EEN psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jedúthun.
Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong, ik zal mijn mond met een breidel bewaren; terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:
HEERE, maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete hoe vergankelijk ik zij.
Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.
Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdellijk; men brengt bijeen, en men weet niet wie het naar zich nemen zal.
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Verlos mij van al mijn overtredingen; stel mij niet tot een smaad des dwazen.
Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.
Neem Uw plaag van op mij weg; ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.
Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.
Hoor, HEERE, mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore, zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U; een bijwoner, gelijk al mijn vaders.
Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga en ik niet meer zij.