EEN onderwijzing van David, voor den opperzangmeester;

Als Doëg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimélech.

Wat roemt gij u in het kwade, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.

Uw tong denkt enkel schade; als een geslepen scheermes, werkende bedrog.

Gij hebt het kwade liever dan het goede; de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela.

Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.

God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.

En de rechtvaardigen zullen het zien en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende:

Zie den man die God niet stelde tot zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen.

Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid, eeuwiglijk en altoos.

Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten, want hij is goed voor Uw gunstgenoten.

Lees in Bijbel met uitleg (BMU)Nederlandse uitleg bij de Statenvertaling · met BMU-abonnement

Statenvertaling