 20De instelling van het avondmaal
  21. 21Figuurlijke interpretatie
  22. 22Het woordje ‘is’
  23. 23Letterlijke interpretatie
  24. 24Geen onderwerping aan menselijke logica
  25. 25Gods Woord moet geïnterpreteerd worden
  26. 26Christus’ lichaam is niet op aarde, maar in de hemel
  27. 27De betekenis van Christus’ hemelvaart
  28. 28Augustinus over Christus’ aanwezigheid op aarde
  29. 29Christus heeft een echt menselijk lichaam
  30. 30Christus’ lichaam is niet alomtegenwoordig
  31. 31Christus komt niet naar beneden, maar haalt ons naar boven
  32. 32Afwijzing van absurde ideeën
  33. 33Ongelovigen en het avondmaal
  34. 34Augustinus over ongelovigen en het avondmaal
  35. 35Avondmaalsbrood mag niet aanbeden worden
  36. 36Bijgeloof en afgoderij
  37. 37Bijgelovige rituelen
  38. 38Het avondmaal als aansporing tot liefde
  39. 39Het avondmaal kan niet zonder het Woord
  40. 40Zelfonderzoek
  41. 41Uit onszelf zijn we het nooit waard
  42. 42We moeten God onze onwaardigheid aanbieden
  43. 43Hoe het avondmaal gevierd moet worden
  44. 44Vaak avondmaal vieren
  45. 45Augustinus en Chrysostomos over vaak avondmaal vieren
  46. 46Eén maal per jaar avondmaal vieren is te weinig
  47. 47Zowel brood als wijn voor alle gelovigen
  48. 48Wijn is niet alleen voor de priesters
  49. 49De kerkvaders over zowel brood als wijn
  50. 50Christus en Paulus laten iedereen delen in zowel brood als wijn

Het doel van het avondmaal

God heeft ons voor eens en voor altijd in zijn gezin opgenomen. En Hij wil ons niet alleen beschouwen als slaven, maar als zijn kinderen. Daarom neemt Hij vervolgens ook de rol op zich van een goede huisvader die voor zijn nageslacht zorgt. Heel ons leven lang voedt Hij ons. En daar is Hij nog niet mee tevreden. Hij wil ons zekerheid geven van deze continue vrijgevigheid, door ons een waarborg te geven. Met dat doel heeft Hij zijn kerk door de hand van zijn eniggeboren Zoon dus nog een tweede sacrament gegeven: de geestelijke maaltijd waarbij Christus, zoals Hij getuigt, het levendmakende brood is waarmee onze zielen gevoed worden voor echte en gelukkige onsterfelijkheid. Johannes 6:51

Het kennen van dit zo grote mysterie is absoluut onmisbaar en omdat het zo belangrijk is, is het nodig dat het nauwkeurig wordt uitgelegd. Bovendien wil Satan de kerk van deze schat van onschatbare waarde beroven. Daarom heeft hij er eerst mist en vervolgens duisternis overheen getrokken om haar te verhullen. Ook heeft hij discussie en strijd laten ontstaan om ervoor te zorgen dat de zielen van de eenvoudigen de smaak van dit heilige voedsel niet meer kennen. Ook in onze tijd heeft hij dezelfde listen geprobeerd. Daarom zal ik eerst de kern uitleggen op een manier die ongeschoolde mensen kunnen begrijpen en daarna de problemen oplossen waar Satan geprobeerd heeft de wereld in te verwarren.

In de eerste plaats zijn brood en wijn tekenen die voor ons het onzichtbare voedsel zichtbaar maken dat we krijgen uit het vlees en bloed van Christus. Want zoals God ons in de doop opnieuw geboren laat worden, in de gemeenschap van de kerk ent en door adoptie zijn kinderen maakt, zo – zei ik – voert Hij de taak van een zorgzame huisvader uit door ons continu van voedsel te voorzien. Zo houdt en bewaart Hij ons in het leven waarin Hij ons door zijn Woord verwekt heeft.

In de tweede plaats is Christus het enige voedsel voor onze ziel. Daarom nodigt de Hemelse Vader ons bij Christus. Als we dat voedsel gebruiken, worden we verkwikt en kunnen we van tijd tot tijd kracht verzamelen, totdat we de hemelse onsterfelijkheid bereikt hebben.

Nu is dit mysterie van de verborgen eenwording van Christus met de vromen van nature onbegrijpelijk. Daarom laat Hij daarvan een vorm en een beeld zien in zichtbare tekenen die heel geschikt zijn voor ons beperkte begrip. Sterker nog, door ons waarborgen en tekenen te geven, zorgt Hij ervoor dat we er zo zeker van zijn alsof we het met eigen ogen gezien hadden. Want deze bekende analogie dringt door tot het meest afgestompte verstand: zoals brood en wijn het lichaam in leven houden, zo wordt onze ziel gevoed met Christus.

We begrijpen nu dus wat het doel is van deze mysterieuze zegen: ons ervan verzekeren dat het lichaam van de Heer voor eens en voor altijd voor ons geofferd is, zodat wij het nu eten en door het te eten de kracht ervan in ons ervaren. Dat zijn bloed voor eens en voor altijd voor ons vergoten is, zodat wij er altijd van mogen drinken. En dat horen we ook in de woorden van de belofte die eraan toegevoegd is: ‘Neem, dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt.’ Mattheüs 26:26; Marcus 14:22; Lucas 22:19; 1 Korinthiërs 11:24 We krijgen dus bevel om het lichaam dat voor eens en voor altijd geofferd is voor ons behoud, te nemen en te eten. Als we dat zien, dat we daar deel aan krijgen, dan kunnen we met zekerheid vaststellen dat de kracht van zijn levendmakende dood in ons effect zal hebben.

Daarom noemt Hij de beker ook het verbond in zijn bloed. Lucas 22:20; 1 Korinthiërs 11:25 Want voor zover het om de versterking van ons geloof gaat, vernieuwt – of beter: continueert – Hij in zekere zin het verbond dat Hij voor eens en voor altijd geratificeerd heeft, telkens als Hij ons dat heilige bloed te drinken geeft.

De wonderlijke ruil

Voor mensen met een vroom hart kan dit sacrament groot vertrouwen en genot opleveren. Want ze hebben het bewijs dat we met Christus zijn samengegroeid tot één lichaam, zodat we alles wat van Hem is, van ons mogen noemen. Dat betekent dat we onszelf gerust durven beloven dat wij het eeuwige leven hebben, omdat Hij daar de erfgenaam van is. En dat het koninkrijk van de hemel ons evenmin kan ontgaan als Hem, omdat Hij er al is binnengegaan. En ook dat we niet meer veroordeeld kunnen worden om onze zonden, omdat Hij ons van die schuld verlost heeft. Want Hij wilde dat ze Hem werden aangerekend alsof het zijn eigen zonden waren.

Dit is de wonderlijke ruil die Hij volgens zijn onmetelijke welwillendheid met ons gedaan heeft: door onze sterfelijkheid te aanvaarden, gaf Hij ons onsterfelijkheid. Door onze zwakheid aan te nemen, versterkte Hij onze kracht. Door onze armoede op zich te nemen, droeg Hij zijn rijkdom aan ons over. Door de last van onze onrechtvaardigheid, waaronder wij gebogen worden, op zijn schouders te nemen, kleedde Hij ons met zijn rechtvaardigheid.

Lichamelijk en geestelijk voedsel

In dit sacrament hebben we zo’n overtuigend bewijs van al deze dingen, dat het voor ons vast moet staan dat ze ons net zo echt getoond worden als wanneer Christus zelf aanwezig zou zijn en voor ons zou staan, zodat we Hem konden zien en aanraken. Want dit woord kan niet liegen of ons bedriegen: ‘Neem, eet, drink. Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Dit is mijn bloed dat vergoten wordt voor vergeving van zonden.’ Mattheüs 26:26-28; 1 Korinthiërs 11:24 Als Christus ons beveelt om het aan te nemen, geeft Hij daarmee aan dat het van ons is. Als Hij ons beveelt het te eten, geeft Hij daarmee aan dat het samen met ons één substantie wordt. Als Hij over zijn lichaam verkondigt dat het voor ons gegeven is en over zijn bloed dat het voor ons vergoten is, leert Hij daarmee dat die twee niet van Hem, maar juist van ons zijn. Want Hij heeft ze niet voor zijn eigen voordeel aangenomen en opgegeven, maar om ons te redden.

En we moeten er zorgvuldig op letten dat de grootste en haast de enige kracht van het sacrament in deze woorden ligt: ‘Dat voor jullie gegeven wordt, dat voor jullie vergoten wordt.’ Als het lichaam en bloed van de Heer niet voor eens en voor altijd gegeven waren voor onze verlossing en redding, zouden we er maar weinig aan hebben dat ze nu uitgedeeld worden. Brood en wijn maken die dus voor ons zichtbaar, niet alleen om ons te leren dat ze van ons zijn, maar ook dat ze voor ons bestemd zijn als voedsel voor ons geestelijk leven.

Ik heb hier eerder op gewezen: de fysieke dingen die in het sacrament gepresenteerd worden, leiden ons door een soort analogie naar de geestelijke dingen. Als we het brood krijgen als symbool van Christus’ lichaam, moeten we daarin meteen deze vergelijking zien: zoals het brood ons lichaam voedt, in leven houdt en versterkt, zo is Christus’ lichaam het enige voedsel om onze ziel te voeden en levend te maken. Als we de wijn aan ons gepresenteerd zien als symbool van zijn bloed, moeten we bedenken wat we lichamelijk aan wijn hebben. Dan beseffen we dat we geestelijk datzelfde hebben aan het bloed van Christus: het voedt, verkwikt en versterkt ons en vrolijkt ons op. Want als we voldoende beseffen wat het overgeven van dit heilige lichaam en het vergieten van dit bloed ons opgeleverd heeft, zien we duidelijk dat, volgens een dergelijke analogie, deze eigenschappen van brood en wijn wat ons betreft heel goed passen bij het lichaam en bloed van Christus, als die aan ons worden uitgedeeld.

De belofte van het avondmaal

De belangrijkste functie van het sacrament is dus niet dat het ons simpelweg en zonder hogere gedachten Christus’ lichaam aanbiedt. Nee, het gaat er juist om dat het de belofte bezegelt en bevestigt waarin Christus getuigt dat zijn vlees echt voedsel en zijn bloed echte drank is. De belofte waarmee Hij ons ook verzekert dat Hij het levensbrood is en dat wie daarvan eet, eeuwig zal leven. Johannes 6:48-56 Om dat voor elkaar te krijgen, stuurt het sacrament ons naar het kruis van Christus. Daar is de belofte daadwerkelijk volbracht en volledig vervuld. We eten Christus immers alleen zoals het hoort en voor ons behoud, als we Hem als de gekruisigde en het sterke effect van zijn dood vastgrijpen met een levend besef.

Want toen Christus zichzelf het levensbrood noemde, leidde Hij die benaming niet af van het sacrament. Sommigen leggen het zo uit, maar dat klopt niet. Nee, Hij noemde zichzelf zo omdat de Vader Hem aan ons gegeven heeft als het levensbrood. En ook omdat Hij heeft laten zien dat Hij het levensbrood is, toen Hij door te delen in onze menselijke sterfelijkheid, ons liet delen in zijn goddelijke onsterfelijkheid. Toen Hij door zichzelf op te offeren, onze vloek op zich nam om zijn zegen over ons uit te gieten. Toen Hij door zijn eigen dood de dood vernietigde en verslond. Toen Hij in zijn opstanding dit vergankelijke vlees dat Hij had aangetrokken, opwekte tot glorie en onvergankelijkheid.

Eten en drinken uit geloof

Nu blijft nog over dat we al deze dingen krijgen door middel van toepassing. Dat gebeurt niet alleen door het evangelie, maar ook door het heilig avondmaal. Daar biedt Christus zich aan ons aan en nemen wij Hem aan met geloof. Het sacrament zorgt er dus niet voor dat Christus dan pas het levensbrood wordt. Nee, het sacrament herinnert ons eraan dat Hij al het levensbrood is, zodat we er altijd van blijven eten. En door ons dat brood te laten proeven, zorgt het sacrament ervoor dat we de kracht ervan ervaren. Want het belooft ons dat alles wat Christus gedaan of geleden heeft, gebeurd is om ons levend te maken. Bovendien verzekert het ons dat deze levendmaking voor eeuwig is. We kunnen er door gevoed en in leven gehouden worden zonder dat er ooit een eind aan komt. Christus zou immers geen levensbrood voor ons geweest zijn als Hij niet voor ons geboren en gestorven was en niet voor ons was opgestaan. En zo zou Hij het ook nu niet voor ons zijn als de kracht en de vrucht van zijn geboorte, dood en opstanding niet eeuwig en onvergankelijk zouden zijn.

Christus heeft daar een heel mooie samenvatting van gegeven in deze woorden: ‘Het brood dat ik jullie geef, is mijn vlees. Ik zal dat geven voor het leven van de wereld.’ Johannes 6:51 Met deze woorden geeft Hij natuurlijk aan dat zijn lichaam brood zal zijn voor het geestelijke leven van de ziel, omdat het voor ons behoud moest worden overgeleverd aan de dood. En dat het aan ons wordt uitgedeeld om het te eten als Hij ons er door geloof deel aan geeft. Hij heeft dus zijn lichaam voor eens en voor altijd gegeven om het brood te laten worden toen Hij het overgaf om gekruisigd te worden voor de verlossing van de wereld. En Hij geeft het elke dag weer als Hij het ons, voor zover het gekruisigd is, door het Woord van het evangelie aanbiedt om ons erin te laten delen. Dan bezegelt Hij die schenking met het heilige mysterie van het avondmaal en vervult Hij vanbinnen wat Hij vanbuiten uitbeeldt.

Verder moeten we hier uitkijken voor twee fouten: we moeten de tekenen niet te klein maken, want dan lijkt het alsof we ze losmaken van de mysteries waarmee ze in zekere zin verbonden zijn. We mogen ze ook niet te groot maken, want dan lijkt het alsof we de mysteries een beetje duister maken.

Ieder die niet volledig ongodsdienstig is, erkent dat Christus het levensbrood is waarmee de gelovigen gevoed worden voor hun eeuwig behoud. Maar niet iedereen is het er evenveel mee eens op welke manier we deel krijgen aan Hem. Sommigen zeggen simpelweg dat Christus’ vlees eten en zijn bloed drinken niets anders is dan in Christus zelf geloven. Maar ik heb de indruk dat Christus een explicieter en dieper mysterie heeft willen leren in die schitterende toespraak waarin Hij ons het eten van zijn vlees aanbeveelt: Johannes 6:26-58 we worden levend gemaakt door echt deel te hebben aan Hem. En Hij heeft dat ook aangeduid met de woorden ‘eten’ en ‘drinken’ om te voorkomen dat iemand zou denken dat kennis alleen voldoende zou zijn om het leven te krijgen dat we van Hem krijgen. Want het lichaam wordt niet gevoed door naar brood te kijken, maar door het te eten. Zo moet ook de ziel echt en door en door deel krijgen aan Christus. Dan krijgt ze door zijn kracht de kracht om geestelijk te leven.

Ondertussen erken ik dat dit eten niet anders is dan eten uit geloof. Je kunt ook geen andere manier van eten verzinnen. Maar het verschil tussen mijn woorden en die van hen is dit: volgens hen betekent eten alleen maar geloven, maar volgens mij eten we gelovig Christus’ vlees. Want door geloof wordt Hij van ons. Eten is dus een vrucht en effect van geloof. Of, als je wil dat ik het duidelijker zeg: volgens hen is eten geloof. Maar volgens mij is het eerder het gevolg van geloof.

In woorden is dat maar een klein verschil. Maar inhoudelijk is het verschil heel groot. Immers, de apostel Paulus leert weliswaar dat Christus door geloof in ons hart woont. Efeziërs 3:17 Maar niemand zal toch zeggen dat dat wonen in ons hart geloof is. Nee, iedereen beseft dat daar een geweldig effect van geloof mee bedoeld wordt. Want door geloof krijgen de gelovigen dat Christus in hen verblijft. Op dezelfde manier wil de Heer, als Hij zichzelf het levensbrood noemt, niet alleen leren dat ons behoud ligt in geloof in zijn dood en opstanding. Hij wil ook leren dat zijn leven in ons wordt overgebracht doordat we echt deel krijgen aan Hem. Net zoals brood het lichaam kracht geeft als we het als voedsel tot ons nemen.

Augustinus en Chrysostomos over gelovig eten en drinken

Mijn tegenstanders nemen Augustinus als hun advocaat. Maar als hij schrijft dat we gelovig eten, bedoelt hij niets anders dan dat het geen eten is met de mond, maar door geloof. Zelf ontken ik dat ook niet. Maar ik voeg er nog aan toe dat we door geloof Christus niet omhelzen als iemand die in de verte verschijnt, maar als iemand die één met ons wordt. Want dan is Hij ons hoofd en zijn wij zijn ledematen. Toch keur ik die manier van spreken niet volledig af. Ik ontken alleen dat dit een volledige uitleg is als ze willen definiëren wat het betekent om Christus’ vlees te eten.

Ik zie dat Augustinus deze manier van spreken ergens anders meerdere keren gebruikt. Bijvoorbeeld als hij dit zegt in boek 3 van Over de christelijke leer: ‘De woorden: “Tenzij jullie het vlees eten van de Mensenzoon,” zijn figuurlijk. Ze leren dat je moet delen in het lijden van de Heer en de heerlijke en nuttige herinnering moet bewaren dat zijn vlees voor ons gekruisigd en gewond is.’ En ook als hij zegt dat de drieduizend mensen die bekeerd werden door Petrus’ prediking, Handelingen 2:41 Christus bloed dronken dat ze in woede vergoten hadden. Maar in heel veel andere passages prijst hij deze zegen van het geloof geweldig aan: door geloof wordt onze ziel niet minder verkwikt door het deelhebben aan Christus’ vlees, dan ons lichaam door het brood dat we eten.

Dat is hetzelfde wat Chrysostomos ergens schrijft: Christus maakt ons niet alleen maar door geloof zijn lichaam, maar daadwerkelijk. Hij bedoelt daarmee niet dat dit door iets anders komt dan door geloof. Nee, hij wil alleen uitsluiten dat iemand bij het horen noemen van geloof, dat opvat als enkel inbeelding.

Ik sla nu degenen over die willen beweren dat het avondmaal alleen maar een merkteken is van een zichtbare belijdenis. Want ik vind dat ik hun dwaling al voldoende weerlegd heb toen ik de sacramenten in het algemeen behandeld heb. De lezers moeten alleen hierop letten: als de beker ‘het verbond in zijn bloed’ genoemd wordt, Lucas 22:20 dan wordt daarmee aangeduid dat die kracht geeft om ons geloof te versterken. Dat betekent dus dat we het heilig avondmaal niet op de juiste manier gebruiken als we niet naar God kijken en omhelzen wat Hij aanbiedt.

Het mysterie van het avondmaal

Er zijn ook mensen die wel erkennen dat we deel hebben aan Christus. Maar als ze willen laten zien wat dat inhoudt, laten ze ons alleen delen in zijn Geest. Zijn vlees en bloed noemen ze dan niet. Ook daar kan ik niet tevreden mee zijn. Alsof dit allemaal voor niets gezegd wordt: dat Christus’ vlees echt voedsel is en dat zijn bloed echte drank is, dat niemand het leven heeft behalve wie Christus’ vlees eet en zijn bloed drinkt en wat daar nog meer op slaat. Johannes 6:53-55

Dus als vaststaat dat het volle deelhebben aan Christus verder gaat dan hun beschrijving – die is veel te beperkt – zal ik eerst met enkele woorden aangeven hoever dat deelhebben gaat. Pas daarna ga ik het hebben over de fout van degenen die weer te ver gaan in de tegenovergestelde richting. Die leraren overdrijven zo dat ze in hun domheid een absurde manier van eten en drinken verzinnen. Ze beroven Christus zelfs van zijn vlees en veranderen Hem in een hersenschim. Daar moet ik een langere uitleg over geven.

Als je zo’n groot mysterie tenminste in woorden kunt uitdrukken. Ik merk dat ik het met mijn verstand niet eens voldoende kan begrijpen. Ik beken dat graag, om te voorkomen dat iemand de diepte van dit mysterie afmeet aan de kleine maat van mijn kinderlijkheid. Sterker nog, ik spoor de lezers juist aan dat ze hun gedachten en verstand niet tot deze nauwe grenzen beperkt houden. Nee, ze moeten juist proberen hoger te reiken dan ze onder mijn leiding kunnen. Want telkens als het over dit mysterie gaat en ik geprobeerd heb alles te zeggen, vind ik zelf dat ik nog te weinig gezegd heb om er recht aan te doen. Weliswaar kan de geest meer bedenken dan de tong kan uitdrukken. Maar toch wordt ook de geest overwonnen en overstelpt door de omvang van dit mysterie.

Uiteindelijk zit er dus niets anders op dan dat ik uitbreek in bewondering over dit mysterie dat het verstand niet kan overdenken en de tong niet kan uitleggen. Toch zal ik de kern van mijn opvatting uitleggen, hoe gebrekkig ook. En ik vertrouw erop dat mensen met een vroom hart het niet zullen verwerpen. Want ik twijfel er niet aan dat mijn opvatting juist is.

Christus woont in ons vlees

Allereerst leert de Schrift ons dat Christus vanaf het begin het levendmakende Woord van de Vader is, de bron en oorsprong van het leven. Alle dingen hebben altijd hun leven gekregen van Hem. Daarom noemt Johannes Hem het ene moment het levenswoord en schrijft hij het volgende moment dat in Hem het leven was. Johannes 1:1-4 Daarmee geeft hij aan dat Christus ook toen in alle schepselen binnendrong en in hen de kracht goot om te ademen en te leven. Maar dezelfde Johannes voegt er later aan toe dat het leven pas geopenbaard is toen Gods Zoon ons vlees aannam en zich zo voor onze ogen liet zien en zich door onze handen liet aanraken. Weliswaar goot Hij ook daarvóór al zijn kracht uit in de schepselen. Maar de mens was door de zonde van God vervreemd en had geen deel meer aan het leven. Van alle kanten zag hij zich de dood boven het hoofd hangen. Daarom moest hij opnieuw worden aangenomen om deel te hebben aan dat Woord, om de hoop op onsterfelijkheid terug te krijgen.

Stel nu dat je hoort dat Gods Woord het volle leven bevat. Maar je bent ver van dat Woord verwijderd en in jezelf en om je heen vind en zie je niets anders dan de dood. Waarom zou je dan op dat Woord vertrouwen? Maar de levensbron is in ons vlees komen wonen. Vanaf dat moment is Hij niet meer ver bij ons vandaan verborgen. Nee, Hij biedt zich aan ons aan, om ons deel aan Hem te laten krijgen. Sterker nog, zelfs het vlees zelf waar Hij in woont, geeft Hij ons als levendmakend vlees, om ons daar deel aan te geven en ons zo te voeden voor onsterfelijkheid.

Hij zegt: ‘Ik ben het levensbrood dat uit de hemel is neergedaald. Het brood dat ik geef, is mijn vlees. Ik zal dat geven voor het leven van de wereld.’ Johannes 6:48-51 Met die woorden leert Hij dat Hij niet alleen het leven is voor zover Hij Gods eeuwige Woord is dat uit de hemels is neergedaald. Nee, Hij leert dat Hij die kracht toen Hij neerdaalde ook heeft uitgespreid over het vlees dat Hij heeft aangenomen, zodat het delen in dat leven naar ons zou stromen vanuit dat vlees.

Dat betekent dus ook dat zijn vlees echt voedsel en zijn bloed echte drank is en dat de gelovigen door dat voedsel zo gevoed worden dat ze eeuwig leven. Voor vrome mensen ligt daarin een geweldige troost: in hun eigen vlees vinden ze nu het leven. Want niet alleen bereiken ze het leven zo via een gemakkelijke toegang. Het staat zelfs voor hun neus uitgestald. Ze hoeven alleen hun hart er maar voor open te zetten om de aanwezigheid ervan te omhelzen en dan krijgen ze het al.

Christus’ vlees maakt levend

Nu heeft Christus’ vlees niet van zichzelf zoveel kracht dat het ons levend zou kunnen maken. Want in de eerste toestand van dat vlees was het onderworpen aan sterfelijkheid. En nu het onsterfelijkheid gekregen heeft, leeft het niet uit zichzelf. Toch is het terecht dat dit vlees levendmakend genoemd wordt. Want het is doordrenkt met het volle leven, om dat op ons over te brengen.

Net als Cyrillus van Alexandrië leg ik in die betekenis deze uitspraak van Christus uit: ‘Zoals de Vader het leven heeft in zichzelf, zo heeft Hij ook aan de Zoon gegeven dat Christus het leven heeft in zichzelf.’ Johannes 5:26 Want eigenlijk heeft Hij het hier over zijn eigen gaven. Niet over de gaven die Hij vanaf het begin bij de Vader had, maar de gaven die Hij meekreeg in het vlees waarin Hij verscheen. Hij laat zien dat ook in zijn menselijkheid het volle leven woont, omdat daardoor ieder die deel heeft aan zijn vlees en bloed tegelijk ook kan genieten van het deelhebben aan het leven.

Hoe dit zit, kun je uitleggen met een bekend voorbeeld. Water uit een bron wordt het ene moment gedronken, een ander moment bewaard en weer een ander moment via kanalen geleid om akkers te irrigeren. Toch heeft het niet uit zichzelf een overvloed voor zoveel verschillende manieren van gebruik. Nee, het krijgt die overvloed uit de bron, die steeds weer een nieuwe voorraad water aanvoert. Zo is Christus’ vlees een rijke en onuitputtelijke bron die in ons het leven giet dat uit God opwelt. Wie ziet nu niet dat het deelhebben aan Christus’ vlees en bloed onmisbaar is voor ieder die het hemelse leven probeert te bereiken?

Hierop slaan de volgende uitspraken van de apostel Paulus: de kerk is Christus’ lichaam en vervulling. Efeziërs 1:23 Hij is het hoofd in wie heel het lichaam samengevoegd en samengeknoopt is door alle geleverde gewrichtsbanden en door wie het lichaam groeit. Efeziërs 4:15-16 En onze lichamen zijn ledematen van Christus. 1 Korinthiërs 6:15 En we begrijpen dat dit allemaal alleen kan doordat Hij met Geest en lichaam volledig aan ons verbonden is.

Maar de apostel heeft die heel nauwe gemeenschap waardoor mij met Christus’ vlees verbonden worden ook nog uitgelegd met een nog glorieuzere uitspraak. Hij zegt dat wij ledematen zijn van zijn lichaam, van zijn gebeente en zijn vlees. En om te verklaren dat dit alle woorden te boven gaat, eindigt hij zijn uitleg dan zo: ‘Dit is een groot mysterie.’ Efeziërs 5:30-32 Je geeft dus wel blijk van een enorme dwaasheid als je niet wilt erkennen dat de gelovigen deel hebben aan het vlees en bloed van de Heer. Want de apostel verklaart dat dit zo’n groot mysterie is dat hij het liever bewondert dan uitlegt.

De aanwezigheid van Christus’ vlees in het avondmaal

Samenvattend: onze zielen worden door Christus’ vlees en bloed net zo gevoed als brood en wijn ons lichaam voeden en in leven houden. Want de analogie tussen het teken en de uitgebeelde werkelijkheid zou niet kloppen als de zielen hun voedsel niet in Christus vonden. En dat kan alleen als Christus echt één met ons wordt en ons verkwikt doordat we zijn vlees eten en zijn bloed drinken.

Het lijkt weliswaar ongelooflijk dat Christus’ vlees zo ver bij ons vandaan is en toch tot ons doordringt om voedsel voor ons te zijn. Maar we moeten bedenken dat de verborgen kracht van de

Heilige Geest ons besef volledig te boven gaat en dat het dwaas is als je zijn onmetelijkheid wilt afmeten aan onze maat. Wat we met ons verstand niet kunnen begrijpen, moeten we dus met geloof aannemen: de Geest maakt werkelijk één wat ruimtelijk ver van elkaar gescheiden is.

Dat heilige delen in zijn vlees en bloed, waardoor Christus zijn leven in ons giet, net alsof het ons in merg en been dringt, bewijst en bezegelt Hij ook in het avondmaal. En dat doet Hij niet door ons een loos teken voor te houden. Nee, Hij laat daar de krachtige werking zien van zijn Geest. Door die kracht vervult Hij wat Hij belooft. Wat Hij in het avondmaal uitbeeldt, biedt Hij daadwerkelijk aan en stalt Hij uit voor ieder die aan die geestelijke maaltijd aanzit. Ook al krijgen alleen de gelovigen de vrucht ervan, als zij deze grote vrijgevigheid gelovig en met een dankbaar hart aannemen.

Daarom zei de apostel Paulus dat het brood dat wij breken het deelhebben is aan Christus’ lichaam en dat de beker die wij daarvoor met woord en gebeden heiligen het deelhebben is aan zijn bloed. 1 Korinthiërs 10:16 En nu moet je niet tegenwerpen dat dit een figuurlijke manier van spreken is, waarbij de benaming van wat er wordt uitgebeeld gebruikt wordt voor het teken. Ik geef natuurlijk toe dat het breken van het brood een symbool is, niet de werkelijkheid zelf. Maar als het symbool gegeven wordt, kunnen we daaruit terecht opmaken dat ook de werkelijkheid gegeven wordt. Want niemand durft toch ooit zeggen dat God ons een loos symbool voorschotelt, tenzij je God voor een bedrieger wilt uitmaken! Dus als de Heer door het breken van het brood voor ons zichtbaar maakt dat we echt deel hebben aan zijn lichaam, mogen we er absoluut niet aan twijfelen of Hij dat wel echt geeft.

De vromen moeten volledig vasthouden aan deze regel: zo vaak ze de symbolen zien die de Heer heeft ingesteld, moeten ze met zekerheid beseffen en ervan overtuigd zijn dat daar de werkelijkheid aanwezig is van wat er wordt uitgebeeld. Want waarom zou de Heer anders het symbool van zijn lichaam aan jou uitdelen, dan om je ervan te verzekeren dat je echt deel hebt aan Hem? En als dat waar is, dat we het zichtbare teken krijgen om te bezegelen dat we de onzichtbare werkelijkheid krijgen – dan moeten we er vast op vertrouwen dat we, als we het symbool van het lichaam krijgen, ons evengoed ook het lichaam zelf gegeven wordt.

Betekenis, materie en effect

Ik zeg dus – en dat is altijd geaccepteerd geweest in de kerk en wordt tegenwoordig geleerd door degenen die de juiste opvatting hebben: het heilige sacrament van het avondmaal bestaat uit twee dingen: uit de fysieke tekenen die ons voor ogen gesteld worden en zo de onzichtbare werkelijkheid afbeelden in overeenstemming met wat wij met ons zwakke verstand kunnen begrijpen en uit de geestelijke werkelijkheid die door deze symbolen wordt afgebeeld en tegelijk ook gegeven wordt.

Als ik met behulp van bekende termen wil laten zien wat voor werkelijkheid dat is, dan gebruik ik vaak drie dingen: de betekenis, de materie die daarvan afhankelijk is en de kracht of het effect dat van die beide het gevolg is.

De betekenis ligt in de beloften. Die worden in zekere zin door het teken omhuld. Christus met zijn dood en opstanding noem ik de materie of substantie. En met het effect bedoel ik de verlossing, rechtvaardigheid, heiliging, eeuwig leven en alle andere geschenken die Christus ons levert.

Nu heeft dit allemaal te maken met geloof. Toch laat ik geen ruimte voor de drogredenering dat ik, als ik zeg dat we Christus krijgen door geloof, zou bedoelen dat we Hem alleen krijgen door ons dat in te denken of in te beelden. Want wij krijgen Hem in de beloften niet aangeboden om enkel naar Hem te kijken en Hem te kennen. Nee, we krijgen Hem aangeboden om echt te genieten van het deelhebben aan Hem. Ik snap ook echt niet hoe iemand erop kan vertrouwen dat hij in Christus’ kruis verlossing en rechtvaardigheid en in Christus’ dood leven heeft, als hij niet vooral steunt op het echt deel hebben aan Christus zelf. Want die goede gaven zouden we niet krijgen als Christus zich niet eerst zelf aan ons geeft.

Ik zeg dus dat in het sacrament van het avondmaal, door de symbolen van brood en wijn, Christus daadwerkelijk aan ons gegeven wordt. En dus ook zijn lichaam en bloed, waarin Hij alle gehoorzaamheid vervuld heeft om voor ons rechtvaardigheid te verdienen. Want in de eerste plaats worden wij zo één met Hem in één lichaam. En in de tweede plaats ervaren wij, als we deel hebben gekregen aan zijn substantie, ook zijn kracht in het delen in al zijn goede gaven.

Christus’ lichaam is niet ruimtelijk aanwezig

Ik ben nu toe aan de extreme vermengingen die uit bijgeloof zijn ingevoerd. Want Satan heeft hier een wonderlijk sluw spelletje gespeeld om de gedachten van de mensen af te trekken van de hemel en te doordrenken met verkeerde dwalingen, alsof Christus vast zou zitten aan het brood als element.

In de eerste plaats moeten we absoluut niet fantaseren dat Christus in het sacrament aanwezig is op de manier die de kwakzalvers van de roomse curie verzonnen hebben. Zij doen net alsof Christus’ lichaam daar ruimtelijk aanwezig is, zodat we het met de handen kunnen aanraken, met de tanden kunnen kauwen en met de mond kunnen inslikken. Want dat was de herroepingsformule die paus Nicolaas II dicteerde aan Berengarius van Tours 1als bewijs van zijn bekering. De woorden daarvan zijn zo wonderlijk dat de schrijver van de glosse uitroept dat de lezers goed moeten uitkijken, anders lopen ze het gevaar uit deze herroepingsformulie een nog grotere dwaling te putten dan de dwaling van Berengarius. Petrus Lombardus echter doet weliswaar erg zijn best om de absurde formule te verontschuldigen. Maar toch neigt hij zelf meer naar een andere opvatting.

Maar ik twijfel er absoluut niet aan dat Christus’ lichaam, in overeenstemming met de natuur van elk menselijk lichaam, begrensd is en dat het zich in de hemel bevindt. Daarheen is het ooit opgenomen, totdat het terugkomt voor het oordeel. Handelingen 3:21 Ik vind het dus heel ongepast als je het weer wilt terughalen onder deze vergankelijke elementen of je inbeeldt dat het alomtegenwoordig is. En dat is echt niet nodig om te genieten van het deelhebben aan Hem. Want de Heer geeft ons dit geschenk door zijn Geest. Zo worden wij met lichaam, geest en ziel één met Hem. De band van die eenwording is dus Christus’ Geest. Die verbindt ons. En die vormt als het ware een kanaal waardoor alles wat Christus zelf is en wat Hij heeft naar ons geleid wordt. Immers, de zon beschijnt met haar stralen de aarde. Zo laat ze de vruchten van de aarde opkomen, koestert ze die en laat ze die groeien. We zien dat de zon dan in zekere zin haar substantie overbrengt op de aarde. Waarom zou Christus’ Geest dan lager staan en niet in staat zijn om op ons over te brengen dat we delen in Christus’ vlees en bloed?

Als de Schrift het heeft over ons deelhebben aan Christus, schrijft ze de kracht daarvan volledig toe aan de Geest. Maar in plaats van veel passages, is één passage wel genoeg. In Romeinen 8 legt Paulus uit dat Christus alleen in ons woont door zijn Geest. Toch ontkent hij daarmee niet dat we deel hebben aan Christus’ vlees en bloed. Nee, hij leert juist dat alleen de Geest ervoor zorgt dat we Christus volledig bezitten en dat Hij in ons woont.

De dwaling van de scholastici

De scholastici waren huiverig voor zo’n barbaarse goddeloosheid. Daarom ging zij voorzichtiger te werk. Toch doen ook zij niets anders dan een spelletje spelen met subtielere goocheltrucs. Ze geven toe dat het sacrament Christus niet ruimtelijk bevat of fysiek opsluit. Maar vervolgens verzinnen ze een redenering die ze zelf niet begrijpen en ook anderen niet kunnen uitleggen. Het komt hierop neer: je moet Christus zoeken in wat zij de ‘gedaante van het brood’ noemen. Wat betekent dat? Ze zeggen dat de substantie van het brood in Christus veranderd wordt. Hechten ze Christus daarmee dan niet vast aan de witte kleur van het brood die volgens hen blijft? ‘Nee,’ zeggen ze, ‘het sacrament bevat Christus zo dat Hij toch in de hemel blijft. Wij beweren niets anders dan dat Hij aanwezig is in de gedaante.’

Maar welke woorden ze ook gebruiken om dit te vermommen, uiteindelijk komt het toch allemaal hierop neer: wat eerst brood was, wordt door de consecratie Christus. Dus na de consecratie zit onder de kleur van het brood Christus verborgen. En ze schamen zich er ook niet voor om dat ronduit te zeggen. Want dit zijn de woorden van Lombardus: ‘Christus’ lichaam is op zichzelf zichtbaar. Maar na de consecratie gaat het schuil achter de gedaante van het brood.’

De gedaante van het brood is dus niets anders dan een masker dat zijn vlees verbergt voor onze ogen. En je hoeft er niet ver naar te raden om te ontdekken welke hinderlagen de scholastici met deze woorden willen leggen. Dat is overduidelijk uit de feiten. We zien in hoeveel bijgeloof niet alleen de grote massa, maar ook de voorgangers zelf al vele eeuwen gevangen gezeten hebben en tegenwoordig in de pauselijke kerken nog steeds zitten. Want we krijgen alleen deel aan Christus en worden alleen aan Hem verbonden door echt geloof. Maar zij maken zich daar nauwelijks druk om en denken dat Christus voldoende voor hen aanwezig is als ze maar zijn fysieke aanwezigheid hebben die ze zelf buiten Gods Woord om gefabriceerd hebben. Kortom, we zien dat het door die slimme scherpzinnigheid zover gekomen is, dat brood als God beschouwd wordt.

Transsubstantiatie

Hieruit is de verzonnen transsubstantiatieleer voortgekomen. Daar strijden de scholastici tegenwoordig feller voor dan voor alle andere artikelen van hun geloof. De eerste uitvinders van de ruimtelijke aanwezigheid konden zich immers niet redden uit de vraag hoe Christus’ lichaam vermengd was met de substantie van het brood, zonder dat dat meteen tot absurde dingen leidde. Dus moesten ze hun toevlucht nemen tot het verzinsel dat het brood in het lichaam verandert. Niet dat het lichaam in eigenlijke zin ontstaat uit het brood. Nee, zo dat Christus de substantie van het brood tenietdoet om zichzelf onder de gedaante van het brood te verbergen.

Het is wonderlijk dat ze tot zo’n onwetendheid, ja dwaasheid vervallen zijn, dat ze met dit wangedrocht komen aanzetten. Het is niet alleen in strijd met de Schrift. Het gaat in tegen de eensgezinde opvatting van de oude kerk!

Ik geef toe dat sommige oude schrijvers soms het woord ‘verandering’ gebruikt hebben. Maar dat deden ze niet omdat ze de substantie van de uiterlijke tekenen wilden uitwissen. Nee, ze wilden leren dat brood dat aan het mysterie gewijd is, heel anders is dan gewoon brood. Het is nu ander brood. Maar overal verkondigen alle oude schrijvers duidelijk dat het heilig avondmaal uit twee delen bestaat: een aards deel en een hemels deel. En zonder verschil van mening bedoelen ze met het aardse deel het brood en de wijn.

Vast en zeker, wat de scholastici ook kletsen, het is duidelijk dat ze het moeten stellen zonder de steun van de oude schrijvers om dit dogma te bevestigen. Vaak durven ze die oude schrijvers in stelling te brengen tegen het duidelijke Woord van God. Maar dit dogma is nog niet zolang geleden bedacht. Het was niet alleen onbekend in de betere tijden, toen de zuivere leer van de godsdienst nog sterker leefde. Het was ook nog onbekend toen die zuiverheid al besmet was. Er is onder de oude schrijvers niemand die niet expliciet erkent dat de heilige symbolen van het avondmaal brood en wijn zijn. Ook al tooien ze die – ik heb dat gezegd – soms met allerlei lovende woorden, om de waardigheid van het sacrament aan te prijzen. Ze zeggen immers dat er tijdens de consecratie een geheime verandering plaatsvindt, zodat het dan iets anders is dan brood en wijn. Maar zoals ik net al noemde, bedoelen ze daarmee niet dat brood en wijn er niet meer zijn. Nee, ze bedoelen dat we ze dan als iets anders moeten beschouwen dan als gewoon voedsel dat alleen maar bedoeld is voor het voeden van de buik. Want in brood en wijn krijgen we geestelijk voedsel en drank voor de ziel.

Ik ontken dat ook niet. Maar de scholastici zeggen: als er verandering plaatsvindt, dan kan het niet anders of het één ontstaat uit het ander. Als ze daarmee bedoelen dat het iets wordt wat het eerst niet was, dan stem ik daarmee in. Maar als ze die verandering willen laten slaan op wat zij zich inbeelden, dan moeten ze mij maar eens antwoord geven op de vraag welke verandering er dan plaatsvindt bij de doop. Want de kerkvaders stellen dat ook daarbij een wonderlijke verandering plaatsvindt, als ze zeggen dat er een geestelijk bad voor de ziel ontstaat uit een vergankelijk element. Toch ontkent niemand dat het water blijft. ‘Nee,’ zeggen de scholastici, ‘maar bij de doop vind je niet zoiets als de woorden bij het avondmaal: “Dit is mijn lichaam.”’ Alsof het om die woorden gaat! Wat die betekenen, is duidelijk genoeg. Nee, het gaat juist om het woord ‘verandering’. Dat mag bij het avondmaal niet méér betekenen dan bij de doop. Laat ze hun gang dus maar gaan met hun woordenspelletje. Ze verraden er alleen maar mee hoe dom ze zijn.

Stel dat de werkelijkheid die in het sacrament gepresenteerd wordt, niet levensecht zou worden uitgebeeld door het zichtbare teken. Dan zou de betekenis niet van toepassing zijn! Christus heeft met het zichtbare symbool willen bewijzen dat zijn vlees voedsel is. Als Hij alleen een loze gedaante van brood had gepresenteerd en geen echt brood, wat zou er dan overblijven van de analogie of de vergelijking die ons van het zichtbare teken naar de onzichtbare inhoud moet leiden? Immers, om alles onderling te laten overeenkomen, moet de betekenis niet verder reiken dan dat wij gevoed worden door iets dat lijkt op Christus’ vlees. En zo is het ook met de doop. Als er bij de doop alleen iets was dat op water lijkt en onze ogen bedroog, dan zou dat bedrieglijke toneel voor ons aanleiding zijn om te wankelen. De aard van het sacrament wordt dus onderuitgehaald als het aardse teken in de manier van uitbeelden niet correspondeert met de hemelse inhoud. En daarom gaat de werkelijkheid van dit sacrament voor ons verloren als er geen echt brood is dat ons het echte lichaam van Christus voor ogen stelt.

Ik herhaal het nog eens: het avondmaal is niets anders dan een zichtbaar bewijs van de belofte die in Johannes 6 staat: dat Christus het levensbrood is dat is neergedaald uit de hemel. Johannes 6:51 Om dat geestelijke brood uit te beelden, moet er dus zichtbaar brood zijn. Of we zouden moeten willen dat alle vrucht voor ons verloren gaat die God ons hierin zo welwillend geeft om ons te helpen in onze zwakheid. Bovendien, hoe zou Paulus kunnen concluderen dat we allemaal samen één brood en één lichaam zijn omdat we samen deel hebben aan één brood, 1

Korinthiërs 10:17 als er alleen maar iets overblijft dat op brood lijkt en geen natuurlijk, echt brood?

Weerlegging van argumenten voor transsubstantiatie

De goocheltrucs van Satan zouden de scholastici nooit zo schandelijk bedrogen hebben, als ze niet al betoverd waren door de dwaling dat het brood Christus’ lichaam bevat en dat Christus’ lichaam door de mond van het lichaam wordt overgebracht in de buik. De reden voor deze grove inbeelding was dat voor hen de consecratie zo ongeveer de betekenis heeft van magische toverij. Maar verborgen was voor hen het principe dat het brood alleen een sacrament is voor mensen tot wie het Woord gericht wordt. Net zoals het water van de doop op zichzelf niet verandert, maar voor ons iets wordt dat het eerder niet was, zodra de belofte ermee verbonden wordt.

Dit blijkt nog duidelijker uit het voorbeeld van een vergelijkbaar sacrament. Het water dat in de woestijn uit de rots stroomde, Exodus 17:6 was voor de aartsvaders een waarborg en teken van dezelfde werkelijkheid die voor ons wordt uitgebeeld door de wijn bij het avondmaal. Want Paulus leert dat ze dezelfde geestelijke drank dronken. 1 Korinthiërs 10:4 Maar ook de lastdieren en het vee van het volk maakten gebruik van dat water. Daaruit kun je gemakkelijk opmaken dat aardse elementen niet veranderen als ze geestelijk gebruikt worden, behalve dan voor de mensen, voor zover het voor hen zegels zijn van de beloften.

Bovendien – ik herhaal dat steeds maar weer – is het Gods bedoeling om ons met behulp van geschikte middelen op te heffen naar Hemzelf. Dat wordt dus goddeloos verijdeld door de koppigheid van degenen die ons wel naar Christus roepen, maar dan naar een Christus die op een onzichtbare manier schuilgaat onder het brood. Het is, zeggen zij, immers onmogelijk dat de geest van mensen de oneindige ruimte overbrugt en doordringt tot Christus in de hemel. Wat de natuur hun ontzegt, proberen zij te corrigeren met een geneesmiddel dat alleen maar meer schade doet. Zo willen ze ervoor zorgen dat we op aarde kunnen blijven en Christus’ nabijheid in de hemel niet hoeven te missen. Daar zie je dus waarom het voor hen onvermijdelijk was om Christus’ lichaam van gedaante te laten veranderen.

In de tijd van Bernardus van Clairvaux was transsubstantiatie nog onbekend, ook al was er toen al een ruwere manier van spreken gebruikelijk geworden dan vroeger. En in alle eeuwen daarvóór had ieder deze vergelijking op de lippen: in dit mysterie wordt een geestelijke werkelijkheid verbonden met brood en wijn.

Wat betreft de woorden ‘brood’ en ‘wijn’ geven de scholastici een volgens henzelf scherpzinnig antwoord. Maar niets van waar ze mee aankomen, is van toepassing op het onderwerp waarover het gaat. Ze zeggen dat de staf van Mozes, die in een slang veranderde, ‘slang’ genoemd wordt, maar ook zijn oude naam behoudt en ‘staf’ wordt genoemd. Exodus 4:2-4 Zo vinden zij het aannemelijk dat het brood, ook al krijgt het een nieuwe substantie, in oneigenlijke zin brood genoemd wordt. Dat is volgens hen geen ongeschikte benaming, omdat het er ogenschijnlijk zo uitziet. Maar welke overeenkomst of verwantschap vinden zij tussen dat schitterende wonder en hun verzonnen bedrog, waar geen enkel oog op aarde getuige van is? De magiërs kregen met hun goocheltrucs voor elkaar dat ze de Egyptenaren ervan overtuigden dat ze dankzij goddelijke kracht in staat waren om schepselen te veranderen op een manier die de natuurlijke orde te boven ging. Mozes komt naar voren, verslaat hun bedrog en toont zo aan dat Gods onoverwinnelijke kracht aan zijn kant stond. Want zijn staf alleen verslindt alle andere staven. Maar deze verandering kon je met je ogen zien. Daarom is die op ons onderwerp niet van toepassing, zoals ik heb gezegd. Bovendien keerde de staf na korte tijd weer zichtbaar terug naar zijn vorige gedaante. En daar komt nog bij dat we niet weten of die tijdelijke verandering een verandering qua substantie was. Ook moeten we erop letten dat de staf zijn naam houdt vanwege de vergelijking met de staven van de magiërs. Want de profeet wilde die staven geen slangen noemen. Dan zou het lijken alsof hij duidde op een verandering die geen verandering was. De magiërs hadden immers niets anders gedaan dan de ogen van de toeschouwers verblinden. Exodus 7:10-15

Maar wat voor overeenkomst is er tussen dit en deze uitdrukkingen: ‘Het brood dat wij breken,’ 1 Korinthiërs 10:16 ‘zo vaak als jullie dit brood eten,’ 1 Korinthiërs 11:26 ‘ze namen deel aan het breken van het brood,’ Handelingen 2:42 en meer van zulke uitdrukkingen? Vast en zeker werden door de toverformule van de magiërs alleen de ogen bedrogen! Wat

Mozes betreft ligt het minder duidelijk. Maar God kon door zijn hand best van de staf een slang maken en vervolgens van de slang weer een staf. Dat was voor Hem echt niet moeilijker dan engelen kleden in een vleselijk lichaam en hen dat even later weer laten uittrekken. Als met het mysterie van het avondmaal hetzelfde of iets vergelijkbaars zou gebeuren, dan zou de oplossing van de scholastici iets plausibels hebben. We moeten dus vasthouden dat bij het avondmaal Christus’ vlees ons alleen daadwerkelijk en op een toepasselijke manier echt als voedsel beloofd wordt, als de echte substantie van het zichtbare symbool ermee correspondeert.

En zoals uit één dwaling een volgende dwaling voortkomt: ik vind het erg om te moeten noemen hoe absurd de scholastici een passage uit Jeremia verdraaien om de transsubstantiatie te bewijzen. De profeet klaagt dat er hout in zijn brood gestopt is. Jeremia 11:19 Daarmee geeft hij aan dat de wreedheid van zijn vijanden zijn brood geïnfecteerd had met bitterheid. Net zoals David door middel van beeldspraak klaagt dat zijn voedsel bedorven is door gal en zijn drank door azijn. Psalm 69:22 Volgens de scholastici wordt hiermee aangeduid dat Christus’ lichaam aan het kruishout gehangen is. Maar, zeggen ze, zo hebben sommige van de kerkvaders het toch opgevat? Alsof we niet beter hun onwetendheid kunnen vergeven en hun schande begraven, dan er ook nog eens een brutaliteit aan toe te voegen door ze te dwingen nu nog als vijanden te strijden tegen wat de profeet echt bedoelt.

Consubstantiatie

Anderen snappen dat je geen eind kunt maken aan de analogie tussen het teken en de uitgebeelde werkelijkheid, zonder dat de inhoud van het sacrament verdwijnt. Zij erkennen dat het brood van het avondmaal echt de substantie heeft van een aards, vergankelijk element en dat het helemaal niet verandert. Nee, zij zeggen dat Christus’ lichaam onder het brood erbij ingesloten zit.

Als ze hun opvatting zo uitlegden dat, als er brood wordt uitgedeeld in het mysterie, tegelijk ook het lichaam wordt gegeven, omdat de werkelijkheid onlosmakelijk verbonden is met het teken, dan zou ik daar geen bezwaar tegen maken. Maar ze plaatsen het lichaam zelf in het brood. Zo dichten ze het alomtegenwoordigheid toe. En dat is in strijd met de natuur van het lichaam. Bovendien bedoelen ze met de uitdrukking ‘onder het brood’ dat het lichaam daaronder schuil gaat. Daarom is het nodig dat ik zulke listige ideeën even tevoorschijn haal uit hun schuilhoeken. Het is nu nog niet mijn bedoeling om dit onderwerp volledig te behandelen, maar ik wil nu alleen de fundamenten leggen voor de uitleg die straks aan de beurt komt.

Deze mensen beweren dus dat Christus’ lichaam onzichtbaar en onbegrensd is. Zo kan het schuilgaan onder het brood. Want ze denken dat ze alleen deel aan Hem kunnen hebben als Hij in het brood neerdaalt. Maar zij begrijpen niet op welke manier Hij neerdaalt om ons omhoog te heffen naar Hem toe. Ze vermommen hun ideeën in alle mogelijke kleuren. Maar als ze uitgesproken zijn, blijkt duidelijk genoeg dat ze eraan vasthouden dat Christus ruimtelijk aanwezig is. Waarom? Nou, omdat ze zich niet kunnen indenken dat je op een andere manier deel zou kunnen hebben aan zijn vlees en bloed dan door middel van een ruimtelijke connectie of aanraking of door een of andere grove vorm van insluiten.

Consubstantiatie past niet bij een echt menselijk lichaam

En om koppig hun eenmaal onbezonnen aangenomen dwaling te verdedigen, beweren sommigen dat Christus’ vlees nooit een andere omvang gehad heeft dan zo ver en breed hemel en aarde zich uitstrekken. Maar hoe kan het dan dat Hij als kind uit de moederschoot geboren is, dat Hij opgegroeid is, dat Hij languit aan het kruis hing en dat Hij lag ingesloten in het graf? Zij zeggen daarover dat dat gebeurd is dankzij een bepaalde dispensatie. Zo kon Hij de taken uitvoeren van geboren worden, sterven en andere menselijke plichten. Na zijn opstanding werd Hij gezien in zijn gewone lichaamsgedaante. Hij werd opgenomen in de hemel en ook na zijn hemelvaart hebben Stefanus en Paulus Hem nog gezien. Zij zeggen daarover dat ook dit gebeurd is dankzij dezelfde dispensatie. Zo konden mensen Hem zien als koning in de hemel. Maar wat is dit anders dan Marcion weer laten opstaan uit de hel? Want als Christus een dergelijk lichaam had gehad, had toch niemand eraan kunnen twijfelen dat het een spooklichaam was!

Sommigen ontsnappen hieraan door iets scherpzinniger te redeneren. Zij zeggen dat in het sacrament een glorierijk en onsterfelijk lichaam gegeven wordt. Dus zou er niets absurds aan zijn als het bij het sacrament op meerdere plaatsen tegelijk, zonder ruimte in te nemen en zonder zichtbare gedaante, ingesloten is.

Maar dan vraag ik: wat voor lichaam gaf Christus dan aan de leerlingen op de dag vóór zijn lijden? Blijkt uit zijn woorden niet dat Hij zijn sterfelijk lichaam gegeven heeft, dat Hij even later moest overgeven? Lucas 22:19 Mijn tegenstanders zeggen dan dat Hij eerder al op de berg zijn glorie had laten zien aan drie leerlingen. Mattheüs 17:1-13 Dat klopt inderdaad. Maar met die glorie wilde Hij hun voor een uur een voorproefje geven van onsterfelijkheid. Ondertussen kunnen ze daar geen dubbel lichaam vinden, maar alleen dat het ene lichaam dat Christus aan had, versierd werd met een nieuwe glorie. Maar toen Hij bij het eerste avondmaal zijn lichaam uitdeelde, was bijna het moment aangebroken dat Hij, voor God geslagen en vernederd, als een melaatse zou liggen in schande. Jesaja 53:4 Er is dus geen sprake van dat Hij toen de glorie van zijn opstanding wilde laten zien!

Als we Christus’ lichaam op de ene plek sterfelijk en nederig zien en op een andere plek onsterfelijk en glorierijk, dan zetten we de deur wagenwijd open voor Marcion. Maar als hun opvatting correct is, gebeurt juist dat elke dag! Ze kunnen immers niet anders dan toegeven dat Christus’ lichaam op zichzelf zichtbaar is, maar toch onzichtbaar schuilgaat onder het symbool van het brood. Zulke monsterlijke dingen kramen ze uit! Toch schamen zij zich zo weinig voor hun schande dat ze juist met vreselijke scheldwoorden tekeergaan tegen ons, omdat wij hun monsterlijke ideeën niet onderschrijven.

Christus is aanwezig door de kracht van de Geest

Kom op zeg! Als je het lichaam en bloed van de Heer zo graag wilt vasthechten aan brood en wijn, dan kan het niet anders of je scheurt het lichaam en het bloed uit elkaar. Want het brood wordt apart van de beker uitgedeeld. Dus kan het niet anders of het lichaam – dat één is met het brood – is gescheiden van het bloed – dat in de beker zit ingesloten. Mijn tegenstanders verzekeren immers dat het lichaam in het brood zit en het bloed in de beker. Brood en wijn zijn ruimtelijk van elkaar gescheiden. Dus kunnen ze er met geen enkele uitvlucht aan ontkomen dat ze moeten toegeven dat het lichaam gescheiden is van het bloed.

Nu beweren zij meestal dat het lichaam en het bloed elkaar begeleiden, zoals zij dat noemen. Daardoor zit het bloed in het lichaam en andersom ook het lichaam in het bloed. Maar dat is echt onzin, omdat de symbolen waarin ze ingesloten zitten, zo verschillend zijn.

Maar wij worden met onze ogen en ons hart omhoog, naar de hemel geleid, om daar Christus te zoeken in de glorie van zijn koninkrijk. Zo nodigen symbolen ons uit bij Hem in zijn geheel. En dan worden wij onder het symbool van brood met zijn lichaam gevoed en krijgen wij onder het symbool van wijn zijn bloed te drinken, zodat we uiteindelijk volledig van Hem genieten. Weliswaar heeft Hij zijn vlees van ons weggenomen. Hij is met zijn lichaam naar de hemel gevaren. Maar Hij zit aan de rechterhand van de Vader. Dat wil zeggen: Hij regeert met de macht, majesteit en glorie van de Vader. Dat rijk is niet ruimtelijk begrensd en het heeft geen afmetingen. Christus bewijst zijn kracht dus waar Hij maar wil, zowel in de hemel als op de aarde. Hij laat daar zien dat Hij met macht en kracht aanwezig is. Hij is altijd dicht bij de zijnen, blaast hun zijn leven in, leeft in hen, houdt hen overeind, versterkt hen, laat hen groeien, bewaart hen veilig, net alsof Hij met zijn lichaam aanwezig is. Kortom, Hij voedt hen met zijn eigen lichaam. Dat ze daar deel aan hebben, geeft Hij hun door de kracht van zijn Geest. Op die manier krijgen wij in het sacrament Christus’ lichaam en bloed.

Christus’ hemelse glorie en zijn menselijke natuur

Wij moeten Christus echter op de volgende manier aanwezig zien in het avondmaal. We mogen Hem niet vastmaken aan het element van het brood en Hem niet in het brood insluiten of op een of andere manier begrenzen. Want het is duidelijk dat dat allemaal tekort doet aan zijn hemelse glorie. Ook mogen we niets afdoen van zijn ruimtelijke afmetingen of Hem uit elkaar scheuren, zodat Hij op meerdere plekken tegelijk is, of Hem een oneindige omvang toedichten, die zich uitspreidt over hemel en aarde. Want al deze dingen zijn duidelijk in strijd met een echte menselijke natuur. Nooit, zeg ik, moeten we ons deze twee beperkingen laten afpakken: Christus’ hemelse glorie mag niet tekortgedaan worden. En dat gebeurt wel als Hij onderworpen wordt onder vergankelijke elementen van deze wereld of verbonden wordt met welk aards schepsel ook. En we mogen zijn lichaam niets toedichten dat niet past bij de menselijke natuur. En dat gebeurt wel als je zegt dat zijn lichaam onbegrensd of op meerdere plaatsen tegelijk is.

Maar los van deze absurde ideeën accepteer ik verder graag alles wat uitdrukking kan geven aan het echte daadwerkelijke deelhebben aan het lichaam en bloed van de Heer, dat gelovigen krijgen in de heilige symbolen van het avondmaal. En daar versta ik dan onder dat de gelovigen het lichaam en bloed niet alleen krijgen door zich dat in te beelden of in te denken, maar dat ze er daadwerkelijk van genieten als van voedsel om eeuwig te leven.

Er is maar één reden waarom de wereld zo’n afkeer heeft van deze opvatting en de verdediging daarvan bij voorbaat afketst op oneerlijke vooroordelen van velen: Satan heeft door middel van een vreselijke betovering hun verstand dwaas gemaakt. Wat ik leer, komt vast en zeker heel goed overeen met de Schrift. Er is niets absurds, duisters of dubbelzinnigs aan. Het is niet in strijd met echte vroomheid en degelijke opbouw. Kortom, er is niets aanstootgevends aan. Behalve dan dat enkele eeuwen lang in de kerk de onwetendheid en barbaarsheid van de sofisten geregeerd heeft en zo het heldere licht en de duidelijke waarheid op een onwaardige manier onderdrukt zijn.

Ook tegenwoordig probeert Satan door middel van oproerige geesten dat licht en die waarheid nog te bezoedelen met alle mogelijke vormen van laster en beledigingen. Daarom is het goed dat ik ze nog zorgvuldiger bescherm en verdedig.

De instelling van het avondmaal

Maar voor we verder gaan, moeten we eerst Christus’ instelling zelf behandelen. Vooral omdat het meest plausibele tegenargument van mijn tegenstanders is dat ik afwijk van Christus’ woorden. Om mij te bevrijden van de onterechte afkeer waarmee zij mij belasten, kan ik dus maar het beste beginnen met het uitleggen van die woorden.

Drie evangelisten en Paulus vertellen dat Christus brood nam, de dankzegging uitsprak, het brood brak, het aan zijn leerlingen gaf en zei: ‘Neem, eet, dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven’ – of: ‘gebroken’ – ‘wordt.’ Mattheüs 26:26; Marcus 14:22; Lucas 22:17-19; 1 Korinthiërs 11:24 Over de beker vertellen Mattheüs en Marcus dat Christus dit zei: ‘Deze beker is het bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen vergoten wordt voor vergeving van de zonden.’ Maar Paulus en Lucas vertellen het zo: ‘De beker is het Nieuwe Testament in mijn bloed.’ Mattheüs 26:28; Marcus 14:24; Lucas 22:20; 1 Korinthiërs 11:25

De voorstanders van de transsubstantiatie beweren dat het voornaamwoord ‘dit’ alleen slaat op de gedaante van het brood. Want de consecratie wordt uitgevoerd door het geheel van deze uitspraak en er is geen substantie die zichtbaar gemaakt kan worden. Maar ze mogen dan zo nauwkeurig op de woorden letten, omdat Christus getuigde dat wat Hij zijn leerlingen in handen gaf, zijn lichaam was – toch is hun verzinsel totaal vreemd aan wat Christus echt bedoelde met zijn woorden. Wat Christus in handen neemt en aan de apostelen geeft, daarvan zegt Hij dat het zijn lichaam is. Maar Hij had brood gepakt. Dus wie zou dan niet begrijpen dat wat Hij hun liet zien, nog steeds brood was? En daarom is niets zo absurd als wat Hij over het brood zegt, alleen op de gedaante ervan te laten slaan!

Anderen nemen hun toevlucht tot een nog meer geforceerde en met geweld verdraaide uitleg. Zij leggen het zo uit: het woordje ‘is’ betekent hier ‘getranssubstantieerd worden’. Zij hebben dus geen reden om net te doen alsof hun motivatie respect is voor de woorden. Want er is geen volk of taal bekend waar het woord ‘zijn’ gebruikt wordt in de betekenis van ‘veranderen in iets anders’.

Dan degenen die het brood bij het avondmaal laten blijven, maar wel beweren dat het Christus’ lichaam is. Er zijn veel verschillen tussen hen. Degenen die wat bescheidener spreken, leggen wel zorgvuldig de nadruk op de letterlijke betekenis van de woorden ‘dit is mijn lichaam’. Maar later laten ze die strengheid toch los. Dan zeggen ze dat het betekent dat Christus’ lichaam samen met het brood, in het brood en onder het brood is. Over de inhoud van wat zij beweren, heb ik al iets gezegd en zal ik straks nog meer moeten zeggen. Nu behandel ik alleen de woorden die hun – zeggen zij – verhinderen het brood het lichaam te noemen alleen omdat het een teken is van het lichaam. Maar als ze elke oneigenlijke manier van spreken afwijzen, waarom springen ze dan van de eenvoudige woorden van Christus over op hun eigen manier van spreken die daar heel erg van verschilt? Het is immers iets heel anders of je zegt dat het brood het lichaam is, of dat het lichaam samen met het brood is. Maar ze zagen dat de woorden ‘het brood is mijn lichaam’ onmogelijk simpelweg kunnen betekenen wat er staat. Daarom proberen ze als via kromme omwegen te ontsnappen door gebruik te maken van deze manieren van spreken.

Anderen zijn overmoediger. Zij aarzelen niet om te zeggen dat het brood in eigenlijke zin het lichaam is. Op die manier bewijzen ze dat ze zich echt aan de letterlijke betekenis houden. Als daartegen ingebracht wordt dat het brood dan dus Christus en God is, dan ontkennen ze dat wel. Want dat wordt in Christus woorden niet expliciet gezegd. Maar met die ontkenning schieten ze niets op. Want ieder is het er volledig over eens dat ons in het avondmaal de hele Christus wordt aangeboden. En het is een onacceptabele godslastering als je zonder beeldspraak van een vergankelijk element zegt dat het Christus is.

Verder vraag ik hun of deze twee uitspraken hetzelfde betekenen: ‘Christus is Gods Zoon,’ en: ‘Het brood is Christus.’ Ze zullen tegen hun wil moeten toegeven dat er verschil is. Maar dan moeten ze maar eens antwoord geven op de vraag wat dan het verschil is. Volgens mij kunnen ze geen ander verschil aanvoeren dan dat het brood op een sacramentele manier het lichaam genoemd wordt. Dat betekent dus dat de woorden van Christus niet onderworpen zijn aan de algemene regel en niet alleen grammaticaal beoordeeld moeten worden.

Bovendien vraag ik aan alle koppige en strenge onderzoekers van de letterlijke betekenis of Lucas en Paulus, als ze zeggen dat de beker het testament is in zijn bloed, Lucas 22:20; 1 Korinthiërs 11:25 niet hetzelfde zeggen als in de eerste zin, waar ze het brood het lichaam noemen. Natuurlijk werden bij het sacrament beide delen even nauwkeurig omschreven. Maar kortheid is minder duidelijk. Daarom legt de langere uitspraak de zin beter uit. Dus telkens als zij op basis van één woord beweren dat het brood Christus’ lichaam is, zal ik op basis van meer woorden een toepasselijke uitleg geven: het is het testament in zijn lichaam. Immers, kun je een betrouwbaardere uitlegger vinden dan Paulus of Lucas? Toch is het niet mijn bedoeling iets af te doen van het deelhebben aan het lichaam van Christus dat ik heb beleden. Nee, ik ben alleen van plan om de dwaze koppigheid te weerleggen waarmee zij zo vijandig strijden over de woorden. Op gezag van Paulus en Lucas vat ik het zo op: het brood is Christus’ lichaam omdat het het verbond is in zijn lichaam. Als ze dat bestrijden, voeren ze geen oorlog met mij, maar met Gods Geest. Ze mogen dan klagen dat ze uit eerbied voor Christus’ woorden niet figuurlijk durven opvatten wat Hij duidelijk zegt. Maar dat voorwendsel snijdt te weinig hout om daarmee alle argumenten af te wijzen die ik ertegen inbreng.

Ondertussen moeten we weten wat voor testament er in Christus’ lichaam en bloed is. Ik heb dat al gezegd. Want het verbond dat door het offer van zijn dood geratificeerd is, zou ons niets opleveren als er niet bij kwam dat wij op een verborgen manier aan Christus deel hebben en zo één met Hem worden.

Figuurlijke interpretatie

Er zit dus niets anders op dan dat we erkennen dat, vanwege de verwantschap tussen de symbolen en de inhoud die er door gesymboliseerd wordt, de naam van de inhoud zelf wordt toegekend aan de symbolen, figuurlijk, maar niet zonder heel toepasselijke analogie. Allegorieën en gelijkenissen sla ik over, om te voorkomen dat iemand zou beweren dat ik uitvluchten zoek en afdwaal van het onderwerp waar het over gaat.

Ik noem dit een figuurlijke manier van spreken, die overal in de Schrift gebruikelijk is als het over mysteries gaat. Alleen als je het overdrachtelijk opvat, kun je immers begrijpen dat de besnijdenis een verbond genoemd wordt, Genesis 17:13 het lam een doorgang, Exodus 12:11 de offers van de wet verzoeningen Leviticus 17:11; Hebreeën 9:22 en ten slotte de rots waar in de woestijn water uit stroomde, Christus. Exodus 17:6; 1 Korinthiërs 10:4 Niet alleen wordt de naam van het hogere overgebracht op het lagere. Ook wordt andersom de naam van het zichtbare teken toegekend aan de uitgebeelde inhoud. Bijvoorbeeld als er gezegd wordt dat God aan Mozes verscheen in de braamstruik Exodus 3:2 of als de ark van het verbond God en Gods gelaat genoemd wordt Psalm 84:8; 42:3 en de Heilige Geest een duif. Mattheüs 3:16

Weliswaar is het symbool in wezen iets anders dan de uitgebeelde inhoud. Want de inhoud is geestelijk en hemels en het symbool fysiek en zichtbaar. Maar het symbool symboliseert de inhoud, waarvoor het geheiligd is om die zichtbaar te maken, niet alleen maar als een bloot en leeg teken. Nee, het geeft die inhoud ook daadwerkelijk. Waarom zou de naam van die inhoud dan niet mogen worden toepast op het teken? Door mensen bedachte symbolen zijn eerder beelden van afwezige dan van aanwezige dingen. Vaak beelden ze die ook op een bedrieglijke manier af. Toch worden ook die symbolen vaak getooid met de namen van die dingen. Maar is er nog veel meer reden waarom de symbolen die God heeft ingesteld hun namen krijgen van de dingen die ze altijd op een betrouwbare en zeker niet bedrieglijke manier symboliseren en waarvan ze de werkelijkheid altijd bij zich dragen. De overeenkomst en verwantschap tussen die twee is zo groot dat ze gemakkelijk van beide kanten hun namen op elkaar overdragen.

Mijn tegenstanders kunnen dus maar beter ophouden hun smakeloze grappen op mij te richten. Ze noemen mij een ‘tropist’, omdat ik de sacramentele manier van spreken uitleg volgens het gewone gebruik van de Schrift. Want er zijn veel overeenkomsten tussen de sacramenten en zo delen ze ook allemaal deze zelfde figuurlijke manier van spreken. De apostel

Paulus leert dat de rots waaruit voor de Israëlieten geestelijk drinken stroomde, Christus was. 1 Korinthiërs 10:4 Want die rots was een zichtbaar teken waaronder zij dat geestelijke drinken wel echt kregen, maar niet zichtbaar voor hun ogen. En zo wordt tegenwoordig Christus’ lichaam dus brood genoemd, omdat het een symbool is waardoor de Heer ons zijn lichaam echt aanbiedt om te eten.

Augustinus heeft het precies zo opgevat en gezegd. Niemand moet dit dus afwijzen als een nieuw verzinsel. Hij zegt: ‘Als de sacramenten helemaal niet leken op de dingen waar ze sacramenten van zijn, dan zouden het geen sacramenten zijn. Omdat ze op die dingen lijken, krijgen ze meestal ook de namen van die dingen zelf. Zo is het sacrament van Christus’ lichaam dus in zeker opzicht Christus’ lichaam en het sacrament van Christus’ bloed Christus’ bloed. En zo is het sacrament van het geloof het geloof.’ Er zijn bij hem veel van zulke passages. Het is niet nodig om die allemaal op te sommen. Dit ene citaat is voldoende. Ik moet de lezers er alleen op wijzen dat deze geleerde man hetzelfde leert in een brief aan Evodius.

En het is een onzinnige uitvlucht als je zegt dat Augustinus, in de passages waar hij leert dat bij de sacramenten een figuurlijke manier van spreken veel voorkomt en heel gewoon is, het avondmaal niet noemt. Want als we dat zouden accepteren, zouden we niet meer mogen redeneren van algemeen naar specifiek. Dan zou ook dit geen geldige argumentatie meer zijn: ‘Alle dieren kunnen zich bewegen, dus ook een rund en een paard kunnen zich bewegen.’ Dus als we niet alle logica willen loslaten, kunnen we niet zeggen dat wat geldt voor alle sacramenten samen, niet geldt voor het avondmaal.

Trouwens deze heilige man maakt zelf een eind aan de discussie. Ergens anders zegt hij dat Christus, toen Hij het teken van zijn lichaam gaf, niet aarzelde dat teken zijn lichaam te noemen. En weer ergens anders zegt hij: ‘Het was wonderlijk geduldig van Christus dat Hij Judas uitnodigde aan de maaltijd waarin Hij het teken van zijn lichaam en bloed aan de leerlingen aanbeval en overhandigde.’

Het woordje ‘is’

Maar stel dat iemand voor al deze dingen blind is en koppig vasthoudt aan enkel dit woord: ‘Dit is,’ alsof dat dit sacrament apart zet van alle andere sacramenten. Zo iemand kan ik gemakkelijk weerleggen.

Mijn tegenstanders zeggen dat dit koppelwerkwoord zoveel nadruk heeft dat het geen figuurlijke betekenis toelaat. Stel dat ik hun dat toegeef. Dan lezen we datzelfde koppelwerkwoord toch ook in Paulus’ woorden, als hij zegt dat het brood het deelhebben ‘is’ aan het lichaam van Christus. 1 Korinthiërs 10:16 Maar het deelhebben is toch iets anders dan het lichaam zelf.

Sterker nog, bijna overal waar het over sacramenten gaat, lees je hetzelfde werkwoord: ‘Dit zal voor jullie een verbond zijn met mij.’ Genesis 17:13 ‘Dit lam zal voor jullie het pascha zijn.’ Exodus 12:11; 12:43 En om niet meer aan te halen, als Paulus zegt dat Christus de rots was, waarom vinden zij het koppelwerkwoord in die passage minder nadruk hebben dan in Christus’ woorden?

En ze moeten ook maar eens antwoord geven op de vraag wat dit werkwoord betekent als Johannes zegt: ‘De Heilige Geest was er nog niet, omdat Jezus nog geen glorie gekregen had.’ Johannes 7:39 Want als ze zich aan hun regel blijven vastklampen, maken ze een eind aan het eeuwige wezen van de Geest, alsof Hij zijn begin pas te danken had aan Christus’ hemelvaart.

En ten slotte moeten ze maar eens antwoord geven op de vraag wat Paulus’ uitspraak betekent dat de doop het bad is van de nieuwe geboorte en de vernieuwing. Titus 3:5 Het staat toch vast dat velen niets aan de doop hebben.

Maar niets is zo overtuigend om hen te weerleggen als Paulus’ uitspraak dat de kerk Christus is. Want nadat hij de kerk vergeleken heeft met het menselijk lichaam, voegt hij er meteen aan toe: ‘Zo is Christus.’ 1 Korinthiërs 12:12 Maar dan bedoelt hij niet Gods eniggeboren Zoon in zichzelf, maar in zijn ledematen.

Ik denk dat het me met al deze argumenten al wel gelukt is om oprechte mensen met gezond verstand ervan te overtuigen dat de laster stinkt die mijn vijanden uitstrooien: dat ik ontken dat Christus’ woorden betrouwbaar zijn. Terwijl ik ze even gehoorzaam omhels als zij en ze zelfs zorgvuldiger overweeg dan zij. Immers, uit hun lakse zorgeloosheid blijkt dat ze zich niet druk maken om wat Christus bedoeld heeft. Als het hun maar een schild in handen geeft om hun koppigheid te beschermen. Terwijl mijn nauwkeurig onderzoek juist alleen maar bewijst hoeveel waarde ik hecht aan Christus’ gezag.

Zij verkondigen hatelijk dat mijn menselijk verstand mij verhindert om te geloven wat Christus met zijn heilige mond heeft uitgesproken. Maar ik heb voor een groot deel al duidelijk gemaakt hoe boosaardig het is dat zij mij met deze schande brandmerken en straks zal dat nog duidelijker blijken. Niets verhindert mij dus om Christus te geloven als Hij spreekt en erin te berusten zodra Hij zus of zo bekendmaakt. Het gaat er nu alleen om of het toegestaan is om uit te zoeken wat de werkelijke bedoeling van zijn woorden is.

Letterlijke interpretatie

Om heel geletterd te lijken, verbieden deze goede leermeesters om ook maar iets af te wijken van de letterlijke betekenis. Ik echter – als de Schrift God een krijgsman noemt, Exodus 15:3 twijfel ik er niet aan dat dat een menselijke vergelijking is. Want als die uitdrukking niet figuurlijk bedoeld zou zijn, zou die veel te grof zijn.

En inderdaad hebben de antropomorfieten juist onder dit voorwendsel de rechtzinnige kerkvaders lastiggevallen, door zich met hand en tand vast te klampen aan deze uitspraken: ‘Gods ogen zien.’ ‘Het is opgestegen tot zijn oren.’ ‘Zijn hand is uitgestrekt.’ ‘De aarde is een voetbank voor zijn voeten.’ Ze riepen uit dat God beroofd werd van het lichaam dat de Schrift Hem toekent. Maar als je deze norm accepteert, wordt heel het licht van het geloof verduisterd door een gruwelijke barbaarsheid. Want welke monsterlijke en absurde dingen kunnen fanatici niet uit de Schrift halen als we hun toestaan elke afzonderlijk leesteken aan te halen om hun beweringen te staven!

Mijn tegenstanders werpen tegen dat het niet waarschijnlijk is dat Christus figuurlijk of in raadsels sprak toen Hij de apostelen een speciale troost wilde meegeven in tegenspoed. Maar dat argument pleit juist in mijn voordeel. Want stel dat de apostelen niet op het idee gekomen zouden zijn dat het brood figuurlijk Christus’ lichaam genoemd wordt, omdat het een symbool is van zijn lichaam. Dan zouden ze vast en zeker ontsteld geweest zijn over zoiets monsterlijks! Maar Johannes vertelt dat ze zich op ongeveer datzelfde moment bezighielden met pietluttige kleinigheden. Als je er met elkaar over discussieert hoe Christus naar de Vader zou gaan en de vraag stelt hoe Hij uit de wereld zou weggaan, dan begrijp je niets van de dingen die Christus zegt over de hemelse Vader. Johannes 14:5-8; 16:17 Hoe zouden ze dan wel zo gemakkelijk hebben kunnen geloven wat tegen elke logica ingaat: dat Christus voor hun ogen aan tafel zit en toch onzichtbaar is ingesloten in het brood? Door zonder aarzeling van het brood te eten, bewijzen ze dus dat ze Christus’ woorden allemaal op dezelfde manier opvatten als ik. Want ze beseften dat de naam van wat er werd uitgebeeld, werd overgedragen op het teken. Iets dat bij sacramenten niet vreemd hoeft te lijken. En dus was de troost voor de leerlingen zeker en duidelijk, net als voor ons, en niet gewikkeld in een raadsel. De enige reden dat sommigen niets van mijn uitleg willen weten, is dat de duivel hen betoverd en verblind heeft. Daardoor verzinnen ze duistere raadsels, terwijl de uitleg van dit schitterende beeld voor de hand ligt.

Bovendien, als je blijft staan op de exacte woorden, dan zou het verkeerd zijn van Christus dat Hij van het brood iets anders verkondigt dan van de beker. Het brood noemt Hij zijn lichaam, maar de wijn noemt Hij zijn bloed. Dit is óf wartaal óf een verdeling die lichaam en bloed van elkaar scheidt. Immers, Hij had van de beker even terecht kunnen zeggen: ‘Dit is mijn lichaam,’ als van het brood zelf en andersom had Hij kunnen zeggen dat het brood zijn bloed is. Als Jezus Christus onder beide tekenen ingesloten zou zijn, bedoel ik. Mijn tegenstanders zeggen dat je erop moet letten met welk doel of voor welk gebruik de symbolen ingesteld zijn en dat geef ik toe. Maar ondertussen kunnen zij echt niet voorkomen dat hun dwaling deze absurde consequentie heeft dat het brood het bloed is en de wijn het lichaam. En ik weet niet hoe ze kunnen toegeven dat het brood en het lichaam verschillende dingen zijn, maar toch beweren dat het een het ander genoemd wordt in eigenlijke zin, zonder beeldspraak. Alsof je zegt dat kleding wel iets anders is dan een mens, maar toch in eigenlijke zin mens genoemd wordt! Ondertussen zeggen ze, alsof ze met koppigheid en scheldwoorden kunnen winnen, dat je Christus beschuldigt van liegen als je zijn woorden probeert te interpreteren.

Nu kunnen de lezers gemakkelijk beoordelen hoeveel onrecht die woordenvangers mij doen, door eenvoudige mensen op de mouw te spelden dat ik Christus’ woorden onbetrouwbaar maak. Want zoals ik heb laten zien, zijn zij zo dom om de betrouwbaarheid van die woorden onderuit te halen en te verwarren. Maar ik leg ze betrouwbaar en juist uit.

Geen onderwerping aan menselijke logica

Maar de schande van deze leugen kan ik niet volledig uitwissen als ik niet ook een andere beschuldiging weerleg. Want mijn tegenstanders beweren dat ik me zo onderwerp aan de menselijke logica dat ik Gods macht niets méér toeken dan wat overeenstemt met de natuurlijke orde en gezond verstand. Maar als je mijn geschriften leest, zie je meteen hoe oneerlijk zulke schandelijke laster is. Daartegen beroep ik me juist op de leer die ik geleerd heb. Die laat immers duidelijk genoeg zien dat ik dit mysterie absoluut niet afmeet aan de norm van de menselijke logica of onderwerp aan de wetten van de natuur. Ik vraag je: leren wij uit natuurlijke dingen dat Christus onze ziel voedt vanuit de hemel net zoals ons lichaam met brood en wijn gevoed wordt? Iedereen zal zeggen dat dat niet op een natuurlijke manier gebeurt. Evenmin komt het overeen met menselijke logica dat Christus’ vlees in ons doordringt om voedsel voor ons te zijn. Kortom, ieder die iets van mijn leer geproefd heeft, zal vol bewondering raken over Gods verborgen macht. Maar deze goede zeloten voor Gods macht fabriceren zelf een wonder waar, als het zou verdwijnen, God zelf mee zou verdwijnen.

Ik wil de lezers nog eens aansporen zorgvuldig na te denken over hoe het zit met wat ik leer. Is die leer afhankelijk van gezond verstand of stijgt die op de vleugels van het geloof op boven de wereld, naar de hemel? Ik zeg dat Christus zowel door het zichtbare symbool als door zijn Geest naar ons neerdaalt om onze zielen echt levend te maken door de substantie van zijn vlees en bloed. Als je niet beseft dat deze woorden veel wonderen impliceren, ben je oerdom! Want niets is zo in strijd met de natuur als dat de ziel het geestelijke en hemelse leven krijgt van vlees dat is voortgekomen uit de aarde en onderworpen is aan de dood. Niets is zo ongelooflijk als dat dingen die zover van elkaar verwijderd zijn als hemel en aarde, ondanks zo’n grote ruimtelijke afstand, niet alleen verbonden zijn, maar zelfs één worden, zodat de ziel voedsel krijgt uit het vlees van Christus. Laat die verdorven mensen dus ophouden met hun vuile laster haat op te wekken tegen mij, alsof ik Gods onmetelijke macht ook maar ergens zou willen beperken. Want óf ze dwalen zelf op een domme manier, óf ze liegen schandelijk.

Het gaat hier namelijk niet om de vraag wat God kan, maar wat Hij wil. En volgens mij is gebeurd wat Hij wilde. Hij wilde dat Christus in alles gelijk werd aan zijn broeders, behalve dan in de zonde. Hebreeën 2:17; 4:15 Wat voor vlees hebben wij? Heeft het geen bepaalde omvang? Bevindt het zich niet op een bepaalde plek? Kun je het niet aanraken en zien? Maar waarom, zeggen mijn tegenstanders, zou God er niet voor kunnen zorgen dat hetzelfde vlees op meerdere, verschillende plekken tegelijk is, zonder omvang en zichtbare vorm? Dwaas, waarom stel je Gods macht de eis dat Hij ervoor moet zorgen dat vlees tegelijk wel en geen vlees is? Zo is het net alsof je wil dat Hij ervoor zorgt dat licht tegelijk licht en donker is! Maar Hij wil dat licht licht is, donker donker en vlees vlees. Als Hij dat wil, zal Hij donker wel in licht en licht in donker veranderen. Maar als je eist dat er geen verschil is tussen licht en donker, wat doe je dan anders dan de orde van Gods wijsheid bederven? Dus vlees moet vlees zijn, geest geest en elk ding moet zijn wat het is volgens de wet en toestand waaronder God het geschapen heeft. En de toestand van vlees houdt in dat het zich op één plek bevindt en zijn eigen omvang en zichtbare vorm heeft. Christus heeft vlees aangetrokken in die toestand. Weliswaar heeft Hij, zo getuigt Augustinus, onvergankelijkheid en glorie aan dat vlees gegeven.

Maar Hij heeft de natuur en werkelijkheid van dat vlees niet weggenomen.

Gods Woord moet geïnterpreteerd worden

Mijn tegenstanders voeren aan dat ze het Woord hebben dat Gods wil bekendmaakt. Maar ze hebben alleen gelijk als we hun toestaan de gave van uitleg, die licht werpt op het Woord, uit de kerk te bannen. 1 Korinthiërs 12:10

Ik geef toe dat ze het Woord hebben. Maar dat is hetzelfde Woord dat in het verleden de antropomorfieten hadden toen ze een lichamelijke God fabriceerden. Hetzelfde Woord dat Marcion en de manicheeërs hadden toen ze verzonnen dat Christus’ lichaam hemels is of een spooklichaam. Want ze haalden deze Schriftbewijzen aan: ‘De eerste mens is uit de aarde, van aarde gemaakt, en de tweede mens is uit de hemel, hemels.’ 1 Korinthiërs 15:47 En: ‘Christus heeft zichzelf leeg gemaakt. Hij heeft de gedaante van een slaaf aangenomen en zag eruit als een mens.’ Filippenzen 2:7-8 Maar deze vraatzuchtige lieden denken dat God geen macht heeft als zij niet met een zelf verzonnen monster de hele natuurlijke orde omverhalen. Maar als we met onze verzinsels proberen uit te vinden wat God kan, beperken we Hem juist. Want uit welk woord hebben zij afgeleid dat Christus’ lichaam in de hemel zichtbaar is, maar op aarde onzichtbaar schuilgaat onder ontelbaar veel stukjes brood? Ze zullen zeggen dat dat niet anders kan, omdat Christus’ lichaam in het avondmaal gegeven wordt. Immers, ze willen zo graag uit Christus’ woorden afleiden dat het voedsel vleselijk is. Meegesleept door hun eigen vooroordeel zijn ze dus gedwongen deze scherpzinnigheid te fabriceren, ook al gaat heel de Schrift ertegen in.

En dat ik iets zou afdoen van Gods macht, daar klopt niets van! Mijn leer laat de glorie die macht juist enorm schitteren. Maar mijn tegenstanders beschuldigen mij er steeds van dat ik God van zijn eer beroof doordat ik afwijs wat met gezond verstand moeilijk te geloven valt. Ook al heeft Christus het met eigen mond belooft. Dus geef ik weer hetzelfde antwoord als net: in de mysteries van het geloof raadpleeg ik geen gezond verstand. Nee, ik accepteer met rustige ontvankelijkheid en zachtmoedigheid, zoals Jacobus ons aanbeveelt, Jacobus 1:21 de leer die afkomstig is uit de hemel. Maar ik ontken niet dat ik een gezonde zelfbeheersing in praktijk breng waar zij gevaarlijk dwalen.

Als zij Christus’ woorden: ‘Dit is mijn lichaam,’ horen, beelden ze zich een wonder in dat heel iets anders is dan Hij bedoelde. En als dit verzinsel schandelijke en absurde consequenties blijkt te hebben, storten ze zich, omdat ze zichzelf overhaast in deze strikken verward hebben, in de afgrond van Gods almacht. Zo doven ze het licht van de waarheid. Vandaar die trotse eigenzinnigheid: ‘We willen niet weten hoe Christus schuilgaat onder het brood. We zijn tevreden met deze uitspraak: “Dit is mijn lichaam.”’ Maar ik probeer in deze passage, net als in heel de Schrift, even gehoorzaam als zorgvuldig, een gezond inzicht te krijgen. Ik grijp niet met een verkeerde onbesuisdheid en zonder onderscheid te maken het eerste idee beet dat in mij opkomt. Nee, ik denk goed na en neem dan de betekenis aan die Gods Geest mij ingeeft. In vertrouwen daarop kijk ik vanuit de hoogte neer op alle aardse wijsheid die daar tegenover geplaatst wordt. Sterker nog, ik houd mijn gedachten gevangen, om te voorkomen dat ik zelfs maar een woordje zou durven tegenspreken. Ik houd me nederig, om te voorkomen dat ik me in mijn gedachten zou durven verheffen. Zodoende kom ik aan mijn uitleg van Christus’ woorden. En die klopt met wat steeds gebruikelijk is in de Schrift als het om sacramenten gaat. Ieder die daar enige ervaring mee heeft, weet dat. En ik vind niet dat het ons niet is toegestaan om, volgens het voorbeeld van de heilige maagd Maria, Lucas 1:34 bij een moeilijk onderwerp ons af te vragen hoe het zou kunnen gebeuren.

Christus’ lichaam is niet op aarde, maar in de hemel

Maar niets is zo effectief om het geloof van de vromen te versterken als dat ze leren dat de leer die ik gegeven heb, gehaald is uit Gods zuivere Woord en op het gezag van dat Woord gebaseerd is. Daarom zal ik zo kort mogelijk duidelijk maken dat dat zo is. Niet Aristoteles, maar de Heilige Geest leert dat Christus’ lichaam na de opstanding begrensd is en tot aan de laatste dag in de hemel is. En ik heb wel door dat mijn tegenstanders de passages die worden aangehaald om dat te bewijzen, rustig omzeilen. Telkens als Christus zegt dat Hij zal weggaan en de wereld zal verlaten, Johannes 14:12; 14:28; 16:7; 16:28 zeggen zij dat dat weggaan niets anders is dan een verandering van zijn sterfelijke toestand. Maar als dat zo was, zou Christus ook niet de Heilige Geest geven om, zoals zij zeggen, als zijn plaatsvervanger het gebrek van zijn afwezigheid op te vullen. Want de Geest volgt Hem niet op in zijn positie en Christus zelf komt ook niet weer terug uit de hemel om opnieuw de sterfelijke toestand van het vlees aan te nemen. De komst van de Geest en de hemelvaart van Christus zijn echt twee tegengestelde dingen. En daarom is het onmogelijk dat Christus volgens het vlees bij ons zou wonen op dezelfde manier waarop Hij zijn Geest zendt.

Bovendien zegt Hij expliciet dat Hij niet altijd samen met zijn leerlingen in de wereld zal zijn. Mattheüs 26:11; Johannes 12:8 Mijn tegenstanders denken dat ze ook deze uitspraak keurig kunnen uitwissen door te zeggen dat Christus daarmee aangeeft dat Hij niet altijd arm en ellendig zal zijn of onderworpen aan de behoeften van dit vluchtige leven. Maar dat is duidelijk in strijd met de context van deze passage. Want het gaat daar niet over armoede en gebrek of over de ellendige toestand van het aardse leven. Nee, het gaat daar over dienen en eren. De leerlingen waren er niet blij mee dat Christus gezalfd werd, omdat ze vonden dat dat een overbodige en nutteloze, haast overdadige uitgave was. Daarom hadden ze liever gehad dat het geld, waarvan zij onterecht dachten dat het verkwist was, aan de armen besteed was. Christus reageert dan dat Hij niet altijd aanwezig zal zijn om met een dergelijke eer gediend te worden.

Ook Augustinus heeft het zo uitgelegd. Wat hij hierover zegt, is zeker niet dubbelzinnig: ‘Toen Christus zei: “Jullie zullen Mij niet altijd bij jullie hebben,” sprak Hij over de aanwezigheid van zijn lichaam. Want volgens zijn majesteit, zijn voorzienigheid en zijn onuitsprekelijke en onzichtbare genade wordt deze uitspraak van Hem vervuld: “Kijk, Ik ben bij jullie tot aan het einde van de wereld.” Maar volgens het vlees dat het Woord heeft aangenomen, volgens het feit dat Hij uit de maagd is geboren, door de Joden gevangen, aan het kruis gehangen, van het kruis afgehaald, in doeken gewikkeld in het graf gelegd en in de opstanding verschenen, zegt Hij: “Jullie zullen Mij niet altijd bij jullie hebben.” Waarom? Omdat Hij volgens de aanwezigheid van zijn lichaam nog veertig dagen met zijn leerlingen omging en toen naar de hemel voer. Ze volgen Hem wel met hun ogen, maar niet met hun voeten. Hij is hier niet, maar Hij zit daar aan de rechterhand van de Vader. En toch is Hij hier, omdat de aanwezigheid van zijn majesteit niet voorbij is. Op een andere manier, volgens de aanwezigheid van zijn majesteit, hebben wij Christus altijd. Volgens de aanwezigheid van het vlees heeft Hij terecht gezegd: “Maar jullie zullen Mij niet altijd hebben.” Want de kerk heeft Hem volgens de aanwezigheid van het vlees maar enkele dagen gehad. Nu heeft zij Hem door geloof, al ziet zij Hem niet met de ogen.’

Augustinus noemt hier dus – om dat even kort op te merken – drie manieren waarop Christus aanwezig is: door zijn majesteit, door zijn voorzienigheid en door zijn onuitsprekelijke genade. Die laatste manier vat ik op als het wonderlijk deelhebben aan zijn lichaam en bloed. Als we dat tenminste zo opvatten dat dat gebeurt door de kracht van de Heilige Geest. Niet door die verzonnen insluiting van zijn lichaam onder het brood. Onze Heer heeft immers verklaard dat Hij vlees en bloed had die aangeraakt en gezien konden worden.

En met de woorden ‘weggaan’ en ‘opvaren’ wordt geen schijn-weggaan en schijn-opvaren bedoeld, maar echt wat de woorden betekenen. Moeten we dan, zal iemand zeggen, een bepaalde plek in de hemel aanwijzen voor Christus? Ik antwoord met Augustinus dat dit een heel nieuwsgierige en overbodige vraag is. Als we maar geloven dat Hij in de hemel is.

De betekenis van Christus’ hemelvaart

Maar geeft het zo vaak herhaalde woord ‘opvaren’ dan geen verhuizing aan van de ene plek naar de andere? Mijn tegenstanders ontkennen dat. Volgens hen slaat de hoogte alleen maar op de majesteit van zijn koninkrijk. Maar wat betekent dan de manier waarop Hij opgevaren is? Hij voer toch op voor de ogen van zijn leerlingen? De evangelisten vertellen toch duidelijk dat Hij werd opgenomen door de hemel? Handelingen 1:9; Lucas 24:51; Marcus 16:19 Deze scherpzinnige sofisten voeren echter aan dat een wolk Hem aan hun ogen onttrok. Gelovigen zouden daaruit moeten leren dat Hij daarna niet meer zichtbaar zou zijn in de wereld. Alsof Hij dan niet eerder in een ogenblik had moeten verdwijnen of dat een wolk Hem had moeten bedekken voor Hij maar een voet verzette! Dat zou geloof wekken in zijn onzichtbare aanwezigheid. Maar dat Hij omhoog gevoerd werd, de lucht in, en dat er een wolk onder Hem kwam, leert ons dat we Hem niet meer op aarde moeten zoeken. Daarom kan ik veilig concluderen dat Hij nu in de hemel woont, zoals Paulus ook verzekert. Hij beveelt ons dat we Hem daarvandaan moeten verwachten. Filippenzen 3:20

Daarom waarschuwen de engelen de leerlingen dat ze tevergeefs opkijken naar de hemel. Want Jezus is opgenomen in de hemel, maar zal terugkomen zoals ze Hem hebben zien opvaren. Handelingen 1:11 De tegenstanders van de gezonde leer nemen ook hier een volgens hen slimme uitweg. Ze zeggen dat Hij dan weer zichtbaar komt, maar dat Hij de aarde nooit verlaten heeft, maar onzichtbaar bij de zijnen blijft. Alsof de engelen het daar hadden over twee vormen van aanwezigheid en van de leerlingen niet simpelweg ooggetuigen van de hemelvaart maakten, om aan alle twijfel een eind te maken! Het was alsof ze zeiden: ‘Hij is voor jullie ogen opgenomen in de hemel. Hij heeft het hemelse koninkrijk opgeëist. Nu hoeven jullie alleen maar geduldig af te wachten totdat Hij terugkomt als rechter over de wereld. Want Hij is de hemel nu niet binnengegaan om die alleen zelf in bezit te hebben, maar om jullie en alle vromen bij zich te verzamelen.’

Augustinus over Christus’ aanwezigheid op aarde

Maar de verdedigers van dit valse dogma schamen zich er totaal niet voor om het te tooien met instemmingsverklaringen van oude schrijvers. Vooral van Augustinus. Daarom zal ik in enkele woorden uitleggen hoe onterecht hun pogingen daartoe zijn. Hun bewijzen zijn verzameld uit het werk van geleerde en vrome mannen. Daarom wil ik geen overbodig werk doen. Ieder die dat wil, kan ze in hun geschriften vinden. Zelfs uit het werk van Augustinus zal ik niet alles aanvoeren wat bij deze zaak kan helpen. Nee, ik zal me ertoe beperken om in het kort te laten zien dat hij ontegenzeglijk volledig aan mijn kant staat.

Mijn tegenstanders willen Augustinus van mij losrukken. Daarom voeren ze aan dat je overal in zijn boeken leest dat in het avondmaal Christus’ vlees en bloed – het offer dat voor eens en voor altijd aan het kruis geofferd is – wordt uitgedeeld. Maar daar schieten ze niets mee op. Want tegelijk noemt hij het avondmaal óf een eucharistie, óf een sacrament van het lichaam.

