AAN de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.

Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen die daarin zijn.

Als aldaar die ons gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden, en zij die ons overhoop geworpen hadden, vreugde, zeggende: Zingt ons een van de liederen Sions.

Wij zeiden: Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?

Indien ik u vergete, o Jeruzalem, zo vergete mijn rechterhand zichzelve;

Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap.

HEERE, gedenk aan de kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem, die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fundament toe.

O dochter van Babel, die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn die u uw misdaad vergelden zal, die gij aan ons misdaan hebt.

Welgelukkig zal hij zijn die uw kinderkens grijpen en aan de steenrots verpletteren zal.

Lees in Bijbel met uitleg (BMU)Nederlandse uitleg bij de Statenvertaling · met BMU-abonnement

Statenvertaling