VOOR den opperzangmeester, op de Gittith, een psalm van Asaf.

Zingt vrolijk Gode, onze Sterkte; juicht den God Jakobs.

Heft een psalm op en geeft den trommel, de lieflijke harp met de luit.

Blaast de bazuin in de nieuwe maan, te bestemder tijd op onzen feestdag.

Want dat is een inzetting in Israël, een recht van den God Jakobs.

Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als Hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb een spraak die ik niet verstond.

Ik heb zijn schouder van den last onttrokken, zijn handen zijn van de potten ontslagen.

In de benauwdheid riept gij, en Ik hielp u uit, Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; Ik beproefde u aan de wateren van Meríba. Sela.

Mijn volk, zeide Ik, hoor toe, en Ik zal onder u betuigen; Israël, of gij naar Mij hoordet!

Er zal onder u geen uitlands god wezen, en gij zult u voor geen vreemden god nederbuigen.

Ik ben de HEERE uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.

Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord, en Israël heeft Mijner niet gewild.

Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen.

Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israël in Mijn wegen gewandeld had!

In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben, en Mijn hand gewend hebben tegen hun wederpartijders.

Die den HEERE haten, zouden zich Hem geveinsdelijk onderworpen hebben, maar hunlieder tijd zou eeuwig geweest zijn.

En Hij zou het gespijsd hebben met het vette der tarwe; ja, Ik zou u verzadigd hebben met honing uit de rotsstenen.

Lees in Bijbel met uitleg (BMU)Nederlandse uitleg bij de Statenvertaling · met BMU-abonnement

Statenvertaling