Verder is het niet nodig om uitgebreid te onderzoeken in welke betekenis hij de woorden ‘vlees’ en ‘bloed’ gebruikt. Want dat legt hij zelf uit. Hij zegt dat sacramenten hun naam krijgen doordat ze lijken op de dingen die ze uitbeelden. En daarom is op een bepaalde manier het sacrament van het lichaam het lichaam. Dat klopt prima met een andere genoegzaam bekende passage: ‘Toen Hij het teken gaf, aarzelde de Heer niet om te zeggen: “Dit is mijn lichaam.”’

Vervolgens werpen mijn tegenstanders tegen dat Augustinus expliciet schrijft dat Christus’ lichaam op aarde valt en de mond binnengaat. En nog wel in dezelfde zin waarin hij zegt dat het verteerd wordt. Want hij verbindt die twee dingen met elkaar. Maar dat is niet in strijd met wat hij óók zegt: dat nadat het avondmaal gehouden is, het brood verteerd wordt. Want kort daarvóór zegt hij: ‘De mensen weten dit. Want het wordt door mensen gedaan. Daarom kan het geëerd worden als iets heiligs, maar niet als iets wonderlijks.’

En hetzelfde bedoelt hij in een andere passage, waar hij zegt dat Christus in zekere zin zichzelf in handen hield toen Hij het avondmaalsbrood uitdeelde aan zijn leerlingen. Want doordat hij er ‘in zekere zin’ bij zegt, maakt hij duidelijk dat Christus niet echt, niet daadwerkelijk onder het brood zat ingesloten. En dat is logisch. Want ergens anders zegt hij duidelijk dat als je lichamen hun ruimtelijke locatie ontneemt, ze nergens meer zijn. En als ze nergens meer zijn, dan bestaan ze niet meer.

Het is een onzinnige uitvlucht om te zeggen dat het daar niet over het avondmaal gaat, waarin de Heer een speciale kracht laat zien. Want als er een vraag gesteld wordt over Christus’ vlees, antwoordt deze heilige man welbewust: ‘Christus heeft zijn vlees onsterfelijkheid gegeven. Maar Hij heeft de natuur van het vlees niet weggenomen. We moeten dus niet denken dat hij in de gedaante van het vlees overal verspreid is. Want we moeten oppassen dat we geen goddelijkheid toekennen aan de mens en zo de werkelijkheid van zijn lichaam onderuithalen. En het is geen logische consequentie dat alles wat in God is, net als God overal is.’ De reden daarvoor voegt hij er meteen aan toe: ‘Eén persoon is zowel God als mens. Eén Christus is beide. Door wat God is, is Hij overal. Maar door wat mens is, is Hij in de hemel.’

Stel dat er in het mysterie van het avondmaal iets was dat in strijd was met wat Augustinus hier leert. Wat slordig zou het dan van hem geweest zijn om voor zoiets ernstigs en belangrijks geen uitzondering te maken! Maar als je aandachtig leest wat even later volgt, zul je merken dat ook op het avondmaal deze algemene leer van toepassing is: Christus is Gods eniggeboren Zoon en ook een mensenzoon. Als God is Hij overal volledig aanwezig. Hij woont als God in Gods tempel – de kerk. En Hij bevindt zich op een bepaalde plek in de hemel, omdat dat de natuur is van zijn echte lichaam. We zien dat Augustinus, om Christus één te laten worden met de kerk, zijn lichaam niet uit de hemel weghaalt. Dat zou hij natuurlijk wel gedaan hebben als Christus alleen echt voedsel voor ons zou zijn als Hij zit ingesloten onder het brood.

Ergens anders bespreekt Augustinus hoe de gelovigen Christus nu in bezit hebben. Dan zegt hij: ‘Jullie hebben Hem door het teken van het kruis, door het sacrament van de doop en door het voedsel en de drank van het altaar.’ Ik heb het er nu niet over of het wel terecht is dat hij een bijgelovig ritueel meetelt onder de symbolen van Christus’ aanwezigheid. Maar wie de aanwezigheid van het vlees vergelijkt met het teken van het kruis, laat duidelijk genoeg zien dat hij zich niet inbeeldt dat Christus twee lichamen heeft, zodat Hij zichtbaar in de hemel zit en tegelijk onzichtbaar onder het brood schuil zou gaan. Heeft dit nog verdere uitleg nodig? Hij voegt er meteen daarna aan toe dat we Christus volgens de aanwezigheid van zijn majesteit altijd bij ons hebben, maar dat volgens de aanwezigheid van zijn vlees terecht gezegd is: ‘Jullie zullen Mij niet altijd hebben.’ Mattheüs 26:11

Mijn tegenstanders voeren aan dat Augustinus er ook aan toevoegt: ‘Volgens de onuitsprekelijke en onzichtbare genade wordt vervuld dat door Hem gezegd is: “Ik ben bij jullie tot aan het einde van de wereld.”’ Mattheüs 28:20 Maar daar schieten ze helemaal niets mee op. Tenslotte wordt dit immers beperkt tot zijn majesteit. Die staat altijd tegenover het lichaam. Augustinus maakt expliciet onderscheid tussen het vlees en de genade en kracht. Net zoals je ergens anders bij hem dezelfde tegenstelling leest dat Christus zijn leerlingen verlaten heeft volgens zijn lichamelijke aanwezigheid. Blijkbaar maakt hij daar onderscheid tussen het wezen van het vlees en de kracht van de Geest. De Geest maakt ons één met Christus, terwijl we anders ver van Hem verwijderd zouden blijven door de ruimtelijke afstand.

Dezelfde manier van spreken gebruikt hij vaker. Bijvoorbeeld als hij zegt: ‘Zo zal Hij ook met zijn lichamelijke aanwezigheid komen naar de levenden en de doden, volgens de regel van het geloof en de gezonde leer. Want met zijn geestelijke aanwezigheid zou Hij zeker bij hen komen en bij heel de kerk zijn tot het einde van de wereld. Dus is deze uitspraak gericht tot de gelovigen die Hij, toen Hij lichamelijk aanwezig was, al begonnen was te redden en die Hij zou verlaten door lichamelijk afwezig te zijn, om hen met de Vader te redden door geestelijk aanwezig te zijn.’ Het heeft geen zin om het woord ‘lichamelijk’ op te vatten als ‘zichtbaar’. Want hij stelt ook het lichaam tegenover de goddelijke macht. Want hij voegt eraan toe: ‘Om met de Vader te redden.’ Daarmee zegt hij duidelijk dat Christus vanuit de hemel zijn genade over ons uitspreidt door de Geest.

Christus heeft een echt menselijk lichaam

Maar mijn tegenstanders hebben veel vertrouwen in deze schuilplaats van een onzichtbare aanwezigheid. Dus, kom op, laten we eens kijken hoe goed ze zich daarin kunnen verstoppen.

Om te beginnen kunnen ze nog geen lettergreep opdiepen uit de Schrift om te bewijzen dat Christus onzichtbaar is. Maar zij nemen als vaststaand aan wat niemand met gezond verstand hun zal toegeven: dat Christus’ lichaam in het avondmaal alleen gegeven kan worden bedekt met het masker van het brood. Juist daarover gaan ze met ons in discussie. Het is dus absoluut geen vaststaand uitgangspunt!

Maar als ze zo kletsen, zijn ze gedwongen om aan te nemen dat Christus een dubbel lichaam heeft. Want volgens hen is het zichtbaar in de hemel, maar in het avondmaal door een speciale dispensatie onzichtbaar. Maar op basis van andere Schriftpassages en ook op basis van het getuigenis van Petrus kun je gemakkelijk beoordelen hoe goed dat in elkaar past. Petrus zegt dat Christus in de hemel opgenomen of ingesloten moet worden totdat Hij terugkomt. Handelingen 3:21 Maar mijn tegenstanders leren dat Hij overal is, maar dan zonder zichtbare gedaante. Zij voeren aan dat het niet past bij de natuur van zijn glorierijke lichaam dat het onderworpen zou zijn aan de wetten van de algemene natuur.

Maar dit antwoord sleept de waanzin met zich mee van Servet, waar alle vromen terecht een afkeer van hebben: dat Christus’ God zijn zijn lichaam opgeslokt heeft. Ik zeg niet dat dat de overtuiging van mijn tegenstanders is. Maar als je onder de gaven van het glorierijke lichaam ook meetelt dat het op een onzichtbare manier alles vult, dan is het duidelijk dat je de substantie van het lichaam uitwist. En dan blijft er geen verschil meer over tussen Christus’ God zijn en zijn menselijke natuur.

Bovendien, als Christus’ lichaam zo veelvormig en veelzijdig is dat het op de ene plek zichtbaar is, maar op een andere plek onzichtbaar, wat is er dan nog over van de eigenlijke natuur van een lichaam, dat bestaat uit het hebben van bepaalde afmetingen? En wat is er dan nog over van de eenheid? Tertullianus heeft meer gelijk als hij schrijft dat Christus’ lichaam een echt natuurlijk lichaam was, omdat de zichtbare vorm ervan ons in het sacrament van het avondmaal gepresenteerd wordt als waarborg en garantiebewijs van het geestelijke leven. De zichtbare vorm zou vals zijn als dat wat het uitbeeldt, niet echt zou zijn. En natuurlijk zei Christus over zijn glorierijke lichaam: ‘Kijk en raak aan, want een geest heeft geen vlees en botten.’ Lucas 24:39 Zie je, Christus’ eigen mond bewijst de echtheid van zijn vlees! Want het kan aangeraakt en gezien worden. Haal een van deze twee eigenschappen weg en het is geen vlees meer.

Mijn tegenstanders nemen steeds de toevlucht tot de schuilplaats van de dispensatie die zij zelf gefabriceerd hebben. Maar het is onze plicht om wat Christus expliciet uitspreekt zo te omhelzen dat wat Hij wil verklaren voor ons geldig is zonder uitzondering. Hij bewijst dat Hij geen spook is, omdat Hij in zijn vlees zichtbaar is. Stel dat je weghaalt wat volgens Hem een eigenschap is van de natuur van zijn lichaam. Fabriceer je dan geen nieuwe definitie van wat een lichaam is?

Verder, in welke richting ze ook proberen te ontkomen, er is voor hun verzonnen dispensatie geen ruimte in de uitspraak van Paulus dat we uit de hemel onze redder verwachten, die ons vernederd lichaam zal veranderen, zodat het qua vorm gelijk wordt aan zijn glorierijke lichaam. Filippenzen 3:20-21 We moeten immers geen gelijkvormigheid verwachten in de eigenschappen die mijn tegenstanders aan Christus toedichten.

Dan zou ieder een onzichtbaar en onbegrensd lichaam hebben. Maar er valt niemand te vinden die zo dom is dat ze hem zoiets absurds zouden kunnen laten geloven. Laten ze Christus’ glorierijke lichaam dus niet de gave toeschrijven dat het op veel plaatsen tegelijk is en niet ruimtelijk begrensd is. Kortom, laten ze óf openlijk de opstanding ontkennen, óf toegeven dat Christus, bekleed met hemelse glorie, zijn vlees niet uitgetrokken heeft. Want Hij zal ons samen met Hem laten delen in diezelfde glorie, aangezien we ook zullen delen in dezelfde opstanding als Hij.

Immers, wat leert heel de Schrift zo duidelijk als dit? Toen Christus geboren werd uit een maagd, heeft Hij echt ons vlees aangetrokken. Toen Hij voor ons genoegdoening gaf, leed Hij echt in ons vlees. En zo heeft Hij bij zijn opstanding ook echt hetzelfde vlees gekregen en meegenomen naar de hemel. Want de hoop voor onze opstanding en hemelvaart is dat Christus is opgestaan en opgevaren en – zo zegt Tertullianus – de waarborg van onze opstanding met zich meegenomen heeft naar de hemel. Hoe zwak en broos zou die hoop zijn als niet ons eigen vlees echt in Christus was opgewekt en echt het koninkrijk van de hemel was binnengegaan? Toch is dit de werkelijkheid die eigen is aan een lichaam: het neemt een bepaalde ruimtelijke plek in, het heeft bepaalde afmetingen en het heeft een zichtbare gedaante.

Weg dus met dat dwaze verzinsel dat zowel de harten van de mensen als Christus vasthecht aan het brood! Want welk doel heeft de onzichtbare aanwezigheid onder het brood anders dan om degenen die één willen worden met Christus bij dat teken te laten blijven staan? Maar de Heer zelf wil niet alleen onze ogen, maar al onze zintuigen wegleiden van de aarde. Daarom verbood

Hij de vrouwen dat ze Hem aanraakten zolang Hij nog niet was opgevaren naar de Vader. Johannes 20:17 Hij ziet dat Maria zich met een vrome ijver om haar eerbied te bewijzen haast om zijn voeten te kussen. Dus waarom zou Hij deze aanraking afkeuren en verbieden zolang Hij nog niet was opgenomen in de hemel? De enige reden is dat Hij niet wil dat we Hem ergens anders zoeken.

Mijn tegenstanders werpen tegen dat Stefanus Hem later toch nog gezien heeft. Handelingen 7:55 Maar dat kan ik gemakkelijk weerleggen. Het was immers niet nodig dat Christus daarvoor op een andere plek was. Want Hij kon zijn dienaar de mogelijkheid geven om met zijn ogen tot in de hemel te kijken. Hetzelfde kunnen we zeggen over Paulus. Handelingen 9:4

Mijn tegenstanders werpen tegen dat Christus een afgesloten graf uit ging Mattheüs 28:6 en bij de leerlingen binnenkwam terwijl de deuren gesloten waren. Johannes 20:19 Maar ook dat biedt hun dwaling geen steun. Immers, toen Christus op het meer wandelde, bood het water Hem een pad alsof het een stevige ondergrond was. Zo is het ook geen wonder dat de steen niet langer hard was toen Hij eraan kwam. Al is het waarschijnlijker dat de steen op zijn bevel uit de weg ging en daarna, nadat het Christus doortocht verleend had, weer op zijn plek terugkeerde. En dat Hij binnenkwam terwijl de deur gesloten was, betekent niet dat Hij dwars door vaste materie drong. Het betekent alleen maar dat Hij zich een toegang baande door zijn goddelijke kracht. Daardoor stond Hij plotseling midden tussen zijn leerlingen. Dat was iets wonderlijks omdat de deuren vergrendeld waren.

Mijn tegenstanders halen uit Lucas aan dat Christus plotseling verdween uit de ogen van de leerlingen met wie Hij naar Emmaüs gereisd was. Lucas 24:31 Ook daar hebben ze niets aan. Het steunt juist mij. Want om ervoor te zorgen dat zij Hem niet meer zagen, werd Hij niet onzichtbaar. Nee, Hij verdween alleen. Net zoals Hij, toen Hij samen met hen reisde, geen nieuw uiterlijk aannam om niet herkend te worden, maar ervoor zorgde dat zij Hem met hun ogen niet herkenden. Dat getuigt dezelfde Lucas. Lucas 24:16

Mijn tegenstanders laten Christus niet alleen van gedaante veranderen, zodat Hij op aarde kan blijven wonen. Ze verzinnen ook dat Hij hier iemand anders is dan daar en dat Hij niet blijft wie Hij is. Kortom, door zo te kletsen, maken ze van Christus’ lichaam een geest. Dat zeggen ze zo niet, maar daar komt het wel op neer. En daar zijn ze nog niet mee tevreden. Daarom voorzien ze het van heel tegenstrijdige eigenschappen. Het gevolg is dat het niet anders kan of Christus heeft een dubbel lichaam.

Christus’ lichaam is niet alomtegenwoordig

Ook al zou ik mijn tegenstanders toegeven wat ze over de onzichtbare aanwezigheid zeggen, dan is daarmee nog niet bewezen dat Christus’ lichaam onbegrensd is. En zonder dat is het tevergeefs dat ze proberen om Christus in te sluiten onder het brood. Als Christus’ lichaam niet overal tegelijk kan zijn zonder ruimtelijke begrenzing, kunnen we niet geloven dat het in het avondmaal schuilgaat onder het brood. Dit dwong hen om een wonderlijke alomtegenwoordigheid in te voeren.

Maar overtuigende en duidelijke Schriftbewijzen laten zien dat Christus’ lichaam net zo begrensd was als elk menselijk lichaam. Bovendien heeft Christus door zijn hemelvaart laten blijken dat Hij niet overal tegelijk is, maar dat Hij, als Hij ergens heen gaat, ergens anders weggaat.

Ook de belofte die zij aanvoeren – ‘Ik ben bij jullie tot aan het einde van de wereld.’ Mattheüs 28:20 – moeten we niet op zijn lichaam laten slaan. Om te beginnen zouden we onmogelijk continu één kunnen zijn met Christus als Hij niet ook buiten het gebruik van het avondmaal fysiek in ons zou wonen. Daarom hebben zij geen geldige reden om zo fel te strijden om Christus in het avondmaal in te sluiten onder het brood. Want ze erkennen zelf dat we Hem ook hebben buiten het avondmaal. Bovendien blijkt uit de context dat Christus het helemaal niet over zijn vlees heeft. Nee, Hij beloofde de leerlingen onoverwinnelijke hulp om hen te beschermen en overeind te houden tegen alle aanvallen van Satan en de wereld. Hij legde hun immers een zware taak op. Daarom versterkt Hij hen met het vertrouwen in zijn aanwezigheid, om te voorkomen dat ze zouden aarzelen die taak op zich te nemen, of dat ze die angstig op zich zouden nemen.

Het is dus net alsof Hij zei dat zij het nooit zonder zijn hulp zouden hoeven stellen. En die hulp zou onoverwinnelijk zijn. Als mijn tegenstanders niet alles in verwarring wilden brengen, hadden ze dan geen onderscheid moeten maken in de manier van aanwezigheid?

En werkelijk, sommigen laten liever tot hun grote schande blijken hoe onwetend ze zijn, dan ook maar het kleinste stukje af te wijken van hun dwaling. Ik heb het nu niet over de pausgezinden. Hun leer is minder onacceptabel of in elk geval bescheidener. Maar sommigen zijn door hun zin in discussie zo ver gegaan dat ze, vanwege de band tussen de twee naturen van Christus, zeggen dat overal waar Christus’ goddelijke natuur is, ook zijn vlees is. Want dat vlees kan niet van zijn goddelijke natuur gescheiden worden. Alsof die band uit de twee naturen een soort tussenwezen gefabriceerd heeft dat geen God en geen mens is!

Dat leerde Eutyches en na hem Servet. Maar uit de Schrift kun je duidelijk opmaken dat de ene persoon van Christus zo uit twee naturen bestaat dat ze toch ieder hun eigen aard houden. En mijn tegenstanders zouden zich ervoor schamen om te ontkennen dat Eutyches terecht veroordeeld is. Maar het is wonderlijk dat ze niet letten op de reden voor die veroordeling: hij maakte geen onderscheid meer tussen de naturen, maar hield wel vast aan de ene persoon. Zo maakte Hij van Jezus Christus voor zover Hij God was, een mens en voor zover Hij mens was, God. Wat blijken mijn tegenstanders waanzinnig dat ze liever aarde en hemel vermengen dan hun pogingen opgeven om Christus’ lichaam weg te rukken uit het heiligdom van de hemel!

Tot hun verdediging voeren ze deze Schriftbewijzen aan: ‘Niemand is opgevaren naar de hemel, behalve degene die uit hemel neergedaald is: de mensenzoon die in de hemel is.’ Johannes 3:13 En: ‘De Zoon, die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem aan ons bekendgemaakt.’ Johannes 1:18 Maar daaruit blijkt dezelfde domheid. Want ze negeren de ‘uitwisseling van eigenschappen’ die de heilige kerkvaders in het verleden niet voor niets bedacht hebben. Paulus zegt dat de Heer van de glorie gekruisigd is. 1 Korinthiërs 2:8 Natuurlijk bedoelt hij dan niet dat Hij ook maar iets geleden heeft in zijn goddelijke natuur. Nee, hij zegt het zo omdat Christus, die als een verworpene en verachte leed in het vlees, ook God was en Heer van de glorie. Op die manier was ook de mensenzoon in de hemel: omdat dezelfde Christus die volgens het vlees als mensenzoon op aarde leefde, ook God was in de hemel. Daarom zegt Christus in dezelfde passage ook dat Hij volgens zijn goddelijke natuur is neergedaald. Niet dat Hij in zijn goddelijke natuur de hemel verlaten heeft om zich te verhullen in de gevangenis van het lichaam. Nee, omdat zijn goddelijke natuur weliswaar alles vervult, maar toch fysiek – dat wil zeggen: op een natuurlijke en op een bepaalde onuitsprekelijke manier – in Christus menselijke natuur woonde.

In de scholen is het gebruikelijk om een onderscheid te maken waar ik me niet voor schaam om die te noemen: ook al is de hele Christus overal, toch is niet alles wat in Hem is overal. En ach, hadden de scholastici zelf maar goed nagedacht over de betekenis van deze uitspraak! Dan zou het dwaze verzinsel over Christus’ vleselijke aanwezigheid voorkomen zijn. Dus omdat onze middelaar altijd helemaal overal is, is Hij altijd bij de zijnen aanwezig. En in het avondmaal laat Hij op een speciale manier zien dat Hij aanwezig is. Maar toch zo dat Hij wel helemaal aanwezig is, maar niet met alles wat Hij heeft. Want zoals gezegd: wat betreft zijn vlees is Hij in de hemel, totdat het oordeel komt.

Christus komt niet naar beneden, maar haalt ons naar boven

Maar als je geen andere aanwezigheid van Christus’ vlees in het avondmaal accepteert dan in het brood, dan vergis je je erg. Want dan laat je niets over van de verborgen werking van de Geest. Die maakt zelf ons één met Christus. Mijn tegenstanders denken dat Christus alleen aanwezig is als Hij naar ons afdaalt. Alsof we niet evengoed van zijn aanwezigheid zouden genieten als Hij ons naar zich omhoog zou halen.

Het draait bij deze vraag dus alleen om de manier waarop Hij dat doet. Want mijn tegenstanders plaatsen Christus in het brood. Maar ik vind dat het ons niet is toegestaan om Hem uit de hemel naar beneden te trekken. De lezers mogen zelf beoordelen welk van beide het meest juist is. Alleen, weg met de beschuldiging dat we Christus uit het avondmaal weghalen als we Hem niet laten schuilgaan onder de bedekking van het brood! Want dit is een hemels mysterie. Daarom is het niet nodig om Christus naar de aarde te halen om ons één met Hem te laten worden.

Afwijzing van absurde ideeën

Verder, als je mij vraagt naar de manier waarop Christus aanwezig is, dan schaam ik me er niet voor om te erkennen dat dit zo’n diep mysterie is dat ik het niet met mijn verstand kan begrijpen of met woorden kan communiceren. En, om het duidelijker te zeggen: ik ervaar dit mysterie meer dan dat ik het begrijp. Hier omhels ik dus zonder tegenspreken Gods waarheid. Daarin mag ik veilig rusten. Hij zegt dat zijn vlees voedsel en zijn bloed drank is voor mijn ziel. Ik bied Hem mijn ziel om met zulk voedsel gevoed te worden. In het heilig avondmaal gebiedt Hij mij om onder de symbolen van brood en wijn zijn lichaam en bloed te nemen, te eten en te drinken. Ik twijfel er absoluut niet aan dat Hij mij dat echt aanreikt en dat ik het echt krijg.

Alleen wijs ik wel de absurde ideeën af die óf Christus’ hemelse majesteit onwaardig blijken te zijn, óf niet passen bij zijn menselijke natuur. Want het kan ook niet anders, of zulke ideeën zijn in strijd met Gods Woord. Dat leert dat Christus zo is opgenomen in de glorie van het hemelse koninkrijk dat Hij boven elke aardse toestand verheven is. Maar tegelijk geeft het even ijverig hoog op van de dingen in zijn menselijke natuur die horen bij het echt mens zijn.

En dat hoeft niet ongelooflijk te lijken of in strijd met de logica. Want heel Christus’ koninkrijk is geestelijk. En dus mag alles wat Hij met zijn kerk doet absoluut niet afgemeten worden aan de manieren van deze wereld. Of, om de woorden van Augustinus te gebruiken: een mens voert dit mysterie uit, net als andere dingen, maar namens God. Op aarde, maar op een hemelse manier. De aanwezigheid van zijn lichaam is zoals nodig is voor het sacrament: volgens mij verschijnt het hier zo krachtig en effectief dat het niet alleen onze ziel een ontwijfelbaar vertrouwen oplevert op het eeuwige leven, maar ons ook verzekert dat ons vlees onsterfelijk is. Immers, het wordt nu door zijn onsterfelijk vlees levend gemaakt en het deelt in zekere zin in zijn onsterfelijkheid.

