EEN psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jedúthun.

Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.

Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn hoog Vertrek, ik zal niet grotelijks wankelen.

Hoelang zult gijlieden kwaad aanstichten tegen een man? Gij allen zult gedood worden; gij zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur.

Zij raadslagen slechts om hem van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij, maar met hun binnenste vloeken zij. Sela.

Doch gij, o mijn ziel, zwijg Gode; want van Hem is mijn verwachting.

Hij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil; mijn hoog Vertrek, ik zal niet wankelen.

In God is mijn heil en mijn eer; de rotssteen mijner sterkte, mijn toevlucht, is in God.

Vertrouwt op Hem te allen tijde, o gij volk; stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.

Immers zijn de gemene lieden ijdelheid, de grote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij tezamen lichter zijn dan de ijdelheid.

Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel; als het vermogen overvloedig aanwast, zet er het hart niet op.

God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is.

En de goedertierenheid, o Heere, is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk.

Lees in Bijbel met uitleg (BMU)Nederlandse uitleg bij de Statenvertaling · met BMU-abonnement

Statenvertaling