Boek IV · Hoofdstuk 20

De burgerlijke regering

Bronopmerking: in de aangeleverde PDF springt de nummering van paragraaf 21 naar 23. De oorspronkelijke nummering is hier behouden.

Inhoud van dit hoofdstuk · 31 secties
  1. 1Geestelijke en burgerlijke regering
  2. 2Geen tegenstelling tussen geestelijke en burgerlijke regering
  3. 3Inleiding en indeling
  4. 4De overheid
  5. 5Anarchie
  6. 6Gods plaatsvervangers
  7. 7Eerbied voor overheden uit eerbied voor God
  8. 8Regeringsvormen
  9. 9De taak van de overheid
  10. 10De zwaardmacht
  11. 11Legitieme oorlogen
  12. 12Beperkingen in het oorlog voeren
  13. 13Belastingen
  14. 14Wetten
  15. 15Morele, rituele en burgerlijke wet
  16. 16Gelijke principes en verschillende wetten
  17. 17Christenen en de overheid
  18. 18Legitiem gebruik van rechtspraak
  19. 19Geen wraakzucht
  20. 20Liever geduld dan wraakzucht
  21. 21Paulus veroordeelt niet alle processen
  22. 23Gehoorzaamheid
  23. 24Ook slechte overheden erkennen
  24. 25Ook slechte overheden zijn door God aangesteld
  25. 26Voorbeelden uit de Schrift
  26. 27Jeremia over Nebukadnezar
  27. 28Als God iemand aanstelt, wil Hij dat we hem erkennen
  28. 29Het is niet aan ons om slechte overheden te straffen
  29. 30Soms gebruikt God mensen om slechte overheden te straffen
  30. 31Lagere overheden hebben de plicht het volk te beschermen tegen slechte overheden
  31. 32God meer gehoorzamen dan de overheid

Geestelijke en burgerlijke regering

Hiervóór heb ik gesteld dat er bij de mens een dubbele regering is. De ene ligt in de ziel of het innerlijk van de mens en is gericht op het eeuwige leven. Daar heb ik ergens anders al genoeg over gezegd. Daarom is het nu het juiste moment om ook het een en ander te zeggen over de andere regering. Die heeft te maken met de inrichting van de burgerlijke en uiterlijke rechtvaardigheid van leven en moraal.

Het lijkt alsof dit onderwerp niet bij de geestelijke geloofsleer hoort, die ik hier heb willen behandelen. Maar uit het vervolg zal blijken dat ik dit onderwerp terecht toevoeg. Sterker nog, ik kan niet anders. Vooral omdat aan de ene kant waanzinnige en barbaarse mensen deze door God ingestelde orde in hun waanzin proberen omver te halen. En omdat aan de andere kant vleiers van vorsten niet aarzelen de macht van vorsten veel te groot te maken, zodat die tegenover Gods eigen regering komt te staan. Als we dit dubbele kwaad niet bestrijden, gaat de zuiverheid van het geloof verloren. Bovendien is het voor ons heel belangrijk om te weten hoe welwillend God in dit opzicht voor het menselijk geslacht gezorgd heeft. Dan zal onze vroomheid nog sterker in ons werken, zodat we nog ijveriger onze dankbaarheid tonen.

Eerst, nog voor we aan het onderwerp zelf beginnen, moeten we letten op het onderscheid dat ik eerder gemaakt heb. Deze twee regeringen zijn echt volledig van elkaar onderscheiden. We mogen ze dus niet met elkaar vermengen. Velen overkomt dat wel. Want als mensen horen dat in het evangelie een vrijheid belooft wordt die geen enkele koning of overheid onder de mensen erkent, maar alleen gericht is op Christus, dan denken ze dat ze niets aan die vrijheid hebben zolang er nog een macht boven hen staat. En dus denken ze dat ze nergens veilig zijn zolang niet heel de wereld een andere vorm krijgt. En wel zo dat er geen rechtspraak, geen wetten en geen overheid meer zijn en ook niets anders dat volgens hen hun vrijheid in de weg staat. Maar als je onderscheid weet te maken tussen lichaam en ziel, tussen dit tegenwoordige, vergankelijke en het toekomstige, eeuwige leven, dan kun je ook gemakkelijk begrijpen dat er een groot verschil bestaat tussen het geestelijke rijk van Christus en de burgerlijke orde.

Het is dus Joodse onzin om Christus’ koninkrijk te zoeken tussen de elementen van deze wereld en daarin op te sluiten. Daarom kunnen we beter bedenken dat de Schrift duidelijk leert dat Christus’ rijk een geestelijke vrucht is die Christus’ gaven ons opleveren. We moeten oppassen dat we heel deze vrijheid die ons in Hem beloofd en aangeboden wordt, binnen haar eigen grenzen houden. Want hoe kan het anders dat dezelfde apostel Paulus die ons beveelt dat we ons niet moeten onderwerpen aan een juk van slavernij, Galaten 5:1 ergens anders slaven beveelt dat ze zich niet druk moeten maken om hun situatie? 1 Korinthiërs 7:21 Dat kan toch alleen doordat geestelijke vrijheid en burgerlijke slavernij heel goed kunnen samengaan?

Zo moeten we ook deze uitspraken opvatten: ‘In Gods koninkrijk is geen Jood of Griek, geen man of vrouw, geen slaaf of vrije.’ Galaten 3:28 En: ‘Daarin is geen Griek of Jood, geen onbesneden of besneden, geen barbaar of Scyth, geen slaaf of vrije. Nee, Christus is alles en in allen.’ Kolossenzen 3:11 Paulus geeft daarmee aan dat het er niet toe doet in welke situatie je je bij de mensen bevindt en onder de wetten van welk volk je leeft, omdat Christus’ rijk absoluut niet in die dingen ligt.

Geen tegenstelling tussen geestelijke en burgerlijke regering

Toch leidt dit onderscheid er niet toe dat we zouden denken dat heel de burgerlijke regering iets onreins is waar christenen niets mee te maken hebben. Fanatici die graag ongebreidelde bandeloosheid willen, schreeuwen en pochen wel zo: door Christus zijn we gestorven voor de elementen van deze wereld en overgebracht in Gods koninkrijk. Daar zitten we te midden van hemelse wezens. En daarom is het beneden onze waardigheid om ons bezig te houden met die onheilige en onreine zorgen die te maken hebben met dingen die een christen vreemd zijn. Zij zeggen: wat hebben wetten voor zin zonder rechtspraak en rechtbanken? En wat heeft een christen met rechtspraak te maken? Ja, als het niet toegestaan is om te doden, wat hebben wij dan nog aan wetten en rechtspraak?

Maar ik heb er eerder al op gewezen dat er onderscheid is tussen dit soort regering en het geestelijke en innerlijke koninkrijk van Christus. En nu moeten we ook weten dat die twee in niets met elkaar in strijd zijn. Want Gods koninkrijk begint weliswaar nu al op aarde in ons de eerste beginselen van het hemelse koninkrijk te bewerken. In dit sterfelijke en vergankelijke leven begint het nu al iets van het onsterfelijke en onvergankelijke geluk. Maar de burgerlijke regering heeft als taak om, zolang wij tussen de mensen leven, de uiterlijke godsdienst te ondersteunen en te beschermen, de gezonde leer van de vroomheid en de positie van de kerk te verdedigen, ons leven in te richten voor de menselijke samenleving, onze moraal te vormen naar burgerlijke rechtvaardigheid, ons met elkaar te verbinden en de algemene vrede en rust te koesteren.

Ik geef toe dat dat allemaal overbodig is als Gods koninkrijk, zoals het nu in ons is, het tegenwoordige leven tenietdoet. Maar het is Gods wil dat we, onderweg naar ons echte vaderland, als vreemdelingen op aarde verblijven. En tijdens die pelgrimstocht hebben wij zulke hulpmiddelen nodig. Als je de mens van die hulpmiddelen berooft, pak je hem dus zijn mens zijn af. Mijn tegenstanders beweren dat in Gods kerk zo’n grote volmaaktheid moet zijn dat die voor haar genoeg is als wet. Maar het is dwaas van hen om zich zo’n volmaaktheid in te beelden. Want waar mensen samenleven, zal zo’n volmaaktheid nooit gevonden worden. Slechte mensen zijn zo brutaal en zo koppig en verdorven dat heel strenge wetten hen nauwelijks in bedwang kunnen houden. Wat denken wij dan dat ze zouden doen als ze in hun slechtheid ongestraft hun gang konden gaan? Zij die er zelfs met geweld niet helemaal van weerhouden kunnen worden om kwaad te doen?

Inleiding en indeling

Maar een andere plek is beter geschikt om het te hebben over het nut van de burgerlijke regering. Nu wil ik alleen dat men begrijpt dat het een onmenselijke barbaarsheid is als je erover denkt om die regering weg te doen. Want ze is tussen mensen even nuttig als brood, water, zon en lucht en de waardigheid ervan is zelfs nog groter. Want ze helpt niet alleen om mensen te laten ademen, eten en drinken en en om hen warm te houden, zoals al die andere dingen doen. Natuurlijk omvat ze al die dingen, doordat ze ervoor zorgt dat mensen kunnen samenleven. Maar de burgerlijke regering helpt ook om te voorkomen dat er afgodendienst, heiligschennis van Gods naam, laster tegen de waarheid en andere schendingen van de godsdienst openlijk zouden opduiken en zich onder het volk zouden verspreiden. Ze helpt om te voorkomen dat de openbare rust verstoord wordt. Ze helpt om ervoor te zorgen dat ieder zijn bezit ongeschonden kan behouden, dat mensen veilig met elkaar kunnen omgaan, dat fatsoen en zelfbeheersing tussen hen in ere gehouden worden. Kortom, de burgerlijke regering helpt om onder christenen een openbare vorm van godsdienst te laten bestaan en onder mensen een humane omgang.

En niemand moet ervan opkijken dat ik de zorg voor het juist regelen van de godsdienst nu opdraag aan een burgerlijke regering van mensen, terwijl ik die hierboven nog buiten het oordeel van mensen heb geplaatst. Want ik laat het niet aan mensen over om naar eigen goeddunken wetten te maken over de godsdienst. Dat heb ik eerder niet gedaan en dat doe ik ook nu niet. Een burgerlijke orde die wil voorkomen dat de ware godsdienst, zoals Gods wet die bevat, openlijk en door publieke heiligschennis ongestraft geschonden en besmeurd wordt, díe keur ik goed.

Maar welke opvatting je moet hebben over heel het onderwerp van de burgerlijke regering, zullen de lezers beter begrijpen als we de onderdelen daarvan afzonderlijk behandelen. Want dan worden ze geholpen door een overzichtelijke indeling. Drie onderdelen zijn er: de overheid die de wetten beschermt en handhaaft, de wetten in overeenstemming waarmee zij regeert en het volk dat door die wetten geregeerd wordt en de overheid gehoorzaamt.

Eerst kijken we dus naar de taak van de overheid. Is dat een wettige roeping, waar God blij mee is? Wat is haar taak en hoe groot is haar macht? Vervolgens kijken we door welke wetten een christelijke staat geregeerd hoort te worden. En ten slotte kijken we wat het volk aan wetten heeft en welke gehoorzaamheid het aan de overheid verschuldigd is.

De overheid

De Heer heeft niet alleen verklaard dat Hij blij is met de taak van de overheid. Hij heeft bovendien de waardigheid van die taak genoemd met heel eervolle lofprijzingen en wonderlijk bij ons aangeprezen. Ik zal er een paar noemen.

Degenen die een overheidsfunctie vervullen worden ‘goden’ genoemd. Exodus 22:8 (22:7); Psalm 82:1-6 Dan moet je niet denken dat die aanduiding weinig te betekenen heeft. Want het maakt duidelijk dat hun opdracht van God komt, dat ze goddelijk gezag hebben gekregen en volledig God vertegenwoordigen en in zekere zin zijn plaatsvervangers zijn. Dat heb ik niet zelf verzonnen. Zo legt Christus het uit. Hij zegt: ‘De Schrift noemt degenen tot wie Gods Woord gekomen is goden.’ Johannes 10:35 Wat betekent dat anders dan dat God hun iets heeft opgedragen, zodat ze Hem zouden dienen in hun functie en – zoals Mozes en Josafat zeiden tegen de rechters die zij aanstelden in alle steden van Juda – recht zouden spreken niet voor de mens, maar voor God? Deuteronomium 1:16-17; 2 Kronieken 19:6

Daarop slaat ook wat Gods wijsheid zegt via de mond van Salomo: dat het zijn werk is dat koningen regeren en adviseurs rechtvaardigheid voorstellen, dat vorsten gezag uitoefenen en alle rechters van de aarde het goede doen. Spreuken 8:15-16 Want dat betekent hetzelfde alsof er gezegd werd dat het niet door de slechtheid van de mensen komt dat het gezag over alle dingen op aarde bij koningen en andere vorsten ligt, maar door Gods voorzienigheid en zijn heilige bepaling. Hij vond het goed dat de zaken van de mensen zo bestuurd worden. Want Hij helpt hen, ja leidt hen bij het maken van wetten en het spreken van recht.

Ook Paulus leert dat duidelijk. Hij noemt mensen die leiding geven als één van Gods gaven, die Christus’ dienaren tot opbouw van de kerk moeten gebruiken, volgens de variatie aan genade die op allerlei manieren wordt uitgedeeld. Romeinen 12:8

Eigenlijk heeft hij het daar over de vergadering van serieuze mannen die in de eerste kerk werden aangesteld om de leiding te hebben over de openbare discipline. Die taak noemt hij in de brief aan de Korinthiërs ‘regeren’. 1 Korinthiërs 12:28 Maar we zien dat de burgerlijke regering hetzelfde doel heeft. Daarom is er toch geen twijfel aan dat hij ons elke vorm van rechtvaardig regeren aanprijst.

Maar hij spreekt nog veel duidelijker als hij het expliciet over dit onderwerp heeft. Want hij leert dat macht door God bepaald is en dat er geen machten zijn die niet door Hem bepaald zijn. En dat vorsten Gods dienaren zijn, om te prijzen wie goed doen en te straffen wie kwaad doen. Romeinen 13:1-4

Daarbij komen nog voorbeelden van heilige mannen. Sommigen van hen waren aangesteld als koning, zoals David, Josia en Hizkia. Anderen als stadhouder, zoals Jozef en Daniël. Weer anderen als burgerlijke aanvoerder over een vrij volk, zoals Mozes en de richters. Van hun functies heeft de Heer verklaard dat Hij er blij mee was. Daarom mag niemand er meer aan twijfelen dat burgerlijke macht een roeping is die niet alleen voor God heilig en legitiem is, maar ook zeer gewijd en in heel het leven van stervelingen verreweg het meest eervol van alle roepingen.

Anarchie

Degenen die anarchie willen invoeren – zodat de mensen leven als ratten in het stro – brengen hiertegen in dat er in het verleden over het ruwe volk weliswaar koningen en richters aangesteld waren, maar dat die slaafse manier van regeren tegenwoordig absoluut niet meer past bij de volmaaktheid die Christus ons met zijn evangelie bezorgd heeft. Daarmee verraden ze niet alleen hun onwetendheid, maar ook hun duivelse hoogmoed. Want ze claimen voor zichzelf een volmaaktheid waarvan we in hen nog geen procent terugzien. Maar hoe dan ook, dit is gemakkelijk te weerleggen.

David spoort alle koningen en aanvoerders aan om Gods Zoon te kussen. Dan gebiedt hij hun niet hun regering neer te leggen en zich terug te trekken in een leven als gewoon burger. Nee, hij gebiedt hun om de macht die ze hebben gekregen, te onderwerpen aan Christus, zodat Hij alleen boven iedereen uitsteekt. Psalm 2:12

En Jesaja belooft dat koningen verzorgers en koninginnen voedsters zullen zijn van de kerk. Dan pakt hij hun eer niet af, maar maakt hij met een eervolle benaming van hen beschermheren en beschermvrouwen van Gods vrome dienaren. Jesaja 49:23 Want die voorzegging slaat op de komst van Christus.

Ik sla bewust heel veel Schriftbewijzen over, waarin het recht van degenen die regeren bevestigd wordt. Je leest ze overal, vooral in de Psalmen. De belangrijkste passage is die van Paulus, waar hij Timotheüs aanspoort om in de openbare samenkomst te bidden voor koningen. Hij voegt er dan meteen de reden aan toe: ‘Dan kunnen wij een rustig leven leiden in alle vroomheid en eerlijkheid.’ 1 Timotheüs 2:2 Met die woorden beveelt hij de positie van de kerk aan aan hun zorg en bescherming.

Gods plaatsvervangers

De overheidspersonen zelf moeten dit continu blijven bedenken. Dat kan voor hen een sterke prikkel zijn om hen aan te sporen hun plicht te doen. Ook kan het hun een bijzondere troost bieden om daardoor de – echt vele en grote – moeilijkheden van hun taak te verzachten.

Immers, als je weet dat je bent aangesteld om Gods rechtvaardigheid te bedienen, wat moet je jezelf dan een ijver opleggen om eerlijk, voorzichtig, zachtmoedig, beheerst en onschuldig te zijn! Als je hoort dat je rechterstoel de troon is van de levende God, hoe kun je dan zo brutaal zijn om daar onrechtvaardigheid toe te laten? Als je beseft dat je mond bestemd is als instrument voor Gods waarheid, hoe kun je dan zo overmoedig zijn om daarmee een onrechtvaardig oordeel uit te spreken? Als je weet dat je hand bestemd is om daarmee Gods bepalingen op te schrijven, hoe kan je geweten je dan toestaan om goddeloze besluiten te ondertekenen? Kortom, als je je herinnert dat je Gods plaatsvervanger bent, moet je er met alle zorg, ernst en ijver voor zorgen dat je de mensen in jouzelf een betrouwbaar beeld presenteert van Gods voorzienigheid, bescherming, goedheid, welwillendheid en rechtvaardigheid.

Continu moeten overheidspersonen zichzelf voorhouden dat, als ieder vervloekt is die het werk van Gods wraak verkeerd uitvoert, Jeremia 48:10 nog veel erger vervloekt zijn wie verkeerd handelen in een legitieme roeping. Toen Mozes en Josafat hun rechters wilden aansporen om hun plicht te doen, hadden ze daarom niets dat daarvoor zo effectief was als wat ik al eerder citeerde: ‘Kijk uit wat jullie doen. Want jullie spreken geen recht voor de mens, maar voor God. In een rechtszaak is Hij immers bij jullie. Dus laat de vrees voor de Heer op jullie zijn. Pas op wat jullie doen, want bij de Heer is geen onrecht.’ Deuteronomium 1:16; 2 Kronieken 19:6-7 En in een andere passage wordt gezegd dat God in de vergadering van de goden staat en dat Hij in het midden van de goden rechtspreekt. Psalm 82:1 Dat moet overheidspersonen bemoedigen bij hun taak. Ze horen immers dat ze afgezanten zijn van God en dat ze eens aan Hem verantwoording moeten afleggen van hoe ze hun taak hebben uitgevoerd. Jesaja 3:14

Aan deze waarschuwing horen ze veel waarde te hechten. Want als ze iets verkeerds doen, zijn ze niet alleen onrechtvaardig tegenover de mensen die ze kwaadaardig kwellen. Ze beledigen ook God. Ze besmeuren zijn heilige oordelen.

Aan de andere kant hebben ze ook iets waarmee ze zich geweldig kunnen troosten. Ze moeten bedenken dat ze niet bezig zijn met onheilige dingen die niet passen bij een dienaar van God. Nee, ze voeren een heel heilige taak uit. Want ze fungeren als Gods afgezanten.

Eerbied voor overheden uit eerbied voor God

Als zoveel bewijzen uit de Schrift je er niet van weerhouden om deze heilige bediening te lasteren, alsof het iets is dat niet past bij de godsdienst en bij christelijke vroomheid, wat doe je dan anders dan God zelf beledigen? Immers, als je zijn bediening belastert, kan het niet anders of je beledigt ook Hemzelf. Als je dat doet, verwerp je niet alleen de overheid, maar God. Dan wil je niet dat Hij over je regeert. Dat zegt de Heer over het volk Israël, omdat ze de regering van Samuël verworpen hadden. 1 Samuël 8:7 Als dat terecht is, hoe kan het dan tegenwoordig niet evengoed terecht gezegd worden over degenen die de vrijheid nemen om tekeer te gaan tegen alle door God ingestelde regeringen?

‘Maar,’ zeggen ze, ‘de Heer heeft tegen zijn leerlingen gezegd dat de koningen van de volken over hen regeren, maar dat het bij hen niet zo mocht zijn. Bij hen moest de eerste de minste zijn. Lucas 22:25-26 Met deze uitspraak heeft de Heer alle christenen verboden een koningschap of regering op zich te nemen.’ Wat een knappe uitleggers! De leerlingen hadden ruzie gekregen over de vraag wie van hen boven de anderen zou staan. Om die zinloze eerzucht te bedwingen, leerde de Heer dat hun bediening anders is dan koninkrijken, waarin de één hoger staat dan de ander. Nu vraag ik je: hoe vormt deze vergelijking een belediging voor de koninklijke waardigheid? Wat bewijst dit meer, dan alleen dat de taak van een koning geen apostolische bediening is?

Bovendien, ook al zijn er allerlei soorten overheden, toch is er tussen hen geen enkel verschil wat betreft het feit dat we voor hen allemaal eerbied moeten hebben omdat ze door God zijn ingesteld. Want Paulus neemt ze allemaal bij elkaar als hij zegt dat er geen macht is, behalve macht die van God komt. Romeinen 13:1 En de macht die het minst aangenaam is, wordt het meest aangeprezen: de macht van één persoon. Die macht impliceert dat iedereen zich daar publiekelijk aan moet onderwerpen, behalve die ene zelf aan wiens willekeur alles onderworpen wordt. Helden en edelen konden daar in het verleden minder blij mee zijn. Maar om zo’n onjuist oordeel te bestrijden, verklaart de Schrift expliciet dat koningen regeren dankzij de voorzienigheid van Gods wijsheid. Spreuken 8:15 En ze beveelt speciaal om de koning te eren. Spreuken 24:21; 1 Petrus 2:17

Regeringsvormen

Natuurlijk zou het geen enkele zin hebben als privé-personen zonder overheidsfunctie zouden bespreken wat op de plek waar zij leven de beste regeringsvorm zou zijn. Het is hun immers niet toegestaan om plannen te maken voor het inrichten van een of andere republiek. Bovendien is daar ook niet zomaar een simpele oplossing voor de vinden. Je moet er goed over nadenken, want het is voor een belangrijk deel afhankelijk van de omstandigheden. Ook als je, afgezien van de omstandigheden, de regeringsvormen zelf met elkaar vergelijkt, is het niet gemakkelijk om te zien welke het meest nuttig is. Want als het erop aankomt, lijken ze erg op elkaar. Er zijn drie vormen van burgerlijke regering. In een monarchie ligt de macht slechts bij één persoon, of die nu ‘koning’ genoemd wordt of ‘hertog’. Een aristocratie is een regering die bestaat uit de meest vooraanstaande en belangrijke mannen. En een democratie is een regering door het volk, waarbij iedereen van het volk macht heeft. Een monarchie vervalt gemakkelijk tot tirannie. Maar een aristocratie vervalt even gemakkelijk tot oligarchie: een regering door een kleine factie. En nog het gemakkelijkst vervalt een democratie tot anarchie.

Dit zijn de drie regeringsvormen die de filosofen noemen. Als je die drie op zichzelf bekijkt, kan ik zeker niet ontkennen dat aristocratie of een mengvorm van aristocratie en democratie verreweg het beste is. Dat ligt niet aan die vorm zelf. Het komt doordat koningen zich maar zelden zo in toom houden dat hun wil nooit afwijkt van recht en rechtvaardigheid. Ook komt het maar zelden voor dat ze zoveel intelligentie en voorzichtigheid bezitten dat ieder van hen ziet wanneer het genoeg is. Het is dus aan de fouten en gebreken van mensen te wijten dat het veiliger en gemakkelijker te verduren valt dat meerderen in plaats van één het roer in handen hebben. Dan kunnen ze elkaar helpen, onderwijzen en waarschuwen. En als een zich verder boven de anderen verheft dan hij hoort te doen, zijn er meerdere bestuurders en meesters die zijn willekeur in toom kunnen houden.

Dat blijkt niet alleen uit onze eigen ervaring. De Heer heeft het ook met zijn gezag bevestigd. Want onder het volk Israël stelde Hij een aristocratie in die grensde aan een democratie, Exodus 18:13-26; Deuteronomium 1:9-17 omdat Hij hen in de beste toestand wilde houden, totdat Hij in David een beeld van Christus presenteerde.

Ook erken ik graag dat de gelukkigste vorm van bestuur een vorm is waarbij een ruime, maar beperkte vrijheid is, op een duurzame basis. De gelukkigste mensen zijn volgens mij dan ook degenen die van zo’n toestand mogen genieten. En als ze er moedig en standvastig aan werken om die toestand te bewaren en in stand te houden, geef ik toe dat ze gewoon hun plicht doen. Sterker nog, overheden zijn aangesteld als beschermers van de vrijheid. Ze moeten hun uiterste best doen om te voorkomen dat ze toelaten dat er in enig opzicht aan die vrijheid afbreuk gedaan wordt, laat staan dat die geschonden wordt. Als ze daarin nalatig of zorgeloos zijn, zijn ze ontrouw aan hun taak en verraden ze hun vaderland.

Maar dit moet je niet op jezelf toepassen als de Heer je een andere bestuursvorm heeft toebedeeld. Je moet je niet laten opruien om te streven naar verandering. Want als je dat denkt, is dat niet alleen dwaas en zinloos, maar ook heel erg schadelijk. Je moet je ogen niet maar op één staat gericht houden. Kijk maar eens de hele wereld rond of laat je blik in elk geval maar eens gaan over regio’s die verder weg liggen. Dan zul je vast wel merken dat God het in zijn voorzienigheid niet voor niets zo bepaald heeft dat verschillende landen bestuurd worden door verschillende regeringsvormen. Het is net als met elementen die alleen onderling samenhangen door een vermenging van ongelijke delen. Zo worden ook deze regeringsvormen heel goed bij elkaar gehouden door een bepaalde ongelijkheid.

Trouwens, als de wil van de Heer genoeg voor je is, hoef ik dit niet eens tegen je te zeggen. Want als de Heer het goedvindt koningen aan te stellen over koninkrijken en senatoren of burgemeesters over vrije staten, dan is het onze plicht om gehoorzaam en onderdanig te zijn aan wie Hij maar heeft aangesteld over de plek waar wij leven.

De taak van de overheid

Nu moet ik op deze plek in het voorbijgaan uitleggen wat de taak van overheden is zoals God Woord die beschrijft en wat die taak inhoudt. Als de Schrift niet zou leren dat die taak beide tafels van de wet omvat, zouden we dat toch nog kunnen leren van heidense schrijvers. Want niemand heeft de taak van overheden behandeld, het geven van wetten en de staat, zonder daarbij te beginnen bij de godsdienst. Ze hebben dus allemaal beleden dat een burgerlijke regering alleen op een gelukkige manier kan worden ingericht als je eerst zorgt voor vroomheid. En dat wetten die Gods recht verwaarlozen en alleen voor mensen zorgen, verkeerde wetten zijn. Bij alle filosofen staat godsdienst dus op de eerste plaats. Alle volken hebben zich algemeen en eenstemmig aan deze opvatting gehouden. Daarom moeten christelijke vorsten en overheispersonen zich schamen voor hun zorgeloosheid als ze niet hun best doen om hiervoor te zorgen.

Ik heb al laten zien dat God hun deze taak speciaal oplegt. Want het is gepast dat zij hun best doen om de eer te beschermen en te verdedigen van Hem wiens plaatsvervangers ze zijn en dankzij wiens zegen zij regeren. Daarom prijst de Schrift ook vooral heilige koningen, omdat ze de bedorven of vernietigde dienst aan God weer hebben hersteld, of ervoor gezorgd hebben dat de godsdienst onder hun regering zuiver en ongeschonden bloeide. Maar aan de andere kant noemt de heilige geschiedenis het feit dat er in Israël geen koning was en dat ieder deed waar hij zin in had, als een van de gebreken van anarchie. Richteren 21:25

Dat weerlegt de dwaasheid van degenen die de zorg voor God zouden willen verwaarlozen en zich alleen zouden willen wijden aan het rechtspreken tussen de mensen. Alsof God in zijn naam vorsten aan zou stellen om aardse geschillen te beslechten, maar zou hebben nagelaten wat veel belangrijker is: dat Hij zelf zuiver gediend wordt zoals zijn wet voorschrijft! Maar het verlangen om alles ongestraft te veranderen zet deze oproerige mensen ertoe aan graag alle rechters uit de weg te willen ruimen die het schenden van de godsdienst bestraffen.

Wat betreft de tweede tafel: Jeremia waarschuwt de koningen dat ze recht en rechtvaardigheid in praktijk moeten brengen, dat ze wie met geweld verdrukt wordt uit de hand van de verdrukker moeten verlossen, dat ze vreemdelingen, weduwen en wezen geen verdriet of onrecht mogen aandoen en dat ze geen onschuldig bloed mogen vergieten. Jeremia 22:3

Op hetzelfde slaat de waarschuwing die je leest in Psalm 82, dat ze armen en behoeftigen recht moeten doen, hulpelozen en behoeftigen moeten verlossen en armen en behoeftigen moeten bevrijden uit de hand van onderdrukkers. Psalm 82:3-4

En Mozes beveelt de leiders die hij als zijn plaatsvervangers aanstelde, dat ze de zaak van hun broeders moeten aanhoren en recht moeten spreken tussen hun broeders en vreemdelingen en dat ze bij het rechtspreken niemand mogen voortrekken. Dat ze moeten luisteren naar mensen zonder én met aanzien en voor niemand bang moeten zijn, omdat het Gods rechtspraak is. Deuteronomium 1:16-17

Ik sla nu over wat ergens anders staat: dat koningen niet veel paarden mogen verzamelen, dat ze niet gierig mogen worden, dat ze zich niet boven hun broeders mogen verheffen, dat ze alle dagen van hun leven continu bezig moeten zijn met het overdenken van de wet van de Heer, Deuteronomium 17:16-19 dat rechters niet partijdig mogen zijn, zich niet mogen laten omkopen en meer van zulke uitspraken die je meerdere keren in de Schrift leest. Deuteronomium 16:19 Want als ik hier uitleg wat de taak is van overheden, is het niet zozeer mijn bedoeling de overheden zelf te onderwijzen. Nee, ik wil anderen leren wat overheden zijn en voor welk doel God ze heeft ingesteld.

We zien dus dat ze zijn aangesteld als beschermers en verdedigers van openbare onschuld, kuisheid, fatsoen en rust en dat ze alleen hun best moeten doen om te zorgen voor het algemeen welzijn en de vrede van allen. En David belooft dat hij, als hij de koningstroon beklommen heeft, een voorbeeld zal zijn van deze goede eigenschappen: hij zal niet instemmen met een misdaad, maar hij zal goddelozen, lasteraars en hoogmoedigen veroordelen. Van alle kanten zal hij echter goede en betrouwbare adviseurs bij zich ontbieden. Psalm 101

Overheden kunnen dit echter alleen doen als ze de goeden beschermen tegen de onrechtvaardigheid van de slechten en als ze de onderdrukten helpen en beschermen. Daarom zijn ze ook bewapend met macht om openlijke misdadigers, die met hun slechtheid de openbare rust in verwarring of beroering brengen, streng in toom te houden. Romeinen 13:3 We ervaren immers helemaal wat Solon zei: alle staten houden stand door beloning en straf. Als die worden weggenomen, stort in alle staten de discipline in en verdwijnt die. Want bij veel mensen bekoelt de zorg voor eerlijkheid en recht als goede eigenschappen niet geëerd worden. En de begeerten van slechte mensen kunnen alleen in bedwang gehouden worden door streng te straffen.

Deze twee dingen vat de profeet Jeremia samen als hij koningen en andere overheidspersonen beveelt recht en rechtvaardigheid in praktijk te brengen. Jeremia 22:3; 21:12 Rechtvaardigheid is dat je onschuldigen onder je hoede neemt, beschermt, redt en bevrijdt. Recht is dat je de brutaliteit van goddelozen bestrijd, hun geweld onderdrukt en hun misdaden bestraft.

De zwaardmacht

Maar het lijkt erop dat hier een erg moeilijke vraag rijst: Gods wet verbiedt alle christenen om te doden. Exodus 20:13; Deuteronomium 5:17; Mattheüs 5:21 En de profeet Jesaja voorzegt over Gods heilige berg – de kerk – dat men elkaar daar geen kwaad zal doen of schade zal berokkenen. Jesaja 11:9; 65:25 Hoe kunnen overheidspersonen dan vroom zijn en tegelijk bloed vergieten?

Maar we moeten inzien dat de overheid bij het straffen niet op eigen gezag handelt, maar Gods eigen oordelen uitvoert. Dan kan dit bezwaar ons niet hinderen. De wet van de Heer verbiedt om te doden. Doodslag mag dus niet ongestraft blijven. Daarom geeft de wetgever zelf zijn dienaren het zwaard in handen om het te gebruiken tegen ieder die doodt. Vromen horen geen pijn te doen of schade te berokkenen. Maar het is geen kwaad doen of schade berokkenen als je op bevel van de Heer het kwaad wreekt dat vromen wordt aangedaan. Je kunt dus gemakkelijk concluderen dat overheden in dit opzicht niet onderworpen zijn aan de algemene wet. Ook al bindt de Heer de handen van alle mensen, toch bindt Hij niet zijn rechtvaardigheid. Die handhaaft Hij via de handen van de overheid. Dat is hetzelfde als wanneer een vorst al zijn onderdanen verbiedt om iemand te slaan of schade te berokkenen. Dan verbiedt hij zijn dienaren ook niet om het recht te handhaven. Die taak heeft hij speciaal aan hen toevertrouwd.

Ach, beseften we maar altijd dat er hierbij niets gebeurt door menselijke overmoed, maar op gezag van God. Hij beveelt het en onder zijn leiding dwaal je nooit van het rechte pad af. Of zou Gods rechtvaardigheid beperkt zijn, zodat Hij misdaden niet zou kunnen bestraffen? We mogen Hem de wet niet voorschrijven. Waarom zouden we zijn dienaren dan ten onrechte beschuldigen? Zij dragen het zwaard niet voor niets, zegt Paulus. Want ze zijn Gods dienaren om te straffen, om misdadigers te wreken. Romeinen 13:4 Dus als vorsten en andere overheidspersonen weten dat de Heer nergens zo blij mee is als met hun gehoorzaamheid en als ze God hun vroomheid, rechtvaardigheid en oprechtheid willen bewijzen, dan moeten ze zich aan deze bediening wijden.

Dit verlangen dreef Mozes ertoe om de Egyptenaar dood te slaan. Hij begreep dat hij door de kracht van de Heer ertoe bestemd was om zijn volk te verlossen. Exodus 2:12; Handelingen 7:24 En later, toen hij op één dag drieduizend man doodde en zo de heiligschennis door het volk bestrafte. Exodus 32:27-28 Zo was het ook bij David, toen hij aan het eind van zijn leven zijn zoon Salomo gebood Joab en Simeï te doden. 1 Koningen 2:5-9 Daarom noemt hij als een van de goede eigenschappen van een koning ook dit: ‘De goddelozen in het land ombrengen, zodat allen die onrechtvaardig handelen, uit Gods stad worden uitgeroeid.’ Psalm 101:8 Daarop slaat ook de lof die Salomo wordt toegekend: ‘Je hebt rechtvaardigheid liefgehad en onrechtvaardigheid gehaat.’ Psalm 45:8

Hoe kan de zachtmoedige en vriendelijke Mozes in zo’n grote woede ontvlammen dat hij, bespat met en druipend van het bloed van zijn broeders, door het legerkamp loopt voor een nieuwe slachting? Hoe kan David, die heel zijn leven zo’n zachtmoedig man was, op het laatst van zijn leven zo’n bloederig testament maken, dat zijn zoon de grijze haren van Joab en Simeï niet in vrede in het graf mag laten neerdalen? Maar beiden hebben ze door zo te handelen, hun handen geheiligd. Ze voerden de wraak uit die God hun had opgedragen. Als ze hadden nagelaten om te straffen, dan zouden ze hun handen besmeurd hebben.

Salomo zegt: ‘Het is afschuwelijk als koningen onrechtvaardigheid bedrijven. Want een troon wordt bevestigd door rechtvaardigheid.’ Spreuken 16:12 En: ‘Een koning die op de rechterstoel zit, laat zijn ogen vallen op al het kwaad.’ Spreuken 20:8 En: ‘Een wijze koning verstrooit de goddelozen en laat het rad over hen gaan.’ Spreuken 20:26 En: ‘Doe het schuim van het zilver weg, dan komt er een voorwerp voor de zilversmid uit. Doe de goddeloze weg van voor de ogen van de koning, dan zal zijn troon bevestigd worden in rechtvaardigheid.’ Spreuken 25:4-5 En: ‘Wie een goddeloze rechtvaardigt en wie een rechtvaardige veroordeelt, zijn voor de HEER een gruwel, allebei.’ Spreuken 17:15 En: ‘Een opstandige zoekt kwaad voor zichzelf en er wordt een wrede boodschapper naar hem gezonden.’ Spreuken 17:11 En: ‘Wie tegen een goddeloze zegt: “Je bent rechtvaardig,” zal door de volken vervloekt worden.’ Spreuken 24:24

Nou, als het hun echte rechtvaardigheid is dat ze schuldigen en goddelozen met getrokken zwaard vervolgen, dan maken ze zich schuldig aan heel erge goddeloosheid als ze het zwaard in de schede steken en hun handen schoon houden van bloed, terwijl slechte mensen ondertussen misdadig tekeergaan met moord en doodslag. Daar verdienen ze echt geen lof mee dat ze goed en rechtvaardig zijn.

Alleen, weg met barse en ruwe wreedheid en met een rechtbank die terecht een klip genoemd wordt waar aangeklaagden op stuk lopen. Want ik ben niet iemand die ongepaste wreedheid zou willen steunen of die zou denken dat er een eerlijk oordeel uitgesproken kan worden zonder dat daarbij ook de allerbeste adviseur van koningen zitting heeft, die zoals Salomo zegt, de veiligste bescherming biedt aan een koninklijke troon: welwillendheid. Spreuken 20:28 In het verleden heeft iemand die de belangrijkste gave van vorsten genoemd.

Bij personen in een overheidsfunctie moeten we echter op twee dingen letten. Zo iemand mag niet te streng zijn en daardoor meer verwonden dan genezen. En hij mag niet uit een bijgelovig streven naar welwillendheid vervallen tot een wrede menslievendheid, door zo op te gaan in een zwakke toegeeflijkheid dat velen verloren gaan. Niet voor niets is onder de regering van Nerva ook eens gezegd dat het weliswaar erg is als je leeft onder een vorst die niets toestaat, maar nog veel erger als je leeft onder een vorst die alles toestaat.

Gaius Cassius Longinus († 42 v. Chr.), Romeinse politicus die een rol speelde bij de moord op Julius Caesar.

Legitieme oorlogen

Soms is het nodig dat koningen en volken de wapens opnemen om zo’n publieke straf uit te voeren. Op basis van deze argumentatie kun je dus tegelijk ook concluderen dat oorlogen die zo gevoerd worden, legitiem zijn. Koningen hebben de macht gekregen om hun regering te beschermen, om oproerbewegingen van opstandige mensen te onderdrukken, om degenen die door geweld onderdrukt worden te helpen en om misdaden te bestraffen. Als dat zo is, zou dan de meest geschikte manier om die macht te gebruiken niet zijn om de woede te bedwingen van wie zowel de rust van ieder persoonlijk als van iedereen in het algemeen verstoort, van wie oproerig tekeergaat en van wie met geweld onderdrukt en gewelddadige misdaden pleegt?

Als koningen de wetten horen te handhaven en te beschermen, moeten ze ook de pogingen verijdelen van ieder die met zijn misdaden de discipline van de wetten bederft. Immers, als het terecht is als ze struikrovers straffen die met hun misdaden slechts enkele mensen schade berokkend hebben, zouden ze dan toestaan dat het hele land ongestraft door roversbenden geteisterd en verwoest wordt? Het maakt niet uit of het een koning is of iemand uit de onderste lagen van het gewone volk die het land van een ander, waar hij geen zeggenschap over heeft, binnenvalt en het als een vijand kwelt. Ze moeten allemaal op dezelfde manier als rovers beschouwd en gestraft worden.

Zowel natuurlijke eerlijkheid als de aard van hun taak leert dus dat vorsten gewapend zijn, niet alleen om misdaden van afzonderlijke personen door middel van rechterlijke straffen te beteugelen, maar ook om de landen die hun zijn toevertrouwd door middel van oorlog te beschermen als ze door vijanden aangevallen worden. En met vele Schriftbewijzen verklaart de Heilige Geest dat zulke oorlogen legitiem zijn.

Beperkingen in het oorlog voeren

Misschien brengt iemand tegen mij in dat er in het Nieuwe Testament geen enkel Schriftbewijs of voorbeeld te vinden is dat leert dat oorlog voor christenen is toegestaan. Dan is mijn antwoord in de eerste plaats dat de reden die er vóór die tijd was om oorlog te voeren ook nu nog bestaat. En dat er andersom geen reden is waarom een overheid haar onderdanen niet zou beschermen. In de tweede plaats dat je in de geschriften van de apostelen niet moet zoeken naar een expliciete behandeling van deze dingen. Want het is niet hun bedoeling om de burgerlijke regering te regelen, maar om het geestelijke rijk van Christus te onderwijzen. En in de derde plaats dat ook in hun geschriften er in het voorbijgaan op gewezen wordt dat Christus met zijn komst in dit opzicht niets veranderd heeft.

Immers, om met Augustinus’ woorden te spreken: stel dat de christelijke leer alle oorlogen zou veroordelen. Dan zou Johannes de Doper tegen de soldaten die hem om raad vroegen over hun redding eerder gezegd hebben dat ze hun wapens moesten weggooien en zich volledig uit de militaire dienst moesten terugtrekken. Maar hij zei tegen hen: ‘Bezorg niemand overlast, doe niemand onrecht, wees tevreden met je soldij.’ Lucas 3:14 Als je iemand beveelt tevreden te zijn met z’n soldij, verbied je hem in elk geval niet om in militaire dienst te blijven.

Maar alle overheidspersonen moeten er op dit punt heel erg voor oppassen dat ze ook maar een klein beetje toegeven aan hun begeerten. Als er straffen uitgevoerd moeten worden, mogen ze zich juist niet laten drijven door haastige woede, zich niet laten meeslepen door haat, niet branden van onverzoenlijke strengheid. Zoals Augustinus zegt, ze moeten zelfs medelijden hebben met de algemene menselijke natuur in degene wiens misdaad ze bestraffen. Of als de wapens opgenomen moeten worden tegen een vijand – een gevaarlijke rover – dan mogen ze daar niet gemakkelijk een reden voor zoeken.

Sterker nog, ze mogen zelfs geen reden accepteren die hun wordt aangeboden tenzij het echt niet anders kan. Want wij moeten nog meer doen dan de heidense filosoof Cicero eiste. Die wilde dat oorlog op het zoeken van vrede leek. Dus dan moet natuurlijk eerst alles geprobeerd worden voordat je de wapens laat spreken. Kortom, in beide gevallen mogen ze zich niet door persoonlijke emoties laten meeslepen, maar mogen ze zich alleen door een besef van algemeen nut laten leiden. Anders misbruiken ze hun macht heel verkeerd. Want die hebben ze niet gekregen voor hun eigen voordeel, maar voor het welzijn en het dienen van anderen.

Ditzelfde recht om oorlog te voeren impliceert ook het recht om garnizoenen te leggen, bondgenootschappen te sluiten en andere burgerlijke verdedigingsmaatregelen te nemen. Met garnizoenen bedoel ik legereenheden die in verschillende steden gelegd worden om het gebied van het land te beschermen. Met bondgenootschappen bedoel ik de verdragen die vorsten van aan elkaar grenzende landen met elkaar sluiten met de voorwaarde dat ze elkaar zullen helpen als er in hun gebied onrust ontstaat en dat ze hun macht bundelen om de gemeenschappelijke vijanden van het menselijk geslacht te onderdrukken. Met burgerlijke verdedigingsmaatregelen bedoel ik de maatregelen die in de krijgskunde gebruikt worden.

Belastingen

Ten slotte wil ik ook nog toevoegen dat belastingen en heffingen legitieme inkomsten zijn voor vorsten. Maar dan moeten ze die wel vooral gebruiken voor het dragen van de algemene lasten van hun taak. Toch mogen ze die ook besteden voor de luister van hun huis en gezin. Want die hangt in zekere zin samen met de waardigheid van hun regering. Zo zien we dat David, Hizkia, Josia, Josafat en andere heilige koningen en ook Jozef en Daniël royaal leefden op kosten van de staat, in overeenstemming met hun positie, zonder dat dat hun vroomheid schond. En zo lezen we ook bij Ezechiël dat aan de koningen een heel grote oppervlakte aan land werd toegekend. Ezechiël 48:21 Weliswaar tekent hij daar het geestelijke rijk van Christus. Maar hij gebruikt toch een wettig koninkrijk van mensen als voorbeeld.

Maar de vorsten zelf moeten op hun beurt beseffen dat hun inkomsten eigenlijk geen persoonlijke schatten zijn, maar schatten van heel het volk. Dat verklaart Paulus. Romeinen 13:6 Ze kunnen die niet verkwisten zonder dat ze duidelijk onrecht doen. Beter nog: die inkomsten zijn eigenlijk het bloed van het volk en het is heel inhumaan om dat niet te sparen. Vorsten moeten bedenken dat hun belastingen, accijnzen en andere soorten heffingen alleen maar hulpmiddelen zijn voor wat nodig is in het algemeen belang en dat het tirannieke roofzucht is om het arme volk daar zonder reden mee te belasten.

Al deze overwegingen moedigen vorsten niet aan tot verkwistende uitgaven. Het is natuurlijk ook niet nodig om hun begeerten nog verder aan te wakkeren. Die branden uit zichzelf al sterker dan gepast is. Maar het is heel belangrijk dat ze alles wat ze ondernemen, ondernemen met een schoon geweten voor God. Daarom moeten ze leren wat hun is toegestaan, om te voorkomen dat ze door een goddeloos zelfvertrouwen God gaan minachten. En ook voor privé-personen is deze leer niet overbodig. Want ze mogen zichzelf niet toestaan allerlei uitgaven van vorsten onnadenkend en brutaal te veroordelen, ook al geven die meer uit dan gewone burgers.

Wetten

Bij het behandelen van de burgerlijke regering komen na de overheid de wetten. Die zijn de heel sterke zenuwen van de staten, of – zoals Cicero ze net als Plato noemt – de zielen waar de overheid niet zonder kan bestaan, terwijl zij andersom ook geen kracht hebben zonder de overheid. Daarom zou je niets zo waars kunnen zeggen als dat een wet een stomme overheid is en de overheid een levende wet.

Dat ik wil beschrijven door wat voor wetten een christelijke staat geregeerd hoort te worden, betekent niet dat je een lange verhandeling moet verwachten over de beste soort wetten. Want zo’n verhandeling zou eindeloos lang duren en niet passen bij ons onderwerp en deze plek. Ik zal alleen met enkele woorden en als het ware in het voorbijgaan aangeven welke wetten een staat voor Gods ogen vroom kan gebruiken en door welke wetten een staat onder mensen bestuurd kan worden zoals het hoort.

Ook dit zou ik liever stilzwijgend volledig willen overslaan. Maar ik besef dat velen op dit punt gevaarlijk dwalen. Want er zijn mensen die zeggen dat een staat niet juist is ingericht als die de staatsinrichting van Mozes negeert en geregeerd wordt door de gewone wetten van de volken. Hoe gevaarlijk en opstandig deze opvatting is, mogen anderen beoordelen. Voor mij is het genoeg als ik laat zien dat deze opvatting onjuist en dom is.

We moeten letten op de gebruikelijke indeling van heel Gods wet die via Mozes is afgekondigd in morele, rituele en burgerlijke wetten. En we moeten elk onderdeel apart bekijken om te kunnen uitmaken wat daarvan nog op ons slaat en wat niet. Ondertussen hoeft niemand zich er druk om te maken dat ook het burgerlijke en het rituele bij het morele hoort. De oude schrijvers die deze indeling leerden, wisten heel goed dat die twee laatste onderdelen ook met het morele te maken hebben. Toch noemden ze die geen morele wetten. Want ze konden veranderd en afgeschaft worden zonder morele consequenties. Daarom noemden ze het eerste onderdeel specifiek de morele wetten, omdat een echt moreel heilig leven en de onveranderlijke norm voor goed leven niet kunnen bestaan zonder dat onderdeel.

Morele, rituele en burgerlijke wet

We beginnen dus met de morele wet. Die bestaat uit twee onderdelen. Het eerste gebiedt simpelweg om God te dienen met een zuiver geloof en zuivere vroomheid. En het andere gebiedt om mensen te omhelzen met oprechte liefde. Dit is dus de echte en eeuwige norm voor rechtvaardigheid die is voorgeschreven aan de mensen van alle volken en alle tijden, als ze hun leven willen inrichten volgens Gods wil. Immers, dit is zijn eeuwige en onveranderlijke wil: wij allemaal moeten Hem eren en elkaar onderling liefhebben.

Door de rituele wet werden de Joden opgevoed. Zo wilde de Heer hen als het ware in hun kinderlijkheid trainen, totdat de tijd zou aanbreken waarin Hij zijn wijsheid volledig aan de wereld zou openbaren en de werkelijkheid zou laten zien van de dingen waar afbeeldingen toen schaduwen van lieten zien.

De burgerlijke wet hadden ze gekregen voor de inrichting van de staat. Die leerde bepaalde regels van eerlijkheid en rechtvaardigheid waardoor ze onschuldig en onbezorgd met elkaar konden samenleven. En het was net als bij de training van de rituelen. Eigenlijk hoorde die bij de leer van de vroomheid, omdat de kerk van de Joden daardoor bij het dienen van God gehouden werd. Toch kon die onderscheiden worden van de vroomheid zelf. Zo had ook de vorm van hun burgerlijke wetten geen ander doel dan ervoor zorgen dat de liefde die in Gods eeuwige wet geboden wordt, zo goed mogelijk bewaard kon worden. Maar toch had die iets dat van het liefdegebod onderscheiden was. Dus net zoals de rituelen konden worden afgeschaft terwijl de vroomheid behouden bleef en niet geschonden werd, zo kunnen ook nu deze burgerlijke bepalingen er niet meer zijn, terwijl de eeuwige plichten en geboden van de liefde blijven.

Als dit waar is, houden natuurlijk alle volken de vrijheid om wetten te maken waarvan ze vinden dat die nuttig voor hen zijn. Als ze maar in overeenstemming zijn met de eeuwige norm van liefde. Dan kan dus wel de vorm verschillen, maar hebben ze toch hetzelfde uitgangspunt. Want die barbaarse en onbeschaafde wetten die bijvoorbeeld dieven met eer beloonden en seksuele gemeenschap toestonden met iedereen, zonder onderscheid, of andere die nog veel schandelijker en absurder waren, mogen volgens mij niet als wetten beschouwd worden. Die hebben immers niets te maken met rechtvaardigheid en evenmin met medemenselijkheid of vriendelijkheid.

Gelijke principes en verschillende wetten

Wat ik gezegd heb, wordt duidelijk als we bij alle wetten op deze twee dingen letten, zoals het hoort: de bepaling van de wet en het eerlijkheidsprincipe dat de basis voor die wet vormt. Dat eerlijkheidsprincipe ligt in de natuur. Daarom kan dat alleen maar hetzelfde zijn voor iedereen. En daarom moet dat het doel van alle wetten zijn, welk onderwerp ze ook reguleren. Het is geen probleem als voorschriften verschillen. Want ze zijn voor een deel afhankelijk van de omstandigheden.

Verder staat vast dat Gods wet, die wij de morele wet noemen, niets anders is dan een getuigenis van de natuurwet en van het geweten dat God in de harten van de mensen gegrift heeft. Daarom staat heel het eerlijkheidsprincipe waarover we het nu hebben, in die wet geschreven. Daarom moet ook alleen die wet het doel, de norm en de grens zijn voor alle wetten. Alle wetten die gemaakt worden volgens deze norm, die gericht zijn op dat doel en die afgebakend worden door die grens geven ons geen reden om ze af te keuren. Zelfs al verschillen ze van de Joodse wet of van elkaar.

Gods wet verbiedt stelen. In Exodus kun je lezen welke straf er in de wettelijke bepalingen van de Joden op diefstal stond. Exodus 22:1-4 (21:37-22:3) Heel oude wetten bestraften diefstal door de dief te dwingen het dubbele terug te geven. Latere wetten maakten onderscheid tussen diefstal waarbij de dief op heterdaad betrapt werd en diefstal waarbij dat niet het geval was. Sommige wetten gingen nog verder en straften met verbanning, andere met geseling en weer andere met de doodstraf. Vals getuigen werd onder de Joden bestraft met dezelfde straf die opgelegd zou zijn als gevolg van het vals getuigen. Deuteronomium 19:18-21 Maar ergens anders werd het alleen maar bestraft met grote schande, weer ergens anders met de strop en nog weer ergens anders met kruisiging. Doodslag wordt door alle wetten bestraft met de doodstraf, maar wel met verschillende manieren waarop de doodstraf wordt uitgevoerd. Tegen overspel zijn in sommige landen zwaardere en in andere landen lichtere straffen uitgevaardigd.

Toch zien we dat ondanks die verschillen, alle wetten hetzelfde doel beogen. Want als met één mond vaardigen ze straffen uit tegen de misdaden die Gods eeuwige wet veroordeelt: doodslag, diefstal, overspel, vals getuigen. Alleen over de strafmaat zijn ze het niet eens. Maar dat is niet nodig en zelfs niet nuttig. Er zijn landen die meteen door moord en roof kapot gemaakt worden als ze tegen doodslag niet met gruwelijke straffen zouden optreden. Er zijn tijden waarin het nodig is dat er strenger gestraft wordt. Als er in een staat oproer is, moet het kwaad dat daar altijd uit voortkomt door middel van nieuwe bepalingen gecorrigeerd worden. In tijd van oorlog, als de wapens kletteren, zou alle medemenselijkheid verdwijnen als er geen afschrikwekkend effect zou uitgaan van ongewone straffen. In tijden van onvruchtbaarheid of pest zal alles in elkaar storten als er niet extra streng wordt opgetreden. Er zijn volken die tot bepaalde fouten geneigd zijn, tenzij ze met grote kracht in bedwang gehouden worden.

Zo’n variatie is dus heel geschikt om ervoor te zorgen dat men zich blijft houden aan Gods wet. Als je je daaraan ergert, moet je wel heel kwaadaardig zijn en het algemeen welzijn haten!

Sommigen zeggen dat het een belediging is van Gods wet, zoals die via Mozes gegeven is, als die wordt afgeschaft en je de voorkeur geeft aan andere wetten boven Gods wet. Maar dat is echt onzin. Immers, dat we de voorkeur geven aan andere wetten boven de wet van Mozes is niet omdat we ze met elkaar vergelijken en dan die andere wetten simpelweg beter vinden. Nee, we vinden die andere wetten beter passen bij de omstandigheden van tijd, plaats en volk. Ook wordt de wet van Mozes niet afgeschaft, want die wet is nooit aan ons gegeven. De Heer heeft die wet via Mozes immers niet gegeven om bij alle volken afgekondigd te worden en overal van kracht te zijn. Nee,

Hij had het Joodse volk aangenomen in zijn trouw en bescherming. Daarom wilde Hij ook de wetgever zijn van specifiek dat volk. En zoals een wetgever hoort te doen, heeft Hij bij het maken van de wetten speciaal gelet op het belang van dat volk.

Christenen en de overheid

Nu blijft het laatste punt nog over: wat heeft de algemene gemeenschap van christenen aan wetten, rechtspraak en overheden? Deze vraag hangt samen met een andere vraag: hoeveel eerbied zijn privé-personen verschuldigd aan overheden en hoever moet hun gehoorzaamheid gaan?

Velen denken dat de overheidstaak onder christenen overbodig is, dat ze er niet op een vrome manier een beroep op kunnen doen voor hulp, omdat het voor christenen verboden is te straffen, voor een rechtbank te dagen en processen te voeren. Maar integendeel, Paulus verklaart duidelijk dat de overheid Gods dienares is om ons goed te doen. Romeinen 13:4 Dat betekent volgens mij dat God het zo bepaald heeft dat wij door de macht en bescherming van de overheid verdedigd worden tegen de slechtheid en onrechtvaardige behandelingen van misdadige mensen en zo een onbezorgd en veilig leven kunnen leiden. 1 Timotheüs 2:2 Maar als het ons niet was toegestaan om van zo’n zegen gebruik te maken, zou God ons die voor niets gegeven hebben om ons te beschermen. Daaruit blijkt duidelijk dat we er een beroep op mogen doen voor hulp en ons ertoe mogen wenden zonder dat onze vroomheid daardoor geschonden wordt.

Echter, ik moet het nu hebben over twee categorieën mensen. Er zijn er heel veel die zo graag een proces voeren dat ze voor zichzelf nooit rust hebben als ze niet met anderen in conflict zijn. Hun processen zelf voeren ze met een bittere, dodelijke haat en een razende begeerte om zich te wreken en schade te berokkenen. En ze gaan ermee door met een onverzoenlijke koppigheid, totdat ze hun tegenstander geruïneerd hebben. Maar je moet ondertussen niet denken dat ze iets verkeerds doen. Daarom dekken ze hun slechtheid toe met deze dekmantel: ze maken gebruik van het recht. Maar ook al is het toegestaan een proces te voeren tegen je broeder, daarom mag je hem nog niet meteen haten, met een razende begeerte om hem schade te berokkenen op hem aanvallen en hem meedogenloos vervolgen.

Legitiem gebruik van rechtspraak

Zulke mensen moeten dus weten dat de rechtspraak legitiem is als je die op de juiste manier gebruikt. En dit is de juiste manier voor een eiser om aan te klagen en voor een beschuldigde om zich te verdedigen: als een beschuldigde gedagvaard wordt, moet hij op de vastgestelde dag voor de rechtbank verschijnen en zijn zaak verdedigen met de verontschuldigingen die hij kan aanvoeren, zonder bitterheid, met als enig motief dat hij door het recht wil beschermen wat van hem is. En als een eiser in zijn leven of in zijn bezit onrechtmatig gekwetst is, moet hij zich onder bescherming van de overheid stellen, zijn klacht uitleggen en eisen wat eerlijk en goed is, maar volledig zonder begeerte om schade te berokken of zich te wreken, zonder bitterheid en haat en zonder zin in ruzie. Sterker nog, hij moet bereid zijn liever afstand te doen van zijn recht en alles te verduren dan dat hij gedreven wordt door vijandschap tegenover zijn tegenstander.

Echter, als de emoties bevangen zijn door kwaadwilligheid, bedorven zijn door haat, ontbrand zijn in woede en dorst hebben naar wraak, kortom, als ze zo sterk branden van begeerte om te strijden dat er iets gaat ontbreken aan de liefde – dan kan het niet anders of zelfs de meest rechtmatige zaak is goddeloos. Want dit moet voor alle christenen vaststaan als basisprincipe: hoe rechtvaardig een proces ook is, je kunt het nooit op de juiste manier voeren als je je tegenstander niet met dezelfde liefde en welwillendheid behandelt als wanneer het conflict al door een minnelijke schikking zou zijn afgedaan.

Misschien werpt iemand tegen dat het een wonder zou zijn als zo’n zelfbeheersing ooit voor een rechtbank gevonden werd, omdat dat echt nooit gebeurt. Natuurlijk geef ik toe dat je, gezien de moraal in onze tijd, nauwelijks een voorbeeld tegenkomt van iemand die zo een proces voert. Maar als er verder niets verkeerds bijkomt, blijft de zaak op zichzelf goed en zuiver. Bovendien, we horen dat hulp van de overheid een heilige gave van God is. Daarom moeten we extra goed oppassen dat die gave niet door onze schuld besmeurd wordt.

Geen wraakzucht

Degenen die simpelweg alle rechtszaken veroordelen, moeten beseffen dat ze daarmee tegelijk ook Gods heilige bepaling afwijzen en een gave die hoort bij de categorie gaven die voor reine mensen rein kunnen zijn. Titus 1:15 Of willen ze soms Paulus beschuldigen van een misdaad? Hij weerlegde de beschuldigingen van zijn aanklagers en legde uit hoe listig en sluw ze waren. Handelingen 24:12 En hij claimde voor zichzelf het privilege dat het Romeinse burgerschap hem gaf. Handelingen 22:1 Toen het nodig was, beriep hij zich voor de onrechtvaardige stadhouder op de rechterstoel van de keizer. Handelingen 25:10-11

Dit is niet in strijd met het feit dat het voor alle christenen verboden is om te verlangen naar wraak. Ook ik wil dat verlangen ver verwijderd houden van christelijke rechtszalen. Mattheüs 5:39; Deuteronomium 32:35; Romeinen

12:19; Leviticus 19:18 Want bij een civiele zaak volg je alleen de juiste weg als je je zaak ondubbelhartig voorlegt aan de rechter, als een door de staat aangestelde beschermer, volledig zonder kwaad met kwaad te willen vergelden. Romeinen 12:17 Want dat zou verlangen naar wraak zijn. Of als er een aanklacht wordt ingediend voor een zaak waar de doodstraf op staat, of een andere ernstige zaak, dan wil ik dat de aanklager iemand is die op de zitting verschijnt zonder dat hij bevangen is door verlangen naar wraak of gekwetst door persoonlijk onrecht. Zijn enige bedoeling moet zijn de pogingen te verijdelen van een gevaarlijk man, zodat de staat er niet door geschaad wordt. Als je het verlangen naar wraak wegneemt, zondig je niet tegen het gebod dat christenen wraak verbiedt.

‘Maar,’ zullen sommigen zeggen, ‘hun wordt niet alleen verboden uit te zijn naar wraak, maar ook geboden hulp te verwachten van de Heer. Hij belooft dat Hij verdrukten en verslagenen zal helpen om hen te wreken. Romeinen 12:19 Maar als je voor jezelf of voor anderen hulp vraagt aan de overheid, wacht je niet meer op de wraak van deze hemelse beschermer.’ Dat is echt niet zo! Je moet immers bedenken dat straf door de overheid niet van een mens komt, maar van God. Hij legt die straf op en voert die uit door middel van de bediening door een mens, voor ons welzijn. Dat zegt Paulus. Romeinen 13:4

Liever geduld dan wraakzucht

Ik ga evenmin in tegen de woorden van Christus waarmee Hij ons verbiedt ons tegen kwaad te verzetten en ons leert dat we, als iemand ons op de linkerwang slaat, hem de rechterwang moeten toekeren en als iemand ons onderkleed neemt, hem ook ons bovenkleed moeten geven. Mattheüs 5:39-40 Hij wil de zijnen daar zo sterk afschrikken van het verlangen naar wraak, dat ze nog liever dubbel onrecht verdragen dan dat ze uit zijn op wraak. En ook ik wil hen niet afbrengen van geduld. Want inderdaad moeten christenen mensen zijn van een soort dat geboren is om beledigingen en onrecht te verduren en die bloot staan aan slechtheid, bedrog en spot van de slechtste mensen. En dat niet alleen. Ze moeten al die slechte dingen geduldig dragen. Dat wil zeggen: als ze de ene klap krijgen, moeten ze zich voorbereiden op de volgende klap. Voor heel hun leven moeten ze zichzelf niets beloven behalve dat ze continu hun kruis dragen. Ondertussen moeten ze goeddoen aan degenen die hun onrecht doen en zegenen wie hen vervloeken. Mattheüs 5:44; Lucas 6:28 Ze moeten hun best doen het kwaad te overwinnen door het goede. Dat is hun enige overwinning. Romeinen 12:21 Als ze zo denken, zijn ze niet uit op oog om oog en tand om tand. Zo leerden de farizeeën hun leerlingen om naar wraak te verlangen. Nee, als hun lichaam gekwetst en hun bezit hun op sluwe wijze wordt afgenomen, dragen christenen dat zo dat ze die onrechtvaardige daden, zodra ze hun zijn aangedaan, vergeven en uit eigen beweging kwijtschelden. Zo leert Christus het ons. Mattheüs 5:38-48

Maar die vriendelijkheid en zelfbeheersing verhindert hun niet om hulp van de overheid te gebruiken om hun bezit te beschermen of om uit ijver voor het algemeen welzijn te eisen dat een schuldig en schadelijk mens, van wie ze weten dat hij enkel door de dood gecorrigeerd kan worden, gestraft wordt. Dat tast hun vriendelijkheid tegenover hun vijanden niet aan. Want Augustinus heeft gelijk als hij leert dat al deze geboden bedoeld zijn om ervoor te zorgen dat een rechtvaardig en vroom man bereid is geduldig het kwaad te dragen van degenen van wie hij graag wil dat ze goed worden. Want hij heeft liever dat het aantal goede mensen groeit dan dat hij zich, door hetzelfde kwaad te doen, ook nog zou voegen bij het aantal slechte mensen. Bovendien slaan deze geboden meer op innerlijke voorbereiding, dan op openlijke daden. In het verborgene van ons hart moeten we geduldig en welwillend zijn, maar in het openbaar moet gebeuren wat, zoals we zien, het beste is voor degenen voor wie wij het goede moeten willen.

Paulus veroordeelt niet alle processen

Vaak werpt men tegen dat Paulus processen in het algemeen veroordeelt. Maar ook dat is niet waar. Uit zijn woorden kun je gemakkelijk opmaken dat er in de kerk van Korinthe een onbeheerste neiging bestond om te procederen. Zo sterk zelfs, dat ze het evangelie van Christus en heel de godsdienst die ze beleden, blootstelden aan spot en laster van goddelozen. Paulus berispt hen in de eerste plaats omdat ze met het gebrek aan zelfbeheersing in hun ruzies het evangelie bespottelijk maken voor ongelovigen. En in de tweede plaats omdat ze op die manier ruzie maakten als broeders onder elkaar. Want ze waren absoluut niet bereid om onrecht te verdragen. Nee, ze loerden begerig op elkaars bezit, ze tergden en schaadden elkaar. Paulus bestrijdt dus die dwaze zucht tot procederen, niet het procederen op zich. 1 Korinthiërs 6:1-8

Maar hij noemt het helemaal fout en zwak van hen dat ze niet liever schade leden in hun bezit, dan dat ze hun best deden, zelfs tot rechtszaken aan toe, om hun bezit te behouden. Want door elke vorm van schade lieten ze zich zo gemakkelijk in beroering brengen, dat ze om de kleinste redenen naar de rechtbank liepen om te procederen. Daarom zegt hij dat daaruit bleek dat ze te driftig waren en te weinig geduld met elkaar hadden.

Natuurlijk horen christenen ernaar te streven dat ze altijd liever afstand doen van hun recht dan dat ze naar de rechtbank lopen. Want daar kun je nauwelijks vandaan komen zonder dat je nog meer in beroering raakt en de haat tegenover je broeders nog verder is aangewakkerd. Maar als je ziet dat je zonder schade voor de liefde je bezit kunt beschermen en het je groot nadeel zou opleveren als je het zou verliezen, dan zondig je niet tegen

Paulus’ uitspraak als je dat doet.

Kortom, zoals ik in het begin gezegd heb, liefde zal ieder het beste advies geven. En ik beschouw alle rechtszaken waar je aan begint zonder liefde en die de grenzen van de liefde te buiten gaan als onrechtvaardig en goddeloos. Dat staat voor mij buiten kijf.

Gehoorzaamheid

Dat leidt tot nog een andere plicht: onderdanen moeten graag bereid zijn hun overheden te gehoorzamen. Of het nu gaat om het gehoorzamen van hun besluiten, om het betalen van belastingen, om het verrichten van publieke diensten of het dragen van publieke lasten voor de algemene verdediging of om welke andere bevelen ook.

Paulus zegt: ‘Iedereen moet zich onderwerpen aan de machten die over hem gesteld zijn. Want wie zich tegen de macht verzet, verzet zich tegen Gods bepaling.’ Romeinen 13:1-2 En aan Titus schrijft hij: ‘Waarschuw hen dat ze zich moeten schikken onder overheden en machten, dat ze hun moeten gehoorzamen, dat ze bereid moeten zijn om alle goede daden te verrichten.’ Titus 3:1 En Petrus zegt: ‘Schik je onder elke menselijke schepping’ – of beter, zoals ik het vertaal: ‘bepaling’ – ‘omwille van de Heer. Of het nu de koning is, die de hoogste macht heeft, of de stadhouders die door hem gezonden worden, weliswaar om te straffen wie kwaad doen, maar om te prijzen wie goed doen.’ 1 Petrus 2:13-14 En onderdanen moeten getuigen dat ze geen onderdanigheid huichelen, maar zich oprecht en van harte schikken. Daarom voegt Paulus toe dat ze God moeten bidden om het welzijn en de voorspoed van degenen onder wiens gezag ze leven. Hij zegt: ‘Ik roep op tot het doen van smekingen, gebeden, voorbedes en dankzeggingen voor alle mensen, voor koningen en voor iedereen met een hoge positie. Dan kunnen we een onbezorgd en rustig leven leiden in alle vroomheid en fatsoen.’ 1 Timotheüs 2:1-2

Niemand moet zichzelf voor de gek houden. Je kunt je niet verzetten tegen de overheid zonder dat je je tegelijk verzet tegen God. En als dat zo is, dan is God ook gewapend om, zelfs als je een ongewapende overheid ongestraft kunt minachten, deze minachting van Hem te straffen.

Onder deze gehoorzaamheid laat ik bovendien ook de zelfbeheersing vallen die privé-personen zich moeten opleggen in het publieke leven. Ze mogen zich niet uit eigen beweging mengen in publieke zaken of zich zomaar indringen in de taak van de overheid. Ze mogen helemaal niets publieks ondernemen. Als er in de publieke orde iets is dat gecorrigeerd moet worden, moeten ze geen onrust stoken of zelf de handen uit de mouwen steken, want in dit opzicht moeten ieders handen gebonden zijn. Nee, ze moeten de zaak onder de aandacht brengen van de overheid. Die is in dit opzicht de enige die de handen vrij heeft. Ik bedoel het zo: ze mogen niets wagen zonder bevel. Want als ze het bevel krijgen van de overheid, dan hebben ze ook zelf publiek gezag gekregen. Immers, de adviseurs van een vorst noemt men vaak zijn oren en ogen. En zo zou je degenen die hij met zijn bevel aanstelt om iets uit te voeren niet ten onrechte zijn handen kunnen noemen.

Ook slechte overheden erkennen

Tot nog toe heb ik een overheid beschreven die daadwerkelijk is wat zij genoemd wordt: een vorst die een vader is voor het vaderlands en – zoals een dichter zegt – een herder voor zijn volk, een bewaker van de vrede, een beschermer van rechtvaardigheid en een verdediger van onschuld. Wie niet blij is met zo’n regering zou je terecht als een dwaas moeten beschouwen.

Maar bijna alle eeuwen laten zien dat sommige vorsten zich niet druk maken om al die dingen waar ze ijverig voor zouden moeten zorgen, maar zorgeloos genieten van het leven. Andere vorsten zijn zo gericht op eigen voordeel, dat ze alle rechten, privileges, rechterlijke uitspraken en aanbevelingsbrieven te koop aan bieden. Weer anderen beroven het arme volk van geld om dat vervolgens dwaas te verkwisten. Nog weer anderen bedrijven enkel straatroof: ze plunderen huizen, randen maagden en getrouwde vrouwen aan en doden onschuldigen.

Velen kunnen er daarom niet van overtuigd worden dat je zulke vorsten moet erkennen. Zo’n onwaardige houding en zulke schanddaden passen niet alleen slecht bij de plicht van de overheid, maar ook van elk mens. Daarom zien zij daarin niet Gods beeld terug dat in de overheid hoort te schitteren. Ze zien er geen enkel spoor in van een dienaar van God die gegeven is om goeden te prijzen en slechten te straffen. 1 Petrus 2:14 En dus erkennen ze hem ook niet als een vorst wiens waardigheid en gezag bij ons wordt aangeprezen door de Schrift. En natuurlijk is in het hart van mensen de neiging ingeplant om tirannen even sterk te haten en te verafschuwen als ze wettige koningen liefhebben en eren.

Ook slechte overheden zijn door God aangesteld

Maar als we op Gods Woord letten, zal dat ons verder leiden en ons leren dat we ons niet alleen moeten schikken onder de regering van vorsten die zich gedragen zoals het hoort en hun taak vervullen met de trouw die ze verplicht zijn. Nee, we moeten ons schikken onder de regering van ieder die gezag draagt, op welke manier iemand dat ook uitoefent, zelfs al zou hij allesbehalve de plicht van vorsten vervullen. Weliswaar verklaart de Heer dat de taak van de overheid een heel belangrijke en royale gave is van Hem voor het welzijn van de mensen en schrijft Hij zelf overheidspersonen voor aan welke grenzen ze zich moeten houden. Maar Hij verklaart tegelijk ook dat hun gezag alleen van Hem komt, wat voor mensen zij ook zijn. Degenen die regeren in het algemeen belang zijn weliswaar echte voorbeelden en bewijzen van zijn vrijgevigheid. Maar degenen die onrechtvaardig en heerszuchtig regeren, heeft Hij laten opstaan om de onrechtvaardigheid van het volk te straffen. Ze zijn allemaal bekleed met dezelfde heilige majesteit die Hij heeft toegewezen aan de wettelijke macht.

Ik ga niet verder voordat ik hier enkele Schriftbewijzen voor heb aangevoerd. Job 34:30; Hosea 13:11; Jesaja 3:4; 10:5; Deuteronomium 28:29 Toch hoeven we geen moeite te doen om te bewijzen dat een goddeloze koning de woede van de Heer is over een land. Want volgens mij is er niemand die dit zal tegenspreken. En als we het over zo’n koning hebben, hoeven we dus niets méér te zeggen dan over een rover die je bezit steelt, over iemand die je bed besmeurt met overspel of over een sluipmoordenaar die je graag wil vermoorden. De Schrift beschouwt al dit soort rampen immers als vloeken van God.

Maar laten we eerder proberen te bewijzen wat het menselijk verstand niet zo gemakkelijk accepteert: dat in een heel slecht mens, die helemaal geen eer verdient, maar bij wie wel de publieke macht berust, Gods hoge macht woont die de Heer door zijn Woord heeft toevertrouwd aan wie zijn rechtvaardigheid en oordeel bedienen. En dat zijn onderdanen hem daarom dezelfde eerbied en hetzelfde respect moeten bewijzen, voor zover het om publieke gehoorzaamheid gaat, als ze zouden bewijzen aan een heel goede koning als ze die gekregen zouden hebben.

Voorbeelden uit de Schrift

Om te beginnen zou ik wel willen dat mijn tegenstanders beseften en zorgvuldig opmerkten dat de Schrift ons zo vaak en niet voor niets vertelt over Gods voorzienigheid en dat Hij specifiek aan het werk is bij het uitdelen van koninkrijken en het aanstellen van de koningen die Hij wil.

Bij Daniël lees je dat de Heer de tijden en de opeenvolging van tijden verandert en koningen afzet en aanstelt. Daniël 2:21; 2:37 En: ‘Om de levenden te laten erkennen dat de allerhoogste macht heeft over het koningschap van mensen. En Hij geeft dat aan wie Hij wil.’ Daniël 4:17 (4:14) De Schrift staat vol met dit soort uitspraken. Maar deze profetie noemt het speciaal. Nu is genoegzaam bekend wat voor koning Nebukadnezar was. Hij had Jeruzalem ingenomen. Hij was een straf en een verwoester. En toch zegt de Heer bij Ezechiël dat Hij hem Egypte gegeven heeft als beloning voor zijn gehoorzaamheid aan Hem toen Hij het land Israël verwoestte. Ezechiël 29:19-20 En tegen hem zei Daniël: ‘U, koning, bent een koning van de koningen. Aan u heeft de God van de hemel een machtig, sterk en glorierijk koninkrijk gegeven. Aan u, zeg ik, heeft Hij het gegeven en ook alle landen waar mensenkinderen en dieren van het veld en vogels van de hemel wonen. Die heeft Hij in uw hand gegeven en Hij heeft u aangesteld om daarover te regeren.’ Daniël 2:37-38 En ook tegen zijn zoon Belsazar: ‘De allerhoogste koning heeft uw vader Nebukadnezar het koninkrijk en grootheid, eer en glorie gegeven. En vanwege de grootheid die Hij hem gegeven heeft, beefden alle volken, stammen en talen voor hem en vreesden ze voor zijn gelaat.’ Daniël 5:18-19

Als we horen dat Nebukadnezar door God als koning is aangesteld, dan moeten we tegelijk terugdenken aan de hemelse bevelen over het eren en vrezen van de koning. En dan zullen we niet aarzelen de allerslechtste tiran de eerbied te bewijzen die de Heer hem waard gekeurd heeft.

Toen Samuël het volk Israël aankondigde wat ze van hun koningen te verduren zouden hebben, zei hij: ‘Dit zal het recht zijn van de koning die over jullie zal regeren: hij zal jullie zonen nemen en hen inzetten voor zijn wagen, om hen aan te stellen als zijn ruiters en om hen zijn akkers te laten ploegen, zijn oogst binnen te laten halen en zijn wapens te laten maken. Jullie dochters zal hij nemen als zalfbereidsters, keukenmeisjes en baksters. En jullie akkers, jullie wijngaarden en jullie beste olijfgaarden zal hij nemen en aan zijn dienaren geven. Van jullie zaad en jullie wijngaarden zal hij een tiende deel nemen en aan zijn hovelingen en dienaren geven. Jullie slaven, slavinnen en ezels zal hij nemen en gebruiken voor zijn werk. Ook van jullie kuddes zal hij een tiende deel nemen en jullie zullen zijn slaven zijn.’ 1 Samuël 8:11-17

Natuurlijk hadden koningen eigenlijk niet het recht om dit doen. De wet leerde hun heel duidelijk dat ze zich volledig moesten beheersen. Deuteronomium 17:16-20 Maar voor het volk werd dit wel hun recht genoemd. Zij moesten daaraan gehoorzamen en mochten zich er niet tegen verzetten. Het was alsof Samuël zei: ‘Zo ongebreideld zal de begeerte van de koningen worden en jullie mogen die niet intomen. Nee, er zit voor jullie maar één ding op: hun bevelen accepteren en gehoorzamen.’

Jeremia over Nebukadnezar

Vooral belangrijk en opmerkelijk is een passage bij Jeremia. Het is een nogal uitgebreide passage, maar ik wil die toch noemen omdat heel deze kwestie er duidelijk in wordt uitgelegd. ‘“Ik heb de aarde en de mens gemaakt,” zegt de HEER, “en de dieren die op de aardbodem leven, door mijn grote kracht en mijn uitgestrekte arm. En Ik geef ze aan wie het in mijn ogen juist is. En nu heb Ik al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, mijn dienaar, en alle volken en grote koningen zullen hem dienen, totdat voor zijn eigen land de tijd komt. En het zal gebeuren dat als een volk en een koninkrijk hem, de koning van Babel, niet dient, dat Ik dat volk zal bezoeken met het zwaard, de honger en de pest. Daarom: dien de koning van Babel. Dan blijven jullie leven.”’ Jeremia 27:5-17

We zien hoe gehoorzaam de Heer wilde dat die vreselijke en wrede tiran gediend werd, met als enige reden dat hij het koningschap in handen had. Maar dat was omdat hij op de troon van dat koninkrijk gezet en tot de koninklijke majesteit verheven was door een hemels besluit, dat niet geschonden mocht worden. Als we continu in gedachten en voor ogen houden dat door hetzelfde besluit dat het gezag van koningen vaststelt, ook de allerslechtste koningen worden aangesteld, dan zullen er nooit opstandige gedachten in ons opkomen dat een koning behandeld moet worden zoals hij verdient en dat het niet eerlijk is als wij ons schikken onder iemand die zich van zijn kant niet als koning voor ons gedraagt.

Als God iemand aanstelt, wil Hij dat we hem erkennen

Het heeft geen zin als iemand zou tegenwerpen dat dit een speciaal gebod voor de Israëlieten was. Want je moet erop letten waar de Heer dit op baseert. Hij zegt: ‘Ik heb het koningschap aan Nebukadnezar gegeven. Daarom: dien hem. Dan blijven jullie leven.’ Jeremia 27:5-17 We mogen er dus niet aan twijfelen dat als vaststaat dat iemand het koninkrijk gekregen heeft, we hem moeten dienen. En zodra de Heer iemand verheft tot de koninklijke waardigheid, bewijst Hij daarmee voor ons dat Hij wil dat diegene regeert. Want daarover staan algemene bewijzen in de Schrift. Salomo zegt: ‘Vanwege de onrechtvaardigheid van het land zijn er veel vorsten.’ Spreuken 28:2 En Job: ‘Hij neemt de onderwerping weg van koningen en doet opnieuw een gordel om hun middel.’ Job 12:18 Als dat vaststaat, zit er niets anders op dan dat wij dienen. Dan blijven we leven.

Bij de profeet Jeremia staat nog een ander gebod van de Heer. Daarmee beveelt Hij zijn volk de vrede te zoeken van Babel, waar ze als gevangenen heengevoerd waren. Ze moesten Hem om die vrede bidden. Want in de vrede van Babel zou hun vrede liggen. Jeremia 29:7 Kijk, de Israëlieten zijn beroofd van al hun bezittingen, ze zijn weggerukt uit hun huizen, weggevoerd in ballingschap en in een ellendige slavernij geworpen. En dan krijgen ze bevel om te bidden om voorspoed voor hun overwinnaar. Niet zoals wij ergens anders het bevel krijgen om te bidden voor onze vervolgers. Mattheüs 5:44 Nee, om ook zelf onder die overwinnaar voorspoedig te kunnen leven.

Daarom beschouwde ook David het leven van Saul als onschendbaar. David was al door Gods bepaling als koning aangewezen en met Gods heilige olie gezalfd. En Saul vervolgde hem onrechtvaardig, zonder dat hij van zijn kant ergens schuldig aan was. Maar de Heer had zijn belager geheiligd met de eer van het koningschap. Daarom zei David: ‘Ik mag dit mijn heer voor de ogen van de HEER absoluut niet aandoen. Hij is de gezalfde van de HEER. Ik mag mijn hand niet tegen hem uitsteken, want hij is de gezalfde van de HEER.’ 1 Samuël 24:7 En: ‘Ik heb u gespaard. Want ik zei: ik zal mijn hand niet uitsteken tegen mijn heer. Want hij is de gezalfde van de HEER.’ 1 Samuël 24:11 En: ‘Wie zal zijn hand uitsteken tegen de gezalfde van de HEER en onschuldig blijven? Zo waar de HEER leeft, de HEER zal hem treffen. Óf de dag komt dat hij sterft, óf hij komt om als hij ten strijde trekt. Ik zal absoluut niet mijn hand uitsteken tegen de gezalfde van de HEER.’ 1 Samuël 26:9-11

Het is niet aan ons om slechte overheden te straffen

Deze eerbiedige, ja vrome houding zijn we tot het uiterste toe verschuldigd aan al onze overheden. Wat voor overheden dat ook zijn. Ik noem dit steeds opnieuw, omdat we moeten leren niet de personen zelf te beoordelen. We moeten het voldoende vinden dat ze dankzij de wil van de Heer een positie innemen waarin Hij een onschendbare majesteit ingegraveerd heeft.

Maar, zul je zeggen, overheden hebben van hun kant ook verplichtingen tegenover hun onderdanen. Dat heb ik al erkend. Maar als je daaruit opmaakt dat je alleen rechtvaardige overheden hoeft te gehoorzamen, redeneer je dwaas. Immers, ook mannen en hun vrouwen en ouders en hun kinderen zijn door wederkerige verplichtingen aan elkaar verbonden. Maar stel dat ouders of mannen van hun plicht afwijken. Ouders mogen hun kinderen volgens het verbod niet tot woede prikkelen. Efeziërs 6:4 Maar stel dat ze hen zo hard en onbuigzaam behandelen dat ze hen met hun veeleisendheid veel te erg afmatten. Mannen moeten hun vrouwen volgens het bevel liefhebben en als zwakkere vaten ontzien. Efeziërs 5:25; 1 Petrus 3:7 Maar stel dat ze hen heel schandelijk behandelen. Mogen kinderen dan hun ouders of vrouwen hun man minder gehoorzaam zijn? Nee! Ze moeten zich ook schikken onder slechte en liefdeloze ouders of mannen.

Sterker nog, ieder moet juist zijn best doen niet te kijken naar de gebreken van een ander. Dat wil zeggen: je moet niet bij een ander onderzoeken of die zijn plicht wel doet. Nee, ieder moet alleen zichzelf voorhouden wat hij zelf verplicht is. Dit geldt dus ook voor wie onder de macht van anderen geplaatst zijn. Dus stel dat we wreed gekweld worden door een wrede vorst. Stel dat we beroofd en geplunderd worden door een hebzuchtige vorst die graag royaal leeft. Stel dat we verwaarloosd worden door een zorgeloze vorst. En ten slotte, stel dat we vanwege onze vroomheid gekweld worden door een goddeloze en heiligschennende vorst. Dan moeten we in de eerste plaats terugdenken aan onze eigen zonden. Ongetwijfeld tuchtigt de Heer ons vanwege die zonden met zulke gesels. Daniël 9:7 Dan zal onze nederigheid ons ongeduld in toom houden.

Bovendien moeten we dan ook bedenken dat het niet aan ons is om zulke rampen te genezen. Voor ons zit er niets anders op dan de Heer om hulp roepen. Het hart van koningen en de neigingen van koninkrijken zijn in zijn hand. Spreuken 21:1 Hij is de God die staat in de vergadering van de goden. Hij zal oordelen in het midden van de goden. Psalm 82:1 Voor zijn ogen zullen alle koningen en rechters van de aarde neervallen en vergaan, die zijn Christus niet gekust hebben, Psalm 2:12 die onrechtvaardige wetten hebben opgesteld om de armen te onderdrukken voor het gerecht en de zaak van onaanzienlijken geweld aan te doen, om weduwen te plunderen en wezen te beroven. Jesaja 10:1-2

Soms gebruikt God mensen om slechte overheden te straffen

Hier blijkt Gods wonderlijke goedheid, macht en voorzienigheid. Want soms laat Hij onder zijn dienaren mannen opstaan die duidelijk redders zijn. Hij geeft hun een bevel om een misdadige regering te straffen en een onrechtvaardig verdrukt volk uit zijn jammerlijke ellende te bevrijden. En een andere keer gebruikt Hij daarvoor de woede van mensen die heel andere plannen en bedoelingen hebben. Zo verloste Hij het volk Israël door Mozes uit de tirannie van de farao, Exodus 3:7-10 door Othniël uit het geweld van Cusjan-Risjataïm, de koning van Syrië Richteren 3:7-11 en door andere koningen of richters uit andere vormen van slavernij. Zo bedwong Hij door de Egyptenaren de hoogmoed van Tyrus, door de Assyriërs de brutaliteit van de Egyptenaren, door de Chaldeeën de wreedheid van de Assyriërs, door de Meden en de Perzen de overmoed van Babel, toen Cyrus de Meden al had onderworpen. De ondankbaarheid en goddeloze koppigheid van de koningen van Juda en Israël tegenover al zijn zegeningen bedwong en bestrafte Hij de ene keer door de Assyriërs en een andere keer door de Babyloniërs.

Wat betreft de eerste categorie: zulke mannen stonden op na een wettige roeping van God om zulke daden te verrichten. Door de wapens op te nemen tegen koningen, schonden ze daarom niet de majesteit die God door zijn bepaling aan koningen gegeven heeft. Nee, ze waren bewapend vanuit de hemel. Zo bedwongen ze een lagere macht door middel van een hogere macht, net zoals koningen stadhouders mogen straffen.

Wat betreft de andere categorie: ook al waren ze door Gods hand bestemd voor wat Hij goed vond en voerden ze zonder het zelf te weten zijn werk uit, toch hadden ze alleen maar misdadige plannen in gedachten.

Lagere overheden hebben de plicht het volk te beschermen tegen slechte overheden

De ene categorie handelde dus in de volle overtuiging dat ze juist deden en de andere categorie handelde, zoals ik zei, uit een andere opvatting. Maar hoe je ook over die daden van mensen oordeelt, in beide categorieën voerde de Heer zijn werk uit. Hij brak de bloedige scepters van brutale koningen en onderwierp ondraaglijke tirannieën. De vorsten mogen schrikken als ze dat horen!

Ondertussen moeten wij goed oppassen dat we niet het gezag van overheden minachten of schenden. Dat gezag is vol eerbiedwaardige majesteit en God heeft het met heel ernstige geboden bevestigd. Zelfs al berust dat gezag bij mensen die het helemaal niet waard zijn en die het met hun slechtheid besmeuren zoveel ze kunnen. Immers, ook al is de wraak van de Heer de straf voor teugelloze tirannie, daarom mogen wij nog niet meteen denken dat die wraak óns is opgedragen.

Ik heb het nu steeds over privé-personen. Want stel dat er overheidspersonen zijn aangesteld vanuit het volk om de willekeur van koningen te bedwingen. Bijvoorbeeld zoals in het verleden de eforen die tegenover de koningen van Sparta stonden, of de volkstribunen tegenover de Romeinse consuls, of de demarchen tegenover de raad van Athene. Misschien is dat de macht die in de tegenwoordige situatie in elk koninkrijk berust bij de drie standen, als ze hun belangrijkste vergaderingen houden. Ik wil hun absoluut niet verbieden om in overeenstemming met hun plicht de razende bandeloosheid van koningen te bestrijden. Sterker nog, als ze het door de vingers zien als koningen met gewelddadig optreden het arme volk kwellen, is hun gehuichel dat ze het niet zien volgens mij niet vrij van misdadige ontrouw. Want met zulk bedrog verraden ze de vrijheid van het volk, terwijl ze weten dat God bepaald heeft dat ze die moeten beschermen.

God meer gehoorzamen dan de overheid

We hebben vastgesteld dat we gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan de regering van overheden. Maar daarbij moeten we wel altijd één uitzondering maken: die gehoorzaamheid mag ons niet afvoeren van de gehoorzaamheid aan Hem aan wiens wil alle begeerten van koningen onderworpen horen te zijn, voor wiens besluiten hun bevelen moeten wijken en voor wiens majesteit hun scepters moeten buigen. Immers, het zou toch de omgekeerde wereld zijn als we, om mensen tevreden te stellen, Hem zouden beledigen omwille van wie we mensen gehoorzamen!

De Heer is dus de koning van de koningen. Als Hij zijn heilige mond opent, moeten we alleen naar Hem luisteren, vóór we naar iemand anders luisteren en méér dan we naar iemand anders luisteren. Bovendien moeten we ons wel schikken onder de mensen die boven ons staan, maar niet anders dan onder Hem. Als zij iets bevelen dat tegen Hem ingaat, dan mogen we daar geen waarde aan hechten. En dan hoeven we ons niet druk te maken om heel die waardigheid waar overheden mee bekleed zijn. Want die waardigheid wordt geen onrecht gedaan als die zich moet schikken onder die speciale en werkelijk hoogste macht van God.

In overeenstemming met deze redenering verklaart Daniël dat hij niet tegen de koning gezondigd had toen hij niet had gehoorzaamd aan zijn goddeloze bevel. Daniël 6:22-23 Want de koning had zijn grenzen overschreden. Hij was niet alleen onrechtvaardig geweest tegenover mensen. Nee, hij had zijn hoorns opgeheven tegen God en zo zelf zijn eigen macht tenietgedaan.

Aan de andere kant worden de Israëlieten veroordeeld omdat ze te gemakkelijk een goddeloos gebod van de koning gehoorzaamden. Want toen Jerobeam gouden kalveren had gegoten, hadden ze Gods tempel losgelaten en waren ze omwille van hem afgedwaald naar nieuw bijgeloof. 1 Koningen 12:30 Even gemakkelijk bogen hun nakomelingen zich voor de wensen van hun koningen. De profeet Hosea verwijt hun streng dat ze de geboden van de koning accepteerden. Hosea 5:11-13

Het is dus absoluut niet prijzenswaardig als vleiers aan het het hof zich verschuilen achter het excuus van gehoorzaamheid en daarmee eenvoudigen bedriegen door te zeggen dat het hun niet is toegestaan iets te weigeren dat een koning hun opdraagt. Alsof God zijn recht zou hebben overgedragen aan stervelingen, toen Hij hen aanstelde over het menselijk geslacht! En alsof aardse macht tekortgedaan wordt als je die onderwerpt aan degene die die macht gegeven heeft en voor wiens ogen ook de hemelse regeringen onderdanig vrezen!

Ik weet hoe groot en direct gevaar er dreigt als je zo standvastig bent. Koningen dulden niet dat ze geminacht worden. Dan worden ze heel kwaad, want hun woede is de bode van de dood, zegt Salomo. Spreuken 16:14 Maar de hemelse heraut Petrus heeft dit gebod afgekondigd: we moeten God meer gehoorzamen dan mensen. Handelingen 5:29 We kunnen ons dus troosten met deze gedachte: als we liever alles verduren dan dat we afwijken van vroomheid, dan bewijzen we de gehoorzaamheid die God eist.

En om te voorkomen dat ons de moed in de schoenen zinkt, geeft Paulus ons nog een andere prikkel. Hij zegt dat Christus ons voor de hoge prijs gekocht heeft die onze verlossing Hem heeft gekost, om te voorkomen dat wij slaven zouden worden van de slechte begeerten van mensen. Laat staan dat we ons zouden moeten schikken onder hun goddeloosheid! 1 Korinthiërs 7:23

Lof aan God

Voetnoten

  1. 752

    Zoals de rechtbank van Cassius; Seneca, De clementia I, 3,3.

  2. 753

    Nerva (30-98), keizer van Rome.

  3. 754

    Augustinus, Epistulae, 138.

  4. 755

    Cicero,De officiis I, 11,35.

  5. 756

    Augustinus, Epistulae, 138,2.

Voetnoot 752

Zoals de rechtbank van Cassius; Seneca, De clementia I, 3,3.

Voetnoot 753

Nerva (30-98), keizer van Rome.

Voetnoot 754

Augustinus, Epistulae, 138.

Voetnoot 755

Cicero,De officiis I, 11,35.

Voetnoot 756

Augustinus, Epistulae, 138,2.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.