DAVIDS Schiggajôn, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.
HEERE mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers en red mij;
Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.
HEERE mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is,
Indien ik kwaad vergolden heb dien die vrede met mij had (ja, ik heb gered dien die mij zonder oorzaak benauwde),
Zo vervolge de vijand mijn ziel en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen. Sela.
Sta op, HEERE, in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak tot mij; Gij hebt het gericht bevolen.
Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.
De HEERE zal den volken recht doen; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtheid, die bij mij is.
Laat toch de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God.
Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.
God is een rechtvaardige Rechter, en een God Die allen dag toornt.
Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen en dien bereid,
En heeft dodelijke wapenen voor Zich gereedgemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers tewerkstellen.
Zie, hij is in arbeid van ongerechtigheid en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.
Hij heeft een kuil gedolven en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve die hij gemaakt heeft.
Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen.
Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen.