EEN psalm voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

Gij zijt Uw land gunstig geweest, HEERE; de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend.

De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.

Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid, Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns.

Breng ons weder, o God onzes heils, en doe teniet Uw toornigheid over ons.

Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?

Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?

Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil.

Ik zal horen wat God de HEERE spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keren.

Zekerlijk, Zijn heil is nabij degenen die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone.

De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten, de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen.

De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van den hemel nederzien.

Ook zal de HEERE het goede geven, en ons land zal zijn vrucht geven.

De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht heen gaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen.

Lees in Bijbel met uitleg (BMU)Nederlandse uitleg bij de Statenvertaling · met BMU-abonnement

Statenvertaling