EEN psalm van David.Gezegend zij de HEERE, mijn Rotssteen, Die mijn handen onderwijst ten strijde, mijn vingeren ten oorlog;
Mijn Goedertierenheid en mijn Burcht, mijn hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij; mijn Schild, en op Wien ik mij betrouwe; Die mijn volk aan mij onderwerpt.
O HEERE, wat is de mens, dat Gij hem kent? Het kind des mensen, dat Gij het acht?
De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
Neig Uw hemelen, HEERE, en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken.
Bliksem bliksem en verstrooi hen, zend Uw pijlen uit en verdoe hen.
Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;
Welker mond leugen spreekt; en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.
O God, ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.
Gij Die den koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;
Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt; en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;
Opdat onze zonen zijn als planten welke groot geworden zijn in hun jeugd; onze dochters als hoekstenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis.
Dat onze winkels vol zijnde, den enen voorraad na den anderen uitgeven; dat onze kudden bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze hoeven vermenigvuldigen.
Dat onze ossen welgeladen zijn; dat geen inbreuk, noch uitval, noch gekrijs zij op onze straten.
Welgelukzalig is het volk dien het alzo gaat; welgelukzalig is het volk welks God de HEERE is.