EEN gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altáscheth.
Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij mensenkinderen?
Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde.
De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan.
Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oor toestopt,
Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen die ervaren is met bezweringen om te gaan.
O God, verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE.
Laat hen smelten als water, laat hen daarheen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat ze zijn alsof zij afgesneden waren.
Laat hem heengaan als een smeltende slak; laat hen, als de misdracht ener vrouw, de zon niet aanschouwen.
Eer dat uw potten den doornstruik gewaarworden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen.
De rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen.
En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt.