EEN psalm van David, voor den opperzangmeester.

Welgelukzalig is hij die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige; de HEERE zal hem bevrijden ten dage des kwaads.

De HEERE zal hem bewaren en zal hem bij het leven behouden, hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in zijner vijanden begeerte.

De HEERE zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijn krankheid verandert Gij zijn ganse leger.

Ik zeide: O HEERE, zijt mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.

Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven en zijn naam vergaan?

En zo iemand van hen komt om mij te zien, hij spreekt valsheid, zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt ervan.

Al mijn haters mompelen tezamen tegen mij; zij bedenken tegen mij hetgeen mij kwaad is, zeggende:

Een Belialsstuk kleeft hem aan; en hij die nederligt, zal niet weder opstaan.

Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzene tegen mij grotelijks verheven.

Maar Gij, o HEERE, zijt mij genadig en richt mij op; en ik zal het hun vergelden.

Hierbij weet ik dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.

Want mij aangaande, Gij onderhoudt mij in mijn oprechtheid; en Gij stelt mij voor Uw aangezicht in eeuwigheid.

Geloofd zij de HEERE, de God Israëls, van der eeuwigheid en tot in der eeuwigheid. Amen, ja amen.

Lees in Bijbel met uitleg (BMU)Nederlandse uitleg bij de Statenvertaling · met BMU-abonnement

Statenvertaling