Als je overdrijft en verder gaat dan dit, doe je niets anders dan de eenvoudige en duidelijke waarheid verhullen en verduisteren. Als iemand nu nog niet tevreden is, laat hij dan samen met mij maar even bedenken dat het hier over een sacrament gaat. Alles daarvan moet je in verband brengen met geloof. En, zoals ik heb verteld, voeden we het geloof door het deelhebben aan Christus’ lichaam even royaal en overvloedig als degenen die Christus zelf uit de hemel trekken.

Ondertussen geef ik ronduit toe dat ik de vermenging van Christus’ vlees met onze ziel of het overgieten, zoals mijn tegenstanders leren, afwijs. Want het is voor ons voldoende dat Christus uit de substantie van zijn vlees het leven in onze ziel blaast. Sterker nog, dat Hij zijn eigen leven in ons uitstort. Ook al komt Christus eigen vlees ons niet binnen. Bovendien is er geen twijfel aan dat de analogie van het geloof aan mijn kant staat. Paulus gebiedt ons dat we elke Schriftuitleg volgens die analogie moeten onderzoeken. Romeinen 12:3-6 Als je tegen zo’n duidelijke waarheid ingaat, mag je je wel eens afvragen welke norm voor het geloof je dan volgt. Als je niet gelooft dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, ben je niet uit God. 1 Johannes 4:2-3 Mijn tegenstanders ontkennen het of beseffen het niet, maar ze beroven Christus van zijn vlees!

Ongelovigen en het avondmaal

Op dezelfde manier moeten we beoordelen dat mijn tegenstanders ontkennen dat ze deel hebben aan Christus’ vlees als ze het niet onder het brood doorslikken. Maar we doen de Heilige Geest groot onrecht als we niet geloven dat we door middel van zijn onbegrijpelijke kracht deel hebben aan Christus’ vlees en bloed. De kracht van dit mysterie, zoals ik dat leer, heeft de oude kerk tijdens de eerste vierhonderd jaar gekend. Als we daarover na hadden gedacht zoals het verdient, dan hadden we daar meer dan genoeg aan gehad. Dan zou de deur gesloten zijn gebleven voor veel schandelijke dwalingen. Uit die dwalingen zijn veel afschuwelijke meningsverschillen ontstaan, die de kerk jammerlijk gekweld hebben, zowel in het verleden als in onze tijd. Want nieuwsgierige mensen eisen een extreme manier van aanwezigheid die de Schrift nooit laat zien. En over iets dat ze zelf dwaas en overmoedig bedacht hebben, gaan ze tekeer alsof met de insluiting van Christus onder het brood het geloof staat of valt.

Het is vooral belangrijk dat we weten hoe Christus’ lichaam, zoals het voor eens en voor altijd voor ons gegeven is, van ons wordt en hoe wij deel krijgen aan zijn vergoten bloed. Want zo krijgen we heel de gekruisigde Christus in bezit en kunnen we genieten van al zijn goede gaven. Maar mijn tegenstanders laten deze heel belangrijke dingen liggen. Ze negeren ze en begraven ze haast. Ze zijn alleen geïnteresseerd in deze spitsvondige vraag: hoe schuilt Christus’ lichaam onder het brood of onder de gedaante van het brood?

Onterecht pochen ze dat alles wat ik leer over geestelijk eten het tegenovergestelde is van wat zij echt eten noemen. Maar ik kijk alleen maar naar de manier van eten. Zij eten vleselijk, omdat ze Christus insluiten in het brood. Wij eten geestelijk, omdat de verborgen kracht van de Geest de band is die ons bindt aan Christus.

Even onwaar is hun andere bezwaar, dat ik het alleen maar heb over de vrucht of het effect van het eten van Christus’ vlees. Want ik heb eerder al gezegd dat Christus zelf de materie van het avondmaal is en dat dat de vrucht oplevert dat wij door het offer van zijn dood van zonden gereinigd, door zijn bloed gewassen en door zijn opstanding opgewekt worden om te hopen op het hemelse leven. Maar hun verstand is beneveld door de dwaze inbeelding die Lombardus bedacht heeft: ze denken dat het eten van Christus’ vlees het sacrament is. Want hij zegt: ‘Het sacrament zonder inhoud is de gedaante van brood en wijn. Het sacrament met de inhoud is het vlees en bloed van Christus. De inhoud zonder het sacrament is zijn mystieke vlees.’ En even later: ‘De inhoud die erdoor wordt aangeduid en die erin zit, is Christus’ eigen vlees. De inhoud die erdoor wordt aangeduid maar die er niet in zit, is zijn mystieke lichaam.’ Ik ben het met hem eens als hij onderscheid maakt tussen Christus’ vlees en de voedingskracht die het heeft. Maar dat hij Christus’ vlees het sacrament noemt dat in het brood zit, is een onacceptabele dwaling!

Dit heeft geleid tot de verkeerde uitleg over sacramenteel eten: ze dachten dat ook goddeloze en slechte mensen Christus’ lichaam eten, ook al horen ze niet bij Hem. Maar Christus’ vlees is in het mysterie van het avondmaal net zo geestelijk als het eeuwige behoud. Dat betekent dus volgens mij dat je, als je Christus’ Geest niet hebt, ook Christus’ vlees niet kunt eten, evenmin als je wijn kunt drinken zonder die te proeven.

Zeker, Christus wordt op een onwaardige manier verscheurd als zijn lichaam als dood en krachteloos wordt prijsgegeven aan ongelovigen. En dat is ook duidelijk in strijd met wat Hij zelf gezegd heeft: ‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.’ Johannes 6:56 Mijn tegenstanders voeren aan dat het daar niet gaat over sacramenteel eten. En dat geef ik toe. Maar dan moeten ze zich niet steeds weer stoten aan dezelfde steen: dat het vlees zelf gegeten wordt zonder enige vrucht.

Ik zou van hen wel eens willen weten hoe lang ze het vlees in zich houden als ze het gegeten hebben. Volgens mij kunnen ze bij die vraag geen uitweg vinden.

Maar ze werpen tegen dat de ondankbaarheid van mensen niets kan afnemen of ongeldig kan maken van de betrouwbaarheid van Gods beloften. Natuurlijk geef ik dat toe. Volgens mij blijft de kracht van het mysterie onaangetast, hoe goddelozen ook hun best doen om die, voor zover zij dat kunnen, teniet te doen. Maar aangeboden krijgen is iets anders dan daadwerkelijk krijgen. Christus biedt dit geestelijk voedsel aan iedereen aan en geeft iedereen deze geestelijke drank te drinken. Sommigen maken er graag gebruik van, anderen wijzen het met weerzin af. Zorgt hun afwijzing ervoor dat het voedsel en de drank hun natuur verliezen? Mijn tegenstanders zullen zeggen dat deze vergelijking hun opvatting steunt: Christus’ vlees is vlees, ook al proef je dat niet. Maar ik ontken dat je het kunt eten zonder het door geloof te proeven. Of als je liever hebt dat ik het met de woorden van Augustinus zeg: ik ontken dat mensen uit het sacrament meer kunnen halen dan ze verzamelen met het vat van het geloof. Er gaat dus niets af van het sacrament. De betrouwbaarheid en effectiviteit ervan blijven onaangetast. Ook al gaan goddelozen leeg weg nadat ze er uiterlijk aan deelgenomen hebben.

Mijn tegenstanders werpen vervolgens tegen dat je tekort doet aan de uitspraak: ‘Dit is mijn lichaam,’ als je zegt dat goddelozen alleen maar vergankelijk brood krijgen en niet meer. Maar het antwoord ligt voor de hand: God wil niet dat we erkennen dat Hij betrouwbaar is omdat iedereen daadwerkelijk krijgt, maar omdat Hij constant goed is. In zijn goedheid is Hij bereid mensen die het niet waard zijn, te geven wat ze afwijzen. Hij biedt het hun zelfs royaal aan! En hierin is het sacrament ongeschonden en kan de hele wereld het niet schenden: dat Christus’ vlees en bloed even echt gegeven worden aan mensen die het niet waard zijn als aan Gods uitverkoren gelovigen. Maar tegelijk is ook waar dat het net is als met regen, die wegstroomt als hij op een harde rots valt, omdat hij niet in steen kan doordringen. Zo kunnen ook goddelozen met hun hardheid Gods genade wegjagen, zodat die niet in hen doordringt. Bovendien kun je evenmin Christus ontvangen zonder geloof als zaad kan ontkiemen in vuur.

Het heeft geen zin dat mijn tegenstanders vragen hoe Christus voor sommigen gekomen kan zijn om hen te veroordelen, als ze Hem niet krijgen zonder dat ze het waard zijn. Want we lezen nergens dat mensen de dood over zich afroepen doordat ze Christus krijgen zonder dat ze het waard zijn. Nee, ze doen dat juist doordat ze Hem afwijzen.

Mijn tegenstanders worden ook niet gesteund door de gelijkenis van Christus waarin Hij zegt dat het zaad ontkiemt tussen dorens en later verstikt wordt en vergaat. Want Hij legt daar uit wat tijdelijk geloof inhoudt. Maar mijn tegenstanders vinden dat geloof niet nodig is om Christus’ vlees te eten en zijn bloed te drinken. Daarmee stellen ze Judas wat dat betreft gelijk aan Petrus. Nee, deze gelijkenis weerlegt hun dwaling juist. Want Christus zegt dat één deel van het zaad op de weg valt en een ander deel op steenachtige bodem en dat het geen van beiden wortel schiet. Mattheüs 13:1-9 Dat betekent dus dat de hardheid van de ongelovigen hun in de weg staat. Daardoor komt Christus niet bij hen.

Ieder die graag wil dat ons behoud geholpen wordt door dit sacrament, zal niets vinden dat daar zo geschikt voor is als dat de gelovigen naar de bron geleid worden en hun leven putten uit Gods Zoon. En er wordt hoog genoeg opgegeven van de waardigheid van dit sacrament als we vasthouden dat het een hulpmiddel is waardoor we geënt worden in Christus’ lichaam of, als we geënt zijn, steeds verder met Hem samengroeien, totdat Hij ons volledig één met zich maakt in het hemelse leven.

Mijn tegenstanders werpen tegen dat als goddelozen geen deel zouden hebben aan Christus’ lichaam en bloed, Paulus hen niet schuldig had moeten stellen aan Christus’ lichaam en bloed. 1 Korinthiërs 11:29 Maar mijn antwoord is dat ze niet veroordeeld worden omdat ze gegeten hebben, maar alleen omdat ze het sacrament ontheiligd hebben. Want ze hadden de waarborg van de heilige gemeenschap met God moeten aannemen. Maar ze vertrappen het onder hun voeten.

Augustinus over ongelovigen en het avondmaal

Van de oude schrijvers heeft vooral Augustinus dit artikel van de leer verdedigd, dat van de sacramenten niets afgaat en dat de genade die ze symboliseren niet teniet gaat door ongeloof of slechtheid van mensen. Daarom is het nuttig om op basis van zijn woorden duidelijk te bewijzen hoe dom en verkeerd degenen die Christus’ lichaam aan honden voeren, Augustinus’ woorden laten slaan op het onderwerp dat we nu behandelen.

Volgens hen is sacramenteel eten een eten waardoor goddelozen Christus’ lichaam en bloed krijgen zonder de kracht van de Geest of enige vrucht van de genade. Augustinus echter denkt op een verstandige manier na over deze woorden: ‘Wie mijn vlees eet en mijn bloedt drinkt, zal voor eeuwig niet sterven.’ Johannes 6:50-54 Hij zegt daarover: ‘Dat geldt voor wie de kracht van het sacrament eet, niet alleen het zichtbare sacrament. En wel innerlijk, niet uiterlijk. Voor wie met het hart eet, niet voor wie met zijn tanden bijt.’ Daarom concludeert hij uiteindelijk dat het sacrament hiervan – van de eenheid met Christus’ lichaam en bloed – gepresenteerd wordt in het avondmaal van de Heer. Voor sommigen leidt dat tot het leven, voor anderen tot de ondergang. Maar dat waarvan het het sacrament is, wordt aan ieder die eraan deelneemt, gepresenteerd voor het leven en aan niemand voor de ondergang.

Niemand mag hiertegen inbrengen dat als inhoud niet het lichaam genoemd wordt, maar de genade van de Geest en dat die kan worden losgekoppeld van het lichaam. Want dit bezwaar wordt weggenomen door de tegenstelling tussen de woorden ‘zichtbaar’ en ‘onzichtbaar’. Immers, het eerste woord kan niet slaan op Christus’ lichaam. Dat betekent dus dat ongelovigen alleen maar deel krijgen aan het zichtbare symbool. En als hij zegt dat dit brood bedoeld is voor innerlijke honger, voegt hij er, om aan nog meer twijfel een eind te maken, aan toe: ‘God was blij met Mozes, Aäron, Pinehas en vele anderen die het manna aten. Waarom? Omdat ze het zichtbare voedsel geestelijk opvatten. Ze hadden een geestelijke honger en ze proefden het geestelijk om geestelijk verzadigd te raken. Want ook wij krijgen tegenwoordig zichtbaar voedsel, maar het sacrament is heel anders en ook de kracht van het sacrament is heel anders.’ En even later: ‘Dus wie niet in Christus blijft en in wie Christus niet blijft, eet zijn vlees en drinkt zijn bloed natuurlijk niet geestelijk, ook al bijt hij vleselijk en zichtbaar met zijn tanden in het teken van het lichaam en het bloed.’

We horen dat het zichtbare teken opnieuw tegenover geestelijk eten geplaatst wordt. Dat weerlegt de dwaling dat bij sacramenteel eten daadwerkelijk – niet geestelijk – het onzichtbare lichaam van Christus gegeten wordt. We horen ook dat onheilige en onreine mensen niets wordt toegestaan dan dat ze zichtbaar het teken tot zich nemen. Vandaar de bekende uitspraak van Augustinus dat de andere leerlingen als brood de Heer aten, maar Judas het brood van de Heer.2 Daarmee sluit hij ongelovigen duidelijk uit van het deelhebben aan het lichaam en bloed.

Daarop slaat ook wat hij ergens anders zegt: ‘Waarom verwondert het je dat Judas het brood van Christus kreeg, waardoor hij zou worden overgegeven aan de duivel? Je ziet aan de andere kant dat Paulus een engel van de duivel kreeg om daardoor in Christus volmaakt te worden.’3 2 Korinthiërs 12:7 Weliswaar zegt hij ergens anders dat het avondmaalsbrood Christus’ lichaam was voor degenen tegen wie Paulus zei:

‘Wie eet zonder dat hij het waard is, eet en drinkt zichzelf een oordeel.’ 1 Korinthiërs 11:29 Ook zegt Augustinus dat ze niet niets kregen omdat ze het verkeerd aannamen. Maar wat hij daarmee bedoelt, legt hij in een andere passage verder uit. Daar is het juist zijn bedoeling om vast te stellen hoe goddeloze en slechte mensen, die het christelijk geloof wel met de mond belijden, maar met hun daden ontkennen, Christus’ lichaam eten. Dan gaat hij in tegen de opvatting van sommigen die vonden dat ze het niet alleen sacramenteel, maar ook daadwerkelijk eten. Hij zegt: ‘Ook van zulke mensen moet je niet zeggen dat ze Christus’ lichaam eten. Want je mag ze niet beschouwen als ledematen van Christus. Immers, om over andere dingen maar te zwijgen, ze kunnen niet tegelijk ledematen van Christus zijn en van een hoer. 1 Korinthiërs 6:15 Ten slotte, Christus zelf zegt: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.” Johannes 6:56 Daarmee laat Hij zien wat het betekent om Christus’ lichaam te eten, niet voor zover het om het sacrament gaat, maar daadwerkelijk. Want dat betekent dat je in Christus blijft, zodat Christus in jou blijft. Immers, zoals Hij het zegt, is het net alsof Hij zegt: “Wie in Mij niet blijft en in wie Ik niet blijf, die moet niet zeggen of denken dat hij mijn lichaam eet of mijn bloed drinkt.”’

De lezers moeten maar eens goed nadenken over deze tegenstelling: eten voor zover het om het sacrament gaat en daadwerkelijk eten. Dan zal er geen twijfel meer overblijven.

Hetzelfde bevestigt Augustinus even duidelijk met deze woorden: ‘Maak niet je keel klaar, maar je hart. Daarvoor wordt het avondmaal aanbevolen. We geloven in Christus als we Hem door geloof aannemen. Als we Hem aannemen, weten we wat we denken. We krijgen een beetje en worden in het hart gevoed. We worden dus niet gevoed door wat we zien, maar door wat we geloven.’ Ook hier beperkt hij wat de goddelozen krijgen tot het zichtbare teken. Hij leert hier dat je Christus alleen maar krijgt door geloof.

Dat doet hij ook in een andere passage. Daar spreekt hij duidelijk uit dat goeden en slechten deel hebben aan de tekenen. Maar de laatsten sluit hij uit van het echt eten van Christus’ vlees. Want als ze de inhoud kregen, zou hij dat niet volledig verzwegen hebben, want dat zou beter passen bij zijn onderwerp.

Ook in nog een andere passage, waar hij het heeft over het eten en wat dat oplevert, concludeert hij: ‘Christus’ lichaam en bloed is dus voor ieder het leven, als wat in het sacrament zichtbaar wordt aangenomen ook daadwerkelijk geestelijk wordt gegeten en geestelijk wordt gedronken.’ Dus degenen die, om met Augustinus in te stemmen, ongelovigen willen laten delen in Christus’ vlees en bloed, moeten ons Christus’ lichaam maar eens zichtbaar voor ogen stellen. Alleen dan stemmen ze overeen met Augustinus. Volgens hem is de werkelijkheid immers alleen maar geestelijk. En uit zijn woorden kun je duidelijk opmaken dat, als ongelovigen zich voor de waarheid afsluiten, sacramenteel eten alleen maar betekent dat ze zichtbaar of uiterlijk eten.

Als je Christus’ lichaam echt, maar toch niet geestelijk zou kunnen eten, wat zou dan betekenen wat Augustinus ergens anders leert? ‘Jullie moeten niet het lichaam eten dat jullie zien of het bloed drinken dat vergoten wordt door degenen die Mij kruisigen. Ik heb jullie een sacrament aanbevolen. Als jullie dat geestelijk opvatten, zal het jullie levend maken.’ Natuurlijk wilde hij niet ontkennen dat hetzelfde lichaam dat Christus als offer heeft aangeboden, in het avondmaal wordt uitgedeeld. Nee, hij wilde alleen aangeven op welke manier we het moeten eten: het is opgenomen in de hemelse glorie en blaast ons het leven in door de verborgen kracht van de Geest.

Ik geef toe dat je bij Augustinus meerdere keren de uitdrukking tegenkomt dat ongelovigen Christus’ lichaam eten. Maar hij legt zijn eigen woorden uit door eraan toe te voegen: in het sacrament. En ergens anders beschrijft hij het geestelijk eten als een eten waarbij wij met ons bijten niet de genade opeten.

En om te voorkomen dat mijn tegenstanders zeggen dat ik de discussie probeer te winnen door zoveel mogelijk uitspraken aan te halen, zou ik wel eens willen weten hoe ze zich kunnen afmaken van deze ene uitspraak van hem: hij zegt dat de sacramenten alleen in de uitverkorenen het effect hebben van wat ze symboliseren. Natuurlijk durven ze niet ontkennen dat bij het avondmaal het brood Christus’ lichaam symboliseert. Dat betekent dus dat de verworpenen worden tegengehouden en er geen deel aan hebben.

Cyrillus van Alexandrië dacht er ook zo over. Dat blijkt uit deze woorden: ‘Zoals je in gesmolten was andere was giet zonder dat ze zich volledig met elkaar vermengen, zo moet ook degene die het vlees en bloed van de Heer krijgt, één worden met Hem. Dan bevindt Christus zich in hem en bevind hij zich in Christus.’ Deze woorden laten volgens mij duidelijk zien dat degenen die Christus’ lichaam alleen maar sacramenteel eten, het echt en daadwerkelijk eten ontnomen wordt. Want Christus’ lichaam kan niet gescheiden worden van zijn kracht. Daarom wankelt de betrouwbaarheid van Gods beloften niet. Hij laat het nog steeds uit de hemel regenen, ook al krijgen stenen en rotsen het vocht van de regen niet.

Avondmaalsbrood mag niet aanbeden worden

Als we dit weten, zal dat ons ook gemakkelijk aftrekken van vleselijk aanbidden. Sommigen hebben dat uit een verkeerde overmoed in het sacrament ingesteld. Want ze dachten bij zichzelf: ‘Als Christus’ lichaam er is, dan is samen met zijn lichaam ook zijn ziel er en is Hij er ook als God. Want dat kun je niet meer scheiden. Dus moet Christus in het sacrament aanbeden worden.’

Om te beginnen, wat zullen ze doen als we dat samengaan dat zij verzinnen, ontkennen? Want al zouden ze ook nog zo nadrukkelijk beweren dat het absurd zou zijn als Christus’ lichaam gescheiden zou worden van zijn ziel en van zijn God zijn, welk verstandig en nuchter mens zou zichzelf kunnen wijsmaken dat Christus’ lichaam Christus is? Zij denken wel dat ze dat met hun logische conclusies prachtig voor elkaar krijgen. Maar Christus spreekt apart over zijn lichaam en zijn bloed, maar beschrijft niet hoe die aanwezig zijn. Hoe kunnen zij dan op basis van zoiets onbestemds met zekerheid concluderen wat zij beweren?

Wat dan? Als het hun overkomt dat hun geweten gekweld wordt door een ernstiger besef, zouden ze dan met hun logica niet meteen vergaan en wegsmelten? Dat zal gebeuren als ze ontdekken dat ze Gods zekere Woord missen. En alleen dat houdt onze ziel overeind. Als ze geroepen worden om verantwoording af te leggen, zullen ze ogenblikkelijk beginnen te wankelen als ze bedenken dat ze zonder dat Woord het onderwijs en het voorbeeld van de apostelen tegen zich hebben en dat zij deze aanbidding zelf verzonnen hebben.

Bij zulke klappen komen dan nog andere scherpe prikkels. Wat? Zou het iets onbelangrijks zijn als je God aanbidt in een zichtbare vorm, zonder dat ons dat is voorgeschreven? Of, als het om het echte dienen van God ging, zou je dan zo overmoedig iets mogen gaan doen waarover nergens een woord gezegd wordt? Maar als ze met gepaste nederigheid al hun gedachten onder Gods Woord hadden gehouden, zouden ze natuurlijk geluisterd hebben naar wat Hij zelf gezegd heeft: “Neem, eet, drink,’ Mattheüs 26:26-27 en die uitspraak gehoorzaamd hebben. Hij beveelt daarmee dat we het sacrament moeten aannemen, niet dat we het moeten aanbidden.

Maar als je het sacrament, zoals God bevolen heeft, aanneemt zonder het te aanbidden, dan kun je er zeker van zijn dat je niet van Gods gebod afwijkt. En als we ergens aan beginnen, is niets zo goed als die zekerheid. Dan heb je het voorbeeld van de apostelen. Over hen lezen we niet dat ze zich op de grond lieten vallen en het aanbaden. Wel dat ze het, gewoon zoals ze aan tafel zaten, aannamen en opaten. Dan heb je de gewoonte van de kerk uit de tijd van de apostelen. Zoals Lucas vertelt, deelden de gelovigen daar niet samen in het aanbidden, maar in het breken van het brood. Handelingen 2:42 Dan heb je het onderwijs van de apostelen, dat Paulus aan de kerk van Korinthe gaf. Hij verklaarde dat hij aan hen doorgaf wat Hij van de Heer gekregen had. 1 Korinthiërs 11:23

Bijgeloof en afgoderij

Dit is allemaal bedoeld om vrome lezers te laten beseffen hoe gevaarlijk het is om bij zulke moeilijke dingen van Gods eenvoudige Woord af te dwalen naar de fantasieën van onze hersenen. Wat ik hierboven gezegd heb, moet ons op dit punt van alle bezwaren bevrijden. Want om vrome zielen Christus in het avondmaal te laten aannemen zoals het hoort, moeten ze worden opgeheven tot in de hemel. Het is de taak van het sacrament dat het het zwakke verstand van de mens helpt om op te klimmen en de diepte van de geestelijke mysteries te begrijpen. Degenen die blijven hangen aan het uiterlijke teken, dwalen dan dus af van de juiste weg om Christus te zoeken.

Wat dan? Kunnen we ontkennen dat het bijgeloof is als mensen zich neerwerpen voor het brood om Christus daarin te aanbidden? Ongetwijfeld wilde het concilie van Nicea (325) dit kwaad bestrijden toen het ons verbood nederig onze aandacht te richten op de symbolen die ons gepresenteerd worden. En dit is de reden waarom in het verleden is ingesteld dat vóór de consecratie het volk met luide stem werd aangespoord om de harten omhoog te heffen.

Ook de Schrift vertelt ons niet alleen nauwkeurig over Christus’ hemelvaart, waardoor Hij de aanwezigheid van zijn lichaam onttrok aan onze blik en onze omgang. Om elke vleselijke gedachte aan Hem te verjagen, beveelt ze ons ook, telkens als ze Hem noemt, onze harten omhoog te heffen en Hem in de hemel te zoeken, zittend aan de rechterhand van de Vader. Kolossenzen 3:1-2 In overeenstemming met deze norm had men Hem juist geestelijk moeten aanbidden in zijn hemelse glorie, in plaats van zo’n gevaarlijke manier van aanbidden te verzinnen, vol vleselijke en grove opvattingen over God.

Degenen die het aanbidden van het sacrament hebben bedacht, hebben dat dus zelf verzonnen, buiten de Schrift om. In de Schrift valt geen enkele vermelding daarvan aan te wijzen. En dat zou niet zijn weggelaten als God er blij mee geweest zou zijn. Maar dat niet alleen. Ze hebben ook in strijd met de Schrift een God gefabriceerd naar eigen goeddunken en begeerte en de levende God verlaten. Want wat is afgoderij anders dan juist dit: dat je in plaats van de gever zelf, zijn gaven eert? Dat is een dubbele zonde. Want je berooft God van zijn eer en geeft het aan een schepsel. En bovendien onteer je Hem in zijn besmeurde en ontheiligde gave, doordat je van zijn heilig sacrament een afgod maakt.

Laten wij echter, om deze valkuil te vermijden, onze oren, ons hart, ons verstand en onze tong volledig hechten aan Gods heilig onderwijs. Want dat is de school van de Heilige Geest, de beste leermeester. In die school kom je zo vooruit dat je nergens anders iets hoeft te halen en dat je graag onwetend blijft in wat in die school niet geleerd wordt.

Bijgelovige rituelen

Maar als bijgeloof eenmaal de juiste grenzen overschreden heeft, houdt het niet meer op met zondigen. En dus zijn ook deze mensen nog verder afgegleden. Ze hebben rituelen bedacht die helemaal niets te maken hebben met hoe het avondmaal is ingesteld. En dat alleen om goddelijke eer te bewijzen aan het teken. Zij zeggen dat ze deze verering brengen aan Christus.

Om te beginnen zou ik dan zeggen dat, als dit bij het avondmaal zou gebeuren, zo’n aanbidding pas wettig is als die niet bij het teken blijft hangen, maar zich op Christus richt. En die zit in de hemel. Dus onder welk voorwendsel kunnen ze nu zeggen dat ze Christus eren in dat brood? Over zoiets hebben ze geen enkele belofte! Zij consecreren een hostie – zo noemen zij dat – om die in een processie rond te dragen en om die in het openbaar tentoon te stellen om gezien, geëerd en aanbeden te worden. Ik vraag door welke kracht die hostie volgens hen naar behoren geconsecreerd is. Nou, dan komen ze met de woorden: ‘Dit is mijn lichaam.’ Maar ik breng daar dan tegen in dat er tegelijk gezegd is: ‘Neem en eet.’ En dat doe ik niet zomaar. Want omdat de belofte verbonden is aan een gebod, zit ze daar volgens mij zo bij ingesloten, dat er niets van overblijft als je ze van elkaar losmaakt.

Een voorbeeld kan dat duidelijker maken. God gaf een gebod toen Hij zei: ‘Bid tot Mij.’ Hij heeft er een belofte aan toegevoegd: ‘En Ik zal naar je luisteren.’ Stel nu dat iemand zou bidden tot Petrus of Paulus en zich zou beroepen op deze belofte. Zou dan niet iedereen roepen dat hij verkeerd doet? Maar wat anders dan dat, vraag ik je, doen degenen die het gebod over het eten opzijzetten, maar wel de daardoor verminkte belofte: ‘Dit is mijn lichaam,’ vastpakken om die te misbruiken voor rituelen die niets te maken hebben met hoe Christus het avondmaal heeft ingesteld? We moeten dus bedenken dat deze belofte gegeven is aan degenen die zich houden aan het gebod dat ermee verbonden is. En dat degenen die het sacrament veranderen in iets anders elke belofte missen.

Eerder heb ik uitgelegd hoe het sacrament van het heilig avondmaal ons geloof helpt voor God. Door dit sacrament roept de Heer niet alleen de vrijgevigheid van zijn goedheid, die zo groot is als ik eerder heb uitgelegd, terug in onze herinnering. Hij geeft ons die ook als het ware in handen en roept ons op die te erkennen. Maar dan waarschuwt Hij ons ook dat we niet ondankbaar mogen zijn voor zo’n royale vrijgevigheid. Nee, we moeten die juist met gepaste eer loven en dankbaar prijzen. Daarom leerde Hij de apostelen, toen Hij hun de instelling van het sacrament gaf, dat ze dit moesten doen om Hem in herinnering te houden. Lucas 22:19 Paulus legt dat uit als het verkondigen van de dood van de Heer. 1 Korinthiërs 11:26 Dat is openlijk en allemaal samen als met één mond belijden dat heel ons vertrouwen op leven en redding ligt in de dood van de Heer, om Hem met onze belijdenis te prijzen en door ons voorbeeld anderen aan te moedigen Hem te eren.

Hier blijkt opnieuw wat het doel is van het sacrament: ons trainen in het ons herinneren van Christus’ dood. Want als we de opdracht krijgen de dood van de Heer te verkondigen totdat Hij komt om te oordelen, dan is dat niets anders dan dat we met onze mond belijden en vertellen wat ons geloof herkent in het sacrament: dat Christus’ dood ons leven is. Dat is de tweede reden om het sacrament te gebruiken, dat te maken heeft met uiterlijk belijden.

Het avondmaal als aansporing tot liefde

In de derde plaats wilde de Heer dat het sacrament ons zou aansporen. En niets anders zou ons zo sterk kunnen bezielen en aanvuren tot een rein en heilig leven en tot liefde, vrede en eendracht. Want de Heer geeft ons in dit sacrament zo deel aan zijn lichaam dat het volledig één met ons wordt en wij met zijn lichaam. Bovendien heeft Hij maar één lichaam. Daar laat Hij ons allemaal in delen. Dus kan het niet anders, of we worden door dat samen delen ook samen één lichaam. Het brood dat in het sacrament gegeven wordt, maakt deze eenheid zichtbaar. Het is gemaakt uit veel graankorrels, die zo vermengd zijn, dat je ze niet van elkaar kunt onderscheiden. Op die manier moeten ook wij met zo’n eensgezindheid verenigd en verbonden zijn dat er geen tweedracht of verdeeldheid tussen ons komt.

Ik leg dit liever uit met de woorden van Paulus. Hij zegt: ‘De beker van de dankzegging die wij zegenen, is het delen in het bloed van Christus. En het brood van de dankzegging dat wij breken, is het delen in het lichaam van Christus. Zo zijn we allemaal één lichaam, aangezien we delen in één brood.’ 1 Korinthiërs 10:16-17

En we zijn met dit sacrament veel opgeschoten als in ons hart deze gedachte is ingeprent: dat we niemand van onze broeders kunnen beledigen, minachten, afwijzen, kwetsen of op welke manier ook pijn doen, zonder dat we tegelijk in hem Christus beledigen, afwijzen of kwetsen met ons onrecht. Dat we ons niet van onze broeders kunnen afscheiden, zonder ons tegelijk van Christus af te scheiden. Dat we net zo voor onze broeders moeten zorgen als voor ons lichaam, omdat zij ledematen zijn van ons lichaam. Dat we niet moeten toestaan dat een broeder kwaad lijdt zonder zelf medelijden voor hem te voelen, net zoals geen enkel deel van ons lichaam door pijn geraakt wordt zonder dat het zich ook naar alle andere lichaamsdelen verspreidt.

Daarom noemt Augustinus dit sacrament niet voor niets zo vaak een liefdeband. Want wat voor prikkel kon er gebruikt worden om onderlinge liefde tussen ons op te wekken die scherper is dan deze: dat Christus zichzelf aan ons geeft en ons niet alleen door zijn voorbeeld uitnodigt om ons onderling ook aan elkaar te wijden, maar ook, voor zover Hij ons ieder één maakt met Hem, ervoor zorgt dat wij allen samen één zijn in Hem.

Het avondmaal kan niet zonder het Woord

En dit bevestigt heel goed wat ik ergens anders gezegd heb: dat de juiste bediening van dit sacrament niet bestaat zonder het Woord. Want voor elk nut dat het avondmaal ons oplevert, is het Woord onmisbaar. Of we nu in ons geloof versterkt, in onze belijdenis getraind of tot onze plicht aangespoord worden, er is prediking nodig. Je kunt het met het avondmaal dus niet zo verkeerd doen als wanneer je het verandert in een zwijgende handeling. En dat is onder de tirannie van de paus gebeurd! Want de pausgezinden wilden dat de kracht van de consecratie volledig afhankelijk zou zijn van de aandacht van de priester, alsof dit het volk helemaal niet aangaat. Terwijl het sacrament juist uitgelegd hoort te worden aan het volk!

Dat heeft geleid tot deze dwaling: ze beseften niet dat de beloften waardoor de consecratie plaatsvindt, niet bestemd zijn voor de elementen zelf, maar voor degenen die ze krijgen. Christus spreekt niet tegen het brood om het zijn lichaam te laten worden. Nee, Hij beveelt zijn leerlingen dat ze ervan moeten eten en belooft hun dat ze deel hebben aan zijn lichaam en bloed. Ook Paulus regelt het in zijn onderwijs niet anders dan dat samen met het brood en de beker de beloften moeten worden aangeboden aan de gelovigen. Zo is het echt!

We moeten hier niet een of andere toverformule verzinnen, zodat het voldoende is om de woorden te prevelen, alsof de elementen die kunnen horen. Nee, we moeten begrijpen dat die woorden een levende prediking vormen, die de luisteraars opbouwt en die vanbinnen doordringt in hun geest, die in hun hart geprent wordt en daar blijft, die haar kracht laat zien in de vervulling van wat ze belooft.

Hieruit blijkt duidelijk dat het geen zin heeft om het sacrament te bewaren, om het buiten de reguliere bediening uit te delen aan zieken. Sommigen dringen daarop aan. Maar óf ze krijgen het dan zonder dat de woorden van Christus’ instelling herhaald worden, óf de dienaar moet aan het teken de ware uitleg verbinden van het mysterie. Gebeurt het uitdelen zwijgend, dan is dat misbruik en dat is fout. Als de beloften herhaald worden en het sacrament wordt uitgelegd, zodat het degenen die het krijgen vrucht oplevert, dan hoeven we er niet aan te twijfelen dat dit een echte consecratie is. Dus wat is dan nog het nut van de andere consecratie, waarvan de kracht de zieken niet bereikt? ‘Ja, maar degenen die zo doen, hebben het voorbeeld van de oude kerk!’ Dat geef ik toe. Maar bij zo’n belangrijke kwestie is het heel gevaarlijk als je dwaalt. Het is dus het veiligst om alleen de waarheid zelf te volgen.

Zelfonderzoek

Verder zien we dat dit heilige brood van het avondmaal van de Heer geestelijk voedsel is, dat voor vromen die God dienen niet alleen zoet en lekker, maar ook gezond is. Als ze dit voedsel proeven, ervaren ze dat Christus in hun leven is en worden ze aangespoord tot dankbaarheid en onderlinge liefde. Maar aan de andere kant verandert het in een heel schadelijk vergif voor ieder wiens geloof er niet door gevoed en versterkt wordt en die er niet door wordt aangespoord tot belijden, prijzen en liefhebben. Want het is net als met lichamelijk voedsel dat terechtkomt in een buik die in beslag genomen is door schadelijke vochten. Dat voedsel raakt dan ook zelf beschadigd en bedorven en schaadt dan meer dan dat het voedt. Zo laat ook geestelijk voedsel, als het terechtkomt in een ziel die met boosaardigheid en slechtheid besmeurd is, die ziel nog dieper vallen. Niet doordat er aan dat voedsel zelf iets mankeert, maar omdat voor besmeurden en ongelovigen niets rein is, Titus 1:15 ook al is het verder geheiligd door de zegen van de Heer. Want zoals Paulus zegt, als je eet en drinkt terwijl je het niet waard bent, ben je schuldig aan het lichaam en bloed van de Heer en eet en drink je jezelf een oordeel, omdat je het lichaam van de Heer niet onderscheidt. 1 Korinthiërs 11:27-29

Zulke mensen, die zonder sprankje geloof, zonder enige ijver van liefde als varkens toch gaan eten van het avondmaal van de Heer, onderscheiden het lichaam van de Heer niet. Voor zover ze niet geloven dat het lichaam hun leven is, beledigen ze het. Ze beroven het van zijn waardigheid. En door het zo aan te nemen, ontheiligen en besmeuren ze het. En voor zover ze – vervreemd van hun broeders en het niet met hen eens – het heilige symbool van Christus’ lichaam durven vermengen met hun onenigheid, is het niet aan hen te danken als Christus’ lichaam niet verscheurd en in losse ledematen uiteengerukt wordt. Dus is het terecht dat ze schuldig zijn aan het lichaam en bloed van de Heer. Want ze besmeuren dat met schandelijke heiligschennis en goddeloosheid. En door het zo te eten zonder dat ze het waard zijn, roepen ze dus hun veroordeling over zich af. Want ook al vertrouwen ze niet op Christus, door het sacrament aan te nemen, belijden ze toch dat alleen in Hem behoud te vinden is en zweren ze elk vertrouwen op iets anders af. Daarom zijn ze hun eigen aanklagers. Ze getuigen tegen zichzelf en bezegelen hun eigen veroordeling. Bovendien, ook al zijn ze door haat en boosaardigheid verdeeld en afgescheiden van hun broeders – Christus’ ledematen – en hebben ze daarom geen deel aan Christus, toch getuigen ze dat dit hun enig behoud is: deel hebben aan Christus en één zijn met Hem.

Daarom beveelt Paulus dat een mens zichzelf moet onderzoeken, voordat hij van dit brood eet of uit deze beker drinkt. Daarmee wil hij – zo leg ik het in elk geval uit – dat ieder afdaalt in zichzelf en bij zichzelf nadenkt over de vraag of hij met innerlijk vertrouwen steunt op de redding die Christus verdiend heeft en of hij die met zijn mond belijdt. En ook of hij probeert Christus te imiteren door zijn best te doen om onschuldig en heilig te leven. Of hij, volgens Christus’ voorbeeld, bereid is zichzelf te geven aan zijn broeders en zichzelf met hen te delen, omdat hij samen met hen deel heeft aan Christus. Of hij, zoals Christus hemzelf beschouwt als een van zijn ledematen, op zijn beurt ook al zijn broeders beschouwt als ledematen van zijn eigen lichaam. En of hij hen als zijn eigen ledematen graag wil koesteren, beschermen en helpen.

Niet dat wij deze plichten zowel van geloof als van liefde nu al volmaakt kunnen uitvoeren. Maar we moeten er ons best voor doen en er graag voor willen doen dat we het geloof dat in ons begonnen is, elke dag steeds meer laten groeien.

Uit onszelf zijn we het nooit waard

Om mensen erop voor te bereiden dat ze het waard zijn om het avondmaal te eten, heeft men algemeen op een vreselijke manier arme gewetens gemarteld en gekweld. Toch had niets van waar men mee kwam daarbij enig nut. Ze zeiden dat je het waard bent om te eten als je in de genadetoestand verkeert. Bij hen betekent dat dat je rein bent en schoongewassen van alle zonde. Dat dogma houdt alle mensen die er ooit op aarde geweest zijn en nog zijn af van het gebruiken van dit sacrament. Want als het erom gaat dat we het uit ons zelf waard moeten zijn, dan is het met ons gedaan. Dan wacht ons alleen maar wanhoop en de ondergang van de dood. Ook al zouden we ons uiterste best doen, dan zouden we toch niets anders bereiken dan dat we het uiteindelijk het minst waard zijn als we het hardst zwoegen om te proberen het het waard te worden.

Om deze wond te genezen hebben zij een manier bedacht om het het waard te worden: we moeten ons zo goed mogelijk onderzoeken en van onszelf eisen dat we verantwoording afleggen van al onze daden. En dan kunnen we door berouw, biecht en genoegdoening onze onwaardigheid verzoenen. Wat dat voor manier van verzoenen is, heb ik al besproken op een plek die daar meer voor geschikt was. Wat betreft het onderwerp van dit moment zeg ik dat dit een veel te schrale en loze troost is voor mensen met een verslagen geweten, die door hun zonde worden afgeschrikt. Want als de Heer door zijn verbod niemand toelaat om deel te nemen aan zijn avondmaal, behalve wie rechtvaardig en onschuldig is, is er een zeer overtuigende waarborg nodig vóór iemand er zeker van is dat hij de rechtvaardigheid heeft die God van hem eist. Maar hoe komen we aan de zekerheid dat wie gedaan heeft wat hij kon, voor God genoeg gedaan heeft? En zelfs al was dat zo, wanneer zou iemand zichzelf durven beloven dat hij gedaan heeft wat hij kon?

We krijgen nooit voldoende zekerheid of we het wel waard zijn. En dus zal de toegang altijd gesloten blijven door dat verschrikkelijke verbod dat wie eet en drinkt zonder dat hij het waard is, zichzelf een oordeel eet en drinkt.

We moeten God onze onwaardigheid aanbieden

Nu kunnen we gemakkelijk beoordelen wat voor leer er in het pausdom heerst en van wie die leer afkomstig is. Het is een leer die met haar vreselijke strengheid arme en door angst en verdriet in het nauw gebrachte zondaren berooft van de troost van dit sacrament. Terwijl hun daarin juist alles gepresenteerd wordt wat er in het evangelie valt te genieten! Natuurlijk was dit voor de duivel de kortste weg om mensen verloren te laten gaan, door hen zo dwaas te maken dat ze het voedsel waarmee de goede hemelse Vader hen wil voeden, niet proeven.

Dus om te voorkomen dat we in zo’n afgrond storten, moeten we bedenken dat deze heilige maaltijd voor zieken een geneesmiddel, voor zondaren troost en voor armen een groot geschenk is. Maar gezonden, rechtvaardigen en rijken – als die al te vinden zouden zijn – zou het niets zinnigs opleveren. Immers, in deze maaltijd krijgen we Christus als voedsel. Daarom beseffen we dat we zonder Hem wegkwijnen, wegsmelten en vergaan, net zoals onze lichaamskracht vergaat als we niet eten. Bovendien krijgen we Hem om te leven. Daarom beseffen we dat we zonder Hem in onszelf volledig dood zijn.

De enige en de beste waardigheid die we voor God kunnen meenemen is dus dat we Hem onze waardeloosheid en – zeg maar – onze onwaardigheid aanbieden, zodat Hij ons door zijn barmhartigheid Hem waard kan maken. Dat we in onszelf de moed opgeven, zodat we ons in Hem mogen troosten. Dat we ons vernederen, zodat Hij ons kan oprichten. Dat we onszelf aanklagen, zodat Hij ons kan rechtvaardigen. En ook dat we de eenheid nastreven die Hij ons in zijn avondmaal aanprijst. En dat we graag willen dat we allemaal één ziel, één hart en één tong hebben, net zoals Hij ons allemaal één maakt in Hem.

Als we hier over nadenken, zullen die gedachten ons nooit schokken, ons nooit neerwerpen. Wij hebben helemaal niets goeds! We zijn besmeurd met het vuil van de zonden! We zijn halfdood! Hoe kunnen wij het waard zijn om het lichaam van de Heer te eten? Maar we bedenken juist dat we als armen bij een royale gever komen. Als zieken bij de dokter. Als zondaren bij de bron van rechtvaardigheid. En ten slotte als doden bij Hem die levend maakt. Dat de waardigheid die God beveelt vooral ligt in een geloof dat alles in Christus en niets in onszelf legt. En in liefde en dan een liefde die we God mogen aanbieden, ook als ze onvolmaakt is, zodat Hij die kan corrigeren en laten groeien, aangezien wij geen volmaakte liefde kunnen bewijzen.

Anderen zijn het wel met mij eens dat de waardigheid zelf ligt in geloof en liefde. Toch zijn ze ver afgedwaald wat betreft de norm voor die waardigheid. Want ze eisen zo’n volmaakt geloof dat daar niets aan mag ontbreken. En een liefde die even groot is als de liefde die Christus ons bewezen heeft. Maar daarmee jagen ze evengoed als de eersten iedereen weg van de toegang tot dit heilig avondmaal. Want als zij gelijk zouden hebben, zou niemand het waard zijn om het avondmaal te ontvangen. Want iedereen, tot de laatste toe, zou dan schuldig staan aan onvolmaaktheid en daarvan overtuigd zijn. Het zou werkelijk wel heel dom, om niet te zeggen dwaas, zijn als je bij het ontvangen van dit sacrament een volmaaktheid zou eisen die dat sacrament onnodig en overbodig zou maken. Want het is niet ingesteld voor volmaakten, maar voor zwakken. Om hen in hun gevoelens van geloof en liefde op te wekken, aan te sporen en te trainen en om het tekort aan beide te corrigeren.

Hoe het avondmaal gevierd moet worden

Verder, wat betreft het uiterlijke ritueel maakt het niet uit of de gelovigen het brood met de hand aanpakken of niet, of ze het onder elkaar verdelen of dat ieder eet wat hij krijgt, of ze de beker weer teruggeven aan de diaken of doorgeven aan de persoon naast hen, of het brood gezuurd is of niet, of de wijn rood is of wit. Dat zijn dingen die er niet toe doen, waar de kerk vrij in is.

Het is echter zeker dat het in de oude kerk de gewoonte was dat ieder het brood in de hand kreeg. En Christus zei over de beker: ‘Deel hem onder elkaar uit.’ Lucas 22:17 De geschiedverhalen vertellen dat het vóór de tijd van Alexander I als bisschop van Rome gewoon gezuurd brood was. Hij was de eerste die graag ongezuurd brood had. Maar ik snap niet om welke reden, of het moest zijn om in de ogen van het volk bewondering te wekken met een nieuw schouwspel in plaats van de ware godsdienst te onderwijzen in hun hart.

Ik vraag ieder die ook maar door een greintje ijver voor vroomheid geraakt wordt: zie je dan niet duidelijk hoeveel helderder Gods eer hier schittert en hoeveel royaler en heerlijker geestelijke troost de gelovigen hier krijgen dan in die onbeduidende, theatrale onzinnigheden, die geen ander nut hebben dan dat ze de zinnen van het volk bedriegen en het versteld laten staan? Dat noemen ze nou het volk bij de godsdienst houden: dat het door bijgeloof dom en dwaas gemaakt alle kanten op getrokken wordt!

