EEN gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schuschan Eduth;

Als hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotámië en met de Syriërs van Zoba, en Joab wederkwam en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalfduizend.

O God, Gij hadt ons verstoten, Gij hadt ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons.

Gij hebt het land geschud, Gij hebt het gespleten; genees zijn breuken, want het wankelt.

Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien, Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.

Maar nu hebt Gij dengenen die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid. Sela.

Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden, geef heil door Uw rechterhand en verhoor ons.

God heeft gesproken in Zijn heiligdom; dies zal ik van vreugde opspringen, ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.

Gilead is mijne en Manasse is mijne, en Efraïm is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.

Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; juich over mij, o gij Palestina.

Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?

Zult Gij het niet zijn, o God, Die ons verstoten hadt, en niet uittoogt, o God, met onze heirkrachten?

Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid, want des mensen heil is ijdelheid.

In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden.

Lees in Bijbel met uitleg (BMU)Nederlandse uitleg bij de Statenvertaling · met BMU-abonnement

Statenvertaling