EEN psalm van David, voor den opperzangmeester.

Hoor, o God, mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.

Verberg mij voor den heimelijken raad der boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid,

Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl,

Om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten; haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet.

Zij sterken zichzelven in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien?

Zij doorzoeken allerlei schalkheid, ten uiterste doorzoeken zij wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans en het diepe hart.

Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.

En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven; eenieder die hen ziet, zal zich wegpakken.

En alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandiglijk aanmerken.

De rechtvaardige zal zich verblijden in den HEERE en op Hem betrouwen; en alle oprechten van hart zullen zich beroemen.

Lees in Bijbel met uitleg (BMU)Nederlandse uitleg bij de Statenvertaling · met BMU-abonnement

Statenvertaling