EEN lied, een psalm van Asaf.

O God, zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God.

Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw haters steken den kop op.

Zij maken listiglijk een heimelijken aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen tegen Uw verborgenen.

Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israëls niet meer gedacht worde.

Want zij hebben in het hart tezamen geraadslaagd; tegen U hebben zij een verbond gemaakt;

De tenten Edoms en der Ismaëlieten, Moab en de Hagarenen,

Gebal en Ammon en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus;

Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn den kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela.

Doe hun als Midian, als Sísera, als Jabin aan de beek Kison,

Die verdelgd zijn te Endor; zij zijn geworden tot drek der aarde.

Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeëb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmûna,

Die zeiden: Laat ons de schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen.

Mijn God, maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.

Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt,

Vervolg hen alzo met Uw onweder, en verschrik hen met Uw draaiwind.

Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o HEERE, Uw Naam zoeken.

Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in der eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden en omkomen;

Opdat zij weten, dat Gij alleen met Uw Naam zijt de HEERE, de Allerhoogste over de ganse aarde.

Lees in Bijbel met uitleg (BMU)Nederlandse uitleg bij de Statenvertaling · met BMU-abonnement

Statenvertaling