EEN psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester.

De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.

Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.

De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot wel doen.

Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.

O HEERE, Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.

Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE, Gij behoudt mensen en beesten.

Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.

Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten.

Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.

Strek Uw goedertierenheid uit over degenen die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.

De voet der hovaardigen kome niet over mij; en de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven.

Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten en kunnen niet weder opstaan.

Lees in Bijbel met uitleg (BMU)Nederlandse uitleg bij de Statenvertaling · met BMU-abonnement

Statenvertaling