EEN onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Neginôth;
Als de Zifieten gekomen waren en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?
O God, verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.
O God, hoor mijn gebed; neig de oren tot de redenen mijns monds.
Want vreemden staan tegen mij op en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela.
Zie, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen die mijn ziel ondersteunen.
Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid.
Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o HEERE, loven, want hij is goed.
Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid, en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden.