EEN onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Máchalath.
De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand die goed doet.
God heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht.
Eenieder van hen is teruggekeerd, tezamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand die goed doet, ook niet één.
Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan.
Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, daar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen.
Och, dat Israëls verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn.