EEN psalm van David.Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o HEERE.

Ik zal verstandiglijk handelen in den oprechten weg; wanneer zult Gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen in oprechtheid mijns harten.

Ik zal geen Belialsstuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.

Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.

Die zijn naaste in het heimelijk achterklapt, dien zal ik verdelgen; die hoog van ogen is en trots van hart, dien zal ik niet vermogen.

Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in den lande, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.

Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugens spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.

Allen morgen zal ik alle goddelozen des lands verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.

Lees in Bijbel met uitleg (BMU)Nederlandse uitleg bij de Statenvertaling · met BMU-abonnement

Statenvertaling