Wil iemand zulke verzinsels verdedigen op basis van ouderdom? Ook ik weet heel goed hoe oud de gewoonte van zalven en blazen is bij de doop en hoe kort na de tijd van de apostelen het avondmaal van de Heer is aangetast door roest. Maar dat is de overmoed van de menselijke brutaliteit. Mensen kunnen zich er maar niet van weerhouden steeds weer een spelletje te spelen met Gods mysteries en zich losbandig te gedragen. Maar we moeten bedenken dat God gehoorzaamheid aan zijn Woord zo belangrijk vindt dat we zowel zijn engelen als heel de wereld moeten beoordelen in dat licht. 1 Korinthiërs 6:2-3; Galaten 1:8

Maar nu die grote hoop rituelen uit de weg geruimd is, zou het avondmaal het meest gepast bediend kunnen worden als het heel vaak en minstens eenmaal per week aan de kerk gepresenteerd wordt. Het zou dan moeten beginnen met openbaar gebed. Vervolgens zou dan een preek gehouden moeten worden. Daarna zouden brood en wijn op tafel gezet moeten worden en zou de dienaar moeten vertellen over de instelling van het avondmaal. Vervolgens zou hij de beloften moeten verkondigen die we erin krijgen aangeboden. Bovendien zou hij dan degenen die door het verbod van de Heer van het avondmaal worden afgehouden, van de deelname moeten uitsluiten. Daarna zou er gebeden moeten worden of de Heer even royaal als Hij ons dit heilige voedsel geeft, ons ook wil onderwijzen en vormen om het gelovig en dankbaar aan te nemen. En of Hij ons met zijn barmhartigheid zo’n maaltijd waard wil maken, aangezien we dat uit onszelf niet waard zijn. Dan zouden er psalmen gezongen moeten worden en zou er iets gelezen moeten worden en zouden de gelovigen in een gepaste orde aan de heilige maaltijd deel moeten nemen, terwijl de dienaren het brood breken en aan het volk uitdelen. Als het avondmaal afgelopen is, zou het volk aangespoord moeten worden om oprecht te geloven en het geloof te belijden, om lief te hebben en te leven zoals gepast is voor christenen. Ten slotte zou er gedankt en een lofzang voor God gezongen moeten worden. Als dat gebeurd is, zou men de gemeente in vrede kunnen laten gaan.

Vaak avondmaal vieren

Wat ik tot nu toe over dit sacrament heb uitgelegd, laat heel duidelijk zien dat het niet is ingesteld om het slechts eenmaal per jaar te krijgen en dan, zoals nu algemeen gebruikelijk is, uit een plichtmatige gewoonte. Nee, het is bedoeld om vaak gebruikt te worden door alle christenen. Dan herdenken ze vaak Christus’ lijden. En door die herdenking ondersteunen en versterken ze hun geloof. Ze sporen elkaar aan om Gods lof te belijden en te zingen en zijn goedheid te verkondigen. En ten slotte voeden ze daardoor de onderlinge liefde waarvan ze de band zien in de eenheid van Christus’ lichaam en verklaren ze die liefde ook aan elkaar. Want telkens als we deel krijgen aan het symbool van Christus’ lichaam, verbinden wij ons, als het ware door het over en weer geven en ontvangen van een waarborg, met elkaar om alle plichten te vervullen van liefde, zodat niemand iets doet waarmee hij zijn broeder zou kunnen kwetsen en niets nalaat waarmee hij hem zou kunnen helpen als dat nodig is en als hij daartoe in de gelegenheid is.

Dat de apostolische kerk deze gewoonte had, vertelt Lucas in Handelingen 2. Hij zegt daar dat de gelovigen vasthielden aan de leer van de apostelen, de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. Handelingen 2:42 Er ging dus geen samenkomst van de gemeente voorbij zonder prediking van het Woord, zonder bidden, zonder uitdeling van het avondmaal of zonder liefdegaven voor de armen. Ook bij de Korinthiërs was deze orde van kracht. Die indruk krijg je in elk geval uit Paulus’ woorden. 1 Korinthiërs 11:20 En het staat vast dat dit daarna nog vele eeuwen gebruikelijk was.

Vandaar de oude canones die worden toegeschreven aan Anacletus I en Calixtus I, dat na het uitvoeren van de consecratie iedereen moet deelnemen die niet buiten de kerk gesloten wil worden. En in de oude canones die de canones van de apostelen genoemd worden, lees je dat wie niet tot het eind blijft en niet het heilig avondmaal aanneemt, gestraft moet worden als iemand die onrust sticht in de kerk. Bovendien is op het concilie van Antiochië (341) besloten dat wie wel in de kerk komt en luistert naar de Schriftlezing, maar niet aan het avondmaal gaat, uit de kerk gezet moet worden totdat hij deze fout corrigeert. Op het eerste concilie van Toledo (400) is dit weliswaar verzacht of in elk geval in mildere bewoordingen vastgesteld. Maar toch is ook daar bepaald dat wie wel naar de preek luistert, maar nooit deel blijkt te nemen aan het avondmaal, gewaarschuwd moet worden. En als hij na die waarschuwing nog niet aangaat, moet hij uit de gemeente geweerd moet worden.

Augustinus en Chrysostomos over vaak avondmaal vieren

Met deze bepalingen wilden de heilige mannen in stand houden dat het avondmaal vaak gebruikt werd. Deze gewoonte was overgeleverd door de apostelen en ze zagen dat die voor de gelovigen heel gezond was. Maar door algemene nalatigheid begon die langzamerhand in onbruik te raken.

Augustinus verklaart over zijn eigen tijd: ‘Het sacrament van de eenheid van het lichaam van de Heer wordt op sommige plaatsen elke dag, op andere plaatsen met bepaalde tussenpozen op de tafel van de Heer klaargezet en van die tafel aangenomen, voor sommigen voor het leven, voor anderen voor de ondergang.’

En in de eerste brief aan Januarius schrijft hij: ‘Sommigen nemen dagelijks deel aan het lichaam en bloed van de Heer, anderen krijgen het op bepaalde dagen. Op sommige plaatsen gaat er geen dag voorbij waarop het niet wordt aangeboden, op andere plaatsen gebeurt het alleen op zaterdag en zondag, op weer andere plaatsten alleen op zondag.’

Zoals ik zei, was het volk soms wat laks. De heilige mannen wilden niet de indruk wekken dat ze deze nalatigheid door de vingers zagen. Daarom drongen ze met strenge berispingen aan op deelname aan het avondmaal. Een voorbeeld daarvan zien we bij Chrysostomos in zijn uitleg van de brief aan de Efeziërs: ‘Tegen degene die de maaltijd onteerde, werd niet gezegd: “Waarom ben je aangegaan?” maar: “Waarom ben je binnengekomen?” Mattheüs 22:12 Wie niet deelneemt aan de mysteries is brutaal en onbeschaamd als hij wel aanwezig is. Ik vraag je: als iemand wordt uitgenodigd voor een maaltijd en hij komt, wast zijn handen, gaat aan tafel zitten en lijkt zich klaar te maken om te gaan eten, maar eet vervolgens niets – is dat geen belediging voor de maaltijd en de gastheer? Zo is het ook als jij je bevindt tussen degenen die zich door gebed voorbereiden op het aannemen van de heilige maaltijd. Doordat je niet weggegaan bent, heb je beleden dat je een van hen bent. Als je dan toch niet deelneemt aan de maaltijd, zou het dan niet beter geweest zijn als je niet eens gekomen was?

“Ik ben het niet waard,” zeg je. Maar dan was je het ook niet waard om deel te nemen aan het gebed. Want dat is de voorbereiding op het krijgen van het heilige sacrament.’

Eén maal per jaar avondmaal vieren is te weinig

En de gewoonte die beveelt dat we één keer per jaar deelnemen, is natuurlijk echt een uitvinding van de duivel, door wiens bediening die ook ingevoerd is. Er wordt gezegd dat Zefyrinus de auteur van dit besluit was, maar het is onwaarschijnlijk dat het toen net zo was als nu. Zoals de tijden toen waren, zorgde hij met zijn bepaling wellicht helemaal niet zo slecht voor de kerk. Want er is geen twijfel aan dat het heilig avondmaal toen bij elke samenkomst werd gepresenteerd en er is ook geen twijfel aan dat een flink deel van de leden ook deelnam. Maar het kwam zelden voor dat iedereen tegelijk deelnam. Toch was het nodig dat zij met een uiterlijk teken getuigden van hun geloof. Want ze leefden tussen onheiligen en afgodendienaars. Daarom stelde die heilige man, omwille van rust en orde, één dag vast waarop heel het christenvolk zijn geloof zou belijden door deel te nemen aan het avondmaal van de Heer.

Deze verder heel goede bepaling van Zefyrinus is door zijn opvolgers in iets slechts veranderd door er een vaste wet van te maken dat je eenmaal per jaar moet deelnemen. Als gevolg daarvan slaapt bijna iedereen rustig op twee oren als ze eenmaal deelgenomen hebben, alsof ze daarmee voor de rest van het jaar hun plicht gedaan hebben. Men had heel anders moeten doen. Minstens één keer per week had de tafel van de Heer klaargezet moeten worden voor de samengekomen christenen en hadden de beloften moeten worden afgekondigd die ons aan die tafel geestelijk voeden. Weliswaar had niemand gedwongen mogen worden, maar iedereen had moeten worden aangespoord. Bovendien had de laksheid moeten worden berispt van degenen die nalatig waren. Dan zou iedereen hongerig samenkomen om heerlijk te genieten.

Ik heb aan het begin dus niet onterecht geklaagd dat deze gewoonte is ingevoerd dankzij de listen van de duivel. Doordat deze gewoonte slechts één dag van het jaar voorschrijft, maakt ze mensen voor een heel jaar zorgeloos. Weliswaar zien we dat dit misbruik er al ingeslopen was in de tijd van Chrysostomos. Maar we zien ook dat hij daar heel ontevreden over was. Want in de passage die ik net citeerde, klaagt hij ernstig dat er op dit punt zulke grote uitersten waren dat ze op andere momenten in het jaar niet aangingen, zelfs al waren ze rein, maar met Pasen wel aangingen, zelfs al waren ze onrein. Vervolgens roept hij uit: ‘Wat een gewoonte! Wat een brutaliteit! Het dagelijkse offer is dus voor niets! Voor niets staan we voor het altaar! Er is niemand die er samen met ons aan deelneemt!’ Het is dus absoluut niet zo dat hij dit met zijn gezag goedkeurde.

Zowel brood als wijn voor alle gelovigen

Uit dezelfde werkplaats komt ook nog een andere bepaling: het beste deel van Gods volk wordt beroofd van de helft van het avondmaal. Het symbool van het bloed is voor leken en onheiligen – met die aanduiding tooit men Gods erfdeel 1 Petrus 5:3 – verboden en als bezit gegeven aan enkelingen die geschoren en gezalfd zijn. Het bevel van de eeuwige God is dat iedereen moet drinken. Mattheüs 26:27 Maar de mens durft dat afschaffen en aan de kant schuiven met een nieuwe wet die daar dwars tegen ingaat en gebieden dat niet iedereen mag drinken. En om te voorkomen dat zulke wetgevers zonder reden tegen God in lijken te gaan, doen ze net alsof er gevaren zouden kunnen dreigen als deze heilige beker aan iedereen zou worden voorgezet, zonder onderscheid. Alsof God met zijn eeuwige wijsheid die gevaren niet voorzien en opgemerkt zou hebben!

Bovendien redeneren ze – volgens hen scherpzinnig – dat één van beide genoeg is. Want, zeggen ze, als Christus lichaam er is, is de hele Christus er. Want Hij kan niet worden losgemaakt van zijn lichaam. Dus omvat het lichaam ook het bloed, doordat ze samengaan. Hier zie je hoe goed ons verstand overeenstemt met God, als het ook maar even de losse teugel krijgt. Het wil meteen bandeloos op hol slaan. Als de Heer het brood laat zien, zegt Hij dat het zijn lichaam is. En als Hij de beker laat zien, noemt Hij die zijn bloed. In de overmoed van het menselijk verstand roepen zij daartegen in dat het brood zijn bloed en de wijn zijn lichaam is. Alsof de Heer zijn lichaam en bloed voor niets zowel met woorden als met tekenen heeft onderscheiden. En alsof ze ooit hebben horen zeggen dat Christus’ lichaam of zijn bloed God en mens genoemd wordt. Als Hij zichzelf in zijn geheel had willen aanduiden, had Hij natuurlijk kunnen zeggen: ‘Ik ben …,’ zoals Hij steeds in de Schrift zei, en niet: “Dit is mijn lichaam. Dit is mijn bloed.’

Hij wilde ons te hulp komen in ons zwakke geloof. Daarom zette Hij de beker apart van het brood, om te leren dat Hij evengoed voldoende is om te drinken als om te eten. Halen we één deel weg, dan vinden we in Hem nog maar de helft van het voedsel. Dus stel dat het waar zou zijn wat zij beweren, dat het bloed in het brood is doordat lichaam en bloed samengaan en dus ook het lichaam in de beker. Ook dan beroven ze de vrome zielen toch van de versterking van hun geloof. En Christus leert dat als onmisbaar. Daarom moeten we hun scherpzinnigheden loslaten en nu vasthouden aan wat de dubbele waarborg ons volgens Christus’ bepaling oplevert.

Wijn is niet alleen voor de priesters

Ik weet wel dat de dienaren van Satan op dit punt uitvluchten hebben, zoals ze steeds met de Schrift spotten.

In de eerste plaats voeren ze aan dat je van een eenmalige handeling geen regel moet maken waar de kerk zich voor eeuwig aan moet houden. Maar ze liegen dat dit een eenmalige handeling was. Christus heeft de beker immers niet alleen uitgedeeld. Nee, Hij heeft ook bepaald dat de apostelen dat in het vervolg ook zo moesten doen. Want dit zijn woorden van iemand die een voorschrift geeft: ‘Drink allemaal uit deze beker.’ Mattheüs 26:27 En Paulus vertelt over deze handeling als over iets dat hij als een vaste instelling aanbeveelt. 1 Korinthiërs 11:25

De tweede uitvlucht is dat Christus alleen de apostelen toeliet om aan dit avondmaal deel te nemen en dat Hij hen al had aangenomen en gekozen tot de priesterstand. Maar dan zou ik graag willen dat ze mij eens antwoord geven op vijf vragen. Aan die vragen kunnen ze niet ontsnappen zonder dat hun leugens gemakkelijk weerlegd worden.

In de eerste plaats: welke goddelijke uitspraak heeft hun deze oplossing geopenbaard? Dit is toch helemaal niet in overeenstemming met Gods Woord. De Schrift noemt twaalf personen op die met Jezus aanzaten. Maar de Schrift verduistert Christus’ waardigheid niet door hen priesters te noemen. Over die aanduiding zal ik het straks hebben, als ik daaraan toe ben. Weliswaar gaf Christus het avondmaal toen aan twaalf personen. Maar Hij gebood hun wel dat zij ook zo moesten doen: dat ze het onder elkaar moesten uitdelen.

In de tweede plaats: waarom had in de betere tijd, tot duizend jaar na de apostelen, zonder uitzondering iedereen deel aan beide symbolen? Wist de oude kerk niet wie Christus aan zijn avondmaal als tafelgenoten had toegelaten? Het zou wel heel erg brutaal zijn als je je op dit punt verzet en uitvluchten zoekt. Er bestaan boeken over de kerkgeschiedenis en boeken van de kerkvaders die duidelijk bewijzen dat het zo was. Tertullianus zegt: ‘Ons vlees wordt door Christus’ lichaam en bloed gevoed, zodat onze ziel gevoed kan worden door God.’ Ambrosius zegt tegen keizer Theodosius: ‘Hoe kunt u met zulke handen het heilige lichaam van de Heer aannemen? Is het niet brutaal om met uw mond te delen in de beker met het kostbare bloed?’

Hiëronymus heeft het over ‘de priesters die het avondmaal bedienen en het bloed van de Heer aan het volk uitdelen’.

Chrysostomos zegt: ‘Het is anders dan onder de oude wet. Daar at de priester een deel en het volk een deel. Maar hier wordt aan iedereen hetzelfde lichaam en dezelfde beker gepresenteerd. Wat bij het avondmaal hoort, is voor de priester en het volk samen.’

Datzelfde verklaart ook Augustinus op heel veel plaatsen.

De kerkvaders over zowel brood als wijn

Maar waarom heb ik het nog over iets dat heel goed bekend is? Lees maar alle schrijvers in het Grieks en Latijn. Overal zul je zulke getuigenissen tegenkomen. En deze gewoonte sleet pas uit toen er geen druppel gaafheid meer in de kerk over was. Gregorius de Grote zou je met recht de laatste bisschop van Rome kunnen noemen. Hij leert dat deze gewoonte in zijn tijd nog bewaard was. Hij zegt: ‘Wat het bloed van het lam is, hebben jullie niet alleen geleerd door te luisteren, maar ook door te drinken. Zijn bloed wordt de gelovigen in de mond gegoten.’

Zelfs vierhonderd jaar na zijn dood, toen alles al ontaard was, bestond deze gewoonte nog steeds. Men beschouwde het immers niet slechts als een gewoonte, maar als een onschendbare wet. Toen gold er nog eerbied voor Gods instelling. En men twijfelde er niet aan dat het heiligschennis was om van elkaar te scheiden wat de Heer aan elkaar verbonden had. Want dit zegt Gelasius I: ‘We hebben gemerkt dat sommigen slechts een deel van het heilige lichaam nemen en zich onthouden van de beker. Ongetwijfeld zijn zij bevangen door ik weet niet wat voor bijgeloof. Daarom moeten zij óf de sacramenten volledig aannemen, óf volledig van de sacramenten worden afgehouden. Want een deling van dit sacrament toelaten kan niet zonder grote heiligschennis.’

Men luisterde naar de argumenten van Cyprianus, waar iemand met een christelijk hart natuurlijk door geraakt moet worden. Hij zegt: ‘Hoe kunnen we hun leren of hen aansporen om bij het belijden van Christus hun bloed te geven, als we degenen die moeten vechten zijn bloed ontzeggen? Of hoe kunnen we hen klaar maken voor de beker van het martelaarschap, als we hen niet toelaten om eerst in de kerk volgens het recht van deelname aan het avondmaal de beker van de Heer te drinken?’

Dat de canonici dat besluit van Gelasius beperken tot de priesters, is zo’n kinderachtige uitvlucht, dat ik die niet hoef te weerleggen.

Christus en Paulus laten iedereen delen in zowel brood als wijn

In de derde plaats: waarom zei Christus over het brood simpelweg dat ze het moesten eten, Mattheüs 26:22-23 maar over de beker dat ze daar ‘allemaal’ uit moesten drinken? Mattheüs 26:26-27 Alsof Hij bij voorbaat de listen van Satan wilde bestrijden!

In de vierde plaats: stel dat de Heer alleen priesters zijn avondmaal waard keurde, zoals mijn tegenstanders beweren. Wie van de mensen zou dan ooit vreemden, die de Heer had uitgesloten, durven roepen om eraan deel te nemen? En dan nog wel deelnemen aan een gave waar hij niet het gezag over had en zonder opdracht van Hem die als enige die gave geven kan? Sterker nog, durven ze erop te vertrouwen dat ze tegenwoordig het symbool van Christus’ lichaam aan het gewone volk mogen uitdelen, als ze daar geen enkel gebod of voorbeeld voor hebben van de Heer?

In de vijfde plaats: loog Paulus toen hij tegen de Korinthiërs zei dat hij van de Heer had gekregen wat hij aan hun doorgaf? Daarna legt hij immers uit wat hij had doorgegeven: dat iedereen zonder onderscheid deel moest hebben aan beide symbolen. 1 Korinthiërs 11:23-26 Als Paulus van de Heer had gekregen dat ieder zonder onderscheid moest worden toegelaten, dan moeten degenen die bijna het hele volk van God wegjagen maar eens kijken van wie zij dat gekregen hebben. Want ze kunnen nu niet net doen alsof het van God afkomstig is. Bij Hem is het niet zowel ja als nee. En nog durven ze zulke afschuwelijke dingen kleden met de naam ‘kerk’ en onder dat mom verdedigen. Alsof die antichristen de kerk zouden zijn! Christus’ leer en instellingen vertrappen ze, verstrooien ze en schaffen ze af, zo gemakkelijk alsof de apostolische kerk, waarin de volle kracht van de godsdienst bloeide, geen kerk was.

Voetnoten

  1. 674

    Augustinus, De doctrina christiana III, 16,24.

  2. 675

    Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 31,9 en 40,2.

  3. 676

    Chrysostomos, Homiliaede statuisad populumAntiochenum, 60-61; Chrysostomos, Homiliaein Marcum,83.

  4. 677

    Berengarius van Tours († 1088), theoloog.

  5. 678

    Ego Berengarius, 2.

  6. 679

    Petrus Lombardus, Sententiae IV, 12,4-5.

  7. 680

    Augustinus, Epistulae, 98,9 en 169,2.

  8. 681

    Augustinus, Contra AdimantiumManichaeum, 12,3.

  9. 682

    Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 3.

  10. 683

    Augustinus, Epistulae, 187,3.

  11. 684

    Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 50,13.

  12. 685

    Augustinus, De fide et symbolo, 6,13.

  13. 686

    Augustinus, Epistulae,23.

  14. 687

    Augustinus, Contra AdimantiumManichaeum, 12,3.

  15. 688

    Augustinus, De trinitate III, 10,19-20.

  16. 689

    Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 33.

  17. 690

    Augustinus, Epistulaad Dardanum.

  18. 691

    Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 50,12-13.

  19. 692

    Ireneüs van Lyon, Adversus haereses IV, 38.

  20. 693

    Petrus Lombardus, Sententiae IV, 8,4 en 9,2.

  21. 694

    Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 26,11-18.

  22. 695

    Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 59,1.

  23. 696

    Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 62,1.

  24. 697

    Augustinus, De baptismo contraDonatistas V, 8,9.

  25. 698

    Augustinus, De civitate Dei XXI, 25.

  26. 699

    Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XII, 16.

  27. 700

    Augustinus, De verbis apostolorum, 2.

  28. 701

    Paus Alexander I († 115/116).

  29. 702

    Paus Calixtus I († 222).

  30. 703

    Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 26,15.

  31. 704

    Augustinus, Epistulae, 54,2.

  32. 705

    Chrysostomos, Homiliae in epistulam ad Ephesios, 1,26.

  33. 706

    Paus Zefyrinus († 217).

  34. 707

    Tertullianus, De resurrectione carnis, 8.

  35. 708

    Theodoretus van Cyrrhus, Historia ecclesiasticaV, 18.

  36. 709

    Hiëronymus van Stridon, In Malachia, 2.

  37. 710

    Chrysostomos, Homiliae in epistulam secundam ad Corinthos, 18,3.

  38. 711

    Gratianus, Decretum (De consecratione) III, 2.

  39. 712

    Cyprianus van Carthago, De lapsis, 25.

Voetnoot 674

Augustinus, De doctrina christiana III, 16,24.

Voetnoot 675

Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 31,9 en 40,2.

Voetnoot 676

Chrysostomos, Homiliaede statuisad populumAntiochenum, 60-61; Chrysostomos, Homiliaein Marcum,83.

Voetnoot 677

Berengarius van Tours († 1088), theoloog.

Voetnoot 678

Ego Berengarius, 2.

Voetnoot 679

Petrus Lombardus, Sententiae IV, 12,4-5.

Voetnoot 680

Augustinus, Epistulae, 98,9 en 169,2.

Voetnoot 681

Augustinus, Contra AdimantiumManichaeum, 12,3.

Voetnoot 682

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 3.

Voetnoot 683

Augustinus, Epistulae, 187,3.

Voetnoot 684

Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 50,13.

Voetnoot 685

Augustinus, De fide et symbolo, 6,13.

Voetnoot 686

Augustinus, Epistulae,23.

Voetnoot 687

Augustinus, Contra AdimantiumManichaeum, 12,3.

Voetnoot 688

Augustinus, De trinitate III, 10,19-20.

Voetnoot 689

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 33.

Voetnoot 690

Augustinus, Epistulaad Dardanum.

Voetnoot 691

Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 50,12-13.

Voetnoot 692

Ireneüs van Lyon, Adversus haereses IV, 38.

Voetnoot 693

Petrus Lombardus, Sententiae IV, 8,4 en 9,2.

Voetnoot 694

Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 26,11-18.

Voetnoot 695

Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 59,1.

Voetnoot 696

Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 62,1.

Voetnoot 697

Augustinus, De baptismo contraDonatistas V, 8,9.

Voetnoot 698

Augustinus, De civitate Dei XXI, 25.

Voetnoot 699

Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XII, 16.

Voetnoot 700

Augustinus, De verbis apostolorum, 2.

Voetnoot 701

Paus Alexander I († 115/116).

Voetnoot 702

Paus Calixtus I († 222).

Voetnoot 703

Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 26,15.

Voetnoot 704

Augustinus, Epistulae, 54,2.

Voetnoot 705

Chrysostomos, Homiliae in epistulam ad Ephesios, 1,26.

Voetnoot 706

Paus Zefyrinus († 217).

Voetnoot 707

Tertullianus, De resurrectione carnis, 8.

Voetnoot 708

Theodoretus van Cyrrhus, Historia ecclesiasticaV, 18.

Voetnoot 709

Hiëronymus van Stridon, In Malachia, 2.

Voetnoot 710

Chrysostomos, Homiliae in epistulam secundam ad Corinthos, 18,3.

Voetnoot 711

Gratianus, Decretum (De consecratione) III, 2.

Voetnoot 712

Cyprianus van Carthago, De lapsis, 25.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.